Dag 1

 

Tien voor vier ’s morgens. Ik kijk in de spiegel en zie een gezicht dat op onweer staat. Zoals gewoonlijk ben ik de eerste vierdaagsedag weer begonnen met een paar onnozele fouten. Dat begon al bij het wakker worden. Stadsradio Nijmegen had het lumineuze idee geopperd om mij live in de uitzending wakker te bellen. Ik legde maandagavond keurig de telefoon naast mijn bed, in de geruststellende veronderstelling dat ik geen wekker nodig had. Daarbij vergetend dat ze bij de radio alleen mijn mobiele nummer hadden… ’s Morgens word ik dus wakker van mijn eigen wekker, die ik voor de zekerheid wel had gezet, maar tien minuten te laat. Ondertussen heb ik wel vijf keer gedróómd dat ik werd wakker gebeld, wat een onrustig slaapbeeld tot gevolg had, niet bepaald een voordeel als je rond half vier moet opstaan.
Als ik er uiteindelijk van overtuigd ben dat ik alles goed heb gedaan, waarbij ik extra aandacht heb besteed aan de volgorde lenzen indoen en vaseline smeren, poets ik mijn tanden. Al snel merk ik dat er iets mis is. Wat smaakt die tandpasta goor! Het blijkt de peutertandpasta van mijn zoon te zijn. Hoe kon dit nou
gebeuren? Geschokt spuug ik het spul uit en bekijk de tubes. De peutertandpasta onderscheidt zich slechts van de gewone door een matig geproportioneerde afbeelding van een grappig bedoelde aap. Mijn vriendin vond het zo “leuk” als de hele familie hetzelfde merk tandpasta had. Jaja… En dan vraag je je af hoe ze het in hun hoofd halen die kinderen zo’n smerige tandpasta voor te schotelen. Toen ík klein was hadden we die lekkere Biba Blendi tandpasta, die naar frambozen smaakte en als logo een olijke bever had. Maar ik dwaal af. Ik ging dus de vierdaagse lopen.

Om half 5 bereik
ik, na een lastige slalom tussen dronken uitgaansjongeren over de Waalbrug, de fietsenstalling. Wat denk je? Vol! Dan maar gratis en voor niks op het terrein van een vaag gebouw.
Omdat de stomste veertig kilometer-lopers alweer en masse de poorten verstoppen spreek ik een kaartknipper op straat aan. Hij scant mij pas en vraagt mij waar mijn rode hoesje is. Pardon? Wat voor hoesje? “Dat heb je bij de inschrijving gekregen”. “Ik heb helemaal niks gekregen”. “Jawel, toen je je kaart ophaalde”. Ik besef tot mijn ergernis dat deze bureaucraat het heeft over een soort van keycord met
rechthoekige hoes dat de lopers worden geacht te dragen om zich van zogenaamde “zwartlopers” te onderscheiden. Een attribuut voor sukkels. “Oh toen, nee, die waren op”. “Dan moet je bij de finish straks vragen of ze zo’n hoesje voor je hebben”. Het ligt op het puntje van mijn tong en het scheelt echt een haar of ik had het tegen hem gezegd: “weet jij wat je met dat hoesje kunt doen?”. Maar ik houd me in en neem me zwijgend voor nooit van mijn leven enig sukkelhoesje van deze organisatie te dragen.

Vijf uur. Op de waalbrug
gaat traditioneel de fles Southern Comfort rond. Ik lafaard neem om niet met de traditie te breken een heel klein muizenslokje waar een amoebe nog niet dronken van zou worden. Het valt me trouwens alleszins mee, maar dat ligt volgens Jos aan het feit dat er tegenwoordig nog maar 37% alcohol in zit in plaats van 46.
Aan het eind van de brug wacht een absurde verrassing. Bij de trap staat een politieagent met een dranghek te waken dat iedereen de lus neemt in plaats van de trap. Waar gaat dit nu weer over? Ineens dringt het tot me door: de organisatie
heeft de politie ingehuurd om ervoor te zorgen dat niemand honderd meter afsnijdt! Dit terwijl uitgerekend in de ochtend nooit iemand de trap neemt. De kleinzieligheid van de organisatie heeft een nieuwe grens overschreden. En bedenk beste lezer, dat gaat allemaal van úw belastingcenten!
Ik vraag de agent of hij er ’s middags ook nog staat. Nee, dan ligt hij in bed. Ik knoop dat goed in mijn oren.

Kwart voor zes. Ik loop richting Bemmel en word aan de linkerkant voorbijgelopen door een kleine Italiaanse man die een soort instappers draagt. Ik voel een grenzeloze woede in me
opborrelen. Die misselijke Italiaan zit natuurlijk tjokvol epo, dat kan niet missen. Ergens achter de lopers rijdt zijn vrouw in een verzorgingsauto vol ampullen. En wat doet de organisatie? Niks! En ik moet verdorie op bier lopen. Eigenlijk wil ik hem er op aanspreken, maar ik besef de nutteloosheid van die actie. De man zal waarschijnlijk ontkennen. Onze groep (12 man sterk blijkt na inventarisatie) doodt de tijd door middel van nutteloze conversatie. Groepsgenoot Richard voert de meest interessante dialoog met een loper die hij niet kent:
Richard: “Doet u dat wel vaker?”
Duitser: “Ich verstehe nicht”.
Richard: “DOET
U DAT WEL VAKER?!!
Nou ja, je had erbij moeten zijn denk ik.
In Bemmel ben ik tijdenlang bezig om er achter te komen wat de “Zwitserse week” inhoudt. Ik kom uiteindelijk tot de conclusie dat het moet betekenen dat ze alles een beetje duurder hebben gemaakt.

