De week van Pim zijn dood
De week van vrijdag 18 tot vrijdag 25 april 1997

 
 
  De week van vrijdag 18 tot vrijdag 25 april 1997 zal voor ons altijd blijven voortleven als de week van Pim zijn dood. In de twee weken die erop volgden schreven wij, Riet Achterhof en Jan Griep, Pim zijn ouders, onderstaand verslag.
 
 

Vrijdag 18 april 1997

 
 
  De vrijdag is de laatste werkdag van een op zich gewone week. Riet heeft, zoals gebruikelijk, de eerste drie dagen van de week gewerkt. Ikzelf werk maandag in Utrecht, sluit dinsdagochtend bij Gemeentewerken Katwijk mijn kennismakingsronde als nieuw gemeenteraadslid af en ben 's middags in Den Haag op het ministerie. Woensdag ben ik zoals altijd thuis en donderdag is de vaste vergaderdag te Utrecht. Vandaag ben ik, vanuit Den Haag, redelijk bijtijds thuis om aan het weekeinde te beginnen.

Pim en Fleur hebben ook een gewone schoolweek achter de rug, met voor Pim dinsdagavond de damclub en op de andere dagen het gebruikelijke wederzijdse spelen bij vriendjes. Wel heeft Pim de hele week wat last van keelpijn, maar niet zodanig dat hij – naar zijn eigen idee – niet naar school kan. Hij heeft er tot nog toe alleen 's avonds last van als hij in bed ligt te hoesten; dan krijgt hij van ons wat dropjes om zijn keel te smeren.

Om elf uur vanavond – Riet ligt al in bed en ik zit beneden – is er gestommel op de trap en in de badkamer. Pim staat over te geven in de WC en heeft koorts, tegen de 40į. We overleggen even: het lijkt op griep. Voor de zekerheid laten we hem zijn nek bewegen of het geen hersenvliesontsteking is – daar zijn we altijd erg bang voor – maar dat kan hij nog goed. Hij wil liever niet alleen op zijn zolderkamer slapen:
"Mam, mag ik bij jou", vraagt hij aan Riet. Hij kruipt bij haar in bed, en ik ga naar Pim zijn bed op zolder.

 
 

Zaterdag 19 april 1997

 
 
  De volgende ochtend maakt Riet me om een uur of half 8 wakker. Ze kijkt wat ongerust, want Pim heeft overal pijn en tegen de 41į koorts. Hoewel dat nog steeds klinkt als griep, besluiten we de dokter te bellen. Je zal altijd zien – ook nu weer – dat zoiets net in het weekend komt opzetten, als je eigen dokter geen dienst heeft. De vervangende arts blijkt echter van het serieuze soort en zegt direct toe even langs te komen. Hij is er om kwart over 10 en onderzoekt Pim grondig. Ik zit het vanuit de studeerkamer om een hoekje aan te zien, en zie hem Pim z’n nek laten buigen, testjes met z’n ogen doen en met behulp van een lepel in z’n keel kijken. Hij besluit met: "Ik kan er toch echt niets anders van maken dan een goeie griep". Over de koorts hoeven we verder niet zo in te zitten; dat is alleen maar goed in zo’n geval. Voor het geval dat Pim ‘s avonds nog zoveel koorts heeft, krijgen we een recept voor paracetamol-zetpillen. Samen met Fleur ga ik die ophalen bij de apotheek en loop de rest van de dag met haar wat klusjes en boodschappen te doen.

Pim blijft de hele verdere dag behoorlijk ziek op bed liggen. Wat wil je ook, met een echte griep voel je je immers knap beroerd. We geven hem regelmatig te drinken, wat er goed in blijft, en verder slaapt hij veel. ‘s Middags knapt hij wat op: de koorts zakt naar onder de 38į, Riet leest hem voor uit "Sjakie en de grote glazen lift" en hij eet een peertje en een boterham. Dat ‘s avonds de koorts weer wat oploopt lijkt ons niet verontrustend, dat heb je wel vaker met griep. Om hem ondanks die oplopende koorts toch rustig te laten slapen geven we hem alvast maar een zetpil met paracetamol. Toch is het wel raar dat hij steeds roerlozer in z’n bed blijft liggen. Ik probeer nog maar eens een grap:
"Ga je morgenochtend nog mee fietsen?"; iets wat we de laatste tijd steeds met z’n tweeŽn doen op zondagochtend.
Nauwelijks hoorbaar kreunt hij: "Nee".
Als ik in de medische encyclopedie lees dat griep en hersenvliesontsteking niet of/of is, maar het ťťn ook een complicatie van het ander kan zijn, word ik toch weer wat ongeruster.

Terwijl ik dat nog zit te lezen loopt Pim opeens naar de badkamer. Riet gaat kijken, en ziet hem nogal raar op de WC zitten. Hij zakt scheef weg en zijn ogen rollen opzij in zijn oogkassen. We moeten hem helpen terug naar zijn bed te lopen. Terug in bed blijft hij zo nu en dan raar met zijn ogen rollen. Ook zegt hij vreemde dingen:
"Er staan allemaal vriendjes om me heen die ik helemaal niet ken".
Als Riet hem nadrukkelijk vraagt: "Wie ben ik dan?" zegt hij nog wel: "Mama", maar als ik hem vervolgens wil helpen goed te gaan liggen verzet hij zich heftig door me stevig in mijn neus te knijpen. Is dat ijlen? Hoort dit bij griep en hoge koorts of is het wat anders?

We vertrouwen het maar niets, en bellen de dokter. Onze eigen dokter Dijk heeft weer dienst. Hij hoort door de telefoon het verhaal aan, zegt dat dit soort verschijnselen op zich wel eens voorkomen bij hoge koorts, maar raadt ons toch aan nog maar eens goed te proberen of hij zijn nek goed kan buigen. Later zal hij vertellen dat hij zich op dat moment sowieso voornam om bij ons langs te gaan.

We zetten Pim rechtop in zijn bed en buigen zijn hoofd naar beneden. Hij lijkt zich er nauwelijks van bewust te zijn wat we aan het doen zijn, werkt ook niet mee, maar protesteert wel als zijn hoofd omlaag moet. Als we dat toch doorzetten gaan als in een reflex zijn knieŽn omhoog. We bellen verontrust terug naar dokter Dijk. Enkele minuten later staat die al voor de deur. Hij probeert het ook nog een keer met hetzelfde resultaat. Ook valt het hem op hoe apathisch Pim reageert. Dan gaat alles razendsnel. Dokter Dijk neemt contact op met een kinderarts van het Academisch Ziekenhuis te Leiden (AZL). Direct is men het erover eens dat Pim met spoed moet worden opgenomen. Om 22.05 uur wordt de ambulance gebeld, en om 22.27 uur ligt Pim al op de afdeling spoedopname van het AZL met een team artsen om hem heen. Riet is in de ambulance met Pim meegereden. Ik had onze vrienden Betty en Niek al gebeld – Niek was direct gekomen om Fleur mee te nemen – en ben in onze eigen auto even later ook naar het AZL gereden. Ondanks de commotie van de spoedopname per ambulance ben ik op weg naar het AZL nog niet echt ongerust; ik besef weliswaar dat Pim hersenvliesontsteking heeft, maar heb toch het gevoel dat hij – nu hij op weg naar het ziekenhuis is – in veilige handen is.

Als ik in het AZL aankom zie ik Pim roerloos in een ziekenhuisbed liggen, met Riet ernaast die zijn hand vasthoudt. Onderweg in de ambulance kon Riet al geen contact meer met Pim krijgen, zegt ze. Wel zijn, zo is haar verteld, hartslag en bloeddruk goed; op zijn buik zijn inmiddels een paar hele kleine vlekjes te zien die vaak met hersenvliesontsteking gepaard gaan. Aan het voeteneinde van het bed staat een mevrouw in een spijkerbloes – zij blijkt later de dienstdoende kinderarts te zijn – die een aantal verpleegkundigen instrueert die infuzen aansluiten, monitoren instellen etc. Riet vertelt dat men geen tijd heeft verdaan met verder onderzoek, het is duidelijk dat het om hersenvliesontsteking gaat; men is dan ook direct gestart met het toedienen van antibiotica. Hoe ernstig de situatie is kan men kennelijk nog niet direct inschatten; over de vraag of Pim naar de intensive-care moest was men het nog niet eens.

Het eerste verontrustende teken doet zich voor na een kwartiertje, als er een neurologe binnenkomt om Pim te onderzoeken. Ik hoor haar zeggen: "Nu moet ik je even pijn doen knul", maar zie bij Pim geen enkele reactie, hoe hard ze ook duwt met haar instrument. Geleidelijk aan verandert de in het begin nog redelijk ‘rustig en vastberaden’ sfeer in de behandelruimte. Riet merkt op dat Pim zo raar ademt.
"Ja, daar moeten we inderdaad wat aan doen" is de reactie. In een microfoon wordt een boodschap ingesproken:
"Wil het beademingsteam nu met spoed naar de EHBO komen?!"
Dan zie ik het team veelbetekenende blikken uitwisselen. Later zal ik begrijpen dat de wat schokkerige beweging die Pim op dat moment met zijn arm maakt, een eerste teken van een hersenbeschadiging is. Ook het stokken van de adem bleek daarop te wijzen.

"We moeten nu een aantal handelingen verrichten, zoals het inbrengen van de beademingsapparatuur, die er wat vervelend uitzien", zegt de verpleegkundige, "misschien is het beter dat u daar even niet bij bent".
Het is dan kwart voor elf. Als ze met ons meeloopt naar de wachtruimte, zie ik nog net aan het andere einde van de gang in looppas het met spoed opgeroepen beademingsteam om de hoek komen rennen. We worden geÔnstalleerd in een klein wachtkamertje, met drie plastic stoelen en een tafeltje. Na enige tijd, als de verpleegkundige met koffie en thee terugkomt, vertelt ze ons ook het een en ander over de situatie.
"We denken dat het inbrengen van de apparatuur zo’n drie kwartier zal duren, dan kunt u weer bij hem. En verder zal de antibiotica nu zijn werk moeten doen; daar hangt alles vanaf. De komende 24 uur zijn bepalend; uw zoon is echt heel ernstig ziek."

Uiteindelijk zullen we zo’n twee uur in het wachtkamertje doorbrengen. Zo om het half uur komt de verpleegkundige zeggen dat het nog wat langer duurt en ons nog wat koffie en thee brengen. Al die tijd proberen we ons vooral een voorstelling te maken van wat dat precies inhoudt: 'echt heel ernstig'. Levensgevaar dus, maar hoe groot is de kans dat het mis gaat? Na enige tijd vertelt de verpleegkundige dat er op de hersenscan niets te zien is: is dat een goed teken? We weten het niet, en de gedachten malen maar door. Toch gaat het besef over wat levensgevaar betekent op dit moment nog niet verder dan dat ik me voorstel, later aan anderen te zullen vertellen "dat het toen kantje boord geweest is met Pim", "goh, wat zijn we bang geweest die nacht". Echt mis gaan, nee toch…

Wel voel je hoe je hele lichaam zich op een noodsituatie aan het instellen is. Elk bakje drinken moet er meteen uit, om beurten lopen we elke paar minuten naar de WC. Een geleidelijk opkomende misselijkheid, opdat je maar niet in de verleiding zal komen om ook maar iets te eten. En klaarwakker en alert op alles wat er deze nacht komen gaat. Riet belt tegen twaalven nog even met Betty en Niek. Ze vertelt in nuchtere bewoordingen hoe het is: "Pim wordt naar de intensive-care gebracht en het zal de komende 24 uur erg spannend worden."

