Voordat we nader op de inhoud van de apostolische geloofsbelijdenis ingaan, zullen we ons eerst moeten afvragen, waar deze geloofsbelijdenis eigenlijk vandaan gekomen is. En een vraag, die daaraan nog eerder vooraf gaat, is de vraag: wat is eigenlijk een geloofsbelijdenis? Waarom hebben we eigenlijk een geloofsbelijdenis? De bijbel is toch Gods woord? Daaraan hebben we toch voldoende om te weten, wat de levende God met ons voor heeft?
De reden, waarom mensen binnen de kerk in de loop van de tijd een geloofsbelijdenis opstellen, heeft te maken met de vraag, waar het volgens hen in de kern van de zaak in ons geloof om gaat. De bijbel is een dik boek met allerlei verhalen, gebeurtenissen, feiten, gedichten, geslachtsregisters en nog veel meer. We voelen wel aan, dat het in ons geloven niet om allerlei geschiedenissen van joodse koningen of om de groeten, die Paulus vaak aan allerlei gemeenten overbrengt, gaat. De bijbel bevat veel, wat niet direkt ons persoonlijke geloof aangaat. Om nu beter te doen zien, waar het wèl omgaat, hebben allerlei mensen in de loop van de tijd a.h.w. een samenvatting van de inhoud van ons christelijk geloof gegeven. In een geloofsbelijdenis brengen we tot uitdrukking, wat naar ons inzicht het meest wezenlijke aan de inhoud van de bijbel is.
Met nadruk wil ik echter in de vorige zin op de woorden naar ons inzicht wijzen. Want wij mensen kunnen soms een heel verschillende visie hebben op de vraag, wat wij het meest wezenlijke aan de inhoud van de bijbel vinden. Dat geldt niet enkel voor ons onderling, maar ook voor de verschillende perioden binnen de tijd van de kerkgeschiedenis. Zo is de apostolische geloofsbelijdenis heel anders dan de geloofsbelijdenis van de heidelbergse katechismus; toch trachten beide geloofsbelijdenissen het meest wezenlijke aan het christelijke geloof onder woorden te brengen. In het onderstaande zullen we ons specifiek op de apostolische geloofsbelijdenis richten.
Waar is de apostolische geloofsbelijdenis vandaan gekomen, en uit welke tijd stamt ze? In wezen heeft de apostolische geloofsbelijdenis een duidelijk groeiproces ondergaan. In de 1e christelijke gemeenten werden nieuwe christenen als volwassenen gedoopt. Zij moesten dan hun geloofsbelijdenis Jezus is de Heer uitspreken. Blijkens Rom. 10:9 was dit reeds in de tijd van Paulus gebruik. Maar diezelfde geloofsbelijdenis riep tegelijk wel vragen op: wie was die Jezus, en wat heeft Hij met God te maken? Er moest in die geloofsbelijdenis meer, nadere uitleg over deze Jezus gegeven worden. Van de kerkvaders weten we, dat rond 150 in Rome bij de doop de volgende vragen gesteld werden: Gelooft gij in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde? Gelooft gij in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heer? Gelooft gij in de Heilige Geest? Als iemand op die vragen 'ja' antwoordde, kon hij of zij vervolgens in de naam van de drie-enige God gedoopt worden.
In deze woorden uit het midden van de 2e eeuw zien we reeds de eerste kontouren van de latere apostolische geloofsbelijdenis ontstaan. Blijkbaar vond men in de tijd erna, dat er voldoende over God de Vader gezegd was en ook de Heilige Geest behoefde geen nadere uitleg. Wel wordt er van alles vanuit het bijbelse getuigenis t.a.v. de Here Jezus toegevoegd alsook m.b.t. de kerk. In het jaar 325 wordt de dan bestaande geloofsbelijdenis tot officiële, door de kerk aanvaarde, geloofsbelijdenis aangenomen. Dat gebeurt tijdens een grote vergadering in de plaats Nicea. Die geloofsbelijdenis, die de apostolische geloofsbelijdenis genoemd wordt - over die naam volgt hieronder meer - is de belijdenis, waarbij we per onderdeel stil gaan staan. Hier volgt zijn precieze vorm, zoals we hem nu kennen:
Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde.
En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heer, Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, is nedergedaald in het rijk van de dood, op de derde dag opgestaan van de doden, opgevaren naar de hemel, en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader, vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.
Ik geloof in de Heilige Geest.
Ik geloof de heilige, katholieke kerk, de gemeenschap der heiligen, de vergeving van de zonden, de opstanding des vleses en het eeuwige leven.
De ontwikkelingen zijn erna echter nog niet tot stilstand gekomen. Juist de behoefte om iets naders t.a.v. de Heilige Geest te zeggen nam in die 4e eeuw toe. In 381 werd daarom op een grote vergadering in Konstantinopel een nog weer iets uitgebreidere vorm van de apostolische geloofsbelijdenis aangenomen. M.n. deze geloofsbelijdenis zullen we af en toe als achtergrond bij de apostolische gebruiken; ik noem haar dan voortaan de latere geloofsbelijdenis van 381. Haar precieze formulering luidt:
Wij geloven in één God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen.
En in één Here Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader voor alle tijden, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet geschapen, één van wezen met de Vader, en door Wie alles is geworden; Die om ons mensen en om ons behoud is nedergedaald uit de hemel en is vlees geworden door de Heilige Geest uit de maagd Maria en is mens geworden, Die ook voor ons is gekruisigd onder Pontius Pilatus geleden heeft en begraven is, en op de derde dag is opgestaan volgens de Schriften, is opgevaren naar de hemel en zit aan de rechterhand van de Vader, en zal wederkomen in heerlijkheid om te oordelen de levenden en de doden, en aan Zijn rijk zal geen einde komen.
En in de Heilige Geest, Die Heer is en levend maakt, Die uitgaat van de Vader en de Zoon, Die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt, Die gesproken heeft door de profeten.
En één heilige, katholieke en apostolische kerk, wij belijden één doop tot vergeving van zonden, en wij verwachten de opstanding van de doden en het leven in de wereld, die komt.
Middels deze laatste geloofsbelijdenis kunnen we goed zien, hoe in een ½ eeuw tijd een geloofsbelijdenis binnen de oude kerk verder groeide. De oude kerk is een verder groeien van deze geloofsbelijdenis tegen gegaan door deze geloofsbelijdenis als de officiële kerkelijke te aanvaarden. Voor de latere kerk fungeerde zij als een soort standaardformulering voor de inhoud van het christelijk geloof, wat vandaag de dan nog steeds zo geldt.
Waar komt de naam apostolische geloofsbelijdenis vandaan? De oude kerk was er om verschillende redenen - waar ik nu niet nader op inga - veel aan gelegen om hun geloofsbelijdenis als de enige juiste te laten gelden. Zij deed dit - mede - door te stellen, dat deze geloofsbelijdenis niet zomaar (door een groeiproces) er in de loop van de tijd gekomen was, maar door de apostelen zelf in deze formulering aan de kerk gegeven was. Weliswaar stond de geloofsbelijdenis niet letterlijk zo in de bijbel, maar - zo zeiden de kerkelijke leiders - de apostelen hebben gezamenlijk hem aan de kerk geschonken, en de Heilige Geest Zelf heeft deze geloofsbelijdenis nauwkeurig voor de kerk bewaard. De kerk uit de 4e eeuw en erna benadrukte zozeer, dat deze geloofsbelijdenis geheel en al in overeenstemming met het getuigenis van de apostelen was, dat zij stelde, dat iedere apostel één bepaald gedeelte van deze geloofsbelijdenis geformuleerd had. Elk van de 12 apostelen formuleerde 1 artikel, vandaar dat wij deze geloofsbelijdenis ook wel als de 12 artikelen van het christelijk geloof aanduiden.
Het is opmerkelijk, dat de apostolische geloofsbelijdenis in de ik-vorm aanvangt, terwijl de latere geloofsbelijdenis van 381 met wij aanvangt. Het positieve, wat de apostolische geloofsbelijdenis met de ik-vorm wil uitdrukken, ligt in het feit, dat iedere christen voor zich het geheel dient te geloven. Het gevaar dreigt dan echter, dat we uit het oog verliezen, dat we tezamen als kerk een geloofsgemeenschap vormen. Iemand gelooft niet op zichzelf, in zijn of haar eentje, met zijn of haar eigen gekleurde geloofsopvatting, maar we geloven met elkaar, en horen daarom ook naar elkaar te luisteren en van elkaar te leren. Bovendien staan we ook in de traditie van het voorgeslacht, dat het christelijk geloof overbracht. Dit laatste aspekt komt met het wij-aspekt van de geloofsbelijdenis van 381 beter uit de verf.