Tussen Bemmel en Elden lopen we een stuitend saai stuk dat slechts door twee zaken enigszins wordt opgefleurd.
Om te beginnen komen na Bemmel de snelwandelaars van de veertig kilometer ons voorbij. Dit is echt een kostelijk gezicht. Eigenlijk moet je het gezien hebben, een beschrijving zegt zo weinig. Ik probeer het
toch: ze gaan bij voorkeur gekleed in een hemdje met een ultrakort glansbroekje, en bij het lopen hanteren ze een curieuze houterige tred, waarbij hun armen kruiselings met grote kracht voor hun bovenlichaam zwaaien, als waren zij op drift geraakte landbouwvoertuigen. Onnodig te zeggen dat de nadering door een snelwandelaar niet van gevaar ontbloot is.
Het tweede lichtpuntje is een groepje burgerpersoneel van de marine met zo’n betweter voorop die niet al te snugger is. Ik loop weer met Richard en we horen hem zeggen “als je 50 bent hoef je maar veertig kilometer te lopen”, en dat op een
toon van iemand die zojuist aan zijn toehoorders laat weten dat hij vorige week de relativiteitstheorie even heeft weerlegd.
Wij draaien ons dus om, en zeggen: “Oh ja??”. Ja, zegt de man, als je 50 bent hoef je maar veertig kilometer. “Meen je dat nou”? De man begint de zaak nog eens uiteen te zetten waarbij nu ook het vraagstuk van de bepakking wordt aangesneden. Ik zeg: “ja maar hoe weet jij dat dan allemaal joh?”. “Uit het boekje”. “Oh, maar wij hebben geen boekje van de marine”. “Nee, het boekje van de vierdaagse”. “Oh, maar dat gooien
wij altijd weg”. “Ja maar je moet eerst lezen”. Enzovoort enzovoort. 10 minuten gratis lol, voordat we het marinepersoneel, dat iets harder loopt laten gaan.
Na een aangename kop koffie in Huissen en een dure beker soep in Elden gaat het op weg naar Elst, waar ik zeer naar verlang (overigens verlang ik alleen tijdens de vierdaagse naar Elst. Daarbuiten interesseert dit oninteressante dorp me niets, maar dat terzijde).

Kwart voor 12. Ik loop over de waterbaan in Elst. Die straat heet niet zo, maar ik noem hem zo omdat daar heel veel water wordt aangeboden door bewoners. Ik besluit
hier het equivalent in water te drinken van het bier dat komen gaat in Elst. Dit heeft tot gevolg dat ik met klotsende maag de hoofdstraat indraai.
Wat in Elst vooral opvalt is de commercie die de doorgang door het dorp heeft ontdekt. Meteen als ik de hoek om loop word ik lastiggevallen door een walgelijke muis van 1 meter 50 die me met alle geweld naar het pretpark Koningin Julianatoren in Apeldoorn wil hebben. Dank je de koekkoek, dat is dat park waar die foeilelijke gele stickers van op die burgerbakken geplakt zitten. Ik zeg slechts één woord:
Opel. Ik moet echt de aandrang bevechten om die muis een dusdanige douw te geven dat ie omkeilt met zijn topzware nephoofd. Maar ook nu houd ik me in. Ik slalom behendig langs iemand die folders uitdeelt maar dan wordt me de pas afgesneden door Bakker Bart. Niet hijzelf, maar zijn personeel. Dat deelt namelijk een eetbaar geval uit dat eruit ziet als een blok aanmaakhout bestrooid met zaagsel. Ik laat deze traktatie aan me voorbij gaan, en dat is een verstandig besluit, want nog een kilometer ver zien we aangevreten blokken aanmaakhout platgetrapt op de grond liggen.
Ook een zweetband met de firmanaam laat ik aan me voorbij gaan. Ik mis trouwens de gigantische Heinz-fles. De plaatselijke ketchupboer is, blijkt later, net buiten het dorp gaan staan met zijn toastjes koude kots, waar ik geheel naar waarheid op hun aanbod antwoord met “nu liever niet”.
Enfin, in Elst wordt het tijd, hoog tijd mag ik wel zeggen, voor het eerste biertje. Temeer daar ik met tot nu toe voortbeweeg alsof ik over gesmolten teer moet lopen. Bovendien sputteren mijn quadriceps op onaangename wijze tegen, en meen ik overal langzaam opstekende pijntjes te voelen. Omdat onze groep
12 man telt wordt besloten een hele krat bier aan te schaffen. De goede rekenaar heeft al ontdekt dat dat twee flesjes de man inhoudt, en die klok ik smakelijk weg.

Het zal waarschijnlijk door de rust komen, maar van Elst naar Valburg loop ik als in mijn beste jaren. Als een kievit overbrug ik de toch niet misselijke afstand en in no time bereiken we Valburg waar ook nog wat alcohol wordt genuttigd. Op naar Slijk-Ewijk! Ook daar nuttig ik wat, maar op weg naar Oosterhout merk ik dat ik mijn hand heb overspeeld. Ik loop samen met mijn
broer maar het gaat maar half zo hard als daarvoor. Zelfoverschatting heet dat. Met een lege beker biets (of bedel) ik nog een glas koud bier bij een norsige corpulente ramptoerist langs de kant, mijn laatste succesje. Maar daarna is het op de automatische piloot de dijk op naar Lent. Bij café de Zon tref ik mijn familie. Hoewel het de bedoeling is dat Fons over twaalf jaar ook meeloopt baart zijn attitude mij zorgen. Zijn aanvankelijke desinteresse slaat zelfs om in afkeer. Daar moet dus nog veel gebeuren. Hoewel mee kan spelen dat het joch nog maar elf maanden oud is natuurlijk. Na wat pils loop ik met mijn broer vol verwachting naar de trap van de Waalbrug. En ja hoor! De koddebeier is verdwenen! Jubelend beklim ik de trap.

