We staan weer voor de zomer, en dat betekent voor velen, dat de tijd weer aangebroken is om de eigen woonplaats enige tijd te verlaten en op vakantie te gaan. Steeds meer lijkt de maatschappij hiermee bezig te zijn. Ik kan mij zo voorstellen, dat dat voor mensen, die ongewild thuis blijven, wel eens frustrerend moet overkomen. Enerzijds gun je het volledig eventuele kinderen of familie om grote reizen maken, anderzijds besef je tegelijk je eigen onmogelijkheden.
Velen in de maatschappij leggen nadruk op vakantie, omdat ze dan even alles kunnen laten voor wat het is. Even afstand nemen van alle dagelijkse beslommeringen en zorgen. Even een tijdje geen post of telefoon, even geen verplichtingen. Velen gaan dan ook tijdens hun vakantie naar zgn. recreatieplaatsen, waar ze weer even op adem kunnen komen.
Waar de meeste mensen op recreatieplaatsen echter verder niet aan zullen denken, is dat dat woord recreatie samen hangt met het bijbelse woord voor scheppen. Het woord creëren betekent scheppen, en het voorvoegsel re betekent opnieuw (vgl. ook woorden als reaktie, reanimeren enz.). Als mensen dus gaan recreëren betekent dat, dat ze een proces van herscheppen ondergaan. Hun dagelijkse bestaan vol beslommeringen en zorgen heeft hun leven uit balans gebracht. Ze moeten tot mensen herschapen worden, die straks na hun recreatie er weer tegen aan kunnen.
De bijbel vertelt ons veel over Gods scheppende aktiviteit. Niet alleen heeft God als de Schepper hemel en aarde tot aanzijn geroepen, maar Hij blijft op haar betrokken om haar steeds weer opnieuw te herscheppen naar het goede doel, dat Hij met haar voor ogen heeft. Want telkens weer bemerken we, hoe mensen Gods goede schepping teniet willen doen: onze zonde en ongerechtigheden doen telkens afbreuk aan Gods creatie. Gelukkig legt de levende God Zich daarbij niet neer, maar begaat telkens nieuwe wegen om Zijn schepping te herscheppen tot datgene, wat Hij van oorsprong voor ogen had.
Reeds in de tijd van het oude Israël trachtte de levende God Zijn schepping te herscheppen naar datgene, wat Hij ermee bedoeld had. Hij gaf hen Zijn leefregels, de thora, de aanwijzing voor het goede leven. Hij sloot een eeuwig verbond met hen, en hield hen steeds via diverse profeten Zijn wil voor.
In de Here Jezus openbaarde de levende God echter pas goed, Wie Hij werkelijk is, en hoe Hij wil, dat wij als Zijn schepselen leven zullen. In de Here Jezus vindt Gods herscheppen, Gods recreatie pas goed plaats. Paulus schrijft daarover Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbij gegaan, en zie, het nieuwe is gekomen! En even later schrijft hij dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord van de verzoening heeft toevertrouwd. In de Here Jezus worden wij als mensen herschapen, en dat woord hebben we als een getuigenis in de bijbel: daar kunnen we het telkens weer teruglezen, hoe de levende God ons graag ziet.
In diezelfde bijbel kunnen we lezen, dat Gods herschepping eens tot vervulling komen zal. Sterker nog, Hij zal een geheel nieuwe schepping doen plaats vinden, d.w.z. een schepping van een geheel andersoortige aard: een nieuwe hemel en nieuwe aarde aan het einde der tijden. Daar zal Gods herschepping tot volledige voltooiing komen, daar zullen de mensen pas werkelijk de ware recreatie ondergaan, omdat zij daar niet meer zullen terugkeren naar een leven vol zorgen en beslommeringen. Een groots vooruitzicht!
Velen trekken er de komende weken op uit, de één nog verder dan de ander. Tot naar de warmste en zonnigste plekjes. Op zoek naar een stukje ontspanning, op zoek naar recreatie. Toch ligt de uiteindelijk ware recreatie, de ware herschepping in wat God door onze Here Jezus Christus in ons leven tot stand wil brengen. Laten we vooral daaraan deze zomer niet voorbijgaan! Allen een goede vakantietijd toegewenst!
Als mensen over de kerk praten, bedoelen ze vaak de kerkdienst, het naar de kerk gaan. Inderdaad is de kerkdienst het hart van de kerk, het centrale punt, waar de kerkelijke gemeenschap bij uitstek elkaar ontmoet om samen God de eer te geven, die Hem toekomt.
Tegelijk zien we echter de laatste tientallen jaren een duidelijke achteruitgang in het kerkbezoek. Die ontwikkelingen gaan snel, dat merken we binnen elk kerkgenootschap.
Nu zijn er op zich altijd christenen geweest, die de kerkdiensten door ziekte, ouderdom, een handikep, enz. niet bezoeken konden. Maar vandaag de dag zien we echter een groeiend aantal christenen, die niet meer naar de kerk gaat, omdat ze er gewoonweg ‘geen behoefte meer aan hebben’. ‘Je kunt best bij de kerk horen zonder naar de kerk te gaan’ horen we deze mensen nogal eens als uitleg geven.
Hoe dienen we nu als kerken met dit verschijnsel om te gaan? We zullen in ieder geval moeten oppassen voor een te simpele voorstelling van zaken, zowel naar de ene als naar de andere kant. Het is heel makkelijk reageren door te zeggen ‘Alles moet kunnen’: als christenen geen behoefte hebben om naar de kerkdiensten te gaan, dan geeft dat niets. Onzin. Op die manier gaat een gemeenschap te gronde, en de praktijk leert ons, dat een kerkelijke gemeenschap dan steeds sneller uiteen valt. Legere kerken immers doet het enthousiasme bij hen, die wel komen, steeds meer dalen met het gevolg, dat er nog meer wegblijven, enz.
Anderzijds is het eveneens te simpel door tegen christenen te zeggen ‘Je móet komen’. Want wie met tegenzin in de kerkdienst aanwezig is, is daar niet tot Gods eer, en zal zich dan ook niet aktief inzetten om er met elkaar een eredienst van te maken.
We zullen ons als kerken moeten bezinnen op vragen als ‘Wat houdt het kerk-zijn met elkaar in?’ en ‘Welke funktie hebben de kerkdiensten in ons kerk-zijn?’ Wat heeft de kerk als haar doel voor ogen: dat er zoveel mogelijk mensen naar de kerkdienst toekomen, òf dat de kerk zoveel mogelijk iets voor haar leden betekenen kan? Welnu, de gelijkenis uit Lukas 15 van de 100 schapen, waarvan er 1 weggeraakt is, werpt een speciaal licht hierop.
De herder gaat op pad om het weg geraakte schaap te zoeken. Wij als kerken nu hebben doorgaans een andere opvatting over de vraag, hoe we met ‘verloren schapen’ moeten omgaan. Wij beschouwen vaak ons eigen kerkgebouw als de schaapskooi bij uitstek! We maken dan a.h.w. een groot, houten bord met prachtige letters, waarop dan SCHAAPSKOOI te lezen valt. Vervolgens timmeren we dat op de kerk, en dan maar hopen en bidden, dat de vele verdwaalde schapen het bord zien hangen en in gestrekte draf op de schaapskooi afkomen!
De herder uit de gelijkenis doet het echter anders. Hij laat de 99 schapen achter, en gaat zelf op pad om dat ene ontbrekende te vinden. En als hij hem vindt, legt hij het op de schouders. Een veel aktievere inzet en betrokkenheid betoont de herder!
De gelijkenis leert ons in ieder geval om als kerken nooit een passieve houding aan te nemen. We zullen zelf naar gemeenteleden toe dienen te gaan om te ... tja, en dan begint het probleem pas goed. Wat dan? Wat moet je zeggen? Wat moet je doen? Als het hart van gemeenteleden niet klopt voor de kerkdiensten, kun je dat hen toch niet zomaar aanpraten?