 
 

Zondag 20 april 1997

 
 
  Eindelijk, tegen kwart voor ťťn, komt de verpleegkundige ons ophalen. Ze zegt dat Pim nu in een stabiele toestand op de intensive-care ligt, en ze wil ons meenemen naar de kinderarts voor een gesprek. "Ik wil eerst Pim zien", zegt Riet. Dat kan ook. Terwijl we naar de kinderafdeling lopen, vertelt de verpleegkundige dat Pim binnen de kinder-intensive-care in een geÔsoleerde box ligt. Dat is voorschrift bij een in beginsel besmettelijke ziekte als hersenvliesontsteking. Voorkomen moet worden dat eventuele bacteriŽn terecht kunnen komen bij de andere patiŽntjes die daar liggen. Alvorens de box binnen te gaan moeten we in een soort tussenkamertje onze handen wassen, mondkapje voordoen, muts opzetten en een blauwe jasschort en gummi handschoenen aantrekken. De eerste keer gaat dat nog niet zo handig; als ik klaar ben en de box inga zit Riet al op een stoel naast Pim.

Pim ligt doodstil, op zijn rug, temidden van een grote hoeveelheid apparatuur. Diverse buisjes en slangetjes lopen naar zijn armen, en in zijn mond zit een wat grotere buis waarmee hij wordt beademd. Op monitoren lopen groene lijntjes van links naar rechts en op en neer, en verspringen allerlei cijfertjes. Dat is dus Pim zijn stabiele toestand: ligt doodstil onder een deken, reageert nergens op en wordt met apparatuur in leven gehouden. Riet kust en streelt hem, zegt dingen als: "Kom op knul, zet hem op, vecht voor je leven!", vertelt hem hoeveel we van hem houden en dat we hem niet kunnen missen. Ik vind het pijnlijk om dat aan te zien; de gedachte dat hij het hoort is zo tegen beter weten in.

Dan volgt een gesprek met de twee behandelende artsen, de mevrouw in de spijkerbloes en nog een ander. Deze begint te vertellen dat het inderdaad om hersenvliesontsteking gaat, en legt uit welke verschillende soorten daarvan zijn. Meestal nestelt de bacterie die hersenvliesontsteking veroorzaakt zich eerst in de bloedbaan. Er ontstaan dan vlekken op de huid waardoor we bijtijds worden gewaarschuwd. Bij Pim is er kennelijk sprake van een zeer agressieve variant, die direct zonder waarschuwing naar de hersenen is doorgedrongen. In zo’n geval ben je als dokter op het moment dat de eerste verschijnselen te zien zijn vaak al te laat, zegt hij. De vraag of men inschat of dat bij Pim ook het geval is, blijft nog onbesproken. Het blijft bij de uitspraak dat de komende 24 uur bepalend zullen zijn.

We krijgen de sleutel van een soort hotelkamertje, dichtbij de intensive-care-box waar Pim ligt. Er is een rustbank, wat stoelen en een telefoon. De verdere nacht blijven we heen en weer gaan tussen beide plekken. Telkens betekent dat: de tussensluis door, handen wassen, kapje, handschoenen, muts, jasschort etc. Riet zit de meeste tijd bij Pim: ze praat tegen hem, spoort hem aan te vechten tegen de bacterie, vertelt wat we allemaal nog met hem van plan zijn – naar Amerika op vakantie en een keer skiŽn met mama –, dat hij en Fleur binnenkort jarig zijn, dat hij nog naar het damkampioenschap moet. Ze zingt liedjes voor hem zoals van Captain Jack en herhaalt steeds dat we ontzettend veel van hem houden en hem echt nog niet kunnen missen. Ik heb nog steeds moeite dat aan te zien. Bovendien denk ik: als Riet de hele nacht wakker blijft, kan ik beter wat gaan slapen. Wie weet hoe lang we dit nog moeten volhouden.

Maar van slapen komt weinig. Als ik in de familiekamer op de rustbank lig, malen de gedachten maar door. Ik merk op een zeker moment dat ik onbewust al een toespraak voor Pim zijn begrafenis aan het bedenken ben. Enerzijds is die gedachte akelig reŽel, anderzijds is er nog steeds de hoop dat ik het allemaal wel niet goed begrepen zal hebben. Zo nu en dan ga ik dus maar weer bij Pim en Riet kijken, en tref onveranderd dezelfde situatie aan. Wel zijn er steeds nieuwe verontrustende berichten. Zo raakt zijn nierfunctie gestoord en moet met medicijnen worden ondersteund en reageert hij nog steeds niet op de regelmatig uitgevoerde neurologische tests. Tegen half vier vraagt Riet aan Hilde, die deze tests uitvoert:
"Dit is niet goed hŤ; dit is geen goed teken?".
"Nee", zegt ze, "hij is echt heel ver weg".
Riet komt me dit in de familiekamer vertellen, en we houden elkaar enige tijd stilzwijgend vast. Ik voel dat ik nu echt misselijk wordt, misselijk van angst. Dit gaat mis, beginnen we te beseffen.

"We kunnen dit niet meer voor onszelf houden", zegt Riet, "de opa’s en oma’s moeten gebeld worden".
Ze probeert het eerst bij haar eigen ouders in Zwolle, maar daar wordt de telefoon niet gehoord. In Doorn wel:
"Er is toch niets met Pim?", vraagt mijn moeder direct ongerust als ze de telefoon oppakt.
"Jawel moeder", en Riet vertelt haar wat er aan de hand is. Grote schrik aan de andere kant van de lijn; met name bij het woord ‘coma’ hoor je hoe dat geladen begrip inslaat als een bom. Na enig proberen krijgen we ook Zwolle aan de lijn. Evenals met Doorn spreekt Riet af dat ze om een uur of zeven weer zal bellen, dan kunnen we ook bezien of ze het beste meteen kunnen komen.

Even na vieren, als Riet weer bij Pim zit, zegt de verpleegkundige:
"De toestand van uw zoon is nu stabiel; het lijkt me belangrijk dat u probeert toch even wat te rusten. Mocht er iets zijn dan waarschuw ik u direct".
En zo liggen we tot tegen half zeven met zijn beiden in de familiekamer op de rustbank en proberen wat te slapen. Maar slapen doen we niet veel, de gedachten blijven doormalen, soms ieder voor zich, en dan weer hardop tegen elkaar: hoe staat het ervoor met hem, hoeveel kans is er nog op overleven, is het een goed teken dat zijn toestand nu stabiel is of betekent het dat de machines nu alle functies al hebben overgenomen. En als hij dit overleeft wat houdt hij er dan aan over, ernstig hersenletsel misschien? Hulpeloos in een karretje rondgereden moeten worden; nooit meer goed kunnen denken, nooit meer dammen?

Tegen half acht belt Riet met de opa’s en oma’s en met Betty en Niek. Opa en oma Zwolle zeggen direct naar Leiden te komen, ze zullen er tegen half elf zijn. Opa Doorn is zo ontzettend van streek – sinds zijn hersenbloeding van een paar jaar geleden kan hij slecht met emotievolle situaties omgaan – dat het mijn moeder verstandiger lijkt in Doorn te blijven. En ondertussen blijft Riet regelmatig bij Pim zitten en tegen hem praten, worden er op gezette tijden nieuwe onderzoeken gedaan waarvoor we dan weer even moeten vertrekken en blijft die misselijk makende angst je hele lichaam in zijn greep houden. De verpleegkundige is hierop al ingesteld. Om te eten brengt ze ons soep en yoghurt; ze weet uit ervaring dat we geen hap vast eten door onze keel kunnen krijgen.

Om half elf staan oma en opa Zwolle opeens in het gangetje. Ik neem ze mee naar onze familiekamer en we staan elkaar enkele minuten stilzwijgend vast te houden. Veel tijd om bij te praten is er niet, ik neem ze algauw mee naar de intensive-care-box, waar Riet bij Pim zit toe. Ik instrueer ze bij het binnengaan over het aantrekken van de jassen, mutsen, mondkapjes en gummi handschoenen, en zo staan we enige tijd met z’n vieren om Pim heen. Dan is het voor Riet en mij tijd voor het gesprek met dokter Lopez Cardozo, de chef van de kinderafdeling. Bij het weggaan vraagt Riet haar moeder: "Zorg goed voor Pim; praat tegen hem!"

Om kwart over elf lopen we met de dokter het gangetje door:
"Ik wil met u praten over de toestand van uw zoon, en over de verdere prognose", zegt hij terwijl hij een spreekkamertje opzoekt. We gaan zitten.
"De toestand van uw zoon is heel, heel slecht", zegt de arts.
Riet vraagt: "Hoe is het dan met zijn hersentjes".
Hij antwoordt: "In feite is hij hersendood".
Het is even stil. Ik buig voorover met mijn hoofd in mijn handen, en moet een paar keer snikken. Ik besef dat ik het eigenlijk al wel wist, maar alleen nog leefde op de hoop dat ik het als leek wel bij het verkeerde eind zou hebben. Dat laatste beetje hoop is nu dus weggenomen. Gek genoeg is de martelende angst die ons de hele nacht overspoelde ook plotseling verdwenen. In plaats daarvan komt een intense leegte, een onwezenlijk soort rust opeens, nu we weten waar we aan toe zijn.

Verdoofd, mechanisch, alsof ik er zelf niet helemaal meer bij ben, zie ik mezelf weer overeind gaan zitten en praktische vragen aan de dokter stellen, zoals:
"Hoe gaat het nu verder?".
"Hoewel de neurologen het eigenlijk niet nodig vinden, lijkt het me verstandig nog een EEG-onderzoek doen", zegt hij. "We kunnen dan met volstrekte zekerheid vaststellen of er nog enige hersenactiviteit aanwezig is. Als dat, zoals we helaas verwachten, niet het geval is dan zal uw zoon vandaag moeten overlijden. Het heeft dan geen zin hem verder kunstmatig in leven te houden."

Als Riet de vraag stelt waarom Pim in elk geval vandaag moet overlijden, lijkt de dokter haar niet helemaal te begrijpen. Hij denkt dat ze ervoor pleit hem nog langer in leven te houden.
"Dat is ethisch niet verantwoord …", begint hij te antwoorden.
Riet onderbreekt hem, in tranen: "Maar je hebt het wel over mijn kind, mijn Pim!"
Op de wijze waarop de behandeling gestaakt gaat worden wil hij nog niet ingaan.
"Ik stel voor dat we eerst het EEG-onderzoek doen, en dat we daarna opnieuw praten over hoe het verder gaat." Als de artsen vertrekken, blijven we met z’n tweeŽn in het spreekkamertje achter. Als we elkaar aankijken hebben we allebei dezelfde gedachte: Wat zijn we hier vaak bang voor geweest, dat ons zoiets nog eens zou overkomen. Een kind verliezen, dat leek ons altijd het ergste wat denkbaar is. En nu treft het ons; wat een enorme verbondenheid kun je op zo’n moment voor elkaar voelen.