De kerk van de eerste eeuwen heeft hard moeten strijden tegen de geestelijke stroming in die tijd, die we nu wel de gnostiek noemen. Dit was een geestesstroming, die de vormen van een religie aannam. De gnostiek verkondigde precies te weten, hoe van alles (het leven, de wereld, het hemelse) in elkaar zat. Daar bezaten ze geheime kennis, op geheime wijze verkregen, van. Het griekse grondwoord gnosis betekent kennis. Tegenover deze stroming heeft de kerk er steeds aan vast gehouden, dat het christen-zijn geen kennis, maar een geloven was. Ze sloot hiermee bij Paulus aan (1 Kor. 13:12). Toch heeft de kerk intussen veel invloed ondergaan van deze stroming, die ze juist bestrijden wilde. Reeds in de 2e eeuw gingen enige kerkvaders ertoe over om het geloven vooral als een stuk kennis omtrent God, onszelf en de wereld op te vatten. Het praktische gevolg hiervan nemen we ook in de apostolische geloofsbelijdenis waar: er wordt enkel over het geloven gesproken, over de inhoud: de feiten. De kennis overheerst, en wat alles persoonlijk voor je leven betekenen kan, ontbreekt.
Overigens ontkom je er in geen enkele vorm van geloof aan, dat er ook een inhoud, en dus een bepaalde kennis, moet zijn. Elke vorm van geloven heeft óók een geloofsinhoud: we moeten immers weten, wàt we geloven. Als christenen geloven we in Jezus, en dús niet in Mozes, Mohammed of Plato. Je ontkomt nooit aan dergelijke feit-elijke geloofsinhouden.
Uiteraard is God het centrale uitgangspunt van ons geloof. Het gaat er in ons geloof om, dat ons leven gedragen wordt door Iemand anders dan uit onze gewone, menselijke werkelijkheid bekend is. Men dat woord Iemand geef ik al aan, dat de apostolische geloofsbelijdenis God als persoonlijk opvat. Ze doet dat in aansluiting bij de bijbel. Op zich lijkt dat heel vanzelfsprekend, maar dat is dat beslist niet. De hoogstaande griekse kultuur had in die tijd reeds een eeuwenlange traditie van religieus, filosofisch denken achter de rug, waarin dat niet zo geweest was. Bekendste hoogtepunt uit die traditie is de griekse filosoof Plato. Deze filosoof had een leer ontwikkeld (die we nu het platonisme noemen), waarin hij het goddelijke als het hoogste goed beschouwt. Dit hoogste-goed vatte hij echter abstrakt, onpersoonlijk op. Uit dat hoogste-goed vloeide als vanzelf al het andere voort, waaronder ook onze wereld. Omdat nu de wereld uit dit oer-goede voortgekomen is, is zij ten diepste ook zelf goed, en kunnen wij ook de weg andersom bewandelen: vanuit onze wereld kunnen we weer terugdenken naar de oorsprong, en zo het oer-goede leren kennen.
Dit gedachtegoed vond uiteraard een goede ingang bij de gnostiek. De kerk heeft dit alles o.g.v. de bijbel stipt afgewezen, en de apostolische geloofsbelijdenis geeft daaraan ook uiting. We kennen God niet door vanuit onze wereld Hem te gaan bedenken, maar de beweging is van God Zelf uitgegaan. Hij heeft Zichzelf geopenbaard en Zich zó aan ons te kennen gegeven. De bijbelse geschriften vertellen daarvan, en daaruit vernemen we, dat de levende God een persoonlijk God is, Die Zich in het bijzonder in en door onze Here Jezus Christus kenbaar gemaakt heeft.
Het is een universeel gebruik om de hoogste god van een religie als Vader aan te duiden. De bijbel doet dat ook, al valt op, dat het Oude Testament daarin opmerkelijk voorzichtig is. Juist de Here Jezus Zelf doet het veelvuldig, het bekendste voorbeeld is wel het gebed, het onze Vader (Matth. 6:9). Ook Paulus sluit hierbij aan, als hij schrijft, dat het de Geest is, Die ons Abba doet roepen (het aramese abba betekent vader, Rom. 8:15).
In m.n. het Oude Testament echter wordt God ook met andere woorden be-titel-d. Hij wordt vergeleken met een Rots, een Leeuw, een Adelaar, zelfs Iemand, Die baart (Jes. 42:14; vgl. hierbij ook eens Jak. 1:18!). De invloed van de bijbel en o.a. de apostolische geloofsbelijdenis en het gebed van het Onze Vader heeft ertoe bijgedragen - en wordt vandaag de dag door o.a. de voorstellingen in kinderbijbels gevoed - om God als een tamelijk oude man met een grijze baard, gezeten op een troon, voor te stellen. De feministen hebben zich in deze eeuw tegen dit traditionele godsbeeld verzet. Zij stelden, dat de vrouw onder de man gehouden wordt, als God als Vader (en dus als mannelijk) bestempeld wordt. Zij zijn bang voor het volgende gevaar van dit denken: 'het hoogste ideaal van de mens is God; als God nu een man is, dan wordt het mannelijke, dus de man, het hoogste ideaal, en dús is de man méér dan een vrouw'. Het waren in dat verband dan ook de feministische theologen, die voor het eerst ontdekten, dat de bijbel vaak in heel andere beelden over God spreekt, zoals hierboven enkele voorbeelden aangeven.
In de apostolische geloofsbelijdenis hoort de belijdenis de Almachtige niét bij Schepper van hemel en aarde, maar staat dit woord op zichzelf. Zij sluit in het belijden van God als de Almachtige aan bij het bijbelse getuigenis. Toch valt het juist in de bijbel zelf op, dat het woord almachtig slechts in een beperkt aantal bijbelboeken voorkomt. Verreweg het meeste van het aantal keren, dat almachtig in het Oude Testament voorkomt, staat het in de boeken Genesis en Job. Het hebreeuwse grondwoord, dat met almachtig vertaald wordt, luidt sjaadai, en men is het er nog steeds niet over eens, wat dat woord nu precies voor betekenis heeft. Bovendien komt het in Ruth 1:19/20 zelfs in een negatieve betekenis voor: dat Naomi zoveel narigheid meegemaakt heeft, wijt ze aan de Almachtige, Die het haar overkomen deed (en vanwege Zijn almacht vermag je als mens er toch niets tegen). In het Nieuwe Testament wordt pantokratoor gebruikt, een woord, dat buiten de bijbel nergens in griekse geschriften verder voorkomt. In het Nieuwe Testament komt het woord enkel in het boek Openbaring voor, met als enige uitzondering 2 Kor. 6:18, waar het een citaat betreft. Al met al is het dus zeer opmerkelijk, dat, temidden van het weinige, wat de apostolische geloofsbelijdenis t.a.v. God belijdt, juist iets gekozen is, wat in de bijbel, en zeker in het Nieuwe Testament, slechts zeer marginaal van God beleden wordt!
In de loop van de kerkgeschiedenis, vooral in de eeuwen na de apostolische geloofsbelijdenis, is de almacht van God sterk benadrukt. Men wilde duidelijk stellen, dat God ál het kwaad, inklusief de duivel, overwonnen had. Daarvan kun je slechts dan zeker zijn, als God almachtig is, was de redenering. Deze gedachtengang over Gods almacht leidde later in de middeleeuwen tot grote strijdpunten, hoe je Gods almacht dan voorstellen moest: betekende Gods almacht ook letterlijk, dat God álles kan? Het klassieke probleem werd: kan God een steen maken, die zwaarder is, dan Hijzelf dragen kan?!
In de tijd na de reformatie vormde Gods almacht vooral een probleem i.v.m. de leer van de predestinatie, de leer van de voorbeschikking: als God álles kan, dan heeft Hij ook alles reeds van tevoren bepaald, zoals het is. En stel nu eens, in het verlengde daarvan, dat Hij mij reeds tot de verdoemenis bestemd heeft, dan kan ik daartegen niets meer doen. Dit theoretische probleem is helaas in de loop van de tijd voor veel christenen een grote reële angst geworden met als gevolg, dat het voor tallozen de vreugde van het christen-zijn ontnam.
Ook vandaag de dag hebben allerlei christenen moeite om in Gods almacht te geloven. In deze eeuw komt dat echter meer, omdat men door de moderne media (radio, tv, krant) veel meer met allerlei ellende in Gods schepping gekonfronteerd wordt, en daarmee zich afvraagt, of God überhaupt wel alles kan. Want als God almachtig (en liefde!) is, waarom doet Hij dan niets aan alle ellende in de wereld?
Dat de kerk deze geloofsuitspraak t.a.v. God benadrukte, is geen toeval. We zagen hierboven onder het onderwerpje God reeds, dat de griekse kultuur o.i.v. het platonisme bij de wereld aan een uitstraling vanuit het oer-goede dacht. Ook de gnostiek dacht in diezelfde richting op. Daar tegenover hield de kerk echter aan de scheppingsverhalen van Genesis 1 en 2 vast.
Toch was dat niet zo gemakkelijk, als we wellicht zouden denken. Ook binnen de kerk zelf waren er vooraanstaande leiders, die er een andere visie op na hielden. De meest bekende en invloedrijke van hen is Marcion geweest. Hij leefde in de 2e eeuw, en was een invloedrijke man binnen de kerk. Hij leerde, dat er een andere godheid, een lagere, slechtere godheid geweest is, de god van het Oude Testament, die de wereld, zoals wij die met al haar zonde kennen, geschapen heeft. Deze godheid heeft het echter verloren van de ware God, de God van liefde van het Nieuwe Testament. Vanuit deze vooronderstellingen verwijderde Marcion verschillende stukken uit de bijbel, omdat die slecht voor de christenen zijn zouden.