Dat kunnen we inderdaad niet. Maar wat we in ieder geval wel kunnen, is luisteren naar wat gemeenteleden over de kerkdiensten te zeggen hebben. Want onder de oppervlakte van hun afwezigheid zijn of het naar andere kerken gaan spelen vaak allerlei oorzaken mee, waarom ze niet naar de kerk gaan. Wellicht voelen ze zich niet aangesproken, komen hun levensvragen niet aan de orde, is het te saai, lijkt alles elke week hetzelfde, wordt er te weinig fijn gezongen, en zo zouden er nog veel meer redenen genoemd kunnen worden. Eén van de grootste fouten, die we echter als kerken kunnen maken, is dat we van tevoren allang menen te weten, waarom gemeenteleden niet naar de kerk gaan. Daarin kunnen we ons nl. best wel eens behoorlijk vergissen. Bovendien moeten we deze gemeenteleden niet alleen maar aanhoren, en er vervolgens niets mee doen. Dan voelen ze zich ook niet serieus genomen. We dienen onze lessen te durven leren trekken uit wat zij zeggen, en zo te proberen om samen met elkaar gemeente te zijn.
We zullen als kerken dienen op te passen voor gemakzucht en traagheid. Want wie denkt ‘het loopt wel los allemaal’ sluit zijn of haar ogen voor de realiteit van de terugloop binnen alle kerken. De herder gaat in de gelijkenis op pad om het verloren schaap te zoeken en te vinden. Laten ook wij als kerken deze les van de Here Jezus leren, want een kerkdienst met 98 schapen kan een vreugdevol gevoel geven, toch is de blijdschap in de hemel pas kompleet, als die 2 ontbrekende er ook zijn!
We staan op de drempel van het nieuwe jaar 2000. Vanwege het bijzondere getal zijn er velen in de ban van dat jaartal. Er zijn bruidsparen, die precies tijdens de overgang naar het nieuwe jaar trouwen willen, en bij velen staan er grootse feesten op het programma om deze bijzondere getalsverandering uitbundig te kunnen vieren.
De meesten zullen zich daarbij weinig druk maken om de vraag, waar dat jaarsgetal 2000 vandaan komt. Officieel echter spreken we van het jaar 2000 na Christus. Het gaat om het jaar 2000, nadat onze Here Jezus Christus op aarde gekomen is. Nu is dat slechts een jaartal bij benadering. Uiteraard is het niet zo, dat toen Maria van de Here Jezus in verwachting was, er op haar kalender het jaar '-1 voor Christus' stond, of dat na de geboorte van de Here Jezus de wereld massaal tot het jaar '0' overging. Waar komt onze christelijke jaartelling dan wel vandaan?
Pas eeuwen later, nl. in de 6e eeuw, toen de christelijke kerk reeds in grote delen van Europa en Klein-Azië de gevestigde kerk was, is er een monnik, genaamd Dyonisius geweest, die is gaan uitrekenen, hoelang de Here Jezus geleden geleefd had. Hij gebruikte daarvoor allerlei kennis in geschriften. Achteraf bezien kunnen we ons er alleen maar over verbazen, hoe goed deze Dyonisius dit - letterlijk - monnikenwerk verricht heeft. Want hij heeft er waarschijnlijk slechts hooguit enkele jaren naast gezeten. Maar juist vanwege het niet meer precies de datum kunnen achterhalen, zijn er wel geleerden, die zeggen, dat de Christus 4 jaar vòòr Christus geboren is. Of 6 jaar na Christus. Wonderlijke uitdrukkingen, als je ervoor nadenken gaat!
Maar goed, als algemene leidraad kunnen we dus stellen, dat de Here Jezus ongeveer 2000 jaar geleden geboren is. Aan Hem hebben we toch ons bijzondere jaartal met het ronde getal 2000 te danken. De kerk van Engeland heeft om die reden het komende jaar 2000 uitgeroepen om dit als het geboortejaar van de Here Jezus te vieren en zo in dit bijzondere jaar Hem te gedenken, Die voor ons heil in de wereld kwam. Dat woord 'gedenken' heeft bijzonder betekenis. Wie ge-denkt denkt aan het verleden. Maar dankt ook om dat verleden. Die is blij, dankbaar om wat het verleden geschonken heeft.
Bij ons in Nederland hebben de kerken geen specifieke plannen om het komende jaar 2000 te vieren. Maar desondanks dienen ook wij de geboorte en het verdere leven van de Here Jezus te 'gedenken'. Niet alleen, omdat we dankzij Hem een jaar met een bijzonder getal tegemoet gaan. Maar vooral omdat de wereld door Hem al 2000 jaar lang in Gods beloften van liefde en genade delen mag. Zoals het volk Israël telkens weer de daden van God in herinnering hield door die telkens te gedenken, zo mogen ook wij gedenken, dat de levende God in Zijn Zoon Jezus Christus het grootse wonder van Zijn liefde aan deze wereld geschonken heeft. Moge we het vele, wat we door Hem verkregen hebben, dankbaar gedenken, als we straks de drempel van het nieuwe jaar overgaan!
Als er door een verkeersongeluk op de snelweg een file ontstaat, dan horen we geregeld, dat er ook aan de overkant van de rijbaan een file door kijkers ontstaat. Als er ergens een brand plaats vindt, trekt dat veel publiek, en bij de recente explosie van de vuurwerkopslagplaats in Enschede moest de politie er scherp op toezien, dat niet allerlei dagjesmensen de verwoeste wijk in Enschede wilden komen bekijken. Het gebeurt steeds vaker en meer. Zozeer, dat we er zelfs een nieuw nederlands woord voor kennen: rampentoerisme. Mensen van heinde en ver, die nieuwsgierig zijn naar wat er gebeurd is. En zij, die thuis blijven, volgen op de radio en televisie gespannen, wat er gebeurd is.
Toch is deze nieuwsgierigheid van de mensen, het massaal op iets bijzonders afgaan, niets nieuws. Het komt niet alleen overal, waar mensen zijn, voor, maar door de tijden heen zijn mensen massaal op iets bijzonders afgekomen. Zo kan het ook niet verbazen, dat ook tijdens het leven van de Here Jezus er regelmatig een massa mensen op de been komt. Want de woorden van de Here Jezus waren ongekend, Zijn daden verbazingwekkend. Daar wilde men bij zijn, dat moest men meemaken.
Maar het ramptoerisme heeft vaak als gevolg, dat de eigenlijke hulpverleners in hun arbeid belemmerd worden. Toegangswegen raken versperd, zodat gewonden niet geholpen kunnen worden. Zo is het ook in Markus 2. Er komen een aantal mannen met een verlamde op een matras, een soort brancard met een gewonde zou je haast kunnen zeggen. Maar als ze bij de plaats aankomen, waar de Here Jezus is, kunnen ze er niet bij. De toevoerweg naar de Here Jezus is geheel geblokkeerd met allemaal mensen, die nieuwsgierig zijn naar wat de Here Jezus deze keer voor hen in petto heeft. Toch laten de hulpverlenende dragers zich niet door de mensen afschrikken. Als ze er niet langs kunnen, dan maar via een omweg. Het dak wordt afgebroken, en zo laten ze de man voor de voeten van de Here Jezus neerzakken. Zover gaat hun hulpverlening, dat ze met gevaar voor eigen leven - ze hadden door het dak heen kunnen zakken - de man helpen willen. En gelukkig is het allemaal niet voor niets: de Here Jezus helpt de man door hem lichamelijk en geestelijk van zijn nood af te helpen. Hij mag weer met beide benen op de grond wandelend door het leven gaan.
Massaal afkomen op ongelukken en rampen, die plaats vinden, belemmert hulpverleners in hun werk. We zouden wijzer moeten zijn, en deze hulpverleners alle ruimte dienen te geven, die ze nodig hebben, om hun werk te verrichten. De maatschappij zou met strengere wetgeving het rampentoerisme dienen te bestrijden. Maar ook vanuit ons christelijk geloof mogen we uitspreken, dat we niet een belemmering moeten vormen voor mensen, die in hun nood tot de Heer willen komen. Soms kunnen we belemmerend werken: doordat we onze leer belangrijker vinden, doordat we het binnen de eigen groep gezelliger vinden dan om naar anderen om te kijken, doordat we onze medemens geen ruimte geven om zich ook tot de Heer te wenden. Laten we daarom integendeel zoveel mogelijk tot hulpverleners zijn: bewust van onze roeping en taak om anderen op welke wijze dan ook te helpen. Niet als sensatiebelust toeschouwer nieuwsgierig op afstand blijven staan, maar daadwerkelijk bewogen een ieder helpen, die op onze levensweg komt! Want enkel zo zal het wonder van Gods zegen in het leven van mensen doorwerken.