Na een tijdje lopen we terug naar de familiekamer. We vertellen opa en oma Zwolle, die net een tijd bij Pim gezeten hebben, over het gesprek met de artsen. Ik bel naar Doorn:
"We hebben net met de artsen gesproken, en er is geen hoop meer voor Pim".
Ik hoor op de achtergrond vader smartelijk schreeuwen: "Oh nee toch, mijn Pimmetje !"
Riet belt ook naar Betty en Niek en naar onze huisarts dokter Dijk, en ik naar mijn broer Ben in Finland. Die weten uiteraard nog van niets, en ik vind het moeilijk om in een keer alle schokken die wij sinds gisteravond al doorstaan hebben in ťťn keer door te geven: Pim naar het ziekenhuis, hersenvliesontsteking, levensgevaar, diepe coma… Ben klinkt verdoofd als hij eindigt met: "Laat mij dit eerst eens even verwerken." Als we net klaar zijn met telefoneren komt dokter Dijk binnen, die zijn weekenddienst direct aan een collega had overgedragen. Met zijn allen zitten we lange tijd bijeen, terwijl in de intensive-care-box de neurologe een EEG maakt van Pim zijn hersentjes.

Om drie uur spreken we opnieuw met dokter Lopez Cardozo, deze maal vergezeld van de dienstdoende verpleegkundige. De uitslag van de EEG is zoals verwacht: er is geen enkele hersenactiviteit te registreren. Zelfs bij het sterk uitvergroten van de lijntjes zijn ze kaarsrecht. Het gesprek gaat al heel snel over het moment van overlijden, en hoe dat in zijn werk zal gaan. Het uitschakelen van de beademing zal voor Pim niet betekenen dat hij het benauwd krijgt of in ademnood raakt, legt de dokter uit. Het ademen zal gewoon ophouden, alleen zijn hartje zal nog enkele minuten door blijven kloppen. Hij gaat er al min of meer vanuit dat we daar bij willen zijn:
"U kunt hem op schoot nemen, of bij hem in bed gaan liggen, dat moet u zelf maar aangeven."
"En moeten we hem hier dan achterlaten?", zegt Riet, met in haar stem iets van: ik ga hier niet zonder Pim vandaan.
"Nee hoor", zegt de dokter, "U bent met uw eigen auto hier? Dan kan ik u een brief meegeven waarin ik toestemming verleen dat u uw zoon zelf mee naar huis neemt."

Dan wijst dokter Lopez Cardozo ons op een aantal zaken waar wij op dat moment zelf nooit aan gedacht zouden hebben:
"Pim heeft nog een jonger zusje, heb ik begrepen? Ik denk dat het voor later heel belangrijk is dat zij haar broertje hier ziet, hoe ziek hij is, hoe hij er nu bij ligt. Anders ontstaan er bij haar wellicht vreemde fantasieŽn; dat haar ouders Pim zijn wezen wegdoen in het ziekenhuis of iets in die geest."
In feite suggereert hij, haar het overlijden zelf te laten bijwonen. Ook wijst hij ons nog op de aanwezigheid in het ziekenhuis van een pastor, die, als we zoiets zouden willen, bijvoorbeeld gevraagd zou kunnen worden Pim te dopen.
Mijn ingeving: "Ik zou wel een foto willen hebben, van Pim temidden van al die apparatuur" wordt ook meteen opgepakt. De verpleegkundige zal op de kraamafdeling een fototoestel gaan ophalen. Het gesprek eindigt met: "Laat u ons maar weten wanneer u denkt er aan toe te zijn."

Vanaf dat moment verloopt alles in een stroomversnelling. Terug in de familiekamer zijn ook Riet haar broer Marcel, en Laura, gearriveerd. Marcel gaat bellen met een begrafenisondernemer, om te vernemen of het een probleem kan zijn dat we Pim vanavond mee naar huis nemen, terwijl hij pas vrijdag begraven kan worden. Donderdag is immers Fleur jarig, dat moet niet de rest van haar leven dezelfde datum worden als waarop haar broer is begraven. Riet belt naar Betty en Niek, en spreekt af dat ze ook naar het ziekenhuis komen en Fleurtje en een schone pyjama voor Pim meenemen.

Ook de ziekenhuispastor komt binnen. We vertellen hem dat wijzelf geen kerkse mensen zijn, maar dat Pim onder invloed van de godsdienstles op school een gelovig mannetje was geworden. Dat hij zich zelfs wel eens ongerust maakte over zijn ongelovige vader; hoe dat nou moest met naar de hemel gaan later. Wij wilden hem de keus over een geloof zelf laten maken als hij volwassen zou zijn. Nu dat niet meer mogelijk is, weten we zeker dat hijzelf op dit moment graag gedoopt zou willen zijn. Pastor de Groot wil dat graag doen, en ziet ook geen praktisch probleem:
"De christelijke doop is universeel; ook een door een katholieke pastor bediende doop kan in een hervormde gemeente worden ingeschreven."
Hij vertrekt om de nodige voorbereidingen te gaan treffen, en komt enige tijd later nog met ons overleggen over de manier waarop hij het wil doen en welk verhaal hij erbij zal voorlezen.

Steeds kijk ik even om de hoek van de gang, het trappenhuis in, of ik Betty en Niek al zie aankomen. Na een paar keer zie ik ze opeens een verdieping lager lopen. Fleur kijkt omhoog en ziet me. Even kijkt ze blij dat ze haar vader ziet, maar meteen ziet ze hoe ik ineenkrimp en huil. Met een bedrukt gezicht komt ze even later op me aflopen en slaat haar armpjes om me heen. Ik vertel haar meteen waarom ik huil:
"Pim is zo erg ziek, dat de dokters hem niet meer beter kunnen maken", en dat we zo bij hem gaan kijken. Ze gaat, evenals Betty en Niek, mee naar onze familiekamer en zit een tijdje stilletjes bij me op schoot.

Riet heeft ondertussen een afspraak met een begrafenisondernemer kunnen maken. De eerste – ťťn uit Katwijk die door Marcel was gebeld – was er namelijk niet mee accoord gegaan dat we Pim mee naar huis zouden nemen; volgens hem moest hij eerst een nacht in een koeling. Een tweede – uit Warmond – was met dit soort dingen gestopt wegens slechte ervaringen over het betalen. Maar bij een firma uit Leiden kreeg Riet een zeer begrijpende mevrouw aan de telefoon:
"Neemt u uw zoon gerust mee naar huis en leg hem thuis in zijn eigen bed. Mijn man komt morgen bij u langs om te kijken wat er verder moet gebeuren."

Rond een uur of zes komt pastor de Groot ons halen voor de doopplechtigheid. Tien sets met steriele kleding lagen voor ons in de luchtsluis gereed. Ook Fleur moet deze veel te grote spullen aan, en verder opa en oma Zwolle, oom Marcel en tante Laura, Betty en Niek en wij. Niek krijgt van de verpleegkundige het fototoestel. Er is maar net ruimte voor ons allen rond Pim zijn bed. Pim, die nog steeds roerloos en – dank zij de apparatuur – mechanisch ligt te ademen en voor mijn gevoel allang heel ergens anders is. De pastor leest een verhaal voor, over een adelaarsjong dat uit z’n nest valt maar door de moederarend weer veilig wordt opgevangen, en voert de handelingen uit die bij de doop horen: water, zalf, het uitspreken van de dooptekst. We zijn allemaal vrij stil; aan Fleur merk je hoe ze begrijpt dat Pim er al eigenlijk niet meer is. Ze zit stil bij me op schoot, kijkt maar steeds naar Pim en huilt.

Na afloop van het dopen gaan we naar het stiltecentrum van het ziekenhuis, waar een doopkaars wordt aangestoken, en zitten we nog geruime tijd bijeen in onze familiekamer. Ook Riet haar zus Aafke is nog gekomen; even later gaat ze samen met Marcel bij Pim kijken. Betty en Niek vertrekken ondertussen; ze nemen Fleur weer mee. Ze ziet er moe en verdaan uit; als we vragen of ze nog langer bij Pim wil blijven zegt ze ook zelf dat ze daar te moe voor is.

Om halfacht zitten Riet en ik weer met z’n tweeŽn bij Pim. Zijn toestand wijzigt zich niet meer; we weten ondertussen dat al die uiterst regelmatige lijntjes en verspringende cijfertjes op de monitoren alleen maar aangeven dat de besturing van zijn lichaam niet meer door hemzelf, maar door machines plaatsvindt. Zo voelt het ook als je naar hem kijkt en hem aanraakt: onze Pim ligt daar nog wel, maar is er zelf niet meer bij. We kijken elkaar aan en beseffen dat het onvermijdelijke moet gaan gebeuren: we moeten hem loslaten. Als even later de dienstdoende verpleegkundige binnenkomt – een lange vriendelijke jongen met zwart krulhaar – maken we hem duidelijk dat wat ons betreft het moment gekomen is. Niet omdat Pim nu van ons mag overlijden – het verwerken van die gedachte staat nog heel ver van ons af – maar omdat we zien dat Pim eigenlijk al niet meer bij ons is. En we willen hem nu graag mee naar huis nemen.

Ik maak een foto van Pim in de omgeving waar hij de laatste dag van zijn leven heeft doorgebracht. Riet verwijdert, samen met de verpleegkundige, stuk voor stuk alle slangetjes die hem de afgelopen periode in leven hebben gehouden. Dan kruipt Riet bij Pim in bed en neemt hem in haar armen; ik ga er aan de andere kant bij liggen. Gelukkig mogen de gummi handschoenen, kapjes en mutsen nu af. De verpleegkundige maakt foto’s van ons drieŽn zoals we daar bij elkaar liggen

Het is 20.15 uur als hij voorzichtig de beademingsslang uit Pim zijn keel haalt en ons alleen laat. Direct houdt het ademen op. Alleen zijn hartje blijft dapper doorkloppen.
"Ga maar mannetje, je mag van mama", hoor ik Riet zeggen.
We liggen er nog ruim een kwartier haast vredig naar zijn steeds zwakker wordende hartslag te luisteren. Zo onwezenlijk rustig dat ik zelfs opmerk:
"Vergeleken met de situatie dat je kind in het verkeer verongelukt zijn we bevoorrecht dat het op deze manier kan."
Om 20.34 uur klopt Pim zijn hart voor de laatste keer. Enige minuten later komt de dokter binnen om officieel de dood vast te stellen. Ook dat moment leg ik vast: de eerste foto van ons overleden kind.

Kort daarop komt de verpleegkundige binnen met handdoeken, zeep, etc. We beginnen met Pim zijn haar te wassen; dat zat nog vol met klodders van het EEG-onderzoek. Daarna wast Riet zijn hele lichaam met babyzeep en trekken we hem een schone pyjama aan. Per brancard wordt Pim tenslotte door twee verpleegkundigen naar dezelfde uitgang gereden waar hij 23 uur eerder per ambulance binnenkwam. Marcel helpt mee om Pim achterin onze auto bij Riet op schoot te zetten. Ik rij weg en zie in mijn achteruitkijkspiegel dat de verpleegkundigen ons in de deuropening staan na te kijken.

Wat voel je als je vervolgens met je overleden zoon achterin de auto via Oegstgeest en Rijnsburg naar huis rijdt? Geen heftige emoties is ieder geval; daarvoor zijn we veel te verdoofd. Vaag lijkt het op het einde van een verre vakantiereis; dan reden we hier ook ‘s avonds laat, met de kinderen slapend achterin. Dat beeld wordt nog sterker als we bij ons huis zijn: ik pak Pim in mijn armen, draag hem twee trappen op en leg hem – alsof hij gewoon slaapt – boven in zijn eigen bed.