In afwijzing van deze mening van Marcion hield de kerk middels de apostolische geloofsbelijdenis eraan vast, dat God, de Vader van onze Here Jezus Christus, Zelf de Schepper van hemel en aarde is. Het grote probleem bleef echter daardoor voor de kerk bestaan, waar de zonde vandaan gekomen is. Aangezien ze hierop geen eenduidig antwoord wist te geven, zijn daaromtrent in de apostolische geloofsbelijdenis ook geen nadere uitspraken gedaan. Opmerkelijk in verband daarmee is, dat ook de duivel geen plaats in de geloofsbelijdenis gekregen heeft.
De latere geloofsbelijdenis van 381 is op dit punt uitgebreider geworden. Daar is nader aangevuld: God is de Schepper van alle zichtbare en onzichtbare dingen. Deze toevoeging stamt uit Koll. 1:16, en wil uitdrukken, dat er geen enkele duistere macht, konkreet zichtbaar, of onzichtbaar, abstrakt, iets tegenover de levende God vermag te doen. In wezen is deze toevoeging de konkretisering van het belijden, dat God almachtig is.
Lange tijd meende de kerk bovendien, dat de aarde het centrum in het heelal was. Men meende, dat de zon om de aarde draaide, en beriep zich daarvoor op Joz. 10:12-13. Bovendien stelde men, dat God Zijn eigen Zoon toch slechts naar het beste van het beste, en dus het centrum van het heelal, zenden zou. Toen de wetenschapper Galileo Galilei de theorie opwierp, dat het precies andersom is, nl. dat de aarde om de zon draait, werd zijn leer door de kerk in 1633 als ketterij verworpen, en kon Galilei kiezen: òf zijn nieuwerwetse leer als onjuist verwerpen òf de doodstraf. Hij koos voor het eerste. Pas enkele jaren geleden heeft de rooms-katholieke kerk openlijk bij monde van de paus haar houding tegenover Galilei verworpen. Sinds de vorige eeuw is het Schepper-zijn van God vooral vanuit de wetenschap onder druk komen te staan. Darwin publiceerde als 1e een geschrift, waarin hij beweerde, dat alle planten- en diersoorten uit andere voortgekomen zijn, en dat er dus helemaal geen God achter het geheel van de wereld zit. Sindsdien noemen we deze leer de evolutieleer. Lange tijd hebben de kerk en de wetenschap elkaar fel bestreden, maar de laatste tientallen jaren nemen steeds meer mensen binnen de kerk de resultaten van de wetenschap over het ontstaan van de wereld over, omdat zij die niet in strijd met hun geloof in God achten.
De naam Jezus was in de tijd van de bijbel een gewone, veel meer voorkomende naam (vgl. Koll. 4:11). Zijn aramese vorm luidt Joshua, hetgeen in het Oude Testament in de vertaling van het Nederlands BijbelGenootschap als Jozua weergegeven wordt. De naam betekent letterlijk God redt.
Christus is hier een vaste bijnaam bij Jezus. Reeds in het Nieuwe Testament was dat het geval. Er is in de apostolische geloofsbelijdenis dan ook geen verder verband gelegd met de oorspronkelijke bedoeling van het woord christus. Dat griekse woord is een vertaling van het hebreeuwse messias, hetgeen letterlijk gezalfde betekent. De gezalfde was in het Oude Testament degene, die namens God t.b.v. het verbondsvolk optreedt (bijv. 1 Sam. 16:12-13, waar tevens een verbinding tussen de zalving en de Geest gelegd wordt).
In het Oude Testament wordt reeds op 3 wijzen van zoon (of zonen) van God gesproken. De wezens rond Gods troon heten zo (Job 1:6), het verbondsvolk zelf krijgt deze benaming (Hos. 11:1), en ook de koning draagt soms deze titel mee (Ps. 2:7). In deze titel gaat het in Israël dan ook niet om aan te geven, waar iemands oorsprong ligt, maar dat er een speciale band met God bestaat. De wezens rond Gods troon zijn dicht bij God in de buurt, en dienen Hem. Het volk Israël heeft als taak het verbond van God na te leven, en zo tot Zijn eer te leven. De koning vertegenwoordigt Gods volk, en dient het goede voorbeeld te geven in het voor God leven.
Het Zijn uit de belijdeniswoorden slaat uiteraard op God de Vader. Het eniggeboren Zoon gaat terug op verschillende getuigenissen van het Nieuwe Testament, in het bijzonder op Joh. 1:1-18. Daar zijn alle christenen kinderen van God. Ze zijn dat echter niet vanuit zichzelf, van nature, maar ze zijn daartoe door God aangenomen, nl. door het verzoenend lijden en sterven van Christus (Rom. 8:14-15, Gal. 4:5). In tegenstelling daartoe is Jezus Zelf Degene, Die van nature, van geboorte, de Zoon van God is, Hij is zo als Enige geboren.
De latere geloofsbelijdenis van 381 is op dit punt veel uitgebreider om zo nader aan te geven, wat het inhoudt, dat enkel en alleen Jezus de eniggeboren Zoon van God is: geboren uit de Vader voor alle tijden, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet geschapen, één van wezen met de Vader, en door Wie alles is geworden. Deze uitgebreide uitleg is niet zonder reden later toegevoegd. In de 4e eeuw was er een zekere Arius, die het echte God-zijn van Jezus ontkende. Jezus was voor hem de beste Mens, Die er ooit geweest is, het hoogste Schepsel van de Here God. Door Zijn goede en niet zondige leven is Hij later door de levende God tot Zoon aangenomen, geadopteerd. Tegenover Arius hield de kerk aan het van nature God-zijn van de Here Jezus vast.
Kurieus is, dat de apostolische geloofsbelijdenis van onze spreekt, terwijl ze in de ik-vorm begonnen is. De reden hiervoor zal zijn, dat dit onze onveranderd uit de doopvragen overgenomen is, belijdeniswoorden, die reeds zeer oud binnen de kerk waren, en waarmee je een belijdenis van je geloof uitsprak (zie hiervoor de inleiding op p. 3).
Het griekse woord kurios betekent eigenaar, heer. In de apostolische geloofsbelijdenis is Heer niet als 'vaste naam' gebruikt (zoals bij ons meestal wel: «Here Jezus»), maar als titel: Jezus is Eigenaar van ons, wij behoren Hem als dienaren toe.
In de loop van de kerkgeschiedenis ging men steeds duidelijker afgrenzen, wanneer en hoe je tot eigendom van Eigenaar Jezus werd: door de (kinder)doop werd je bij Hem ingelijfd, en door het offer, dat door de priester op het altaar voltrokken werd, was je telkens weer van Hem (en Zijn verzoenend offer) afhankelijk.
In de oudheid met zijn geloof in vele goden wemelt het van de verhalen met toespelingen op seksuele relaties, die goden met aardse mensen hadden, en waaruit kinderen geboren werden, die zowel goddelijk als menselijk waren. Deze verhalen over godenzonen en -dochters waren ook onder de grieken en romeinen wijd verbreid, vgl. ook de uitspraak van de romeinse hoofdman bij het kruis (Matth. 27:56, Mark. 15:39). Het thema van een bijzondere geboorte komt in het Oude Testament geregeld terug. Denk maar aan Izaäk, Samuël en Simson. Dikwijls zijn de ouders eerst kinderloos, waarna door Gods ingrijpen een bijzondere zoon geboren wordt. Bijzonder in die zin, dat het kind later als volwassene een sleutelpositie binnen Gods heil voor Zijn volk inneemt. Nergens is er sprake van een gedachte, dat het kind ook deels goddelijk is, omdat het God als Vader hebben zou.
Die lijn zet het Nieuwe Testament voort in het verhaal van de geboorte van Johannes de Doper. Wat de Here Jezus betreft, benadrukt het Nieuwe Testament, dat de Here Jezus, naast dat Hij na Zijn Hemelvaart met Pinksteren Zijn Heilige Geest zond, ook Zelf op Zijn beurt van de Heilige Geest gekomen is (Matth. 1:18, Luk. 1:35). Markus legt de verbinding van de Heilige Geest met Jezus pas bij Zijn doop in de Jordaan (Mark. 1:10). Over de verhouding van het God-zijn en Mens-zijn van de Here Jezus is in de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis veel te doen geweest. Teveel om nu allemaal langs te lopen. Maar als uiteindelijk kompromis werd in 451 in Chalcedon tot de volgende oplossing besloten, dat Jezus waarlijk God en waarlijk Mens ..., zodat één en dezelfde Christus, de eniggeboren Zoon en Heer, gekend wordt in twee naturen, onvermengd en onveranderd, ongedeeld en ongescheiden ..., waarbij beide naturen samenkomen tot één Persoon en één Wezen. In de loop van de eeuwen heeft men aan die formulering als maatgevend aangehouden.