Op velerlei wijzen klinken bovenstaande woorden in deze weken overal. In de kerken, met volkskerstzangdiensten, tijdens bijbelkringen, noem maar op. En overal onderstrepen we het wonder van de geboorte van de Here Jezus met Kerst. Daardoor wordt ook Maria's gezegende zwangerschap ervoor benadrukt. Het was de mooiste en meest bijzondere zwangerschap, die er ooit geweest is: want welke vrouw had niet de moeder van de Verlosser willen worden?!
Toch hebben we in de aanloop naar Kerst met een - in wezen - ongewenste zwangerschap te maken. Maria is helemaal niet voorbereid op de boodschap van de engel, ze zit er niet op te wachten om de moeder van de Messias te mogen worden. Nergens komen we in het verhaal van de aankondiging van de geboorte een moment van vreugde en blijdschap tegen. Slechts van het niet-begrijpen (Hoe zal dat geschieden?) en een zich eraan overgeven (Zie, de dienstmaagd van de Heer, mij geschiede naar Uw woord). Later zal dat gevoel bij haar tante Elizabeth veranderen, maar vooraf is Maria gematigd enthousiast. Deze tempering van haar vreugde horen we in deze periode doorgaans minder benadrukken!
En dat is jammer. Want daarmee wordt het geheel zo'n steriel verhaal. Een verhaal, dat minder herkenbaar voor ons eigen leven wordt. Want in ons eigen leven kunnen ook wij door ons christelijk geloof of door onverwachte gebeurtenissen in ons leven voor soms ingrijpende keuzen komen te staan. En op de kruispunten van ons leven, als het er werkelijk op aankomt, welke weg we inslaan, dan ervaren we ook niet altijd de blijdschap, de vreugde en de steun van ons geloof. Soms kunnen ook onze levenspaden moeilijk begaanbaar zijn, soms dragen we de zware last van een pijnlijk verleden mee. Ook bij ons kan dan de vraag opkomen: hoe kon dat mij geschieden!? Ook wij zijn wel eens om wat ons in het leven overkomt voor Gods aangezicht gematigd enthousiast. En dat mag ook!
Maar juist dan kunnen we van Maria zoveel leren, omdat zij zich desondanks toch in al haar vragen en onzekerheid op dit zo ingrijpende kruispunt van haar leven de keuze durfde te maken om deze nieuwe levensweg van de Heer in te slaan: Zie, de dienstmaagd van de Heer, mij geschiede naar Uw woord! Als ook wij dat op gelijke wijze aandurven, dan mogen we met dankbaarheid en vreugde naar het grootse Kerstfeest, dat we binnenkort vieren zullen, uitzien. Dan zullen we mogen ervaren, dat de levende God in Zijn Zoon Jezus Christus een nieuw begin voor de wereld, en daarmee ook voor ons leven, gemaakt heeft. En als we dat vanuit ons christelijk geloof ervaren en in de praktijk van ons dagelijkse leven brengen, dan worden we pas werkelijk volop enthousiast om de levensweg, die we met Hem gaan mogen! Gezegende Kerstdagen toegewenst!
We leven sinds de vorige eeuw in een tijd, waarin de ontwikkelingen steeds sneller en sneller gaan. Regelmatig spreek ik oudere mensen, die in hun leven reeds veel meegemaakt hebben: de opkomst van de auto, de televisie, allerhande huishoudelijke apparatuur. Maar sinds de komputer lijkt alles nog veel sneller in een stroomversnelling te geraken. We leven momenteel in wat men wel het digitale tijdperk noemt. Veel werk wordt ons door allerlei komputers uit handen genomen en steeds meer zaken kunnen we via het Internet regelen. En een einde aan deze ontwikkelingen is nog lang niet in zicht.
We hoeven tegenover deze ontwikkelingen niet bij voorbaat afwijzend te staan. We hebben veel baat bij de goede kanten. Maar alles heeft vanzelf wel een andere zijde van de medaille. De razendsnelle ontwikkelingen gaan veel mensen, en zeker de ouderen, vaak te snel om nog te kunnen volgen. Voor we het weten, krijgen we een grote groep mensen, die ernstig achterop raakt. Het is goed, als we die ontwikkelingen nauwlettend in het oog houden, en ook op de rem durven te trappen, als het allemaal te snel gaat. Zegt de volkswijsheid van vele eeuwen niet zelf Haastige spoed is zelden goed?!
In de bijbel staat een opmerkelijk bijbelboek: Prediker. Daarin horen we iemand, die overwegingen over het bestaan heeft, die woorden schrijft, waarvan je - als je het niet weten zou - geloven zou, dat het in onze tijd opgeschreven is. Ook in zijn tijd zag Prediker veel bezigheden in het leven. En er kwam voor zijn gevoel geen einde aan. Daarom schrijft hij vrijwel direkt aan het begin van zijn boek de woorden Alle dingen zijn onuitsprekelijk vermoeiend; het oog wordt niet verzadigd van zien, en het oor wordt niet vervuld van horen. Een mens ziet en hoort elke dag weer van alles, er komt geen einde aan. Als je daarover nadenkt, duizelt het je, want er komt nooit een eind aan.
Deze woorden herkennen we in ons digitale tijdperk. Want hoeveel dingen kunnen we vandaag de dag niet zien via de moderne media van de televisie en het Internet? Hoeveel kunnen we vandaag de dag niet horen via de radio en de televisie? De ene zender verdringt de ander in het doorgeven van het laatste nieuws. Het leven staat bol van alle informatie, die we over ons heen krijgen. Van kranten, tijdschriften tot talloze emails. Het doet op zijn tijd aan de woorden van de Prediker denken Alle dingen zijn onuitsprekelijk vermoeiend; het oog wordt niet verzadigd van zien, en het oor wordt niet vervuld van horen.
De Prediker schrijft over zijn ervaringen en overwegingen in het leven. Maar daarbij laat hij het niet! Want temidden van het vele, waarvan hij de blijvende waarde niet inziet, benadrukt hij wel, dat het goed is om gewoon van het goede in je leven te genieten. Om temidden daarvan ook de levende God als onze Schepper de volle ruimte in je bestaan te geven, omdat je pas dan de werkelijke waarde van het bestaan op het spoor komen kunt. Eeuwen later verdiept zich deze boodschap in onze Here Jezus Christus, als Hij ons oproept om in al onze zorgen en vermoeienissen van de rust te genieten, die Hij ons schenkt. Zo'n rustpunt in ons voortdravende bestaan lijkt me een waardevol element. Opdat we van het vele, wat op ons afkomt, oprecht kunnen blijven genieten. Alle dingen zijn onuitsprekelijk vermoeiend; het oog wordt niet verzadigd van zien, en het oor wordt niet vervuld van horen. Maar vanuit ons geloof in onze Here Jezus Christus krijgt het alles zijn plaats en ware betekenis: we kunnen het tot Gods eer en ten dienste van elkaar laten meewerken. Dan valt de last van het vermoeiende van ons digitale tijdperk weg, en komt er volop ruimte om van al het moderne evenwichtig en waardevol te genieten!
De 1e zaterdag van deze maand februari stond in het teken van het koninklijk huwelijk van prins Willem Alexander Claus van Oranje en Maxima Zorreguieta uit Argentinië. Het was in vergelijking met het huwelijk van eerdere prinsen een bijzonder huwelijk, omdat het - bij leven en welzijn - om de toekomstige koning van het land ging. In de bijbel horen we op enkele plekken, waaraan een koning te voldoen heeft, wil hij een goede koning zijn. Althans een koning, zoals dat aan God behaagt. Van belang is het gedeelte uit Deut. 17.