Samen met Betty en Niek, die al met Fleur bij ons thuis zitten, ruimen we Pim zijn kamer nog wat op. We zetten een kaars naast zijn bed, en geven een aantal van zijn spulletjes een plaats ernaast. We lopen allebei nog een paar keer naar boven om hem daar zo rustig te zien liggen. Ik weet werkelijk niet wat ik voel als ik daar zo sta; je weet dat je kind is overleden, maar je weet ook dat van de volle omvang van wat dat betekent nog maar een heel klein gedeelte tot je doordringt. En dat is ook maar goed ook; de verpleegkundige in het ziekenhuis had dat ook al gezegd:
"Kijk voorlopig niet meer dan ťťn dag vooruit; ťťn dag tegelijk, meer moet u op dit moment niet willen verdragen."
Het belangrijkste lijkt het gevoel: een paar dagen zullen we Pim nog bij ons hebben. Riet neemt Pim in haar armen en kust hem. Ik ga even later nog naar boven om een foto te maken. Als ik het licht aandoe schrik ik even: ik maak je toch niet wakker, jongen?

En verder die avond: Riet haar vader is bij de apotheek langsgeweest; Riet, Fleur en ik moeten antibiotica slikken voor het geval we ook door de meningococ – de bacterie die hersenvliesontsteking veroorzaakt – besmet geraakt zouden zijn. We maken Fleurtje dus nog even wakker en proberen enige tijd tevergeefs het veel te grote tablet bij haar naar binnen te wurmen. Niek bedenkt uiteindelijk de oplossing: hij maakt er poeder van en mengt het door wat vanillevla. Ook dringt het tot ons door dat het morgen een werkdag is, met afspraken en mensen die op ons wachten. Riet en ik bellen beiden naar onze baas en vertellen dat ze voorlopig niet op ons hoeven te rekenen. Vreemde telefoongesprekken zijn dat. Mijn directeur neemt op zijn gebruikelijke joviale wijze de telefoon op. Als ik vertel wat er gebeurd is hoor ik eerst stilte en verbijstering aan de andere kant van de lijn, hij stamelt een paar keer:
"Wat erg, wat erg..", en lijkt eigenlijk niet meer te luisteren als ik – heel praktisch – vertel dat ik voorlopig niet op m’n werk kom.
Hij eindigt met "Laat alles maar achter je neervallen; zit daar maar niet over in!"

Tenslotte: Marcel en Laura gaan naar huis, Riet haar ouders besluiten bij ons te blijven en klappen het logeerbed uit, ik neem een glas trappistenbier en Riet een homeopatisch slaaptablet, en doodop en verdoofd vallen we vrij spoedig in ons bed in slaap.

 
 

Maandag 21 april 1997

 
 
  Ik word wakker als ik Riet huilend de trap af hoor komen: "Het is echt; het is echt!"
Ze is bij Pim gaan kijken en heeft gezien dat zijn overlijden geen boze droom maar werkelijkheid is. Even later staan we met z’n drieŽn – Riet, Fleur en ik – bij Pim z’n bed.
"Nu zijn we nog maar met z’n drietjes", zegt Riet tegen Fleur.
Als we daarna nog even met z’n drieŽn in ons bed liggen, komt Fleur erop terug: "Maar we horen toch met z’n vieren", voegt ze er aan toe.
Ontroerd herhaal ik de uitspraak, en besluit hem meteen op te schrijven voor op de rouwkaart.

Beneden hebben Riet haar ouders het ontbijt al gereed staan. Fleur moet toch maar gewoon naar school, hebben we bedacht. Betty en Niek komen haar halen; waarschijnlijk niet voor het laatst is er even een schok als hun zoon Jurre, Pim zijn beste vriend, als eerste komt binnenlopen. Jurre heeft een zacht balletje bij zich, waar hij en Pim vaak mee speelden bij hem thuis. Met Niek gaat hij even boven bij Pim kijken; het balletje legt hij bij zijn bed.

Opeens bedenk ik dat elk moment Leendert, een vriendje waar Pim elke dag mee naar school fietst, voor de deur kan staan. In allerijl belt Riet naar zijn huis, en vertelt zo goed en zo kwaad aan Leenderts moeder wat er aan de hand is:
"Zeg het nog niet aan Leendert zelf, het is de bedoeling dat de kinderen het pas te horen krijgen als ze in de klas bij elkaar zitten".
Niek heeft namelijk gisteravond met Menno Visser – het hoofd van de basisschool – gebeld en met hem afgesproken dat hij en Betty meekomen om in de beide klassen, die van Pim en die van Fleur, het overlijden van Pim mee te delen. Voorkomen moet daarom worden, dat het verhaal al op het schoolplein de ronde doet.

Ook is er al overleg geweest met het hoofd van de afdeling Onderwijs op het gemeentehuis – toevallig ook de vader van een klasgenootje van Pim – over het opstellen van een brief aan de ouders. Naar verwachting zal er bij het horen van het woord hersenvliesontsteking bij veel ouders ongerustheid ontstaan over een mogelijke besmettelijkheid. Die vrees zal in de brief worden weggenomen. Afgesproken is ook dat als er eventueel telefoontjes over komen, er naar de GGD zal worden verwezen.

Die ochtend komen opa en oma Doorn naar Pim kijken. Een neef brengt ze per auto naar hier; zelf rijden bracht vader niet op onder deze omstandigheden. Als ze binnenkomen schrik ik van vader en zeg even later tegen Riet: "Dit wordt die man zijn dood." Smartelijk schreeuwt hij het uit als hij voor Pim zijn bed staat: "Oh mijn jongetje, ik had hier moeten liggen, niet jij!". Moeder huilt ook, maar lijkt zich wat in te houden om ook nog een oogje op vader te kunnen houden. Ook andere bekenden komen langs. We zitten de hele ochtend in wisselende samenstelling aan de eettafel en vertellen, terwijl Riet haar ouders voortdurend met koffie zetten in de weer zijn, aan ieder die binnenkomt opnieuw het verhaal van Pim zijn overlijden.

Omstreeks halftwaalf wordt er aangebeld door een man in een grijs pak, die zich voorstelt als Bert Mulder van begrafenisonderneming Van der Luit. Ook dat is een schok: een begrafenisondernemer aan de deur. Dat Pim dood is, lijkt door zijn verschijning opeens weer iets meer realiteit en iets minder een boze droom te zijn. Als we even later op de werkkamer met hem zitten te praten, blijkt de heer Mulder overigens een prettig iemand te zijn, die niet nalaat te verzekeren dat wij mogen zeggen hoe we het willen, en dat hij vooral zal kijken hoe hij het regelen kan. Achtereenvolgens hebben we het met hem over de datum en het tijdstip van de begrafenis, over de kleur van de lijkauto, over de vraag of er volgauto’s achteraan moeten rijden, over het soort graf – een enkel graf, een familiegraf of een grafkelder, of de kist van spaanplaat of van eikenhout moet zijn, en over de tekst op de rouwkaart.

Riet en ik zijn het over al deze onderwerpen eigenlijk heel snel eens. Geen zwarte of grijze, dan maar een bordeauxrode auto voor Pim, geen volgauto’s: we laten het van het weer afhangen of we lopend gaan of met eigen auto’s achter Pim aanrijden en we kopen voor hem een familiegraf waar wij later ook bij in kunnen. Voor de kist komt uiteraard alleen massief eikenhouten in aanmerking; we geven de heer Mulder een potje 'boevenblauwe' verf mee die al voor het verven van zijn zolderkamer gereed lag, om de kist in die kleur te spuiten.

Ook de rouwkaart zal in blauw worden gedrukt. Als we de tekst ervan bespreken roepen we Betty en Niek er ook bij. Na wat proberen staat het volgende op papier. We beginnen met de uitspraak van Fleur:

Nu zijn we nog maar met zijn drietjes;
Maar we horen toch met zijn vieren.

En dan de mededeling waar het om draait:
"Verbijsterd, niet te begrijpen; Na een zeer korte ziekte is onze zoon en mijn broer – bijna 11 jaar oud – van ons weggenomen: Pim, geboren 9 mei 1986, overleden 20 april 1997."
Daaronder:
'Ons bolletje is niet meer', omdat Riet hem vroeger, als ze over zijn bolletje streek, vaak zo noemde. We eindigen met te vertellen: 'Pim is bij ons thuis' en de meer praktische melding:
We komen samen op 25 april om 13.00 uur in de aula van de begraafplaats ‘Duinrust’, Parklaan te Katwijk, waarna wij hem met zijn allen naar zijn laatste plekje zullen brengen.

Over wat er in de aula gaat gebeuren maken we met de heer Mulder nog geen afspraken. Dat hoeft ook nog niet, hij zal toch elke dag even langskomen en dat kan dus nog wel even wachten. Wat het lichaam van Pim betreft, lijkt het de heer Mulder geen bezwaar dat hij eerst gewoon in zijn bed blijft liggen. Zodra het kistje klaar is, zal hij er een koelelement onder plaatsen. Naar verwachting kan de kist dan tot op het laatst gewoon open blijven. En dan gaat de heer Mulder er snel vandoor om alles wat we hebben afgesproken te gaan regelen.

De rest van de dag gaat als in een roes aan ons voorbij. Er bellen mensen op: Ina uit Amersfoort bijvoorbeeld, waar we zaterdagavond op bezoek zouden zijn gegaan en die nietsvermoedend vraagt hoe het met Pim zijn griepje is afgelopen. De eerste kaarten met geschokt medeleven komen binnen; er komen mensen langs: Jochem en Karlijn, en de jeugdleider van de damclub Jan Jungerius. Als we deze laatste als een grote huilende beer bij Pim zien staan, realiseren we ons dat Pim allang niet meer alleen van ons was. Hij had al een heel netwerk om zich heen, allemaal mensen die hem nu ook kwijt zijn. Jan Jungerius heeft hem op 7-jarige leeftijd op de damclub zien binnenkomen, hem van wedstrijd tot wedstrijd begeleid, is trots geweest op zijn prestaties op het Nederlands kampioenschap. Ook hij verliest een beetje een zoon. We vragen hem of hij bij de begrafenis een van de dragers van Pim zijn kistje wil zijn. Daarin stemt hij toe.

's Avonds krijgen we bezoek van een aantal leerkrachten van de school: Menno Visser de directeur, Ton Beemer van groep 8, Pim zijn eigen meester Piet Bedijn, en Ien Faber, de juf van Fleur. Nadat ze bij Pim hebben gekeken vertellen we weer het hele verhaal. Daarna vertelt Piet Bedijn hoe het die ochtend in de klas is gegaan. Toen Niek van Pim vertelde viel er eerst een diepe stilte; daarna moesten er veel huilen. Na enige tijd is Piet met ze naar het strand gegaan, om uit te waaien. Al lopend hebben ze onderweg bloemen geplukt die, eenmaal terug in de klas, op Pim zijn tafeltje zijn gelegd. Een tafeltje dat in de loop van de verdere schooldag steeds voller werd: tekeningen, gedichtjes, brieven, etc. Menno vertelt dat veel leerlingen, ook van andere groepen, Pim nog zouden willen zien.

We spreken af dat daar morgen tussen half 4 en half 6 gelegenheid voor is. Als ze vertrokken zijn, zitten we nog lang met z’n allen rond de tafel. Ik zit daarbij alvast adressen te schrijven voor de rouwkaarten. De man van de drukkerij heeft daar vanmiddag, toen hij de drukproef kwam tonen, al enveloppen voor afgegeven.