Deze belijdeniswoorden horen nauw bij de vorige. De apostolische geloofsbelijdenis sluit hierin aan bij Matth. 1:23 en Luk. 1:27. Reeds korte tijd na de bijbelschrijvers is Maria binnen de oude kerk steeds populairder geworden, m.n. bij het gewone kerkvolk. Haar verering nam snel toe, in de liturgie nam ze reeds vroeg een vooraanstaande plaats in, een ontwikkeling, die volgens sommigen met het feit samenhing, dat Maria de plaats van vele heidense godinnen innam.
In de tekst van Mattheüs wordt Jes. 7:14 geciteerd, en gesteld, dat deze profetie nu in de Here Jezus in vervulling gegaan is. In de hebreeuwse grondtekst van Jes. 7:14 staat almaah, hetgeen geslachtsrijpe vrouw betekent. De griekse vertaling van het Oude Testament (de zgn. Septuaginta) vertaalde almaah met parthenon, hetgeen maagd betekent. Mattheüs gebruikt in zijn evangelie in al zijn citaten deze griekse vertaling van het Oude Testament.
Van Lukas zegt de traditie, dat hij dokter geweest is, en dat hij daardoor speciale belangstelling voor dit opmerkelijke gebeuren had. Zeer opmerkelijk is echter, dat de overige evangelisten Markus en Johannes en álle overige brieven van het Nieuwe Testament geen enkele melding van de maagdelijke geboorte maken, terwijl het juist zo goed in de boodschap gepast had, dat de Here Jezus de eniggeboren Zoon van God is. Daar tegenover wijst Joh. 8:41,48 er zelfs op, dat tijdens het leven van de Here Jezus aan andere verklaringen gedacht werd!
In de loop van de kerkgeschiedenis is binnen de katholieke kerk niet alleen de positie van Maria steeds sterker geworden, maar bovenal nam het benadrukken van het maagdschap van Maria steeds grotere proporties aan, hetgeen resulteerde in het vaststellen van de dogma's van Maria's onbevlekte ontvangenis, haar eeuwige maagdschap (ondanks dat de bijbel over haar kinderen spreekt) en de ter hemel opneming van Maria.
Oorspronkelijk hoorden de woorden onder Pontius Pilatus bij is gekruisigd, in de middeleeuwen is dat veranderd. Als dus oorspronkelijk de woorden Die geleden heeft los, op zichzelf stonden, dan kunnen we dat lijden ook op het hele leven van de Here Jezus betrekken. De heidelbergse katechismus doet dat ook in vraag en antwoord 37: Wat verstaat gij onder het woord: geleden? Dat Hij, tijdens heel Zijn leven op aarde, maar in het bijzonder aan het einde daarvan ..., al zien we, dat erna in vraag 38 het geleden toch weer bij Pontius Pilatus getrokken wordt.
Maar zelfs al zouden we de woorden Die geleden heeft op het gehele leven van de Here Jezus betrekken, dan nog blijft het een groot tekort in de apostolische geloofsbelijdenis, dat er verder helemaal niets over het aardse leven van de Here Jezus beleden wordt. De achterliggende gedachte daarvan is, dat de Here Jezus gekomen is óm te sterven, Zijn leven doet er eigenlijk niets toe, een tendens, die we overigens reeds bij Paulus kunnen waarnemen (vgl. bijv. Fil. 2:5-8). In de oude kerk ontwikkelde zich hieruit steeds meer de opvatting, dat de Here Jezus middels het altaaroffer van de priester ons Zijn vergeving biedt, waarbij Zijn aardse leven steeds meer op de achtergrond kwam te staan.
Ons geloof bevat ook een stuk geschiedenis: ooit zijn er ergens op onze aardbol bepaalde dingen gebeurd. Het had a.h.w. op de film vastgelegd kunnen worden, als de techniek toen al zover geweest had. In alle 4 evangeliën staat de geschiedenis met Pontius Pilatus verteld, bijv. in Markus 15.
Kurieus is, dat de apostolische geloofsbelijdenis niet over een heilsbetekenis van het sterven van de Here Jezus aan het kruis spreekt, terwijl Paulus dat wel doet (bijv. 1 Kor. 1:18). Wat als reden meegespeeld zal hebben, is, dat in de 4e eeuw, toen de apostolische geloofsbelijdenis als kerkelijke belijdenis aanvaard werd, het sakramentele offer op het altaar door de priester de eigenlijke verzoening aan de kerkleden schonk. Eens was Christus weliswaar voor allen gestorven, maar dat kruisoffer moest steeds op het altaar herhaald worden om het weer voor de gelovigen te laten gelden. Mocht deze reden echter de verklaring zijn, dan blijft het op zich weer merkwaardig, dat datzelfde altaaroffer niet in de belijdenis opgenomen is.
Dat de Here Jezus écht dood geweest is, is lang binnen de vroegste kerk ontkend. Zo waren er wel, die meenden, dat de Here Jezus een hemelse Christus was, Die kort voor Zijn dood door God weg genomen is, en vervangen werd door een aardse Jezus. Deze onderging in Zijn plaats het lijden en stierf. Ook dacht men wel, dat Simon van Cyrene Zijn plaats ingenomen had. Hier tegenover benadrukt de apostolische geloofsbelijdenis in nauwe aansluiting bij de evangeliën de werkelijke dood van de Heiland.
Over het algemeen neemt men aan, dat de Here Jezus 33 jaar oud was, toen Hij stierf. De redenering hiertoe is de volgende: in die tijd mocht je in Israël pas vanaf de leeftijd van 30 jaar in het openbaar optreden, en in het evangelie van Johannes wordt 3x over een verschillend Paasfeest gesproken. Hoewel de overige evangeliën de indruk van een tijdsbestek van 1 jaar geven, dat de Here Jezus publiekelijk optrad, houdt men aan het getuigenis van Johannes vast. Aan de andere kant tendeert Joh. 8:57 naar een veel oudere opvatting van de Here Jezus!
Reeds vroeg kwam binnen de kerk het geloofsprobleem op: als we uitsluitend door de Here Jezus gered kunnen worden, wat gebeurt er dan met alle mensen, die vóór het aardse bestaan van de Here Jezus geleefd hebben? Dit probleem was vooral groot met het oog op de oudtestamentische grote geloofshelden: Abraham, Mozes, David, de profeten enz. Want Hebr. 11 sprak toch heel positief over hen. Als dezen echter gered kunnen worden zonder bemiddeling van de Here Jezus, zouden de mensen dan ook niet ná de komst van de Here Jezus zonder Diens tussenkomst gered kunnen worden? In dat laatste geval echter valt dan het hele nieuwtestamentische getuigenis in duigen, dat er alleen in Christus redding mogelijk is?!
Daaruit evolueerde reeds vroeg de gedachte, mede o.i.v. 1 Petr. 3:19-20, dat de Here Jezus tijdens Zijn dood-zijn in de hel nedergedaald is. Daar heeft Hij Zijn heilsboodschap ook gepredikt, en zo allen, die vóór Hem leefden, alsnog de kans op bekering gegeven. Maar ook toen nog geloofden er velen niet in Hem! Anderen - in praktijk alleen de vrome gelovigen uit het Israël van het Oude Testament! - gelukkig wel, en een flinke stoet, met Adam en Eva voorop, volgde de Here Jezus de hel uit.
De kerkhervormer Calvijn echter vond die oude traditie maar onzin, en gaf aan dit element uit de apostolische geloofsbelijdenis een andere, nieuwe betekenis. Hij, en in navolging van hem de heidelbergse katechismus, interpreteerde het nedergedaald ter helle als de allerergste en allerdiepste angst, die de Here Jezus aan het kruis gehad moet hebben. Een mooie oplossing, maar uiteraard heeft de oude kerk, en dus de apostolische geloofsbelijdenis, dat met de woorden nedergedaald ter helle niet bedoeld!
De Here Jezus heeft Zijn eigen opwekking volgens Matth. 12:40 en Mark. 9:31 voorzegd. In het Oude Testament komt een dergelijke gedachte t.a.v. de beloofde Messias niet voor. Wellicht heeft de Here Jezus het getal 3 gebruikt, omdat dat getal de goddelijke volheid tot uitdrukking brengt. Uit de evangeliën blijkt echter, in duidelijke tegenstelling tot de woorden zo zal de Zoon des mensen in het hart der aarde zijn, drie dagen en drie nachten uit Matth. 12:40 (dus 3 volle dagen), dat de Here Jezus niet langer dan hooguit 1½ dag dood geweest is: net voor de sabbat overleed Hij (Mark. 15:34,37: het 9e uur is rond 15.00 uur op de vrijdagmiddag), en zeer vroeg na de sabbat (toen de zon opging staat in Mark. 16:2) was de opwekking reeds geschied. Omdat men in de oude kerk hiervan het verschil met m.n. Matth. 12:40 zag, herinterpreteerde men de drie dagen en drie nachten als op de derde dag, zoals dat ook in de apostolische geloofsbelijdenis beleden wordt: immers, Hij is op de 3e dag opgewekt: op vrijdagmiddag stierf de Here Jezus, de zaterdag was Hij dood, en in de nacht van zaterdag op zondag, dus op de 3e dag, is Hij uit de dood opgewekt.