Nu moeten we vooraf eerst duidelijk stellen, dat er een belangrijk verschil tussen de koningen uit de tijd van de bijbel en onze huidige koningin en toekomstige koning is. In de bijbelse tijd van de koningen had een koning daadwerkelijk veel macht. Hoezeer de koning ook allerlei raadgevers om zich heen had, toch had hij het laatste en uiteindelijke woord. Dat is vandaag de dag niet meer zo. In wezen heeft de koningin niets meer te vertellen, anderen - de regering en de rijksvoorlichtingsdienst - bepalen, wat er wel en niet gebeurt. De koningin en de toekomstige koning hebben nog slechts een symbolische funktie, ze zijn er voor de sier van een land, zou je kunnen zeggen. In bijbelse tijden was dat dus anders. Toen had de koning alle macht, hij was dus meer een soort president. Of een soort minister-president. Dat moeten we dus als een aanzienlijk verschil eerst goed in het oog houden.
Dat is van belang om beter te begrijpen, waarom de bijbel heel precies de grenzen en beperkingen van de koning regelt. Want als je de daadwerkelijke macht hebt, kun je er ook groot misbruik van maken! Daarom trekt de bijbel een paar opmerkelijke grenzen. De koning dient er niet allerlei paarden op na te houden. De paarden waren het symbool van macht. Wie veel paarden bezat, kon in een oorlog veel makkelijker soldaten ter voet neerslaan. Die paarden moet de koning niet aanschaffen, want hij moet op de Heer vertrouwen. Ook dient hij niet veel vrouwen in een harem erop na te houden. Dat richt de aandacht veel te veel op die vrouwen, waardoor de eigenlijk aandacht voor het besturen van het land verslapt. Ook dient de koning niet veel zilver en goud te vergaren: want uiteindelijk moet dat geld door het volk opgehoest worden, en de armen zullen het daardoor alleen maar ellendiger krijgen.
Gelukkig kunnen we van onze toekomstige koning uitspreken, dat hij er geen andere vrouwen op nahoudt. En hij is daarvoor ook niet het type. Heel verstandig. Ook heeft hij geen machtsmiddelen tot zijn beschikking: immers de macht ligt niet meer bij het koningshuis. Ook een geluk te noemen. Helaas moeten we naar bijbelse norm echter ook stellen, dat kwa rijkdommen de huidige koningin de bijbelse plank volledig misslaat. Onlangs werd bekend, dat koningin Beatrix het onvoorstelbare bedrag van f 7.000.000.000,-, dus ruim 3.000.000.000,- euro bezit!! We moeten daarin eerlijk zijn en blijven: naar bijbelse normering een gruwel in Gods oog. Want wie dergelijke astronomische bedragen bezit, weet niets meer van wat het is om arm te zijn, om van een klein pensioentje rond te moeten komen, om niet alles, wat je nodig hebt, te kunnen aanschaffen. Ik zeg daarmee heus niet, dat het koningshuis als een stelletje armoedzaaiers door het leven zou moeten gaan, maar bedragen van in de miljarden aan bezittingen is in één woord absurd. Daarin mist het huidige koningshuis dus volledig de bijbelse norm!!
Verder reikt het bijbelgedeelte aan, dat de koning een kopie van de wet, van de thora, ten alle tijde bij zich dient te hebben om daaruit Gods regel voor het leven te lezen en te leren. We begrijpen daaruit, dat het voor ieder mens - en dús ook voor de koning(in) - van groot belang is om zich door Gods woord te laten leiden. Dan zou immers een dergelijke ontsporing van bijv. bezittingen als hierboven genoemd niet kunnen plaatsvinden. Helaas, het koninklijk huwelijk in de kerk met alle bombastische franje ten spijt, doet niet vergeten, dat prins Willem Alexander een paar jaar geleden uitgesproken heeft, dat het geloof hem helemaal niet interesseert. De rijksvoorlichtingsdienst begreep direkt, dat deze opmerking bij de kerkelijke achterban, die doorgaans heel oranjegezind is, zeer gevoelig liggen zou, en dus werd direkt verboden om deze uitspraak verder in de openbaarheid te doen komen dan ze inmiddels reeds uitgelekt was. Maar het geeft wel iets van de persoonlijke gesteldheid van de kroonprins aan. Daarop heeft - voor alle duidelijkheid - ook een lid van het koninklijk huis alle recht: je kunt iemand uiteraard niet vanzelf het geloof aanpraten. Maar anderzijds moeten we tegelijk stellen, dat het opnieuw niet naar de bijbelse normering van de koning naar Gods hart is. Want die laat zich dagelijks door Gods regels voor het leven gezeggen. En wie daar persoonlijk geen belangstelling voor heeft, zal zich aan die normering ook niet direkt overgeven. Jammer, maar het is niet anders.
Op zich geeft Deut. 17 goede regels en grenzen voor hoe een koning naar Gods hart dient te zijn. Reeds Israëls eigen geschiedenis echter geeft ons te kennen, dat de koningen van het verbondsvolk hieraan zich vaak niet gehouden hebben. Wie aan de macht staat, vervalt heel snel aan de verleiding om daarvan misbruik te maken. In zoverre is het heden niet verbazingwekkender dan het verleden. Toch doet dat er niets aan af, dat de bijbelse normering staan blijft. En daaraan kunnen we dus ten alle tijde de heersers in de wereld in Gods licht blijven beoordelen! Temidden van al die aardse zwakke afschaduwingen blijft het uiteindelijk het zuiverste om enkel de Here Jezus onze enige échte Koning te noemen en als zodanig te aanvaarden!
Het bijbelse verhaal van Ruth is een ingrijpend verhaal. Het maakt grote indruk, omdat het zo herkenbaar is. Want in dat verhaal horen we eens geen groot suksesverhaal, waarin er op een wonderlijke wijze een einde aan het leed en het verdriet van mensen komt. We lezen het verhaal van de vrouw Naomi, waarin een ieder zich herkennen kan, omdat in haar leven de dagelijkse dingen gebeuren, waarmee we allemaal te maken krijgen kunnen. Het gaat over een vrouw met haar gezin, die in de grote ekonomische recessie het hoofd niet meer boven water houden kan, en met haar gezin naar het buitenland, naar Moab, trekt. Daar echter achtervolgt haar verder leed. Eerst overlijdt haar man Elimelech. Vervolgens overlijden de beide zonen zonder zelf kinderen gekregen te hebben. En aangezien je in die tijd uiteraard nog geen weduwenpensioenen en andere uitkeringen had, moet ze arm en gebroken weer naar haar eigen woonplaats van weleer terugkeren in de hoop, dat er nog familieleden uit het grijze verleden zijn, die zich over haar ontfermen willen. Een triest verhaal. Maar het is wel het verhaal van vele duizenden!
Zonder dat we het goed beseffen, zijn dergelijke verhalen in de bijbel van een buitengewoon bijzondere waarde. Want in vroegere tijden schreven de mensen over de edelste lieden onder het volk. Verhalen gaan vaak over koningen, ridders en jonkvrouwen. De gewone man en vrouw kwamen niet aan bod, die waren niet interessant genoeg. Maar de bijbel biedt daarop talloze uitzonderingen. Omdat het geen gewone verhalen zijn. Maar verhalen, die vertellen, wat er gebeurd is. Hoe mensen in hun dagelijkse leven de levende God op het spoor komen. Soms gaat dat door een diep tranendal heen, maar de bijbel belijdt, dat de levende God de tranen van onze gezichten afdrogen zal. Hij zal ons nieuw geluk en waarde in het leven schenken. De levende God is niet slechts een God van de edele en aanzienlijke mensen. Hij is de God voor de gewone man en vrouw, die onder het harde bestaan te lijden hebben. Maar in Zijn genade draagt Hij mensen, ziet naar hen uit en om, en geeft zelfs in de uiterste nood volkomen uitkomst.