Deze hele maandag ligt Pim in zijn pyjama in zijn eigen bed. We gaan vaak kijken bij hem; Riet zit dan naast hem op bed, streelt hem, dekt hem nog eens toe. Hoewel we wel beter weten, kunnen we nog een beetje doen alsof hij gewoon ligt te slapen, zo normaal ziet hij er uit. Riet zorgt ervoor dat er steeds een kaars bij hem brandt. Een hele grote, die bij Betty en Niek vandaan komt, en een klein waxinelichtje. ‘s Avonds voor het slapen gaan zitten we samen nog even bij Pim. Ondanks alles is het mooi, zeggen we tegen elkaar, dat we hem thuis bij ons hebben. Dat dit in elk geval nog even kan.

 
 

Dinsdag 22 april 1997

 
 
  Elke dag een stapje verder. Vanmiddag zullen ze Pim zijn kistje komen brengen, en kunnen we niet meer bij hem op bed gaan zitten. Die ochtend brengen we nog heel wat tijd bij hem door, Riet streelt dan over zijn bolletje, voelt hoe koud zijn benen al zijn geworden, stopt hem nog eens toe. En nog steeds zijn we eigenlijk te verdoofd om het echte verdriet al te kunnen voelen. Je weet dat je nog weken, maanden, jaren misschien, om wat er deze week is gebeurd zult huilen, maar nu voel je alleen maar dofheid. Alleen als er goede bekenden binnenkomen, of soms op momenten dat er kennelijk toch een heel klein beetje van het diepe verdriet tot me doordringt, moet ik even heel kort en vrijwel geluidloos huilen.

Die ochtend komen er weer mensen langs, zoals dokter Schoonenberg, die vertelt hoe een wijs mannetje hij Pim altijd vond. En Wil, Riet en Gerard, en Marleen, kennissen van Riet van de boekenclub. Als Riet met Marleen boven bij Pim is, staat opeens de invaldokter van zaterdagochtend voor de deur. Je ziet dat hij het moeilijk vindt om binnen te komen. Na zijn medeleven betuigd te hebben, begint hij meteen over zaterdagochtend, toen hij Pim nog heeft onderzocht. Dat hij na ons telefoontje juist direct langskwam omdat hij het niet helemaal vertrouwde, maar dat er op dat moment werkelijk niets te constateren was dat op hersenvliesontsteking wees. Hij vertelt een en andermaal op welke manieren hij daar nadrukkelijk op heeft gelet. Ik begrijp dat de man het er ook moeilijk mee heeft, en zich diverse malen zal hebben afgevraagd of hij iets over het hoofd heeft gezien, maar heb toch niet het geduld er lang naar te luisteren.

Riet bestelt die ochtend bij de bloemist bloemstukken – ťťn van ons beiden en ťťn van Fleur – voor vrijdag. Ik schrijf verder aan m’n adressen voor de rouwkaart, en brengt het hele pakket als het klaar is naar het postkantoor. Dit alles in afwachting van de mannen met de kist en van de kinderen van school, later die middag.

Tegen halfdrie stopt een bordeauxrode lijkauto voor de deur, en twee mannen dragen een in mooi boevenblauw gespoten kist naar boven. Mijn eerste reactie op de twee in identieke grijze pakken gestoken mannen is wat afwerend, maar dat blijkt een vooroordeel. Uiterst zorgvuldig gaan ze met Pim en met ons beiden om. Ze helpen ons met Pim zijn pyjama uit te doen en hem aan te kleden in zijn nieuwe skatebroek en donkerblauwe sweater. Ik maak snel een paar foto’s als hij in zijn kleren op bed ligt, en dan leggen we Pim gedrieŽn, op zijn eigen blauwe slaapzak, in zijn kistje. Ik schroef zijn bed uit elkaar, en de mannen installeren op die plaats een koelapparaat waar – op Pim zijn eigen olifantensprei – de kist op komt te staan. We leggen wat vertrouwde dingen bij hem: de troetelkoe, vroeger zijn liefste knuffel, Jurre zijn pluizenballetje en de pet van Jochem.

Zo aangekleed, met zijn keurig gekamde haren, ziet onze Pim er prachtig uit. Er staat een geel tafeltje naast zijn kistje, met daarop een brandende kaars en een pot met gedroogde bloemetjes. Aan het hoofdeinde staat een waxinelichtje. En van buiten schijnt het zonnetje zijn kamer binnen. We zijn net klaar met dit alles als de leerkrachten van school en de eerste kinderen arriveren.

Een ongelooflijke ervaring is het die middag. Wel 60 kinderen komen bij Pim kijken. Het overgrote deel van groep 7 – Pim zijn klas, maar ook kinderen van de groepen 6 en 8 die hem kennen, de basketbalploeg, vriendjes van dammen, jeugdtrainers van de basketbal en van de dambond. We hebben ons nooit gerealiseerd hoeveel bekenden, kinderen en volwassenen, een kind van bijna 11 jaar oud al om zich heen kan hebben. Allemaal mensen – groot en klein – die hem graag mochten, en die nu, volledig uit eigen beweging zo wordt ons verzekerd, heel dapper nog ťťn keer naar Pim komen kijken. Bedremmeld komen ze de trap op, staan in de deuropening even te dralen, geven Riet en mij een hand, en lopen dan voorzichtig naar het kistje van Pim. Een paar vinden het duidelijk moeilijk om er in te kijken.
Als Riet dat merkt zegt ze: "Je hoeft niet te kijken, hoor, als je dat niet wilt. Je mag ook even zijn prijzenkast en zijn dolfijntjes bewonderen."
Maar de meesten staan toch stilletjes een tijdje naar hun overleden vriendje te kijken.

Min of meer vanzelf wordt dit alles in goede banen geleid. Als de kinderen bij huis aankomen worden ze door Menno Visser en hun eigen meester Piet Bedijn opgevangen en in groepjes naar boven gestuurd. Hun vertrouwde meester Ewout, die de afgelopen periode als invaller in groep 7 heeft lesgegeven, staat ze al die tijd boven bij ons op te wachten. Wanneer de kinderen weer beneden zijn, krijgen ze van Fleur een ijsje. Dat is een goede vondst van Riet, die heeft voorzien dat de kinderen dan allemaal een dikke keel hebben en even op iets moeten kunnen sabbelen. Bovendien heeft Fleur zo ook een taak, als zusje van Pim. Als ze in de tuin hun ijsje staan op te eten komen – zo horen we later – bij veel kinderen die boven heel rustig oogden, de emoties los. Boven blijft op Pim zijn kamer een waar bloementapijt achter, met daartussen gedichtjes, tekeningen, kaarten en diverse pluchen dolfijntjes.

Ook komen er die dag nog andere mensen langs, zoals de buurvrouw met haar dochter Anneke, die toen Pim nog klein was veel met hem speelde. Dan staat opeens de man voor de deur die op school godsdienstles geeft. Riet wil hem eigenlijk niet binnenlaten, want we nemen het de man nogal kwalijk dat hij zijn godsdienstlessen – zeker voor op een openbare school – zo star en intolerant invult. Pim had het er, met zijn toch al tobberige natuur, een tijdje best moeilijk mee de rechtlijnige denkbeelden die hij op de godsdienstlessen kreeg aangereikt, te verzoenen met de afwijkende opvattingen thuis. Ik overtuig Riet ervan, dat we de man niet zomaar kunnen wegsturen; hij heeft Pim toch ook zo’n 3 jaar lesgegeven. Maar zelfs als hij boven met Riet voor Pim zijn kist staat, is hij niet bereid tot nuanceren: “God is nu eenmaal hard mevrouw, daar kan ik niets aan veranderen”.

‘s Avonds komen alle juffen van school: Anne, Leonoor, Arjanne, Truus en juf Ans van Humanistische Vorming. Als die vertrokken zijn schrijven we de laatste adressen op de rouwkaarten, voor de buren rondom. We lopen meteen maar even met z’n tweeŽn de buren langs om ze in de bus te stoppen. Aan de overkant van de straat staat de overbuurman ons aan de deur op te wachten. Zaterdagavond hadden hij en zijn vrouw voor het raam gestaan toen de ambulance voor kwam rijden, en toen hij vanmiddag de lijkauto had gezien had hij begrepen dat het niet goed was afgelopen. Hij laat merken meer dan anderen te weten wat we doormaken: langgeleden is bij hen een pasgeboren baby en een dochtertje van 2Ĺ overleden. Opeens is er een soort band: we gaan even bij hen binnen, en als we vertelt hebben hoe het is gebeurd vraagt Riet of ze even bij Pim willen kijken. Even later staan we, met mensen waarmee het contact 10 jaar beperkt is gebleven tot een vriendelijk goedendag, boven bij Pim naast zijn kistje.

En ondertussen lopen Riet haar ouders ons nog steeds de gehele dag te verzorgen met koffie, thee en eten, nemen steeds de telefoon voor ons op, laten mensen binnen die voor de deur staan, verzorgen de binnengebrachte bloemen, haast zonder dat we er oog voor hebben. Totdat we opeens beseffen dat we het zonder hen gewoon nooit hadden gered. Ook Marcel en Laura nemen aan die zorg deel; zoveel als ze maar kunnen zijn ze erbij en helpen mee. Desondanks zijn we doodop als het avond is. We zitten nog een tijdje bij Pim, in een kamer die nu helemaal vol met bloemen en bloemstukken staat. En dan gaan we naar bed en slapen ondanks alles snel in.

 
 

Woensdag 23 april 1997

 
 
  Het wordt al haast vanzelfsprekend: Riet gaat als ze wakker wordt eerst alleen bij Pim kijken. Dan komen Fleur en ik er bij en staan we met zijn drieŽn een tijdje bij hem. Vanmorgen heeft Fleur haar ‘Alfred J. Kwak’ bij zich, die Pim aan haar gegeven heeft toen hij vond dat hij er zelf te groot voor werd.
"Ik heb Alfredje van Pim gekregen en nu geef ik hem terug", zegt ze en legt het poppetje bij Pim in zijn kistje. Heel aandoenlijk, want de laatste tijd speelde Fleur juist erg veel met Alfred; ze nam hem vaak mee naar school.

In de loop van de ochtend komen er collega’s van Riet op bezoek, Margaret en Lianne. Als ze weg zijn hebben Riet en ik samen wat boodschappen te doen. Allereerst heb ik een net overhemd nodig, voor als Pim vrijdag wordt begraven. Je merkt aan alles dat de eigenaar van de kledingzaak weet wat er aan de hand is. Dat is het mooie van een dorp als Katwijk, alles is vanzelf al rondverteld. De man beweegt hemel en aarde om bijtijds een overhemd in de juiste maat en kleur in huis te hebben. Naast de kledingzaak, in de fotowinkel, kopen we een mooie houten lijst voor de grote foto van Pim die we van de schoolfotograaf hebben gekregen. Dan kan die tijdens de begrafenisplechtigheid op zijn kistje staan. Daarna naar de speelgoedwinkel om voor Fleur – die morgen jarig is – een verjaarscadeautje te zoeken. We kopen een paar kleinigheden, maar skeelers in de juiste maat hebben ze helaas niet. Dan maar gauw de verkeerde maat, dan hebben we in elk geval wat te geven. Als ze niet passen krijgen we geld terug, spreken we af. We kopen ook een klein basketball-netje, voor gebruik in huis: Pim had ons al verteld dat hij dat voor Fleur zou gaan kopen. We zullen nu maar aan Fleur zeggen dat hij het al gekocht had.