Om twintig voor vijf wandel ik kwiek de Wedren op en lever mijn kaart in. Een topprestatie!
Inspectie leert me dat ik een heel kleine blaar op een teen heb. En mijn bovenbenen voelen aan alsof we verroest zijn, maar na een goede nachtrust zal alles anders lijken. Hoop ik…

In vroegere verslagen nam ik traditioneel de Biermeter op. Dit verslag komt echter integraal op de site
van Stadsradio Nijmegen en die moeten aan hun reputatie denken. Daarom een primeur…..de Versnaperingenmeter!
- twee flesjes bier in Elst
- twee glazen bier in Valburg
- een flesje bier in Slijk-Ewijk
- een glas bier in Oosterhout
- anderhalf glas bier in Lent
Totaal: zeveneneenhalve versnapering. Oftewel twee liter bier. Dat valt alleszins mee!
Morgen de zwaarste dag!

 

Dag 2

 

Een rare dag!
Eerst al een interessant krantenbericht: meer uitvallers dan ooit op dag 1! Kijk, ik gun absoluut niemand dat hij uitvalt, maar dat neemt niet weg dat ik me ineens weer een ongelooflijke bink en macho voel. Jaja, al die figuren vallen op dag 1 uit, maar wie loopt nog ongetraind in de Vierdaagse rond? Juist! Volgens de vierdaagsearts zou het komen doordat mensen te weinig drinken. Dat zou best wel eens kunnen, want als ik te weinig drink loop ik inderdaad de kans uit te vallen.

De dag begon sowieso al raar. Ik werd vandaag volgens afspraak wakker
gebeld door Stadsradio Nijmegen. Mijn conditie viel me alleszins mee. Mijn bovenbenen voelden slechts lichtjes getergd aan, en ik liep zonder problemen de trap op en af. Maar was ik nu echt wakker, om half vier? Kennelijk niet, getuige het volgende. Ik kleed mij altijd om op de logeerkamer, om Yvette en Fons niet te storen. Wie ik wel stoor is de kat, die op de logeerkamer slaapt, het liefst op een shirt van mij. Afijn, ik kom terug van mijn bord brinta, en het eerste dat ik denk als ik de logeerkamer op loop is “waarom heeft die kat het licht niet uitgemaakt?”. Bizar! Even voor de mensen die geen kat hebben: katten maken het licht niet uit, ze kunnen namelijk niet bij het lichtknopje. Ik was dus nog volkomen verdwaasd op de vroege morgen. Na de Waalbrug nam ik ook nog een afslag te vroeg, in mijn eigen stad. Het moest niet gekker worden! Ik kijk de controleur bij de start argwanend aan. Gaat hij ook weer zeiken over een hoesje? Nee, hij scant zakelijk mijn kaart. Uiteindelijk dus aan het lopen. De groep telt helaas één uitvaller, de debutant Sjoerd, wiens voeten opgezwollen bleken.

Voor ik over het lopen begin wil ik eerst nog een omissie rechtzetten van gisteren. Ik vergat namelijk het eigenaardigste incident van de dag te beschrijven: in Bemmel liep er zomaar een gans met de lopers mee! Geen grap, serieus. Ik zei nog tegen Jos: “die loopt de vierdaagse niet uit”, en ik heb gelijk gekregen, vandaag de hele dag geen gans gezien. Maar dit moest niet onvermeld blijven vind ik.