Naomi is met groot verdriet om het leed in haar leven vervuld. Alles lijkt mislukt te zijn. Ze geeft er zelfs God de schuld van. Ze noemt zichzelf bitterheid, en de levende God kan ze alleen nog maar de Almachtige noemen, omdat we als mensen toch niets tegen Zijn ijzeren wil in te brengen hebben. Ook dat is herkenbaar: als we het in ons leven moeilijk hebben, als tegenslagen op onze levensweg komen, kunnen we onze waarom-vragen aan de levende God stellen. Dan kan ons geloof in Hem maar heel wankel en kleiner dan een mosterdzaadje lijken. Zo lijkt Naomi nu niet bepaald een toonbeeld van de ware gelovige te zijn. Waarom staat haar verhaal dan toch in de bijbel?
We dienen het einde van dit bijbelboek erbij te betrekken. Uit het einde blijkt nl., dat achteraf Naomi de overovergrootmoeder van David zijn zou, die later tot koning over Israël worden zou. Daarin zien we achteraf, hoe de levende God het leven van 2 gewone mensen, met hun uiterst herkenbare dagelijkse moeiten en verdriet, toch in Zijn grote plan met deze wereld gebruiken kan. Dat kan ook ons met vreugde vervullen. Juist ook in de perioden en tijden, als we het ook zelf moeilijk met ons leven hebben. Ook wij kunnen wel eens dat gevoel hebben, dat ons leven maar door- en doorgaat. Met alle vreugden als hoogtepunten, maar ook met verdriet als dieptepunten. En als ons aardse bestaan eens ten einde komt, dan zal op den duur niemand meer van ons bestaan afweten. Maar juist, als we ons dat beseffen, dan mogen we uit het verhaal van Naomi en Ruth leren, hoe de levende God op de achtergrond van ons bestaan bezig is om het op te nemen in Zijn grote heilsplan voor deze wereld. Deze gewone vrouwen blijken met hun dagelijkse verdriet en vragen in hun geloof toch een belangrijke schakel in Gods heilsgeschiedenis voor Zijn schepping te hebben mogen vormen. Hij heeft hun schijnbaar zinloze bestaan met de glans van Zijn heerlijkheid omgeven. Dat geeft een ongekende troost. Want ook wij mogen altijd met de hoop vervuld zijn, dat de levende God ook in ons leven op verborgen wijzen bezig is en blijft om er iets moois en bruikbaars tot Zijn eer van te maken. Ons bestaan is en blijft in Zijn ogen altijd van een onschatbare waarde!
We leven in de weken van veel gedenken. Het in herinnering terugroepen van bijzondere gebeurtenissen. Binnen de kerk deden we dat met de Stille Week & Pasen, in de maatschappij in de dagen van 4, 5 & 6 mei. Want sinds vorig jaar, sinds de moord op Pim Fortuyn, kunnen we er gerust een 3e dag van gedenken aan toevoegen. Overigens is er een opmerkelijke parallel in de beide vieringen te bespeuren. De kerk gedenkt eerst het lijden en sterven van de Here Jezus, en vervolgens, hoe de levende God met Pasen een nieuwe begin maakt door Hem uit de dood op te wekken: na het verdriet volgt de blijdschap. Parallel gedenken we allereerst op 4 mei de verschrikkingen van de 2e wereldoorlog om vervolgens op 5 mei de bevrijding te vieren: opnieuw eerst het verdriet en dan de blijdschap.
Er is nog een andere opmerkelijke parallel te bespeuren. Er zijn velen in de maatschappij, die geen boodschap meer aan de rijkdom van het evangelie van de Here Jezus hebben. Het zijn voor hen verhalen uit een ver verleden, waarmee ze geen binding meer hebben. Diezelfde ontwikkeling zien we echter ook met de dagen van 4 & 5 mei optreden. Waar onder de oudere generatie, die de 2e wereldoorlog zelf meegemaakt heeft, deze dagen van gedenken van grote waarde zijn, daar heeft de nieuwere generatie jongeren er minder binding mee. Eerst riepen de dagen een gevoel op van ‘Laten we de bevrijdingsdagen op alle soorten van onderdrukking, oorlogen en bevrijding in de wereld betrekken’. De laatste jaren is bevrijdingsdag voor jongeren tot een dag met popconcerten en andere massale bijeenkomsten geworden. De werkelijke betekenis van deze dagen is op de achtergrond geraakt.
In de bijbel horen we op verschillende plekken, dat het gedenken onderstreept wordt. Gedenken houdt in, dat het verleden niet vergeten worden mag. Het verleden van verdriet en pijn, maar ook niet, hoe de levende God er bevrijding gaf, een nieuwe hoop voor mensen, die zonder hoop waren. Dat gedenken, waarin we het verleden van de geslachten voor ons, in ons eigen leven present stellen, is wezenlijk om de oorspronkelijke ervaringen niet verloren te laten gaan. Laten we het gedenken los, dan verdampt het evangelie, of het krijgt een heel andere betekenis, zoals we dat parallel op 5 mei zich ook ontwikkelen zien. Zeker voor de kerk en ons christelijk geloof is dat buitengewoon jammer. Er kan dan ook een oprechte oproep van Pasen uitgaan om de ware betekenis van onze levende Heer aan de mensen om ons heen te blijven verhelderen. En dan maar hopen, dat in onze huidige, drukke tijd bij de mensen daarvoor belangstelling blijven zal!
Aan het einde van het kalenderjaar is het vaak een moment om alles van een afgelopen jaar weer eens op een rijtje te zetten. In de maatschappij en de wijde wereld is er genoeg gebeurd, de diverse programma’s rond Oud & Nieuw houden ons daarvan doorgaans wel op de hoogte, daarop hoef ik nu niet nader in te gaan.
Maar ook op kerkelijk gebied is er nogal wat gebeurd. Na meer dan 40 jaar gepraat en geregel is de samenvoeging van de hervormde, gereformeerde en evangelisch-lutherse kerk deze decembermaand een feit geworden. Weliswaar was de nodige 2/3 meerderheid binnen de hervormde synode maar nipt, maar feit blijft, dat de nieuwe kerk werkelijkheid geworden is.
Naast instemming was en is er binnen de 3 kerken ook breed verzet tegen de fusie, die per 01-05-2004 in werking treden zal. Daartoe waren en zijn er uiteenlopende redenen. Daarop zal ik in dit stukje nu niet nader ingaan, omdat dit stukje nu eenmaal beperkt qua omvang zijn mag.
In deze tijden van het grote Kerstfeest doet al het verzet en dreiging tot scheuringen wat onwerkelijk aan, omdat het kerkelijk feest van Kerst toch een feest van genade, vrede en eenheid is. In het evangelie horen we van de engelenzang in de Kerstnacht, waarin de eer aan de God in de Hoge bezongen wordt, omdat Hij vrede op aarde aan de mensen van het welbehagen geeft. En herders gaan op pad om het Kind te zoeken. Herders, die mogelijk heel verschillend over geloofsvragen dachten, met mogelijk een ruwe leefwijze. In ieder geval zeker geen herders, die hervormd, gereformeerd of evangelisch-luthers waren. Ook niet katholiek, evangelisch of wat voor kerk ook. Het waren joodse gelovigen. Maar ook onder de joodse gelovigen waren er grote verschillen. Van behoudend tot modern, van berustend tot opstandig. Denk maar eens aan hoe het in de evangeliën over farizeeën, sadduceeën, zeloten enz. gaat. Toch gaan de herders gezamenlijk op pad. Op pad naar het Kind, Dat voor allen geboren is. Los van je precieze geloofsovertuiging en levenshouding.
Zo geeft het Kerstfeest ons te denken. Ook nu de Protestantse kerk in Nederland deze decembermaand een feit geworden is. Nu in elke kerk, los van welke richting of naam ook, het Kerstfeest gevierd wordt. Om met elkaar de geboorte van de ene Zoon van God te vieren. Moge dit feest van vrede in de harten van de christenen in alle kerken tot verdere eenheid doorwerken.