Het is reeds in de oude kerk een diep ingeworteld gebruik om van de opstanding i.p.v. de opwekking van de Here Jezus uit de dood te spreken. Reeds het Nieuwe Testament doet dat volop. De oudste gedeelten in het Nieuwe Testament spreken over de opwekking van de Here Jezus, bijv. Hand. 2:32, vgl. Rom. 10:9.
Het van de doden sluit weer nauw aan bij het voorafgaande, nl. het idee, dat de Here Jezus in de hel bij de gestorvenen geweest is om hen alsnog een kans op bekering te geven.
De Hemelvaart van de Here Jezus wordt in Hand. 1 beschreven, en vindt 40 dagen na Zijn opwekking uit de dood plaats (vs. 3). Het is kurieus, dat de evangeliën zelf van deze periode van 40 dagen niets afweten. Mark. 16:19 laat de Hemelvaart van de Here Jezus zelfs op de dag van de opwekking zelf plaats vinden, maar men betwijfelt, of de verzen 9-20 wel echt van Markus zijn, of dat ze later toegevoegd zijn (vandaar dat de vertaling van het Nederlands BijbelGenootschap dat gedeelte tussen haken plaatst, terwijl de Groot Nieuws Vertaling het gedeelte zelfs helemaal weglaat). Toch lijkt Luk. 24:51 en Matth. 28:16-20 diezelfde richting op te gaan. Daar tegenover blijkt Johannes wel een periode tussen Pasen en Hemelvaart te kennen, al vermeldt hij de Hemelvaart van de Here Jezus zelf niet meer.
De reden, waarom de apostolische geloofsbelijdenis de Hemelvaart van de Here Jezus belijdt, is, dat daarmee het gevaar vermeden wordt om te gaan denken, dat de Here Jezus na Zijn opwekking uit de dood een poosje later wel weer gestorven zal zijn (bijv. net zoals de uit de dood opgewekte Lazarus eens weer gestorven zal zijn). De opwekking uit de dood van onze Here Jezus Christus is van een heel andere aard: het betreft een opwekking tot het eeuwige leven, een leven, dat niet meer door de dood teniet gedaan kan worden.
Rechts is in de bijbel symbool voor het goede, links voor het verkeerde (Pred. 10:2, Matth. 25:33). Dat de Here Jezus in de hemel aan de rechterhand van God is, komt reeds in Mark. 16:19 en Rom. 8:34 voor. Bovendien gold het aan de rechterhand van de koning zitten als de hoogste eer, die iemand te beurt vallen kon (1 Kon. 2:19, vgl. Mark. 10:37). Gods rechterhand staat in het Oude Testament voor het uitoefenen van Zijn macht (Ps. 118:16), soms voor het oordeel, dat Hij velt (Ps. 21:9).
De gedachte van de wederkomst van de Here Jezus is in het Nieuwe Testament wijd verbreid, zowel in Jezus' eigen prediking (Matth. 24:27,30), als in de brieven van de apostelen. Vooral het boek Openbaring heeft Christus' wederkomst tot thema. Ook klinkt in het Nieuwe Testament overal de gedachte aan het oordeel aan het einde der tijden door. Tegelijk echter blijft tevens staan, dat niemand ooit weten kan, wanneer het zover zijn zal: zelfs de Here Jezus Zelf is daarvan niet op de hoogte (Matth. 24:36, Hand. 1:7).
De latere geloofsbelijdenis van 381 vult op deze plaats nog aan: en aan Zijn rijk zal geen einde komen, waarbij het Zijn op de Here Jezus staat. Daarmee volgt deze geloofsbelijdenis Luk. 1:33, en niet Paulus (1 Kor. 15:28).
Hier is wel het opmerkelijkste verschil tussen de apostolische geloofsbelijdenis en de latere geloofsbelijdenis van 381 waar te nemen. Terwijl de geloofsbelijdenis van 325 uiterst summier is, is de latere van 381 op dit punt veel uitgebreider: En (wij geloven) in de Heilige Geest, Die Heer is en levend maakt, Die uitgaat van de Vader en de Zoon, Die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt, Die gesproken heeft door de profeten. Dit opmerkelijke verschil is niet toevallig ontstaan, maar hangt samen met theologische ontwikkelingen in de 4e eeuw, waarop ik hieronder terug kom.
De bijbel spreekt op diverse plaatsen over de Heilige Geest. Zij doet dat in zoveel verschillende bewoordingen, konteksten en kleuringen, dat het moeilijk is om daaruit konkrete geloofskonklusies over het wezen van de Heilige Geest te trekken. In het Oude Testament is er sprake van ruach, reeds in Gen. 1:2. Dit hebreeuwse woord ruach, hetgeen een vrouwelijk woord, komt veel in het Oude Testament voor, maar betekent dan meestal lucht, wind, adem, de eigenlijke betekenis van ruach. Soms echter vertaalt men het woord ook door Geest, dus meer persoonlijker. De geesteswerkingen van die ruach kunnen wijsheid, inzicht en kennis zijn (Ex. 31:3), maar ook van gewelddadige aard zijn (Richt. 15:14-15). In de griekse vertaling van het Oude Testament (de Septuaginta) wordt het vrouwelijke woord ruach vertaald met het onzijdige woord pneuma. In het Nieuwe Testament geschiedt de uitstorting van de Heilige Geest met Pinksteren, en in Joh. 7:39 spiegelt de gedachte door, dat de Heilige Geest vóór de uitstorting met Pinksteren nog niet op aarde was. Toch daalt Zij op de Here Jezus bij Diens doop op Hem neer (Mark. 1:10]. De Heilige Geest bewerkt volgens 1 Kor. 12 allerlei bijzondere werkingen en diensten in de christen.
De enige plaats, waar de bijbel de Heilige Geest in expliciet verband met God de Vader en God de Zoon zet, is in 1 Joh. 5:7-8. Het kruciale deel van deze verzen staat echter in de vertaling van het Nederlands BijbelGenootschap tussen haken, en wordt in de Groot Nieuws Vertaling weg gelaten. De reden hiervoor is, dat de tekst tussen haakjes pas in de 16e (!) eeuw aan de griekse grondtekst toegevoegd is om daarmee ervoor te zorgen, dat Erasmus deze woorden in zijn griekse teksteditie van het Nieuwe Testament opnemen zou. Hij deed dat volgens afspraak, maar met een grote kanttekening erbij, dat hij het vermoeden had, dat er bedrog in het spel was.
In de eerste eeuwen heeft de kerk goed ingezien, dat de bijbel geen eenduidige uitspraken t.a.v. de Heilige Geest geeft. Daarom beleed ze Haar tot in de oudste doopbelijdenissen toe (vgl. Matth. 28:19 en de belijdenis uit Rome rond 150, p. 3), en aansluitend tevens in de apostolische geloofsbelijdenis zonder echter daarbij iets naders aan te geven. Uitzondering hierop vormde reeds de syrische kerk, die de Heilige Geest de Moeder van de Drie-eenheid noemde.
In de 4e eeuw echter pleiten een aantal vooraanstaande theologen, van wie Basilius de Grote de voornaamste is, om als kerk het Persoon-zijn van de Heilige Geest te belijden. Dit wordt aanvaard, en deze opvatting komt vervolgens in de belijdenis van 381 terecht. Sindsdien is deze opvatting t.a.v. de Heilige Geest gemeengoed in de theologie en de kerk geworden. Intussen wordt de Heilige Geest in het latijn door Spiritus Sanctus ver-taal-d, hetgeen een mannelijk woord is!
In de loop van de kerkgeschiedenis zien we regelmatig allerlei groepen christenen de betekenis van de Heilige Geest voor ons geloven benadrukken. Doorgaans herkennen zij de Heilige Geest met Haar werkingen dan te weinig in de eigen kerkgemeenschap. Vandaag de dag zijn er in de theologie 2 nieuwe ontwikkelingen: de moderne theologie wil de Heilige Geest niet meer als Persoon beschouwen, en de feministische theologie wil Haar meer vrouwelijk opvatten.
Het woord heilig wordt in het Oude Testament voor de Here God en Zijn volk gebruikt. In het Nieuwe Testament wordt deze lijn van het woord heilig verder doorgezet en op allen betrokken, die de Here God en de Here Jezus toebehoren. Deze ge-heilig-de mensen zijn van de wereld onderscheiden, die de Here Jezus niet als enige Heer erkennen willen. Het oudnederlandse woord heiligen betekent dan ook zo ongeveer afzonderen, apart stellen voor een speciaal doel. Dat speciale doel is in dit geval de Here God dienen. Als de apostolische geloofsbelijdenis de kerk dus heilig noemt, bedoelt ze daarmee uit te drukken, dat het gaat om mensen, die door de Here God afgezonderd, apart gesteld zijn voor het speciale doel van Hem in deze wereld te dienen.