De tocht in het donker over de Heyendaalseweg kent weinig bijzonderheden. Maar ik ben wel blij wanneer we arriveren bij café Harten Twee, voor koffie. Want om nou
te zeggen dat ik makkelijk op gang kom, nee. Na die koffie gaat het al beter. Toch voelen mijn bovenbenen lange tijd pijnlijk aan, zodat ik me na ieder pauze op gang moet trekken.
Het eerste doel na de koffie is Alverna. Een voorgehucht van Wijchen. Ik bewaar daar bepaald geen fijne herinneringen aan. Dit omdat ik enkele jaren geleden daar een blaar voelde opkomen die mijn functioneren op akelige wijze begon te belemmeren. Noodgedwongen moest ik er op doorlopen naar Balgoy, alwaar de meest ervaren leden van ons groepje mij opereerden met een omgebogen button. En zo
heeft iedere loper zijn horrorverhalen.
In Alverna aangekomen kan ik echter opgelucht ademhalen. Voorlopig is alles wel, en de plaats waar ik indertijd het provisorisch medisch ingrijpen onderging dient dit jaar slechts als fourageerplaats, met soep
Na die soep gaat het echt beginnen. We worden de lus ingestuurd die uiteindelijk naar de afschuwelijke dijk van Niftrik leidt. Al snel kom ik daar alleen te lopen. Ik besluit de hulp van mijn MP3-speler in te roepen en al snel helpt de herrie in mijn oren me op weg. Ondanks het feit dat ik een stuk sneller lijk
te lopen, zie ik verschillende mensen van mijn groep langzaam van me weglopen. En dan bedoel ik aan de voorkant. Ik merk dat ik steeds trager loop. Het enige dat me op de been houdt is de wetenschap dat in Niftrik de voetbalkantine met ijskoud bier wacht. Beste lezer, wanneer je merkt dat je niet goed loopt gaat alles je irriteren. De mensen, de omgeving, de vogels. Ik zie dat medeloper Mathieu gebruik maakt van een MP3-speler, die in ieder geval tevens dienst doet als telefoon, camera en agenda. Verdomme nog aan toe, waar slaat dit op? Wat voor maffe dingen gooien ze tegenwoordig op de markt? Ik durf niet te vragen wat het ding nog meer kan, bang als ik ben dat er tevens een Zwitsers army knife in verwerkt zit en dat het ding ook nog ’s avonds je afwas doet. Mathieu maakt het goed door een slok van zijn flesje Southern Comfort aan te bieden, waarvan ik dit keer een stevige slok neem. Maar ook dat helpt niet. In no time loop ik weer alleen over die dijk, terwijl het keihard waait en de regendruppels in mijn gezicht slaan. Ik ontvouw mijn parapluutje waarvan prompt twee baleinen breken. Wat een ellende! Na enige tijd gaan waanzin en werkelijkheid volledig door elkaar lopen. Zo ben ik er van overtuigd dat ik de poema heb gezien. Hij zit hier! Hoe heet ie… Winnie de poema! Niks Veluwe, hij zit ergens bij Niftrik! Verdorie, er moet iets gebeuren, ik moet de zinnen verzetten. Idee: een broodje! Yvette heeft mijn broodjes gesmeerd met pindakaas en jam, en dan bij elkaar. Dus pindakaas en jam op één broodje. Dit heeft een ingewikkeld smaakpalet tot gevolg, waar de eter zijn volledige aandacht aan dient te wijden om er optimaal van te genieten. Even ben ik aangenaam afgeleid, maar dan is het broodje op. Ik kan nog maar één ding denken: de kantine! De kantine met de ijskoude flesjes bier. Mijn favoriete rustplaats. Als we de bebouwde kom inlopen val ik bijna stil, alsof de benzine op is. Puur op karakter sleep ik me richting sportvelden. Dan zie ik mijn groepsgenoten in een tuin zitten die níet bij die kantine hoort. Een angstig voorgevoel bekruipt me. Het zal toch niet zo zijn dat… Tussen mijn vingers door kijk ik voorzichting naar links. De poort is dicht! Dit is een ramp! Een ware catastrofe! Doffe berusting valt als een deken over me heen, terwijl mijn wandelgenoten geïnteresseerd mijn reactie gadeslaan en Frank zelfs een foto maakt van mijn ernstig teleurgesteld gezicht. Wat nu? Ik weet het niet meer. Jos2 (ja, we hebben twee Jossen, kan er ook niks aan doen) biedt me een slok van zijn flacon met Drambuie aan. Ik besluit niet te weigeren. Er zit niets anders op dan na een minuut of tien door te lopen. Dan: goed bericht! Mijn neef Job heeft gebeld: na de tunnel over het spoor is er een tent met bier! Half uur lopen. Als ik daar als een van de laatsten arriveer staat er inderdaad bier klaar, maar het regent ook pijpenstelen. En daar zitten we dan: in de stromende regen achter een fles Heineken. Mathieu verwoordt het treffend: “nu heb ik bier en ben ik nóg niet blij”. Waarop zijn vader Jos opmerkt “had je dan liever géén bier gehad…”.
We laten het bij één flesje en vijf minuten nadat we vertrekken klaart het verdorie op!

Door al die perikelen zitten we te ver vooraan zodat we in een te grote massa door Wijchen moeten lopen. Dit
lossen we op door een lange pauze van drie kwartier in zaal Verploegen, de minst gezellige zaal van Nederland, maar wel lekker groot. Als we vertrekken merk ik tamelijk goed dat ik twee halve liters heb gedronken. In ieder geval zijn alle pijntjes weg. Na een tocht zonder bijzonderheden naar Beuningen drinken we nog wat bij een vrijgevige familie aldaar. Ik voel nu echt totaal geen pijn meer. Iets verderop: een man biedt gevulde koeken aan. Hij heeft echter ook een tap! Om kort te gaan, de gevulde koek wordt weggespoeld en dan zitten mijn broer Paul en ik (de rest zit inmiddels voor ons) aardig in de achterhoede. We oogsten genant veel applaus, als achterblijvende losers. Maar ja, ik kan moeilijk zeggen “nee joh, we zijn gewoon wat vertraagd” wanneer mensen klappen. Trouwens, ik vind dat ik dat applaus dubbel en dwars heb verdiend. Zonder training Beuningen bereikt, het is wat.

Buiten Beuningen lopen we mijn oom Jo tegen het lijf. Hij heeft een leeg bierflesje dus we gaan de ruiltruc praktizeren. De ruiltruc is een speciale vierdaagsetechniek die twee dingen vereist: een scherp beoordelingsvermogen en een leeg bierflesje. Hij gaat zo: je spot een
familie die er vriendelijk uitziet en waarvan enkele leden bier in flesjes drinken. Dan zeg je: “ruilen voor een volle?”. Als je een goede inschatting hebt gemaakt krijg je een koud flesje bier terug! En het werkt. We delen de flesjes met zijn drieën. Door sanitaire stops raak ik echter mijn broer en oom weer kwijt. Wel heb ik ervoor gezorgd dat het roulerende flesje bier in míjn bezit is natuurlijk. En op de weg van Weurt naar Nijmegen kom ik allerlei groepsleden tegen en allerlei groepsleden mij. De hele groep blijkt volledig verbrokkeld, en in verschillende stadia van intoxicatie. Ik loop het stuk van Weurt naar Nijmegen verder met Geertje, een kennis die zoveel blaren heeft dat donderdag starten onverantwoord is. Ze loopt de woensdag uit op slippers. Een heldin.