Het is voor mij de 1e keer, dat ik voor Ons Kerkblad een overdenking schrijf. Ook in dat opzicht is het voor mij dus Een nieuw begin, zoals we dat als thema voor dit kerkelijke winterseizoen hebben. Als kerk wil je samen met een nieuwe predikant Een nieuw begin maken. Voortbouwend op het vele goede, wat er reeds was, maar tegelijk met de durf en moed om soms wat stoflagen, die over het mooie heen gekomen zijn, te verwijderen, om hier en daar alles wat bij te werken, en soms zaken uit te breiden of zelfs te veranderen.
De bijbel leert ons op veel manieren, dat de levende God ook Zelf vaak Een nieuw begin maakte. De bijbel begint reeds met de schepping, waar de levende God uit het niets iets moois maakte. Maar we kunnen ook aan veel andere momenten denken. Na de zondvloed begint Hij weer opnieuw met Noach en zijn gezin. Hij roept Abraham uit het Ur der Chaldeeën vandaan om met hem een nieuw verbond op te richten. Het volk Israël verlost Hij uit de slavernij van Egypte. De profeten roepen het volk telkens op om nieuwe wegen in te slaan, waarbij het soms juist ook 'de weg van de vaderen' is. Er is Een nieuw begin na de ballingschap. En vooral niet te vergeten is de nieuwe weg, die de levende God in Zijn Zoon Jezus Christus aanvangt, en hoe na Zijn opwekking uit de dood de Heilige Geest over grenzen heen Een nieuw begin maakt om mensen in alle landen bij Gods heil te betrekken.
Als gemeente maken we Een nieuw begin. Van harte wens ik elkaar toe, dat het Een nieuw begin in bijbelse zin zijn zal. Dat we als gemeente een ieder op diens eigen plek met zijn of haar eigen gaven en talenten ervoor gaan om iets van Gods grootheid uit te stralen!
Het thema voor ons kerkelijk winterseizoen is Een nieuw begin, zoals ik dat in de vorige overdenking reeds vermeldde. Dat kun je op een heleboel gebieden toepassen: nieuwe predikant, een flinke hoeveelheid nieuwe ambtsdra(a)g(st)ers, de nieuwe Kerknieuws enz..
Maar ook binnen de landelijke kerk is er Een nieuw begin. Ik denk dan niet alleen aan de nieuwe Protestantse kerk in Nederland, die er in mei gekomen is, maar ook aan de Nieuwe Bijbelvertaling, die aan het eind van deze maand officieel gepresenteerd en uitgebracht wordt.
Na jarenlang opnieuw vertalen van de grondteksten, en deze in onze huidige Nederlandse taal over te zetten, het balanceren tussen vertrouwde zinswendingen en goede begrijpelijkheid ligt er binnenkort een bijbel voor ons, die de mensen van vandaag de dag het evangelie van de Heer op hernieuwd begrijpelijke wijze overbrengen wil.
Dat je begrijpt, wat je leest, is heel nodig. Het verhaal van de kamerling uit Hand. 8 maakt ons dat duidelijk. Een man, die voor het geloof open staat, maar woorden uit een taal leest, die de zijne niet is, en er daardoor weinig van snapt. Dan komt Filippus hem de woorden in zijn eigen taal uitleggen. Waarop de man tot geloof komt.
We mogen het als oprechte wene uitspreken, dat de Nieuwe Bijbelvertaling eraan bijdragen mag, dat we net als Filippus het geloof op een begrijpelijke wijze aan velen doorgeven mogen. Soms heb je daarvoor juist de oude, vertrouwde formuleringen nodig, soms dien je de rijke woorden van het geloof in de bewoordingen van ons hedendaags Nederlands op nieuwe wijze weer te geven. In welke vertaling iemand de bijbel straks ook lezen zal, is voor een ieder vrij: als we ons er maar van harte voor open stellen, en er de grootheid van de Heer voor ons leven in leren te ontdekken!
We kunnen er niet omheen: de Nieuwe bijbelvertaling is er. Een heleboel christenen en niet-christenen hebben hem inmiddels al aangeschaft. En voor wie het niet lukt, en de mogelijkheid van het Internet heeft: op www.voorleesbijbel.nl is hij vrijwel in het geheel reeds te vinden, en kun je met knip– en plakwerk de gedeelten, die je hebben wilt, je eigen computer binnenhalen.
Woorden kunnen zo bekend zijn, zo vanzelf-sprekend, dat de werkelijke betekenis ons ontgaat. Het kan dan ook verfrissend zijn om eens een andere vertaling te lezen. In Nederland hebben we ruime mogelijkheden daartoe. Naast de traditionele Statenvertaling en de Vertaling uit 1951 hebben de katholieke Canisiusvertaling, de Willibrordvertaling, de Groot Nieuws Vertaling, Het Boek, inmiddels sinds enige weken de Naarder-vertaling. Zelf heb ik nog een Zuid-Afrikaanse vertaling, de vertaling van de Jehovah-getuigen, en ongetwijfeld zijn er nog wel meer op te noemen. En nu dus die Nieuwe bijbelvertaling.
Het kan gebeuren, dat je soms door de bomen van al die vertalingen het bos van Gods rijke woord niet meer ontdekken kunt. Dat gevaar is mogelijk. Maar de andere kant is tegelijk, dat een andere vertaling je ook eens de rijke woorden van de Schriften vanuit een andere invalshoek zien laten kan. Zoals de ene schilder of schrijver een thema anders uitbeeldt of onder woorden brengt dan een ander, zo kunnen we de verschillende vertalingen ook als een aanvulling op elkaar zien. Zonder de ene boven de andere te verheffen. Elke heeft op zijn eigen wijze waarde en betekenis.
Laten we voor onszelf gewoon de bijbel lezen in de vertaling, die ons het meeste aanspreekt. Als we de levende God maar ruimschoots de mogelijkheid geven om ons door de woorden van die vertaling aan te spreken!
De afgelopen weken - sinds de moord op Theo van Gogh - is de discussie gaande t.a.v. de vraag, of het wetsartikel over de Godslastering uit het maatschappelijk wetboek geschrapt worden moet. Voor- en tegenstanders wisselen hun argumenten over en weer driftig uit. Wie een beetje deze discussie volgt, beseft, dat het niet makkelijk is om hierin een uitgebalanceerd oordeel te geven.
De grote vraag rond dit wetsartikel is en blijft de vraag, wanneer we daadwerkelijk met Godslastering te maken hebben, en vervolgens wat we er in de praktijk mee doen. Een ieder weet, dat door veel mensen op straat, op het werk, bij sportwedstrijden en ga zo maar door regelmatig ongemanierd gevloekt wordt. Overigens ook door genoeg mensen binnen de kerken zelf. Zonder dat er ook maar iets concreets gebeurt. Daarenboven zijn veel m.n. tv-programma's met vloeken, cynisme t.a.v. godsdienst e.d. gevuld. Zonder dat de maatschappelijke wetgever er iets meedoet. Kortom, in de praktijk zien we, dat een dergelijk wetsartikel om het te verbieden in de praktijk totaal niet functioneert.
Alles rond de vraag m.b.t. de Godslastering heeft met de vraag te maken in welke mate we de naam van God in ons leven niet ontheiligen. Hoe we Zijn naam eervol ge bruiken. Dat is een opdracht voor Zijn volgelingen. Als we uitspreken, dat we tegen Godslastering zijn, dan is dat in wezen een oproep voor alle gelovigen. Zij, die de Heer hoog in hun leven hebben staan, moeten Zijn naam niet verkeerd gebruiken. Zij zullen een voorbeeld stellen moeten in hoe we respectvol met Gods naam, maar ook met de namen van anderen om dienen te gaan. Die verplichting aan anderen, die niet in Hem geloven, verplichtend met een wetsartikel opleggen, is wellicht inderdaad een brug te ver.
We leven in een tijd van verwachting. Verwachting van de komst van Christus in de wereld. Om ons daarop goed voor te bereiden kent de kerk een periode van 4 weken, de adventsperiode. Dit laatste moeilijke woord heeft met het latijnse adventus te maken: het woord betekent aan-komst. We bereiden ons voor op de aankomst van de Heiland.