Het woord katholiek is in wezen een griekse woordkombinatie: kath' holikè, en betekent letterlijk over het gehele, waarmee dan de gehele wereld bedoeld is. Van de kerk wordt dus beleden, dat zij over de gehele wereld verspreid is. Deze opvatting spiegelt de situatie van de 4e eeuw, toen de kerk in het romeinse rijk tot officiële staatskerk verheven is. Overigens moeten we daarbij uiteraard bedenken, dat men in die tijd meende, dat de wereld ook niet groter was dan de toen bekende landen rond de middellandse zee. Daardoor kon men de mening toegedaan zijn, dat de kerk over de gehele wereld verspreid was!
De bijbel is volop gevuld met de verwachting, dat eens de hele schepping aan Gods heil deel zal krijgen. Reeds de aartsvader Abraham werd met deze grote belofte gezegend (Gen. 12:3), en de profeten verwachtten, dat alle volken deel zouden krijgen aan het heil, dat de Here God aan het verbondsvolk van de Israëlieten schenken zou (Jes. 2:2-3). In het Nieuwe Testament krijgt dat alles zijn toespitsing in de Here Jezus: in Hem krijgen we allen deel aan Gods heil, en de verwachting is, dat eens de hele wereld voor de Heer zich buigen zal (Rom. 14:11, Fil. 2:10-11). De Here Jezus Zelf echter was pessimistischer (Luk. 18:8).
In het latijn werd de naam van de officiële kerk de Ecclesia catholica. Alle bewegingen, die het niet met deze officiële kerk en haar leer eens waren, werden buiten die ene kerk gezet (de zgn. ketters). Toen deze bewegingen echter een eigen, zelfstandig leven gingen leiden (de grieks-orthodoxe kerk, de protestantse kerken) werd de naam steeds meer de naam voor een specifieke kerk: de katholieke kerk.
De latere geloofsbelijdenis van 381 spreekt ook nog t.a.v. de kerk uit, dat zij apostolisch is. Hiermee wil zij uitdrukken, dat de kerk gegrond is op het werk en getuigenis van de apostelen, en dan in het bijzonder van de 12 apostelen. Reden om dit element op te nemen was om aan de kerk de fundering te geven, dat zij, i.t.t. de afgescheiden groepen, de enige en juiste traditie van de apostelen bewaard heeft.
Het woord kerk gaat terug op het griekse kurios, wat , heer betekent, en wel in de bijvoeglijke naamwoordsval: kuriakos = van de Heer. Als we uit dat woord kuriakos de klinkers (en de «s», die hier het van de aangeeft) weghalen, zien we ons nederlandse woord voor kerk al ontstaan: k°r°°k°°. Zie verder voor het woord kurios onder het onderwerp onze Heer.
Het is heel opmerkelijk, dat de latere geloofsbelijdenis van 381 deze woorden niet bevat. Er was geen enkele reden om deze woorden uit de geloofsbelijdenis te schrappen, waardoor men wel aanneemt, dat ze in latere tijd aan de apostolische geloofsbelijdenis toegevoegd zijn.
Voor de heiligen is een woord gebruikt, dat zowel op personen als op dingen kan slaan. Vandaar dat men in deze woorden dan ook een woordspeling ziet, er worden 2 verschillende aspekten bedoeld: a. de deelname aan de heilige zaken, dus deelname aan de kerk en haar sakramenten; b. deelname aan de gemeenschap van heilige personen, nl. de zaligen in de hemel, de gestorvenen, van wie men ook door gebeden hulp ontvangen kon. In deze woorden ligt dan ook de verbinding tussen de strijdende kerk (wij) en de triomferende kerk (de gestorvenen in Christus).
Pas in latere tijd ging men de woorden opvatten als uitdrukking voor de onderlinge gemeenschap, die christenen binnen de kerk met elkaar hebben.
Het fundament van de kerk is, dat zij van Gods vergeving in onze Here Jezus Christus leeft. Reeds in het Oude Testament klinkt regelmatig de bede aan de Here God om de ongerechtigheden niet toe te rekenen (Ps. 51:4), en doemt de hoop op, dat eens de zonde tot het verleden behoren zal (Jer. 50:20). In het Nieuwe Testament vindt dat zijn vervulling: in wezen is het één groots getuigenis, dat de Here God ondanks de tegenwerking en zonde van mensen doorgaat om Zijn liefdesdoel te bereiken. De Here Jezus vergaf reeds tijdens Zijn leven mensen hun zonden (Luk. 5:20), en Zijn dood betekent de vergeving voor de zonden van een ieder, die daarvoor open staat (Rom. 6:10-11).
De latere belijdenis van 381 heeft op dit punt Wij belijden één doop tot vergeving van zonden. Hier zien we binnen de oude kerk de ontwikkeling van het idee, dat zondevergeving slechts kan plaats vinden, als men gedoopt was. M.n. de kerkvader Augustinus heeft hierop grote invloed gehad: enkel de doop wast de erfzonde af: als de doop dus niet plaats had, kon er geen vergeving plaats hebben. Daaruit trok Augustinus de konklusie, dat ongedoopte kinderen, die sterven, naar de hel gaan. Deze doopopvatting werkte de sterke benadrukking van de kinderdoop in de hand.
Het is in dit verband overigens zeer opvallend, dat de apostolische geloofsbelijdenis verder geen vermelding van de sakramenten van doop en avondmaal maakt. Ook in de latere belijdenis van 381 komt het avondmaal niet voor, extra opmerkelijk, omdat er binnen de oude kerk deze sakramenten wel zo'n groot gewicht binnen de kerk verkregen hebben.
De bijbel is gevuld met de verwachting, dat God uiteindelijk alles goed zal maken. In het Oude Testament is dat op aardse wijze voorgesteld: het volk Israël zal in het door God beloofde land rust vinden, en Abrahams nageslacht zal talrijk als het zand van de zee zijn. Pas in latere tijd gingen de profeten de opwekking uit de dood verwachten (Ez. 37:5-6, Dan. 12:2). In de tijd van de Here Jezus is men er binnen het jodendom niet over eens, of er een opstanding zal plaats vinden: de progressievere farizeeën meenden van wel, de konservatievere sadduceeën niet: zij accepteerden enkel de 5 boeken van Mozes (Genesis t/m Deuteronomium), en daarin werd niet van een opstanding gesproken (Matth. 22:23). De Here Jezus Zelf geloofde er wel in. De grieken geloofden er ook niet in, en blijkens Hand. 17:32 was dat zelfs het grote struikelblok, waarop de meesten Paulus afwezen. Voor Paulus zelf echter is het hét fundament voor ons geloof, anders is ons christen-zijn zinloos (1 Kor. 15:12-19).
De stroming van de gnostiek, die in nieuwtestamentische tijden zo'n grote geestesinvloed had, achtte al het lichamelijke minderwaardig. Het hoorde enkel om het geestelijke, het ware, het licht te gaan, en al het gebrekkige, het lichamelijke was verkeerd. Pas als we los van al onze lichamelijke behoeften en lusten konden komen, kwamen we voor de verlossing in aanmerking. De kerk benadrukte hier tegenover, dat ook ons lichaam aan de opwekking uit de dood deel zal krijgen. Zij sloot hiermee bij het bijbelse getuigenis aan, dat het Woord vlees geworden is (Joh. 1:14), en dat de Here Jezus lichamelijk uit de dood opgewekt is (Joh. 20:27). Reeds de oude kerk bestreed reeds de gnostieke opvatting blijkens 1 Joh. 4:2. In de 4e eeuw heeft de stroming van de gnostiek haar beste tijd reeds gehad, en leefde het strijdpunt niet meer. Vandaar dat in de latere geloofsbelijdenis van 381 wij verwachten de opstanding van de doden is komen te staan om met deze woorden recht te doen aan het bijbelse getuigenis, dat we na onze opwekking uit de dood een nieuw, verheerlijkt lichaam ontvangen zullen, dus een lichaam, dat anders zijn zal dan het huidige, aardse (1 Kor. 15:44).
In feite is dit het verlengstuk van het vorige: de opstanding des vleses is niet bedoeld op die wijze, dat men een tijdje later weer sterft, maar het gaat om een opwekking tot een leven tot in alle eeuwigheden, d.w.z. een leven, dat niet meer eindigen zal. Dat is de hele lijn in het Nieuwe Testament (Joh. 6:51, Openb. 22:5). Dit eeuwige leven stelt de bijbel echter niet slechts in de hemel voor (Openb. 21:1), wellicht de reden, waarom de latere geloofsbelijdenis van 381 formuleerde en het leven in de wereld, die komt, waarbij het opvallend is, dat deze geloofsbelijdenis het woord eeuwige weglaat.
Het jodendom belijdt van de levende God o.g.v. het Oude Testament, dat God een enig God is (Deut. 6:4 is het zgn. Sjema Jisraeel, de enige geloofsbelijdenis, die elke gelovige jood onderschrijft): er zijn niet meerdere goden (polytheïsme: polus = veel, theos = god), er is slechts één God (monotheïsme, monos = alleen, enkel). Alle grote monotheïstische godsdiensten onderschrijven dit, bijv. de islam. Ook het christendom geldt officieel als een monotheïstische godsdienst, maar desondanks verwijten bijv. het jodendom en de islam het christendom, dat dit niet zo is: want als je van Jezus uitspreekt, dat Hij God is, dan heb je er 2: God in de hemel (de Vader) en Jezus (de Zoon). Bovendien belijdt de kerk officieel ook het God-zijn van de Heilige Geest, en dat maakt het geheel tot 3 (vandaar: de heilige Drie-eenheid).