Tot mijn verbijstering mislukt de bierruiltruc tot twee keer toe in het Waterkwartier! Dat betekent dat ik zeker een uur droog sta, tot ik bij café de Meermin kom. Daar staan een oom en een nichtje van me ons op te wachten met eh…bier. Ik laat Geertje gaan en stort me ingetogen op de biervoorraad. Meerdere groepsleden zijn daar ook, terwijl anderen nog
moeten komen. En terwijl de regen weer neerdaalt zie ik dat het half vijf is geweest.
We maken er een dolle boel van, terwijl allerlei doodsbenauwde types langslopen die bang zijn dat ze het niet meer halen.
Plotseling zie ik in de verte Paul en Frank aan komen lopen. Ze ondersteunen met zijn tweeën een Israëlische oude man die niet meer vooruit komt. De man wordt morgen 89 jaar. Nee, dat zie ik niet aan hem beste lezer, dat vertelt Frank me onderweg. De Israëliër heeft zijn paspoort aan hen laten zien. Nu kijk ik toch wel enigszins
bezorgd op mijn horloge. Krijgen ze die man in een dik kwartier naar de Wedren? Ja, besluit ik, en ik loop met ze mee. Het wordt inderdaad heel krap. Zelf lever ik om vijf voor vijf mijn kaart in. Drie minuten later bel ik mijn broer: “niet meer klooien, meteen hierheen komen!”. Maar hij heeft van een controleur gehoord dat de organisatie de binnenkomsttijd heeft verruimd tot half zes. Toch zal hij later een waarschuwing krijgen.

Ik monster mijn benen en voeten. Ik voel nauwelijks pijn. Maar in hoeverre helpt de alcohol mee? In redelijke mate denk ik, want
juist na consumptie van bieren liep ik perfect. Feit is dat ik als ik uiteindelijk thuis kom doodmoe ben. Maar morgen ben ik er weer bij.
De Versnaperingenmeter:
- een flesje bier na de tunnel vóór Wijchen
- twee halve liters in Wijchen
- een flesje bier bij de familie Cornelissen in Beuningen
- een glas bier van aardige Beuningers
- anderhalf flesje tijdens de ruiltruc
- twee bekers bij café de Meermin
Totaal zo’n 9 versnaperingen, omgerekend ongeveer 2,75 liter.
Niet schlecht.
Morgen ben ik de fool on the hill!

 

Dag 3

 

Eindelijk, na twee dagen oefenen, weet ik de ochtend te beginnen zonder allerhande stommiteiten. Dus ik doe zélf de lichten uit, zit op tijd op de fiets, en kom ook op tijd bij de Wedren aan. Opnieuw zie ik drommen veertig-kilometer-lopers staan wachten bij de dranghekken. Over een uur of later worden deze mensen losgelaten. Tot die tijd gaan ze in de kou staan wachten. Al die mensen zijn hartstikke gek! Idioten! Zo, dat is er ook dit jaar weer uit.
Normaalgesproken zou er niks over het gedeelte door Nijmegen te vertellen zijn, ware het niet dat
ik weer word geplaagd door een ensemble figuren waar ik al jaren in mijn verslagen over klaag. Zonder de naam te noemen vertel ik eerst hoe ze in mijn blikveld kwamen. Ik hoorde al enige tijd een storend getik achter me opdoemen. Tik, tik, tik, etcetera. Ik kreeg al een bang vermoeden maar ik durfde niet om te kijken. Stel namelijk dat het een loper met een houten been zou zijn. Men wordt dan maar al te licht aangezien voor iemand die gehandicapten aanstaart. Er zat dus niets anders op dan voorzichtig het geluid te laten naderen. Even wachten, en… ja hoor, daar heb je ze weer: de Nachschubschule des Heeres! En voor de niet-germanofonen: dat heeft niks met religie te maken maar des te meer met het Duitse leger. Niet dat mij dat verder interesseert, maar deze pubers zijn zo irritant. Het loopt storend achter je, met zenuwslopende ritme-instrumenten en slaakt geregeld van die Duitse clichékreten. Ik ben vergeten wat precies, maar het moet typische Duitse blödsinn zijn geweest als Tolle Sache, Ist den das die Möglichkeit, Na sowas, So eine Frechheit, Ist doch klar, Glanzparade vom Torwart, undsoweiter undsoweiter. Tot mijn grote vreugde merk ik dat ze net zo sterk zijn als hun zwakste schakel en dientengevolge nota bene langzamer lopen dan ik! Dat scheelt meteen een hoop ergernis. Mathieu biedt me een slok Southern Comfort aan voor de schrik. Ik vind weigeren onbeleefd.

Het eerste gedeelte van de tocht kent verder geen incidenten. Ik loop niet echt fris, het gaat opnieuw traag en stroperig, maar pijn heb ik niet. Na een korte stop bij familie in Malden lopen we de dijk op. Door allerlei omstandigheden, waaronder een naar steentje in mijn rechterschoen (vorm: miniatuur-goedendag), kom ik al snel
alleen te lopen. Daar is ook weinig over te vertellen. Ach ja, je neemt een boterhammetje met pindakaas en jam (ik zou daar uren over kunnen uitweiden) en je ziet nog eens iets zo langs de rivier. Zo staan alle koeien tegen het prikkeldraad om te kijken wat er nu weer aan de hand is, en ik zie een fraaie rijnaak op de maas (waarschijnlijk heeft die een verkeerde afslag genomen). Minder geslaagd: midden op de smalle dijk is het zo druk dat je niet kunt passeren. Dat is extra irritant omdat achter mij twee mannen lopen die samen liedjes zingen. Dit duo hanteert daarbij een liederenboek. De liedjes zijn humorloos en banaal en de mannen zien er lelijk en burgerlijk uit. En ga nou niet zanikken lezer, dat het toch zo leuk is als mensen liedjes zingen tijdens het lopen. Als twee volwassen kerels dat doen zijn het gewoon eikels! Chris heeft gezegd. En heeft er kijk op.