Nu is het uiteraard niet echt zo, dat we op de (aan)komst van de Heiland wachten. Zijn geboorte heeft immers 2000 jaar geleden al plaatsgevonden. Dat is ook iets, wat de adventsperiode een zekere dubbelheid verleent: enerzijds kijken we naar de komst van de Heiland (als feest) uit, anderzijds beseffen we, dat het tegelijk al eeuwen geleden plaats gevonden heeft.
Het uitzien naar het feest van Kerst, naar het feest van de (aan)komst van de Heiland is dan ook met het uitzien naar het feest van de Weder-komst van Christus verbonden. Want in ons geloof belijden we, dat Christus niet alleen ooit onder ons geweest is, en dat Hij in Zijn Heilige Geest nog immer onder ons is, maar we belijden tevens, dat Hij eens opnieuw komen zal, weder-komen zal om alles in de wereld recht te zetten. Om Gods Koninkrijk te doen aanvangen. We belijden, dat de wereld niet maar wat voorspartelt in een poel van allerhande zaken, waarvan ze niet echt beter wordt, maar dat Hij eens orde op zaken stellen zal.
In onze tijd is het Kerstfeest heel erg een feest van licht, sfeer en romantiek geworden. Een feest, waarop ook velen intens op een witte wereld vol sneeuw hopen. Hoe we straks het Kerstfeest ook vieren mogen: ik wens, dat een ieder daarin ook naar het Licht van Christus Zelf verlangt. Om wat Hij geschonken heeft. En ooit bij Zijn Wederkomst schenken zal!
Het nieuwe jaar is aangevangen, de feestrijke decembermaand ligt weer achter ons. Maar lang niet voor iedereen in deze wereld is het een feestrijke maand geweest. In het bijzonder denk ik dan aan de verwoestende aardbeving met de gevolgen van de vloedgolven in Azië, die tot in Afrika toe slachtoffers tot gevolg had. Met alleen al een dodental van richting de 200.000 op.
Bizar was, dat de ramp zich op 2e Kerstdag voltrok. Extra bizar is het, dat precies een jaar ervoor een verwoestende aardbeving in Iran 40.000 mensenlevens kostte. Juist op deze recente 2e Kerstdag van de nieuwe ramp was er in Iran een nationale herdenking om daarmee de ramp van een jaar ervoor officieel af te sluiten.
Met Kerst komen christenen wereldwijd bijeen om de geboorte van de Heiland, de komst van onze Here Jezus Christus in de wereld te vieren. Zo zag ik op televisie, dat ook in het rampgebied in een houten kerkje een Kerstdienst van christenen aan de gang was, toen de verwoestende vloedgolf het kerkje wegvaagde, en naar waarschijnlijkheid alle aanwezigen van het leven beroofde. Naast alle verschrikkingen en het leed, dat zoveel mensen trof, kunnen hier helemaal de vele vragen in ons geloof ons treffen. Vragen naar het waarom, waarop geen antwoorden bestaan.
In de bijbel lezen we verschillende keren over de verschrikkingen van de zee. Denk aan de zondvloed, aan sommige Psalmen en het 2e hoofdstuk over de profeet Jona, die alle golven over zich heen voelt slaan. Voor Israël, aan de Middellandse Zee gelegen, was het water een dreigend geheel. Vandaar dat we in Openb. 21 de profetie lezen, dat er in de nieuwe hemel en nieuwe aarde geen zee meer zijn zal. Als beeld ook van ons geloof, dat eens de verwoestende golven ten einde komen.
Afgelopen zaterdag kwam ik in de krant een opmerkelijke uitspraak tegen. Iemand stelde, dat je grenzen pas goed leren kent, als je die zo nu en dan eens flink overschrijdt. Daarin schuilt een opmerkelijke dubbelzinnigheid. Het klopt allereerst, dat je soms de grenzen van iets te ver overschrijdt. Je komt er dan achter, dat dat niet goed geweest is. Je loopt vast. Of je loopt schade of een straf op. Je zult de volgende keer wel uitkijken om weer te ver over zo’n grens heen te gaan.
Aan de andere kant echter kun je ook tot de ontdekking komen, dat het helemaal niet zo erg is om over zo’n grens heen te gaan. Het kan zelfs bevallen. Je blijkt helemaal niet vast te lopen. Je loopt nauwelijks schade op. Of de straf was enkel een dreiging. Het kan je het gevoel geven, dat veel meer grenzen min of meer grenzeloos overschreden worden kunnen.
De bijbel geeft ons diverse heilzame grenzen in het leven aan. Veel regels zijn er op allerlei gebied te vinden. Bekend zijn de 10 geboden. Zij geven duidelijke grenzen in ons bestaan aan. Voor veel christenen zijn deze geboden de grenzen geweest, waarbinnen zij het christelijk geloof beleefden. Inmiddels leven we reeds tientallen jaren in een situatie, dat steeds meer christenen deze grenzen overschrijden. Of het nu het heiligen van de zondag, regels t.a.v. de waarheid spreken, het eerbiedigen van Gods naam enz. betreft, veel grenzen zijn overschreden. Voor een heleboel christenen leidt deze grenzen overschrijden daadwerkelijk tot het inzicht, dat het goed is om je toch aan deze grenzen te houden. Vandaag de dag echter zijn er steeds meer christenen, die het op veel gebieden niet meer erg vinden, dat ze de grenzen van de geboden gepasseerd zijn. Of dat daadwerkelijk heilzaam voor ons geloof en het kerk-zijn is? Laten we de 10 geboden voorlopig toch maar in de kerkdiensten lezen blijven.
Soms kan een onbekende film je raken en aan het denken zetten. Van Sinterklaas kreeg ik een totaal onbekende DVD met de veelzeggende titel Jesus. Op de achterkant van de doos staat geschreven, dat het een meer dan 3 uur durende film over het leven van Jezus als 7-jarige Jongen betreft.
Dat laatste gegeven vond ik intrigerend. In de bijbel staan geen verhalen over de Here Jezus als Jongen van 7 jaar. Weliswaar zijn er allerlei aprocriefe verhalen van de Here Jezus als Kind, maar die stammen uit de latere vrome fantasie van de kerk. Dus om iets zinnigs over de Here Jezus als Kind van 7 jaar uit te beelden, is al een kunst, laat staan om er een film van meer dan 3 uur mee te vullen.
Eindelijk - een stuk later dan de gave op 5 december - heb ik de DVD nu dan bekeken. En ik moet stellen, dat het een uiterst fascinerende film was. Enerzijds in het besef, dat de film volledig uit de fantasie van de schrijvers komt, gaat het uiterst serieus met de vraag om: hoe zal de Here Jezus nu als 7-jarige Jongen geweest zijn? Zal Hij net als alle kinderen gespeeld hebben? Ook geplaagd hebben? Was Hij Zijn ouders wel eens tot last, ging Hij op tijd naar bed slapen? En dieper doorgevraagd: was Hij al een buitengewoon wijze Jongen, wist Hij al slimmere antwoorden te geven dan de vragen, die Hem gesteld werden? Was er al iets van God in Hem herkenbaar? Of was Hij slechts een gewone Jongen als elk ander?
Boeiend om te zien is, dat ook filmmakers 2000 jaar na de Here Jezus er toch niet aan ontkomen om wat altijd over de Here Jezus geleerd is reeds in Hem als Kind van 7 jaar te projecteren. Maar tegelijk in een verhaal, waarvan je je tegelijk afvraagt: hoe verzin je het allemaal bij elkaar? Een spannende film van begin tot eind! De moeite van het bekijken meer dan waard!
Het is een bijzondere ochtend, als de vrouwen op weg naar het graf gaan om daar de Here Jezus de laatste eer te brengen. Voor ons gevoel lopen ze al in een opkomende zon, windstil, een heerlijke temperatuur. De voorvreugde van Pasen ruiken we eigenlijk al in het verhaal, als de vrouwen op weg naar het graf gaan.
Maar hoe anders zal het daadwerkelijk geweest zijn! Met een onvoorstelbaar verdriet, een diep gescheurd hart gingen de vrouwen op weg naar het graf. Hun Heer en Meester was op een verschrikkelijke wijze uit de weg geruimd. We kunnen ons de schrik en de blijdschap van de vrouwen dan ook niet meer indenken, toen ze eerst bemerkten, dat het graf geopend was, en later als ze de Heer in levende Lijve ontmoeten mochten.