Als we klaar zijn met onze boodschappen, en nog even rondlopen, stel ik voor om even op de begraafplaats te gaan kijken. Riet stemt meteen in, ook zij wil graag weten waar Pim komt te liggen. Als we door het grote hek begraafplaats ‘Duinrust’ binnenlopen, voelt dat een beetje als het bezichtigen van een nieuw huis: je weet dat deze totnogtoe onbekende plek de komende jaren heel vertrouwd voor je zal worden. We vragen aan een van de beheerders of hij weet waar het plekje voor onze overleden zoon is.
Hij weet direct over wie we het hebben: "U bent zeker de familie Griep?"
Riet vraagt of Pim een mooi plekje in de zon krijgt.
"Dat wel", zegt de man: "Maar ik denk dat u hem toch liever bij u had gehouden."
Hij legt ons uit dat we helemaal aan de andere kant van de begraafplaats moeten zijn. Daar zien we inderdaad, zoals hij zei, een grote berg zand op een blauw dekzeil liggen, en daarnaast een vers gedolven graf. Daar komt dus Pim zijn plekje, zoals we dat van nu af aan zullen noemen.

‘s Middags en 's avonds is er weer bezoek: mijn baas met zijn vrouw, Peter, Maud. Ook staat aan het begin van de avond een collega van het ministerie van VROM van enige tijd terug, iemand waarover ik lang getwijfeld heb of ik haar wel een kaart zou sturen. Een paar jaar geleden, toen ik haar eens vroeg hoeveel kinderen ze had, had ze geantwoord:
"Vier, maar ťťn leeft er niet meer."
Ik vond dat toen zo knap, de manier waarop ze daarover sprak, dat ik het gevoel heb daar nu met terugwerkende kracht al veel aan te hebben. Daarom moest ze het weten van Pim, vond ik, maar anderzijds had ik schroom om met mijn bericht bij haar alle wonden weer open te halen. Toch gedaan dus, en ze is na ontvangst van de kaart meteen in de auto gesprongen naar ons toe. Ze heeft voor ons een aantal praktische raadgevingen, zoals:
"Schrijf alles op wat je Fleur nu hoort zeggen over Pim; mijn dochter die 5 jaar oud was toen Noortje overleed, wil nu precies weten hoe ze toen reageerde en dat heb ik lang niet allemaal onthouden."

Die avond zetten Riet en ik het verhaal op papier dat op Pim zijn begrafenis moet worden voorgelezen. De belangrijkste dingen uit zijn leven, vanaf het moment dat hij geboren werd, duiden we er kort in aan. Als we het er vervolgens over hebben wie het zal gaan voorlezen – Niek had zich daar al toe bereid verklaard – kan ik me eigenlijk niet voorstellen dat we dat aan een ander zouden overlaten. Ik stel voor:
"Ik heet de mensen welkom en zeg in het kort wat we gaan doen, en jij leest het verhaal voor." Riet is het daar meteen mee eens, hoewel ze niet zeker weet het op het beslissende moment wel te kunnen.
"Dan houden we Niek achter de hand om het over te nemen, mocht het niet gaan", zeg ik, en aldus spreken we af.
Verder hebben we al aan meester Ewout, van wie Pim vond dat die zo mooi kon vertellen, gevraagd of hij daarna het verhaal van Pim zijn doopplechtigheid – over de adelaar – wil voorlezen. Nu we die tekst overigens nog eens doorlezen, merken we dat het nogal breedsprakig van stijl is, en veel te lang voor de korte plechtigheid die we in gedachten hebben. Ik neem op me het stuk in te korten.

Andere voorbereidingen op de begrafenis zijn, dat Riet haar CD’s van Enya afluistert, op zoek naar een toepasselijk nummer. Pim hield ook van muziek van Enya; als hij het ergens hoorde zei hij:
"Hoor eens mam, die heb jij ook, mooi hŤ!".
De keus lijkt te gaan vallen op Once you had gold. Verder gaat Betty bij het AZL langs om bij de afdeling geestelijke verzorging een CD van een kinderkoortje op te halen, dat ons door Pastor de Groot is aanbevolen. En Riet zoekt de fotoboeken door op zoek naar een foto waar ze samen met Pim op staat: om bij hem in zijn kistje te leggen. Het wordt een foto van de laatste vakantie in Frankrijk. Samen zitten ze op een rots uit te rusten van het overzwemmen van de Orb. Ook van Pim en mij samen, en van Pim en Fleur, komt er een foto bij Pim te liggen.

Tenslotte hangen we nog een slinger op voor Fleur haar verjaardag, morgen, en versieren haar stoel. En dan zitten we samen nog een hele tijd bij Pim. Nog twee nachtjes hebben we hem bij ons; nog niet aan denken hoe het daarna zal zijn.

 
 

Donderdag 24 april 1997

 
 
  Vandaag is Fleur jarig; ze wordt vijf jaar oud.

We zingen bij het ontbijt: "Lang zal ze leven", zonder direct in de gaten te hebben hoe navrant die tekst op dit moment wel niet is, en ze krijgt haar cadeautjes. Van Pim het basketball-netje, van ons de te grote skeelers, van opa en oma Zwolle een inderhaast gekochte honkbalpet – het echte cadeau ligt nog bij hun thuis.

Fleur zal op school op cakejes tracteren, die we allemaal in een blauw servetje hebben verpakt. Als Niek haar komt halen om naar school te brengen, neem ik op de stoep snel een foto van Fleur. De mand met cakejes houdt ze trots voor zich. Riet en ik zien op dat moment beide hetzelfde beeld voor ons: exact dezelfde foto nam ik 5 jaar geleden van Pim. Toen had hij in net zo’n mand beschuiten met muisjes bij zich, en ging hij vol trots op school vertellen dat hij een zusje had gekregen.

Een verschrikkelijke dag verder natuurlijk. Alleen al de gedachte dat Fleur haar verjaardag vanaf nu altijd in dezelfde week zal vallen waarin Pim overleden en begraven is; en dan volgt enige tijd later nog Pim zijn verjaardag op 9 mei.

Om wat te doen te hebben doen we, als Fleur naar school is, eerst nog maar weer even wat boodschappen. Zo kopen we bij de Hema twee blauwe multomappen, ter vervanging van het sombergrijze condoleanceregister dat we van de heer Mulder kregen. En bij een juwelier kopen we voor Fleur een bedelkettinkje met een uiltje eraan. Morgen krijgt ze dat, met het verhaal dat Pim dat ook nog voor haar verjaardag had gekocht.

De mensen die langskomen die dag weten er geen van alle goed weg mee: is dit nu een kinderverjaardag of een condoleancebezoek. Niek vertelt, als hij Fleur weer van school komt terugbrengen, hoe onnatuurlijk schel de stem van juf Ine had geklonken toen ze Fleur bij binnenkomst op haar versierde stoel neerzette en met de klas de jarige toezong. Alleen Lucia, die die middag langskomt, heeft voor Fleur een heel bijzonder cadeau: een kinderboek met als titel "Als je doodgaat, word je dan nooit meer beter?" Ze vertelt dat enkele jaren geleden bij hun in de straat ook een kind aan hersenvliesontsteking is overleden. De vader van dat kind heeft nadien dit kinderboek geschreven, over een konijntje dat erg ziek wordt en dood gaat, en zijn andere zoontje heeft daar tekeningen bij gemaakt.
"Zoiets bedenkt alleen iemand die pedagogie als vak heeft", zegt Riet vol bewondering, en ze moet vervolgens nadrukkelijk aan Lucia uitleggen dat ze dat echt heel positief bedoelt.

Opa en oma Zwolle, Marcel en Laura, Betty en Niek, Karlijn, Jochem, Jurre, met z’n allen zitten we aan het einde van de middag rond de tafel, en brengen een toast uit op Fleur.
"Moeten we nog een keertje voor je zingen?", vraagt Riet.
"Doe maar niet", zegt ze gauw.
Vijf jaar oud, maar in een week vele jaren wijzer geworden, lijkt het wel.

's Avonds nemen we met de heer Mulder de gang van zaken voor morgen door. Het lijkt regenachtig te worden, dus we besluiten met eigen auto’s achter de lijkauto aan te rijden. We vertellen hem dat Riet en ik van plan zijn zelf de mensen toe te spreken en het verhaal van Pim zijn leven voor te lezen. We zijn vanmiddag, samen met Betty en Niek, even in de aula op de begraafplaats wezen kijken en hebben gezien dat daar geen geluidsinstallatie is. De heer Mulder beaamt dat, gelet op het aantal mensen dat wordt verwacht, het voor ons niet doenlijk is ons zonder meer verstaanbaar te maken. Ook zitten we nog met het draaien van de CD’s. Dat moet geen blikkerig geluid uit een te kleine versterker worden. De heer Mulder zegt toe nog snel een geluidstechnicus met een goede installatie te zullen regelen. Als wij dan maar zorgen dat de instructies van wanneer wat moet worden gedraaid, goed op papier staan. Het draaien van het nummer van Enya, en van het kinderkoortje, is daarbij niet zo’n probleem. Maar we willen, tijdens Riet haar verhaal over Pim zijn leven, ook even een stukje van <Captain Jack> laten horen: het nummer waarmee hij op het laatste schoolfeest is opgetreden. Dat nummer begint met een nogal rauwe kreet, en dat valt morgen te erg uit de toon. Hij moet dus even verderop beginnen met dat nummer; na enig proberen hopen we goed genoeg vastgelegd te hebben waar precies.

Om een uur of negen is mijn broer Ben er. Hij had aan het einde van de middag uit Doorn gebeld dat ze uit Finland gearriveerd waren, en ik hoorde hem aan de telefoon aarzelen toen ik vroeg of hij nog even naar Katwijk kwam. Hoewel ik begreep dat hij al een lange rit vanaf de boot uit LŁbeck achter de rug heeft, heb ik hem toch overgehaald nog even door te komen. Het lijkt me zo onbevredigend hem morgen, tussen alle drukte van de begrafenis, pas voor het eerst te zien en hem nauwelijks te kunnen spreken. Achteraf is hij blij dat ik hem even over die drempel heenhielp. Verslagen staat hij geruime tijd bij Pim te kijken. Hij vertelt, als we beneden zitten te praten, ook hoe onwezenlijk het was om zo’n bericht op zondagmiddag door de telefoon te horen. En dat ze, op grote zo’n afstand, niet wisten waar ze de rest van die zondag met hun emoties naartoe moesten.

Ben gaat weg en dan zitten we nog een hele tijd bij Pim op zijn kamer. De laatste nacht dat hij bij ons is. Je merkt aan alles dat we nog nauwelijks beseffen hoe definitief doodgaan is. Het is maar goed dat een mens in een week als deze zo ontzettend veel te regelen heeft, en je nog niet aan het leven zonder Pim hoeft te denken. Je blijft gewoon nog even je rol als ouder vervullen: je zorgt voor je kind, zelfs al gaat het om zijn begrafenis. Als we weg gaan, doen we de kaars op Pim zijn kamer uit. Maar het lampje in de wereldbol mag blijven branden, hij is immers nog steeds een beetje bang in het donker…

 
 

Vrijdag 25 april 1997

 
 
  De dag van Pim zijn begrafenis. Ik word wakker en denk eerst even: "Was deze dag maar alvast voorbij." Desondanks begin je toch met gewoon uit bed te stappen, je aan te kleden, Fleur haar kleren aan te doen, te ontbijten met z’n allen. Terwijl je normaal gesproken behoorlijk nerveus zou zijn in het vooruitzicht vandaag enkele honderden mensen te moeten toespreken, is van dat gevoel weinig te bespeuren. Eigenlijk hebben we maar voor ťťn ding alle aandacht: vandaag zien we onze Pim voor het laatst. ‘s Ochtends staan we nog een keer met z’n drietjes bij zijn kistje. We vertellen Fleur, dat als ze uit school komt, de kist dicht zal zijn. Ze geeft Pim een kusje, en stopt Alfredje nog eens goed tussen zijn handen. Riet zit nog lang alleen bij hem, houdt hem vast, streelt hem, smeert zijn lippen nog eens in, en huilt vreselijk: "Het is echt waar, we zijn je kwijt!".