Het duurt tamelijk lang, zeker in mijn tempo, maar uiteindelijk arriveren we bij de tent die in 2000 plotseling bleek verdwenen (een soortgelijk incident als dit jaar met de Niftrikse kantine, zie het verslag van dag 2). Tijd voor groentensoep
hier.
En zo vliegt de tijd. Ik besluit de zinnen te verzetten met een lolly. De reclame heeft hoge verwachtingen geschapen voor dit stuk snoepgoed. Volgens Roberto Carlos van Real Madrid zit er zoveel glucose in deze lollies dat je er beter van gaat denken. Ik pijnig mijn hersenen maar kom er niet uit of dat mogelijk is. En dan is er nog Daphne Deckers die ons op de televisie bezwoer dat er geen vet in de lollies zat. Kijk, daar heb je wat aan, want dat wil ik wel geloven. Gerustgesteld stop ik deze suikerbom in mijn
mond.

De volgende stop is een belangrijke. Het is café de Dörpel, het laatste café voor de Gruwelijke Lus van Milsbeek. Door zijn ligging beschouw ik deze kroeg als de poort van de hel. Al snel staat er een blad met twaalf bier. Gisteren heb ik tegen SBS6 gezegd dat we er rond half elf zouden zijn. Een grove misrekening! Het is pas half tien. Er wordt getrakteerd op een Jägermeister. Gevolgd door nog een biertje en nog een Jägermeister. Ondertussen belt ene Esther van SBS6 op: ze kunnen niet meer naar Milsbeek komen want Joop van Tellingen
, de viploper, moet naar een herdenking. Joop wíe??? Is dat geen papparazo? En die is belangrijker dan ik??? Ongelooflijk!

Positiever is dat ik met twee pils en twee Jägermeister achter de kiezen de Gruwelijke Lus in kan. Terwijl de veertig-kilometerlopers (de zwakken) linksaf slaat enteren wij fier de hellemond. De groep valt uiteen in twee of drie delen. Ik loop ineens een stuk beter, maar de angst voor falen blijft. Dan ineens, in een flauwe bocht: een wonder! Daar staat onze uitvaller na dag 1, Sjoerd. Ik weet nu hoe die kinderen in Fatima en Lourdes zich gevoeld moeten hebben
. Sjoerd staat daar werkelijk, op zijn sokken nog wel, en openbaart ons… een tas met volle bierflessen! Deze drank wordt smakelijk genuttigd door de hele groep. Hoe het komt weet ik niet, maar ik loop weer alsof ik net aan de Vierdaagse begin. Ik kan zelfs versnellen om met een paar dames op te lopen die zich de Pink Angels noemen. Een van hen kent mijn website. Om het zeker te weten vraagt ze of ik nogal een grote mond heb. Jaaaaa, dat ben ik! Wat een leuk toeval! Wat later wissel ik muziek uit met medeloper Theo. En voor we het weten (nou ja, na zeven kwartier of zo) duiken we het terras op van het pannenkoekenhuis voor Breedeweg. Al snel voegen de dames van onze groep zich bij ons. Ik neem hier een paar versnaperingen en daar gaan we weer.
Breedeweg, Groesbeek, wat heuveltjes. Biertje bietsen onderweg. En dan de zevenheuvelenweg. Bovenaan een heuvel staan mijn oom en mijn nichtje met bier en allerlei eetbare zaken. Net als ik gezellig op een klapstoeltje ga zitten zwelt de wind aan en vallen er regendruppels. Verdomme, als er een god van de vierdaagse is dan heeft
die absoluut een hekel aan gezellige mensen. En in dat herfstweer komt er dan nota bene een ouwe kerel met een knalgeel te groot hempje en ultrakorte atletiekbroek langs. Mafketels! De Vierdaagse zit vol met gekken!

Na relatief korte tijd komt de groep weer op gang. We nemen nog wat heuvels en lopen door het vrolijke Berg en Dal. Ik loop overigens volledig op de automatische piloot. Die niet in de hoogste versnelling staat, maar iets is opgevoerd door een gerstennat-injectie (wie geen flauw idee heeft waar dit over gaat gelieve het te negeren). De drukte in Nijmegen Oost
is opvallend. Wat nog opvallender is: ik loop om, jawel, tien voor half vijf de Wedren op!
(Chris pakt nu even een ladder en gaat op de hoogste trede staan)
EEN NIEUW PERSOONLIJK RECORD voor wat betreft binnenkomen op donderdag! Kan het mooier? Ik lever mijn kaart in en laat me tevreden in het gras zakken met een blik bier in de hand. Voorlopig denk ik dat ik nergens pijn heb.
Nog even een overdenking over de media. SBS6 staat later op de voicemail: ze kunnen me niet meer filmen, misschien morgen. En dat ik maar een neut
moet gaan pakken op de Wedren. Die zien mij inderdaad als de een of andere freak. De KRO belde maandag of ze me dinsdag konden interviewen, waarna het dinsdag oorverdovend stil bleef. Het moge duidelijk zijn dat ik uit principe die zenders niet kijk (wat niet moeilijk is aangezien SBS om 23.15 uur uitzendt). Maar de concurrentie is ook niet om over naar huis te schrijven. Heb je TV Gelderland gezien, met “Nijmeegse Annie”? Ben ik de enige die dit tenenkrommend vind? Toen dat wijf voor het eerst langskwam wist ik niet hoe snel ik de televisie om moest zetten om naar een rustgevend testbeeld te gaan staren. Dus doe me een lol, vermijd die zenders allemaal, misschien neemt de kijkdichtheid dan af, verdwijnen ze van de buis en schrijven zich niet meer zoveel mensen in. Zodat Yvette niet wéér wordt uitgeloot.
And now for something completely different: De versnaperingenmeter:
- twee bier en twee Jägermeister in café de Dörpel
- een flesje bier van Sjoerd in de lus
- drie glazen bier bij het pannenkoekenhuis
- een half flesje dat anderen van de groep met me delen
- twee flesjes van mijn ome Loet
op heuvel 2.
- Een beker bier van een stel jongens die met een tap langs de kant zaten
- Een flesje bier van een stel studenten die er genoeg over hadden.
Totaal: twaalfeneenhalve versnapering. (2,9 liter bier en twee Jägermeister)
En dan een nieuw record lopen! Geen applaus graag!