Voor velen vandaag de dag is het moeilijk om de bijzondere waarde van dit Paasfeest in hun dagelijkse leven nog ruimte te geven. We leven in een tijd, dat de techniek en de wetenschap hun stempel op ons bestaan gedrukt hebben. We durven nauwelijks nog het woord wonder in onze mond te nemen, want mensen reageren vol ongeloof of anders wel met verstandelijke verklaringen, waarom er iets bijzonders gebeurd is.
Het feest van Pasen, het Wonder van de opwekking van de Here Jezus leert ons ontdekken, dat zelfs in de diepste dalen van ons bestaan wonderen mogelijk zijn. Niet altijd op onze manier: de Here Jezus wordt niet van het kruis gehaald. Na Zijn lijden volgt het sterven en de dood. Maar de aardse grens is niet het laatste woord, maar het voorlaatste woord: uiteindelijk heeft de levende God altijd het laatste woord! Hij geeft in de opwekking van Zijn geliefde Zoon het grote teken, dat Hij het eens goed maken zal. Op Zijn wijze!
De afgelopen maand hebben we middels de slotdienst wat op het afgelopen kerkelijk winterseizoen teruggekeken. We begonnen het seizoen met het thema Een nieuw begin. Dat hadden we als thema, omdat we niet alleen een groot aantal nieuwe ambtsdragers hadden, maar ook, omdat ik als nieuwe predikant aan onze gemeente verbonden ben. Ook is de Nieuwe Bijbelvertaling in oktober uitgekomen.
Er is een Nederlands spreekwoord, dat luidt Een goed begin is het ½ werk. Als je aan iets nieuws goed doordacht, met enthousiasme en visie begint, dan ben je al een heel eind. Dan zit de ½ klus er a.h.w. al op. Dat is zeker waar. Maar de andere ½ moet vervolgens dan ook wel gedaan worden, voordat de klus volledig geklaard is.
We kunnen absoluut op een goed kerkelijk winterseizoen terugzien. Maar daarbij moeten we het vervolgens niet laten! We gaan de kostbare maanden van de zomer tegemoet. Ook dan kunnen er talloze mogelijkheden en kansen zich voordoen om verder met ons geloof en kerk-zijn bezig te zijn. Niet met de vaste samenkomsten van koren, clubs en catechisaties, maar vaak wel weer op andere wijzen. Zeker ook met het oog op de vele vakantiegasten, die deze maanden op dit gedeelte van de Veluwe aanwezig zijn.
Met vreugde kunnen we deze maand ook vieren, dat zowel in Lieren als in Hoenderloo ambtsdragers in hun ambt bevestigd worden zullen. Opnieuw zijn we als kerkenraad kompleet. Dat is in de meeste kerken in ons land allang geen vanzelfsprekendheid meer. Ook daartoe hebben we reden tot grote dankbaarheid.
Kortom, er zijn als gemeente volop zegeningen te tellen. Laten we dat telkens doen, en deze vervolgens niet vergeten. Want pas zo wordt Een nieuw begin daadwerkelijk Een goed begin!
Ik kwam onlangs een bericht in de krant tegen, dat een landelijke spaarlampactie in België geen succes geweest is. In het kader van zuinig met stroom omgaan kon elk adres gratis een zuinige spaarlamp ophalen.
In de praktijk echter bleek een kwart van alle mensen de spaarlamp helemaal niet opgehaald te hebben. Een ander kwart had de spaarlamp weliswaar opgehaald, maar thuis verder niet opgehangen. Weer een ander kwart van de mensen had hem op een heel onbelangrijke plek, zoals een schuur, opgehangen, waar hij nauwelijks gebruikt werd. En tot slot bleek slechts een kwart van de mensen de spaarlamp op een goede wijze te gebruiken.
Toen ik dit berichtje in de krant las, moest ik uiteraard meteen aan die bekende gelijkenis van de Here Jezus over de zaaier denken, zoals het o.a. in Markus 4 beschreven staat. Een zaaier werpt zaad uit, waarvan slechts een klein deel goed terecht komt. Minder goed gaat het met het zaad, dat op de stenen terecht komt, waar het geen goede wortel schiet. Of in ondiepe aarde, zodat de wortels niet goed groeien kunnen. Of temidden van doornen en distels, waar het verstikt wordt. En tot slot een deel, dat wel goed terecht komt.
Zo zou je zo’n oude gelijkenis van de Here Jezus in een modern, actueel jasje vertellen kunnen! Alleen is de conclusie van de belgische overheid, dat de spaarlampactie niet geslaagd is, omdat ‘slechts’ 25% van de mensen de spaarlamp op een juiste wijze gebruikten. Daar ligt een verschil met de gelijkenis van de Here Jezus, als we die in de huidige tijd plaatsen. Als nl. een kwart van alle Nederlanders daadwerkelijk het zaad van Gods evangelie in hun persoonlijke leven, in de omgeving, waarin ze wonen, en de wijde wereld tot veelvoudige vruchten komen laten, dan is dat zonder meer fantastisch, dan zouden zij tot een groot licht voor de wereld zijn!
De afgelopen week waren we een dag op het eiland Schiermonnikoog. Een eiland met een kleine 1000 vaste bewoners. ’s Zomers met heel veel toeristen, ’s winters een stil eiland. Een bijzonder eiland, met slechts één woonplaats. Een eiland, waar officieel geen auto’s rijden mogen. Waar je door straten fietsen kan zonder al die auto’s langs de huizen geparkeerd te zien. Waar ze geen stoplichten kennen, geen treinen, nauwelijks winkels hebben, en de politie te fiets gaat. Waar je, als de wind niet te sterk is, met gemak op een dag het eiland een aantal keren rond rijden kan.
Op het eiland is er ook slechts één kerk. Midden in het dorp. Van oorsprong stond de kerk een ½ kilometer westwaarts van zijn huidige plek, maar het eiland ‘wandelt’ in de loop van de eeuwen naar rechts. Door de vaak sterke westenwind kalft de kust links af, en komt er aan de rechterkant weer nieuw land bij. Om die reden moest de oorspronkelijke kerk in de 18e eeuw verplaatst worden, en een ½ eeuw later is hij op de huidige plek herbouwd. De oorspronkelijke plek van de kerk is inmiddels zee geworden. Eigenlijk een mooi beeld van hoe een kerk als gebouw nooit een soort eeuwige, onveranderlijke plaats heeft. Omstandigheden kunnen veranderen, waardoor het anders moet. De oude kerk heeft eeuwenlang zijn betekenis gehad om voor de eilandbewoners de grootheid van God in woord, sacrament en lied te verkondigen. Daarna kon het op een nieuwe plek voortgaan.
Eén kerk op het hele eiland. Dat betekent voor de bewoners én de toeristen geen gehannes over welk gebouw of bij welke kerk je precies behoren wil. Als je naar de kerk wilt gaan, is dit de keuze! Elke zondagmorgen is er kerk, en eens per maand op de zaterdagavond een katholieke mis. Wat een voorrecht om op deze wijze geen stroperige, onwillige gesprekken te hebben over wat je heel misschien wel of niet als verschillende kerken samen kunt doen. Er is gewoon geen keuze!
Maar wat nu, als je toch bij een andere, heel bepaald kerkgenootschap behoren wil? Dan kun je elke zondag de bootreis van ¾ uur heen en ¾ uur terug nemen (en aan land nog de verdere reis naar de kerk). Als je dat daadwerkelijk elke zondag doet, dan heb je echt wat voor je principes over! Of zullen dezen toch maar gewoon voor die ene kerk op het eiland kiezen!? Waarbij je naast de goede aspecten de minder goede aspecten gewoon maar voor lief neemt.
Schiermonnikoog: een klein eiland. Maar een groots voorbeeld van hoe in de noodzaak van de omstandigheden men toch ‘ineens’ in één kerk tezamen kerk zijn kan!