Tijdens het ontbijt komt Niek binnen om Fleur op te halen voor school. Jurre die ook even binnenkomt, vraagt of hij vanmiddag op de begrafenis wat voor Pim op de gitaar mag spelen.
"Dat is wel heel dapper van je, Jur", zegt Riet, "maar als je dat doen wil vinden we dat natuurlijk heel fijn."
Dan vertrekken Fleur en Jurre met Niek voor een korte schooldag; de hele school is vanmiddag vrij om van Pim afscheid te kunnen nemen. Ik ga nog snel even achter de computer zitten om Jurre zijn gitaarspel in het programma voor vanmiddag in te passen, en de definitieve teksten voor Ewout, Riet en mij uit te printen. Een groot lettertype kies ik uit, en ik stop de teksten in plastic hoesjes: wie weet hoe moeilijk we het kunnen lezen vanmiddag.

Als ik daarna naar boven ga, zit Riet al geruime tijd bij Pim. Ze huilt, en stelt hem vertwijfeld vragen als: "Heb ik alles wel goed gedaan, was ik een goede moeder voor je?" Ze herhaalt steeds hoe ontzettend veel ze van hem houdt, dat ze hem niet missen kan. Allebei hebben we op dat moment zo’n gevoel van gefaald te hebben. Je hebt als ouders toch de taak je kinderen groot te brengen, te laten opgroeien. En nu moeten we Pim in de steek gaan laten, hem ergens eenzaam achterlaten. Alles in je verzet zich daartegen:
"Zullen we hem bij ons houden, en de kist vol met boeken stoppen?"
Dat soort wilde ideeŽn vliegen door je hoofd. Om alvast een keer geoefend te hebben leest Riet, naast Pim z’n kist gezeten, haar tekst voor vanmiddag hardop voor. Voor mij en voor Pim, lijkt het wel.

Rond kwart over tien dringt langzamerhand de onontkoombaarheid van het afscheid tot ons door. Samen met Betty en Niek stoppen we Pim in zijn blauwe slaapzak; hij had het immers altijd zo gauw koud. Bij hem in de kist leggen we alle dingen die meegaan: de troetelkoe, het dambord, de damstenen van Jan Jungerius het briefje van Leendert, het pluizen balletje van Jurre, Alfred J. Kwak van Fleur, Jochem zijn pet en de foto’s van Pim met Riet en mij en Fleur. Riet besluit tenslotte om Pim zijn horloge, dat ze al de hele week draagt, bij zich te houden en Pim dat van haar om te doen. We hebben opeens een beetje haast om afscheid te nemen. Riet geeft Pim een laatste kus op zijn koude lippen en streelt nog een keer over zijn sproeten. Ook oma Zwolle geeft haar kleinzoon gauw nog een laatste kus. Ik wrijf over zijn haar en weet niet meer te zeggen dan: "Dag Pim". En dan maak ik de laatste foto van mijn zoon, leg het deksel op de kist, en draai de schroeven vast.

Ondertussen stroomt geleidelijk aan het huis vol met onze naaste verwanten en vrienden. En wij zitten – eerst beneden op de bank en later afgezonderd in de studeerkamer – ietwat onwezenlijk af te wachten tot het toneelstuk begint waarin wij de hoofdrol spelen: de begrafenis van ons oudste kind.

Om een uur of twaalf is de start: de lijkauto rijdt voor en de heer Mulder en zijn twee helpers komen binnen. Ze beginnen met het enorme bloementapijt dat nog op Pim zijn kamer staat stuk voor stuk in de auto te zetten. En dan dragen ze het boevenblauwe kistje voorzichtig de trap af, en schuiven het achterin de auto. Het is halfťťn als deze zich in beweging zet, en de rest van de stoet er achteraan komt. Riet, Fleur en ik volgen als eerste, met z’n drietjes in onze eigen Volkswagen Passat. De mensen die vroegen of ze met ons mee moesten rijden, heb ik afgewimpeld: laten we het feit dat we het van nu af aan met z’n drietjes moeten zien te redden juist nu niet uit de weg gaan.

Op de begraafplaats zijn al veel mensen aanwezig. Er valt een druilerig regentje. Voor degenen die buiten moeten blijven wachten vervelend, maar wij vinden het beter bij onze gemoedstoestand passen dan het mooie weer van de afgelopen dagen. Binnen in de aula zetten we alles zo goed mogelijk neer. De kist staat links vooraan met de grote schoolfoto van Pim erop, samen met de brandende doopkaars. Eromheen worden de bloemen en bloemstukken geplaatst. Aan de rechterkant zetten we voor Riet en mij twee stoelen neer, met het gezicht naar de mensen die zo dadelijk binnen zullen komen. De geluidsmeneer zet een microfoon voor ons neer, Niek geeft hem nog enkele instructies, en dan is het ťťn uur en vraagt meneer Mulder of we al zover zijn om te beginnen.

Vreemd om al die bekende mensen te zien binnenstromen. Sommigen heb je al een tijd niet gezien, en dan wil je ze eigenlijk vriendelijk toeknikken. Dat worden nu wat bedrukte knikjes, beantwoord door geschokt en bedrukt kijkende bekenden. Alleen de naaste en enkele slecht ter been zijnde familieleden kunnen zitten, de rest van de mensen moet staan. De heer Mulder en zijn helpers dirigeren de in groten getale opgekomen kinderen naar voren, en verder probeert iedereen zoveel mogelijk in te schikken om maar in de aula te passen. Dat lukt niet geheel, een deel moet in de gangen en portalen blijven staan. Als ik dat zie ben ik blij op het laatste moment nog een geluidsinstallatie te hebben besteld.

Dan begint het nummer van Enya:

Once you had gold, once you had silver
Then cames the rains, out of the blue
Ever and always; always and ever
Time gave both darkness and dreams to you

Now you can see: spring becomes autumn
leaves becomes gold, falling from view
Ever and always; always and ever
No-one can promise a dream come true
Time gave both darkness and dreams to you

What is the dark shadows around you
why not take heart in the new day ?
Ever and always, always and ever
No-one can promise a dream for you
Time gave both darkness and dreams to you.

Ik ga staan en heet de mensen welkom. Merkwaardig kalm hoor ik mezelf praten, ik heb er niet eens het briefje voor nodig:

"Beste mensen, vriendjes/vriendinnetjes van Pim, iedereen die hier is, we vinden het heel fijn dat jullie met zoveel gekomen zijn om ons te helpen afscheid te nemen van Pim.
We willen hier geen lange ceremonie houden, daarvoor is het veel te vol; we willen alleen nog een paar dingen over Pim vertellen – dat zal Riet doen – en even luisteren naar een verhaal dat Pim zijn meester van school gaat vertellen.
Maar eerst speelt Jurre, Pim zijn beste vriend, een stukje op de gitaar."

Jurre gaat met zijn gitaar op schoot op een stoel zitten, krijgt een microfoon voor zich, en speelt terwijl iedereen muisstil luistert een stukje op zijn gitaar.

Dan krijgt Riet, terwijl ze in haar stoel blijft zitten, de microfoon voorgezet. Ik zit ernaast, houd mijn arm om haar heen – ter wille van wat extra zekerheid, en om mee te kunnen lezen. En dan volgt het verhaal over Pim zijn leven, dat Riet en ik de afgelopen dagen stukjes bij beetjes bijeengeschreven hebben:

"Toen Pim werd geboren, om half ťťn 's nachts, werd de vroedvrouw kort daarna alweer weggeroepen. We waren die nacht dus meteen al met z'n drietjes – papa, mama en Pim – en dat zou bijna 6 jaar zo blijven. Je vond het heerlijk als we je vertelden over hoe het gegaan was toen je werd geboren. Dat de vroedvrouw bijna te laat kwam omdat je er ineens zo snel was; dat mama eerst nog niet wist of je een jongetje of een meisje was en papa wel. En dat papa toen zei: Het is een Pimmetje.

Toen je anderhalf jaar oud was verhuisden we naar Katwijk. Het strand vond je vanaf het eerste moment prachtig. En ook op reis gaan was altijd mooi: je was net twee jaar oud toen je voor het eerst met ons mee ging naar je oom en tante in Finland.

Toen je vier was ging je naar de Boorsmaschool. Je had daar al gauw een groepje met vaste vriendjes om je heen: Martijn, Willem, Sander, Jos en Jurre. Eindelijk na zes jaar kwam Fleurtje. Je logeerde bij oma Zwolle toen ze geboren werd. Toen je thuis kwam, rende je de trap op en zei: Waar is ze, mag ik haar vasthouden. Je was zo zorgzaam en lief voor haar. Vanaf dat ogenblik waren we met z'n viertjes. Vanaf dat moment zouden we steeds met zijn viertjes blijven.

Met Jos ging je op damles, en je was al gauw erg goed in dammen. Heel wat keren kwam je trots met een beker thuis; vorig jaar werd je vierde bij het Nederlands Kampioenschap voor pupillen. Maar ook basketballen deed je heel fanatiek. Als je soms op een zaterdag moest kiezen tussen dammen en basketbal liep je daarover lang te twijfelen.

In september ging je naar de Krulder. Dat was even wennen, maar al gauw had je je draai gevonden. Je oefende vol enthousiasme voor het Krulderfeest, en was boos als iemand het niet goed deed: "Hey Ho Captain Jack."

Riet haar verhaal wordt onderbroken door een kort stukje van de muziek van Captain Jack. Ik zie Fleur, die bij oma Zwolle op schoot zit, meteen opleven. Vrolijk zit ze even op de maat mee te deinen. Ook bij de kinderen uit Pim zijn klas zie ik herkenning. Een enkeling deint mee, anderen huilen bij deze nog erg verse herinnering aan Pim. Als het weer stil is gaat Riet verder:

"Pim, meester Ewout kon prachtig vertellen zei je steeds. Daarom leest hij nu in het kort voor wat verteld is toen je in het ziekenhuis werd gedoopt."

Meester Ewout komt naar voren, gaat voor de andere microfoon staan, en vertelt met zijn duidelijke schoolmeesterstem het verhaal van de adelaar:

"Dit verhaal gaat over een vogel; een hťťl grote vogel. Een vogel die hoog in de bergen woont, zo hoog dat er alleen maar kale rotsen zijn. Mensen kunnen daar niet lopen; dan val je van de berg af. Alleen vogels kunnen er komen. Daar, heel hoog, boven op de rots, is een nest. Het is het nest van een arend; een groot nest, want arenden zijn grote vogels. In het nest zitten twee arenden: een vader en een moederarend. En er is nog iets in het nest. Er ligt een ei in. Een van de arenden, de moederarend zit te broeden. En de vaderarend vliegt heen en weer en brengt haar zo nu en dan wat te eten.

Dan is er opeens een klein vogeltje geboren; z'n koppetje steekt boven het nest uit. De vader- en de moederarend vliegen af en aan om eten voor hem te halen. Hij eet en hij eet en hij groeit en hij groeit; steeds groter wordt de kleine arend. Dan op een dag slaat de kleine arend zijn vleugels uit. Hij klappert ermee, en probeert of hij al een beetje kan vliegen. Hij danst een beetje op de rand van het nest; eigenlijk durft hij nog niet te vliegen. Weer gaat hij langzaam naar de rand van het nest toe, en klappert hij met zijn vleugels.