Morgen zou ik moeten binnenkomen. Spannend hè?

 

Dag 4

 

Nou, vandaag moest het dan gebeuren. Het uitlopen van mijn tiende vierdaagse en aansluitend het ophalen van de medaille. Niet stiekem onderaan gaan lezen beste lezer, houd de spanning er nog even in.
’s Ochtends was het bijna volledig misgegaan. Ik had namelijk de wekker niet gehoord, of hij deed het niet, wat er precies was weet ik niet. Nu kwam die wakker-bellen-gimmick ineens erg goed uit. Gevolg was wel dat toen de radio belde ik van schrik bijna tegen het plafond zat. Dat was ook mijn laatste fout van die ochtend. Daarna ging alles goed en ik stapte
op tijd op de fiets naar Nijmegen.
Zo absurd vroeg in de ochtend ben ik nooit de vrolijkste, en op dat soort momenten kunnen hele kleine dingen me in razernij doen ontsteken. Iedere ochtend steek ik de Daalseweg over in de richting van de Wedren. Op dat tijdstip is er op straat bijna niets te doen. Toch moest ik alle vier dagen stoppen voor net die ene auto die op dat moment door de straat reed. Om gek van te worden. Verder nergens een auto te zien. Het lijkt wel zo’n tekenfilm van de Roadrunner: coyote kijkt links
. In de verste verte niks te zien. Hij kijkt rechts: ook niks. Hij steekt over en vroem! Het ergste is dat je kwaadheid niet terecht is, want die auto mag daar rijden. Laat ik er maar over ophouden.
Goed, onze groep startte om half vijf. Ik liep de eerste kilometers op de automatische piloot, maar ik was toch wel blij dat we kort voor zes uur café Harten Twee bereikten. Voor mensen die denken dat wíj zuipschuiten zijn: op dat tijdstip zitten er al lopers aan de bar aan het bier! Dat zijn overigens altijd dezelfde. Wij houden het
bij koffie. Daarna volgt een tocht zonder bijzonderheden naar Overasselt, waar soep wordt gegeten, en via het lemen koeienpad naar Grave. En zo is het voor je het weet half 10.
Wat me trouwens opvalt is het volgende: er wonen heel wat mensen langs het parcours die er geen been in zien een geluidsbox van twee meter hoog in de tuin te zetten, waar dan echt loeiharde muziek uit komt. En dan gaan ze bij die boxen naar de vierdaagse zitten kijken. Ik heb lang nagedacht over dit fenomeen (ja, je moet toch wat als je 50 kilometer moet wandelen). Volgens mij
tasten die boxen het gehoor van de eigenaren zo aan dat ze het jaar erop die boxen nóg harder zetten. Waarna ze weer dover worden, enzovoort. En dan is de vicieuze cirkel rond. Dit was even zomaar een overpeinzing. Terug naar de tocht.
We waren dus in Grave. We pauzeren daar in café Oud Grave met bier en vis. De echte die-hards eten haring. Ik lust dat niet, maar er zijn ook een paar zakken kibbeling. Je zou zeggen dat ze er daar niet echt wild op zijn dat we zelf etenswaar meebrengen. Maar nee, ze leggen er zelfs
vochtige doekjes bij ons neer. In het café word ik trouwens twee keer aangesproken door dronken Gravenaren, die de hele nacht hebben doorgehaald. Vriendelijk van ze (dat praten, niet het doorhalen).

Vóór Grave begon het al te regenen. Het zal zo’n twee uur doorregenen. Da’s lekker. Dat laatste was ironisch bedoeld. Ik loop trouwens niet slecht. Bij gebrek aan blaren en echte spierpijn is het enige gevaar dat op de loer ligt voeten die moe of pijnlijk zijn. Voor één van ons valt op de weg naar Beers de bierbijl. Theo heeft zoveel last van zijn scheenbeen dat
er pijnstillers moeten verschijnen. Dat betekent tegelijkertijd geen bier meer. Arme kerel.
Terwijl Theo in Beers aan de sinas zit drinken wij bier en Jägermeister. Opvallend: ons drinkgedrag valt in het niet bij dat van de Deense soldaten. Ineens zegt de plaatselijke DJ die de muziek verzorgt: “Is Chris aanwezig? Die loopt dit jaar voor de tiende keer!”. Welke dodo van onze groep heeft dat tegen die snuiter gezegd??? Ik steek onverschillig mijn hand op. “Daar is ie mensen, de tiende keer, geweldig”. Als we weggaan zegt hij ook nog dat ik mijn groep zal leiden, met mijn
tiende keer. Hij moest eens weten dat in onze groep zes man zitten met meer vierdaagses op hun naam dan ik.