Niettemin ligt alles voor het jodendom minder eenvoudiger als voor de islam. In het verre verleden heeft het joodse volk wel degelijk in meerdere goden geloofd. Zo komen als overgebleven wortels daarvan in het Oude Testament zowel de godsnamen Jahwe (in de NBG altijd als Here vertaald) als Elohim altijd als God vertaald) voor. Volgens anderen wijst de kombinatie Jahwe Elohim (altijd als Here God vertaald) op een latere tijd, dat beide goden gevoegd zijn. Daarnaast zou bijv. Jahwe Zebaoth (altijd als Here der heerscharen vertaald) weer een andere godheid geweest zijn. Nog weer anderen beweren zelfs, dat ook de godheid Baäl zelfs in de tijd van de koningen nog veel aanhang onder het joodse volk gevonden heeft, in de betekenis, dat daarmee de Verbondsgod aangeduid werd. Ook de formulering in de 10 geboden van het 1e gebod gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben wijst naar het geloof van het oude Israël in verschillende goden.
Gedurende vele eeuwen binnen de vroegste kerk is er nagedacht en gestreden over de grote vraag: hoe moeten we in de persoon van Jezus de relatie tussen Zijn God-zijn en Zijn Mens-zijn opvatten. Het is op zich niet zo verwonderlijk, dat dat probleem rees, omdat de bijbel daarin niet eenduidig is. Enerzijds is duidelijk, dat de Here Jezus als Mens in deze wereld geweest is: Hij is geboren (Luk. 2:7), groeide op en maakte een ontwikkeling door (Luk. 2:40,52), at en dronk (Mark. 14:22), kende emoties als woede (Matth. 21:12), verwondering (Luk. 7:9), verdriet (Joh. 11:35), en angst (Mark. 14:33). Hij heeft pijn geleden (Mark. 14:65) en is gestorven (Mark. 15:37). Zijn Mens-zijn komt zelfs extra in Mark. 6:5 uit, waar ronduit gezegd wordt, dat Hij geen (althans slechts enkele) wonderen verrichten kon, en in Mark. 10:18, waar Hij Zich duidelijk van God onderscheidt.
Anderzijds spreekt het Nieuwe Testament ook onomwonden uit, dat in de Here Jezus God Zelf Zich openbaart. Bekend in dat verband is de inleiding op het evangelie van Johannes. Maar men bedenke ook de belijdenis van Thomas (Joh. 20:28). Verreweg het meeste echter wordt de Here Jezus weliswaar met God verbonden, maar wordt tegelijk ook een zekere afstand ingebouwd: Hij is Zoon van God (Mark. 5:7), de Christus (Matth. 16:16), de beloofde Messias. Kortom, Hij wordt in de evangeliën weliswaar volop als Mens geschilderd, maar tegelijk is Hij toch ook van de kant van God gekomen.
Die gedachte wordt in de tijd van de apostelen (dus reeds zeer vroeg) rustig naast elkaar beleden (Gal. 4:4). In de Here Jezus ontmoeten we God én Mens. De Here Jezus heeft alles met God te maken, maar is niet God Zelf. Want in Zijn eigen leven noemde Hij God Zijn Vader (Joh. 5:18). Daarom worden al heel snel God de Vader en God de Zoon in één adem genoemd (Matth. 28:19, 2 Kor. 13:13), zonder verdere bespiegelingen, hoe we ons die onderlinge relatie voorstellen moeten.
In deze laatste 3 genoemde teksten ligt in wezen al de reden, waardoor men in latere eeuwen binnen de kerk zo intensief nagedacht en gestreden heeft over de vraag, hoe we het God-zijn en Mens-zijn van de Here Jezus in hun onderlinge relatie moeten zien. Tegelijk geeft het laatste juist ook te denken, dat het Nieuwe Testament zich blijkbaar om die precieze relatie zich helemaal niet druk maakt. Na vele eeuwen diskussiëren is de kerk er nl. nog steeds niet uit.
In de tijd van het Nieuwe Testament en erna was de gnostiek een hele belangrijke denkstroming, die algemeen verbreid was. De diepere overtuiging hierachter was, dat het geestelijke het eigenlijke ware en waardige in ons bestaan is, terwijl het lichamelijke, het vleselijke, het vergankelijke als minderwaardig zoveel mogelijk vermeden worden moest. Dit gedachtegoed bemerken we als invloed bijv. reeds bij Paulus. Maar ook menen vele geleerden deze invloed in het evangelie van Johannes waar te nemen: dit evangelie ademt een hele andere sfeer dan de 3 andere evangeliën van Mattheüs, Markus en Lukas. Het evangelie van Johannes zou de Here Jezus a.h.w. in de woorden en gedachten van de gnostiek hebben willen weergeven. Daarbij zou diens voorbeeld, diens model van denken het volgende gnostieke gedachtengoed geweest zijn (maar vergelijk het tegelijk ook eens met de gelijkenis van de verloren zoon (Luk. 15:11-32)!):
de mensen zijn naar hun diepste wezen (de mensenziel) licht, afkomstig uit het rijk van licht. Ze zijn echter in deze duistere wereld terecht gekomen, en daarin als in een gevangenis, een kerker (dat is het lichaam) opgesloten. Er is echter een hemels volmaakt voorbeeld, de 2e zoon van de godheid, die uit de hemelse koninklijke burcht afdaalt om deze duistere wereld binnen te treden. Hij doet dat om de lichtparels uit hun kerkers te bevrijden. Hij ondergaat het lot van de duisternis echter dusdanig, dat ook hij vast komt te zitten (hij slaapt voorgoed in deze duistere wereld in, en vergeet zo zijn verlossingsopdracht). Door een stem uit de hemel wordt hij echter wakker gemaakt (opgewekt), bevrijdt dan de parels van het licht, en keert met hen naar de hemelse woonplaats terug, waarbij hij in de lucht een hemels gewaad gebracht wordt. Aan het hemelse hof wordt hij door de 1e zoon van de godheid verwelkomt.
(korte weergave van de zgn. Salomo-ode)
In de 1e eeuwen zijn er grofweg 2 verschillende benaderingen van de persoon van Christus. De 1e gaat uit van hoofdzakelijk het God-zijn van de Here Jezus. Over de eigenschappen, die veelal aan God toegeschreven worden, beschikt ook de Here Jezus: Hij is alwetend, almachtig, zonder zonde enz. De schaduwzijde hiervan echter is, dat aan het menselijke van de Here Jezus zoveel mogelijk voorbij gegaan wordt: door Zijn alwetendheid kon Zijn verwondering (Luk. 7:9) slechts voor de vorm zijn om het volk onder de indruk te brengen van het gebeuren. Door Zijn almacht was Hij in de lijdensgeschiedenis slechts voor de vorm aan Zijn belagers overgegeven, en kon Hij, als Hij het echt gewild had, zo van het kruis hebben kunnen afkomen (Mark. 15:32). Omdat Hij zonder zonde is, was Zijn verzoeking in de woestijn (Matth. 4:1-11) en in Gethsemané (Mark. 14:33-34) slechts uiterlijk vertoon. Na het bovenstaande is duidelijk, dat het evangelie van Johannes in het verlengde hiervan in dat opzicht ook andere wegen dan de andere evangeliën inslaat: de verzoeking van Matth. 4:1-11 en de roep bij het kruis om eraf te komen zoeken we tevergeefs in het evangelie van Johannes, terwijl het gebeuren in Gethsemané meer een afscheidsrede tot de discipelen wordt. Het beeld van de Here Jezus is, dat Hij vòòr Zijn aardse leven bij God de Vader in de hemel was (praeëksistentie, latijn: prae = voor, eksistere = bestaan); dit las men ook in het Oude Testament terug: als de engel des Heren zich met een boodschap tot iemand richt, dan vatte men dat op als de praeëksistente Christus, d.w.z. dat was de Here Jezus, Die echter vóór Zijn aardse bestaan nog geen Lichaam had, en dus de gedaante van een engel had (bijv. Ex. 3:2-4).
Deze hoofdstroming binnen de oude kerk heeft het docetisme (latijn docet = het schijnt). Deze benaming drukt uit, dat de Here Jezus dusdanig van de kant van God komt, dat Hij weliswaar volgens de bijbel Mens werd, maar dat dat eigenlijk slechts uiterlijke schijn was. Door de meeste kerkvaders, en ongetwijfeld ook onder de kerkmensen zelf, werden de bijbelse verhalen over de Here Jezus met deze bril op gelezen. Het blijkt ook uit de vele apokriefe evangeliën, die later verschenen. Daarin wordt de Here Jezus steeds minder als gewoon Mens, en steeds meer als God afgeschilderd: volle nadruk lag op het verrichten van wonderbaarlijke zaken. Ook verhalen over de Here Jezus als Kind kregen deze trekken mee: reeds als kleine Jongen kon de Here Jezus wonderen doen plaats vinden, en wist Hij reeds, hoe Hij later als Christus in Israël zou rondgaan. In dat verband is het echter opmerkelijk, dat in sommige kinderverhalen de Here Jezus Zijn wondermacht ook op een voor ons gevoel negatieve wijze aanwenden mocht: als bijv. per ongeluk een ander kind tegen Hem opbotst, laat Hij hem terstond dood neer vallen.