Voor het nest vliegt de moeder heen en weer. Soms vliegt ze heel dicht langs het nest, alsof ze wil zeggen: vlieg maar, je kunt het wel. Dan lijkt het net alsof de jonge arend valt. Hij tuimelt uit het nest, slaat zijn vleugels uit, en hij vliegt! Hij vliegt echt. Maar hij kan het nog niet zo goed. Je ziet het, zijn snavel gaat open. Hij roept zijn moeder. Pas op, ik val!

Daar komt meteen de moeder aangevlogen. Met een stevige slag van haar vleugels schiet de grote arend onder het jong. Ze vangt het op en op haar sterke lijf draagt ze het jong terug naar het nest. En zo gaat het steeds. Het jong probeert te vliegen, soms lukt het en soms niet. En als het niet lukt is steeds moederarend in de buurt om hem op te vangen.

En zo is het nu ook met God. God draagt zijn kinderen net zoals de arend zijn jong op haar vleugels draagt. Elk jong moet zelf leren vliegen, maar als het niet meer gaat is God er om hem op te vangen."

Het laatste stukje dat Riet daarna voorleest, kost de meeste moeite. Het eerste deel van het verhaal keek terug, naar al het moois dat we met Pim hebben beleefd. Nu komt ze over de toekomst te spreken, een toekomst zonder Pim. Riet haar stem breekt, en overal zie ik tranen en zakdoekjes tevoorschijn komen, als ze voorleest:

"Pim, straks zijn we weer met z'n drietjes. De afgelopen dagen was je nog een beetje bij ons; we gingen steeds even bij je kijken. Je lag wel heel stil in je bed, maar je was er nog. Al je vriendjes konden nog bij je komen kijken. Maar nu moet je echt naar je laatste plekje. Een plekje dicht bij ons huis, zodat we vaak nog even bij je kunnen zijn.

Lieve, lieve Pim, we begrijpen het niet:
Nooit zul je meer logeren bij je opa's en oma's;
nooit meer zul je spelen met je liefste vriend Jurre,
nooit zul je meer fietsen met papa,
nooit zul je meer in bad spelen met Fleur en
nooit zul je meer in mama's armen op de bank naar het journaal kijken.
Maar altijd, altijd zal je bij ons zijn.
Dag bolletje."

Als Riet de laatste woorden heeft uitgesproken, en de geluidstechnicus het kinderkoortje dat hierna volgt nog net niet heeft aangezet, hoort iedereen haar nog net tegen me fluisteren: "Ik heb het gedaan!" Vervolgens kan, terwijl heldere kinderstemmen een lied van Huub Oosterhuis zingen, iedereen weer even ademhalen:

Er zijn daar oeroude tuinen
Waar je in wieden en plukken mag
Je hoeft er niet heen, maar je mag
Maar je mag niet alleen.
Daar gaat je bootje. Het waait.
Wie zwemmen kan is beter af
dan wie niet zwemmen kan
Daar kom je aan, bek af.
De duinen zwaaien met witte
handen dat je welkom bent.
Van alle vreemde landen
is dit land het minst bekend.

Het kinderkoor zwijgt, ik sta weer op, en vraag iedereen mee naar buiten te gaan:

"Ik wil jullie nu vragen om allemaal met ons mee te gaan naar het plekje dat al voor Pim gereed gemaakt is. Laat iedereen die dat wil bloemen of een bloemstukje hiervandaan meenemen om die bij Pim zijn plekje neer te leggen.
Jullie zijn met zovelen dat ik niet weet of ik het daarbuiten nog kan zeggen, maar het is de bedoeling dat we na afloop hier nog even terugkomen zodat iedereen die dat wil ons nog een hand kan geven.
Zullen we nu maar naar buiten gaan?"

Ben, Jan Jungerius, Jochem en Marcel, stappen naar voren en pakken met z’n vieren de kist op. Meteen komen de kinderen – er zijn er meer dan honderd, van school, basketball en dammen – er achteraan, velen met een bloemstukje in de hand. Begeleid door hetzelfde nummer van Enya als waarmee we begonnen, loopt iedereen achter ons aan de aula uit. Van het vormen van een stoet is nauwelijks sprake, daarvoor is het veel te kort lopen naar Pim zijn plekje. Dat ligt op nog geen 25 meter, vrijwel recht tegenover de aula. Iedereen – het zijn over de 400 mensen – komt eromheen staan en is nog een tijdje bezig alle bloemen door te geven, die in een groot tapijt om de kuil heen komen te liggen.

De beheerder van de begraafplaats staat al die tijd, in zijn zwarte pak, naast de kist te wachten met het mechaniek waarmee hij de kist kan laten zakken al in zijn handen.
"U moet hem een teken geven als het zover is", had meneer Mulder ons gezegd.
Als alle bloemen op hun plek liggen, en alle ogen strak op het boevenblauwe kistje staan gericht, zeg ik:
"Nou Pim, dit is je plekje", en knik naar de beheerder. Hij draait het handvat een kwartslag om, en langzaam gaat de kist omlaag. Erg ver de diepte in.
"Dag bolletje", zegt Riet, en dan tegen Fleur, de neefjes Wessel en Gijs en nichtje Miina:
"Laat de ballonnetjes nu maar los."
En zo kijkt een deel van ons naar beneden, hoe het stoffelijk deel van Pim aan de aarde wordt toevertrouwd, en is het vooral de jonge garde die naar boven kijkt, waar de opstijgende ballonnetjes het in onze gedachten voortleven van zijn geest uitbeelden. Een van de helpers van de heer Mulder gaat dan naast het graf staan met een bak met strooibloemen voor zich. Riet, Fleur en ik pakken er alledrie eentje uit, en laten die, met een laatste blik op het boevenblauwe kistje, in de diepte vallen. Begeleid door de heer Mulder, en samen schuilend onder een paraplu, lopen we met z’n drietjes terug naar de aula, terwijl na ons de kinderen en alle andere mensen langs Pim gaan en allemaal een bloemetjes op zijn kist strooien.

En dan komen ze alle vierhonderd bij ons langs. Een rij waar geen einde aan komt trekt langs ons heen; langs mij, dan langs Riet en dan langs het tafeltje met Pim zijn foto. Na enige tijd komt Fleur er ook bij staan, en ook zij krijgt van velen een hand. Wat al die mensen tegen ons zeggen laten we maar voor een klein deel tot ons doordringen. Het gaat ook eigenlijk niet om wat ze zeggen – betuigingen van medeleven, wensen voor sterkte – maar veel meer om de blik in hun ogen en gewoon omdat ze er zijn. Vaak dacht ik dat het een clichť was als mensen dat zeiden, maar nu merk ik dat je in zo’n situatie toch gewoon heel veel mensen om je heen wilt hebben staan. Hoe moe van het handen geven je op den duur ook wordt, het einde van de rij is toch opeens het einde van de rij; nu hebben we iedereen gehad die speciaal voor Pim naar hier is gekomen.

Niet dat je veel kan uitwisselen met al die mensen. Daarvoor zijn het er niet alleen te veel, ook merk je in de loop van de dag dat je zelf al een stapje vooruit loopt. Voor al die mensen is zo’n begrafenis, na de eerste schok als de rouwkaart op de mat valt, de eerste confrontatie met het overlijden van Pim en met ons als nabestaanden. Ik heb dan ook nog nooit zoveel geŽmotioneerde mensen bijeen gezien. Wijzelf huilen daarentegen al sinds zondag, verblijven al vijf dagen met hem in hetzelfde huis, maar het lijkt wel of nu juist vandaag onze emoties even wat minder de overhand hebben. Dat zal wel komen vanwege de hoofdrol die je speelt op zo’n dag, en van de verdoving die daarvan uitgaat. Ook anderen valt dat geloof ik op. Als ik aan Marja en Joop Bijlsma, die na afloop nog even bij me staan, vraag of zo nog even op het strand gaan uitwaaien nu ze hier toch zijn, kijken ze me echt aan van: "Waar heb je het in godsnaam over!"

Ik praat ook nog even met de heer Mulder. Ik bedenk opeens dat ik hem na nu niet meer zal zien, en realiseer me dat de man ons in zeer korte tijd toch zeer vertrouwd is geworden. Letterlijk een steun en toeverlaat, en vooral omdat hij ons niets opdrong maar steeds speurde naar wat voor ons belangrijk was. Ik zeg hem dat ik in deze week anders over het vak van begrafenisondernemer ben gaan denken, en dat hij volgens mij ťťn van de betere is.
"Ik vind met name voldoening in de sociale kant van dit werk", beaamt hij.
Als we zo praten kijk ik toevallig door de deur naar buiten. Ik zie hoe de beheerder van de begraafplaats, alweer in zijn werkkleren gehuld, al druk aan het scheppen is om de kuil van Pim dicht te gooien. Riet en ik lopen er naartoe.
"U vindt het toch niet pijnlijk om dit te zien", zegt hij, "want dan wacht ik wel even."
Pijnlijk vinden we het niet, of eigenlijk is alles pijnlijk maar kan je het toch niet ontlopen. Ik vind het in elk geval goed te zien, dat er heldergeel duinzand in gaat, en geen donkere aarde of zoiets.

Als we met z’n drieŽn in de auto terugrijden, rij ik een stukje om over de Zuidboulevard. Op de parkeerplaats stoppen we even en kijken uit over zee. Dat zullen we nog vaak doen, blijkt later, als we van een bezoek aan Pim zijn plekje terugkomen.

En dan zijn we thuis. Als iedereen die met ons mee terug naar huis is gekomen zijn koffie, thee en broodjes op heeft, de meesten langzamerhand zijn vertrokken, en Riet haar ouders ons vragen wat ze nu zullen doen, hebben we opeens zoiets van: laat ons nu maar alleen. Niet alleen heb ik het gevoel dat zij na alles wat ze deze week voor ons gedaan hebben ook eens aan zichzelf moeten toekomen, ook wij moeten nu domweg weer op onszelf aangewezen zijn. Met z'n tweeŽn gaan ze nog even bij Pim z’n plekje kijken, eten wat en vertrekken dan naar Zwolle. We zijn, voor het eerst en laten we hopen voor heel lang nog, met z’n drieŽn.

Niet dat dat meevalt overigens: we zitten als Fleur naar bed is lang met z’n tweeŽn over Pim te praten en draaien het nummer van Enya. Dan krijgen we het benauwd in huis, Riet wil in haar eentje op het strand gaan lopen, wat ik weer niet goed vind, en uiteindelijk gaan we maar doodop in bed liggen. Pim zijn foto staat in een lijst naast ons bed. Precies een week geleden is het op dat moment, dat Pim om 11 uur ‘s avonds van de trap af kwam stommelen en in de badkamer stond over te geven…

 
 

...

 
 

 
 

..

 
 
 

Als U behoefte heeft om op ons verhaal te reageren, dan bent u van harte welkom:
per email:
jan.griep@planet.nl;
of naar ons adres: Zuidstraat 18; 2225 GW Katwijk aan Zee.

 
 

Deze pagina (http://home.planet.nl/~artrako/jg/DeWeek.html) is voor het laatst gewijzigd op 18 september 2004.
Het overnemen van tekst of afbeeldingen is niet toegestaan zonder overleg met de schrijver:
©
Jan Griep te Katwijk aan Zee

Naar: Start -- Met Pim naar Italia -- Het verhaal van dokter Lopez Cardozo