Na Beers eten we wat bij café de Bond in Cuijk. Tot mijn schrik, en ik was er al bang voor, hebben de creatieve geesten van de groep een t-shirt gefabriceerd met “10” erop. De hele groep zet er zijn naam op en ik moet dat aantrekken. Hoewel ik bang ben dat mensen gaan denken dat ik dat shirt zelf heb gemaakt, hetgeen zou kunnen duiden op enige pedantie van mijn zijde, trek ik het keurig aan
. Na de pontonbrug en een irritant lang stuk lopen, komen we in Mook de Rijksweg op. Daar merk ik dat medeloper Theo zijn naam iets te groot op het shirt heeft gezet, getuige de kreten “10 keer, proficiat Theo!”. “Ik heet geen Theo”, zeg ik nog zwakjes, maar niemand die het hoort. Om dit in de toekomst te vermijden draai ik mijn t-shirt op de manier van Kluivert na zijn doelpunt in de Champions League-finale van 1995. Knappe jongen die de hanepoten van mijn groepsgenoten op de áchterkant van het shirt kan lezen. Maar er blijven wel steeds mensen dingen roepen over die 10 keer.
Ik zie op mijn gsm dat ik opnieuw een oproep van SBS6 heb gemist. Ik ben dit jaar precies NUL keer op televisie geweest. Maar ik heb in ieder geval de KRO en SBS een keer of zes aan de telefoon gehad. Misschien is dat ook wel een record.

Tussen Malden en de Via Gladiola valt de groep nogal uit elkaar en wordt er ontzettend getreuzeld omdat men bekenden tegenkomt en bier drinkt. Mijn familie is pas om 16.00 uur naar de stad gegaan. Ze moeten echter tot half zes wachten. Omdat het
makkelijker is voor mijn vriendin en mijn moeder om zonder mijn zoon Fons naar de Wedren te fietsen, neem ik hem mee in zijn buggy op de laatste kilometers van de Groenestraat naar de finish. Mannen, als je echt populair wilt worden bij de massa: neem een kind. Ik ben ineens geweldig, wandelpappa, en meer van dat soort zaken van de wat kleffe soort. Op sommige plekken moet ik met mijn buggy tussen rijendik toeschouwers door, die klappen en schreeuwen. Fons laat het gelaten over zich heen komen en concentreert zich op zijn koekje. Het is net zo’n rustige gozer als zijn vader denk ik. Benieuwd wat de eretribune ervan vindt! Nou, die vindt helemaal niks, want een lege tribune kan niks vinden. Er zit echt níemand meer. Tja, snelwandelaars zijn te gek en de latere lopers zijn losers hè? Het gekke is: al het enthousiasme gaat door tot ik over de finish ben. Dan is het weg: de lopers lijken mij te zien als een irritante lastpak met een rotbuggy. Zeker moe.

Ik ben stevig doorgelopen met de kleine, want ik was erg laat. Ik lever mijn kaart in om 17 punt 55 uur. Een paar leden van onze
groep krijgen van de mensen die de medailles uitdelen nog dingen te horen als “wat ben je laat” en (nog erger) “dit gaat een keer mis”.

Ik bekijk mijn medaille. Hij is wit met groen. Ik schrijf met opzet niet “het felbegeerde kruisje”. De laatste tijd televisie gekeken? Die flutreporters die tot hun ongenoegen naar de vierdaagse zijn gestuurd kunnen het woord “kruisje” niet uitspreken zonder het woord “felbegeerde” ervoor. Clichémannetjes zijn het. Wat ik ook nooit meer wil horen is trouwens “daar doe je het allemaal voor”.
Ik besluit het ding maar op te spelden. Kennelijk
ben je met dat ding op de Wedren een hele meneer. Een uur later staat er een oudere man bij ons in de buurt zijn fiets los te maken. Hij heeft een speldje met “50” erop. Ik stel dus niets voor in dit wereldje.
Eerst maar even de versnaperingenmeter:
- drie bier in Grave
- een amsterdammertje in Gassel
- een bier en twee Jägermeisters in Beers
- een flesje bier bij mensen in Vianen
- twee flesjes bier in Cuijk in het café
- twee biertjes op een terras in Molenhoek
- een palmpje
en een pils bij het autobedrijf in Malden
- een blikje van Karel tussen Malden en Nijmegen.
Totaal 15 versnaperingen. Omgerekend 3,2 liter en twee Jägermeisters
En de balans? Ik heb niet slecht gelopen. Ook niet heel goed, maar zeker niet slecht. En één ding weet ik zeker: ik ga nooit, ik herhaal: NOOIT meer trainen. Als ik zonder ook maar een meter te trainen zo kan lopen, zonder noemenswaardige blaren (ja, toen ik thuis kwam vond ik er toch nog een op de hak, maar dat mag geen naam hebben) en zonder overdreven pijn aan mijn voeten, en nota bene
voor de tiende keer, dan zou ik wel gek zijn als ik nog ooit ging trainen toch? Ik kan het ook zonder. Ik kon zelfs nog rennen op vrijdagmiddag.
En daar staan ze dan achter elkaar: 1980, 1981, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005. Tiswat. Ach, lezer, het maakt me niet zoveel uit. Ik loop voor de gezelligheid met onze lopersgroep. Als die allemaal zouden stoppen zou ik dat ook doen en nooit meer meedoen, zonder enige spijt. Wat niet wegneemt dat ik met die medaille liep te pronken op de Wedren. Ik heb me in ieder geval weer kostelijk vermaakt. En dat ik
doodmoe ben…ach. Als ik mijn verslagen van dit jaar nalees kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het lezen ervan voor jullie net zo vermoeiend was als het lopen voor mij was. Dus als ik volgend jaar weer een verslag zou schrijven is het voor de lezers zaak om al vroeg met trainen te beginnen. Shakespeare, of Eco of zo. Of kan het ook zonder trainen, net als de vierdaagse?
Wellicht tot volgend jaar!

Chris van Aarssen

De vierdaagse van 2005