De 2e benadering van de persoon van Christus legt volle nadruk op de Here Jezus als Mens. Om onze plaats als zondaren in te nemen en het weer goed met God de Vader te maken moest Hij bovenal Mens zijn. Bij deze benadering komen meer Zijn menselijke trekken naar boven. Veel nadruk ligt er op de wijze boodschap, die de Here Jezus ons is komen brengen, en het heil, dat Hij door Zijn optreden voor mensen tot stand gebracht heeft. Meer op de achtergrond geraken Zijn wonderen. Het beeld van de Here Jezus is, dat Hij een volmaakt Mens geweest is. Er is dus geen sprake van een vòòr Zijn leven in de hemel bij God geweest zijn (geen praeëxistentie), maar Hij is gewoon als Mens geboren en opgegroeid (vandaar bijv. Luk. 2:40,52). Bij de doop in de jordaan is de Heilige Geest op Hem neergedaald, en heeft God Hem een bijzondere plaats onder de mensen gegeven (geheiligd!) om als de Christus de verlossing voor de mensen te brengen. Na Zijn opwekking uit de dood is Hij verheerlijkt en (voor het eerst) bij God de Vader gekomen.
Deze stroming binnen de oude kerk heet het adoptianisme. In dat woord zit ons woord adoptie: Jezus is bij de doop door de hemelse Vader tot Zijn Zoon aangenomen, geadopteerd. Hoewel deze stroming binnen de kerk in de minderheid was, was zij erg geliefd binnen de kloosters. Maar ook een grote kerkvader als Origenes heeft met deze bril op de bijbelse boodschap uitgelegd. Deze kerkvader stelde het zich zo voor, dat bij de doop in de Jordaan de aardse ziel van Jezus door de hemelse ziel van Christus (die hij de Logos (= woord) noemde) vervangen is. Daardoor kon de aardse Jezus toch de bovennatuurlijke zaken als wonderen verrichten. Vanuit deze gedachtengang moge duidelijk zijn, dat de Here Jezus dan als Kind een Kind als elk ander geweest is, en niet tot bijzondere dingen in staat was: als Kind had de Here Jezus die Logos nog niet. Gaarne werd er dan ook in de bijbel naar verwezen, dat de kinderverhalen van de Here Jezus (m.u.v. Luk. 2:40-52) ontbreken. In de 4e eeuw verdedigde de kerkvader Arius deze stroming. Hij zag de Here Jezus net als elk ander mens als puur Schepsel, maar dan wel de hoogste en meest pure, die er ooit geweest is. Omdat Hij zonder zonde bleef, heeft God Hem na de dood als de Christus geadopteerd (vgl. Hand. 2:36). Omdat men de bijbel toch duidelijk heel andere dingen over de Here Jezus hoorde vertellen, besloot men Arius' visie te verwerpen. Men bepaalde, dat de Here Jezus wel degelijk vòòr Zijn aardse bestaan reeds bij God de Vader geweest is (praeëksistentie), en in de geloofsbelijdenis van 381 zien we dit besluit in onderscheid met de apostolische geloofsbelijdenis terugkeren: wij geloven in één Here Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader voor alle tijden, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet geschapen (expliciet tegen Arius gericht!), één van wezen met de Vader en door Wie alles is geworden.
Het bleef voor velen binnen de kerk onduidelijk. Steeds meer groeide de behoefte om toch duidelijk standpunt in te nemen temidden van deze 2 elkaar uitsluitende opvattingen. Op het concilie van Chalcedon in 451 is definitief de knoop doorgehakt. Beide bovengenoemde stromingen (het docetisme en het adoptianisme) werden als ketterijen verworpen, en men koos voor de gulden middenweg blijkens de verklaring van de persoon van Christus: Hij is waarlijk God en waarlijk Mens ... zó, dat één en dezelfde Christus, de eniggeboren Zoon en Heer, gekend wordt in twee naturen, onvermengd en onveranderd, ongedeeld en ongescheiden ... waarbij beide naturen samenkomen tot één Persoon en één Wezen. De eenheid van de Persoon van de Here Jezus werd dus benadrukt, maar Hij heeft 2 naturen, Hij is God en mens ineen (Vere Deus, vere Homo = waarlijk God, waarlijk mens).
In de praktijk echter was de beslissing van deze koncilie een politieke beslissing: de romeinse keizer had de kerk bevolen om de strijd over dit punt binnen de kerk te beëindigen, omdat het teveel oorzaak tot konflikten tussen de mensen onderling gaf (er is niets nieuws onder de zon!). Het standpunt van 451 was een herroeping van het standpunt, dat 2 jaar eerder, op 08-08-449 op een concilie ingenomen was!! Daar had men nl. als een oplossing voor de kerkelijke strijd gesteld, dat het docetisme de bijbelse visie op de Here Jezus weergaf. Men volgde de leer van Eutyches, die leerde, dat bij de menswording van de Here Jezus Zijn menselijke Natuur geheel van goddelijke aard werd. Het koncilie van Efeze koos met 114 van de 135 afgevaardigden voor dit standpunt. Aangezien de tegenstanders van deze visie echter (de adoptianisten) zich hier niet bij neerlegden, beval de keizer, dat een nieuw koncilie het probleem de wereld eens en voorgoed uit moest helpen. In het koncilie van Chalcedon van 451 wordt de zaak dan ook dusdanig geformuleerd, dat beide partijen hun eigen standpunten erin konden teruglezen!
Toen de formulering van Chalcedon van 451 officieel aanvaard werd, ging de strijd tussen beide visies nog altijd, zij het in wat getemperder vorm, verder. Er kwamen nieuwe problemen op: als in de Here Jezus 2 Naturen verenigd zijn, welke Natuur is dan dominant? En als je aan konkrete handelingen en gebeurtenissen van de Here Jezus terugdenkt, aan welke Natuur is dat dan toe te schrijven (bijv. de wonderen, de verzoekingen, het zonder zonde zijn, het lijden enz.)?
Niettemin bleek de formulering van Chalcedon op den duur als standaard, als officiële leer binnen de kerk zijn uitwerking te hebben. De oude vragen en strijden verdwenen langzaam aan, omdat er nieuwe vragen en uitdagingen voor de kerk opkwamen (de islam kwam op, de vraag naar de waarde en funktie van beelden en de heiligen, en nog later de kerkhervorming). Steeds meer liet men de vraag naar het Wezen van de Here Jezus voor wat het was, en legde men zich maar neer bij de formulering van 451. Deze leer is vandaag de dag dan ook overal ter wereld de officiële leer van de kerk.
Toch is de visie op de Persoon van de Here Jezus altijd in beweging gebleven. Vaak heeft het docetische gedachtengoed veelvuldig doorgewerkt: vele christenen zien de Here Jezus toch vooral als God, en denken bij Hem allereerst aan Zijn wonderen, Zijn onfeilbare wijsheid, aan het tot stand brengen van de verlossing enz. Het boek Cur Deus Homo (latijn: waarom God mens (werd)) van de rooms-katholieke monnik (!) heeft hierop grote invloed uitgeoefend: ook in de protestantse heidelbergse katechismus weerklinkt de leer van de rooms-katholieke Anselmus! Sinds de verlichting echter is er binnen de protestantse kerken ook een stroming opgekomen, die een meer adoptiaanse visie op de Here Jezus erop nahoudt. Daarbij ligt dan vooral de nadruk op het puur menselijke van de Here Jezus: Zijn opkomen voor de armen en verdrukten, Zijn stichten van heil voor de naaste, het streven naar een Rijk van recht en gerechtigheid. Waren dat in de vorige eeuw vooral de modernen binnen de hervormde kerk, heden ten dag zien we, dat deze lijn niet alleen binnen meer protestantse kerken, maar ook binnen de katholieke kerk groeit. We zien dan ook vandaag de dag een steeds meer een achter de formulering van Chalcedon van 451 terugkeren van de oudchristelijke strijd: was Jezus nu (meer?) God of Mens? In zijn algemeenheid gesteld is het vandaag de dag zo, dat de katholieke kerk in haar officiële leer, de zwaardere protestantse kerken en de vrijere stromingen (baptisten, pinkstergemeenten enz.) een docetische visie op de Here Jezus hebben (Jezus is voornamelijk God), terwijl de katholieke kerk aan de basis, de modernere protestantse kerken, maar ook een stroming als de Jehovah-getuigen een adoptiaanse visie op de Here Jezus hebben (Jezus is voornamelijk menselijk).