De stenen molen op de Logt aan de Noordhoek.

 

Begin 1990 is het gemeentearchief in het bezit gekomen van de gedenksteen van de eerste ronde stellingmolen die in 1811 in Tilburg is gebouwd. Op de steen staan de namen van de oprichters vermeld. Deze namen zijn ook bekend als kopers van een perceel akkerland gelegen op de Logt aan de Noordhoek. Het betreft Hendrik Mombers, Justinus Mombers, Guiliam Francis Blomjous, Johannes van den Houdt, Wilhelmus van Asten en Peter Assenberghs. De heren Mombers waren bierbrouwers op de Veldhoven, de heren Blomjous, Van den Houdt en Van Asten waren Tilburgse bakkers. Peter Assenberghs was molenaarsknecht op de Kerkhovense molen te Oisterwijk. De molenromp is tevoorschijn gekomen en gesloopt bij werkzaamheden rond de aanleg van het 'hoogspoor' en de daarvoor noodzakelijke tunnel in de Gasthuisstraat-Noordstraat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Elke windmolen draagt een eigen naam. Rond het jaar 1300 kende men in Tilburg reeds de 'Corvelse molen' en de 'Veldhovense molen'. In het jaar 1651 volgde er een molen aan de Heikant die de naam 'De Nieuwe Molen' kreeg. Het waren alle drie standaardmolens; geheel van hout vervaardigd en geschilderd in de kleur groen voor het molenkot, met op de vier hoeken brede afdeklijsten in de kleur geel. De Heren van Tilburg wensten dat zo. De molen aan de Noordhoek was helemaal van steen; vandaar de naam 'De Stenen Molen'.

 

De oude molens te Tilburg waren erg versleten en bevatten elk slechts twee koppel maalstenen. De molenaar op de Heikantse molen maalde meer eikenschors tot run voor de leerlooierijen dan dat hij meel produceerde. Ook de maalcapaciteit was, mede gezien de groei van de Tilburgse bevolking, te gering geworden. Vroeger rekende men één molen op elke 1500 inwoners van dorp of stad. De 'Stenen Molen' bevatte bij zijn oprichting reeds drie koppel stenen. Het vierde stel is vermoedelijk rond 1853 aangebracht door de toenmalige nieuwe eigenaar Jan Baptist Smulders. Deze had het zogenaamde 'gaande werk' met de stenen gekocht uit de openbare verkoop van een oude standaardmolen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Molenaars

 

De eerste molenaar van de 'Stenen Molen' was Peter Assenberghs die in 1822 overleed. Zijn dochter Dymphna en haar zus Anna namen het molenaarschap daarna over met later als molenaarsknecht hun neef Johannes Antonius Wollaart. Toen in 1849 de molen werd verkocht, verhuurden de nieuwe eigenaren de molen met molenhuis en erf aan Peter van den Boer voor respectievelijk f 400,- en f 200,- per jaar. Deze Peter van den Boer was een kleurrijk en muzikaal persoon. Hij wordt genoemd als oprichter van de liedertafel Sint Caecilia, onderafdeling van de Tilburgse Zouavenbroederschap 'Fidei et Virtuti'. De eerste bijeenkomsten en zangoefeningen zouden in deze molen zijn gehouden. Onder het bewind Van den Boer groeide het aantal klanten aanzienlijk en heeft menig jongeman bij hem het vak van molenaarsknecht geleerd. Ook zijn zoon Peter Johannes van den Boer leerde bij hem het molenaarsvak. Piet van den Boer heeft de molen tot 1 november 1881 bemalen. 

 

In 1880 wordt Gerardus Claassens de nieuwe eigenaar/molenaar. Hij had in 1877 al de helft van de molen door erfopvolging in zijn bezit had gekregen. In feite wordt de molen bemalen door zijn zoon Antonius Josephus die molenaarsknecht blijft tot juni 1899. Hij vertrekt dan naar Breda waar hij in 1902 wordt vermeld als molenaar/eigenaar van de 'Bisschopsmolen' te Etten-Leur. Op 30 januari 1900 verkoopt Claassens de molen aan Josephus Johannes Kennis die de molen wil gebruiken om zijn houtbewerkingmachines aan te drijven. Hij bouwt een grote geheel onderkelderde fabriek met verdieping achter de molen. De molen verhuurt hij echter aan Adriaan van Gorp voor een relatief lage pacht van f 208,- per jaar. De molen diende op deze manier twee heren. Het draaiend gedeelte met de vier koppel stenen wordt getaxeerd door twee onpartijdige molenmeesters op f 3.290,05. Zo'n zelfde taxatie bedroeg in de tijd van Piet den Boer slechts f 946,25. Een enorm verschil. Adriaan van Gorp was vroeger molenaar/eigenaar van de windmolen aan de Broekhovenseweg, waarvan de molenromp enige jaren geleden is afgebroken. Tot juni 1905 had Adriaan van Gorp de molen in huur. Hij was dus de laatste molenaar.

 

De eigenaren

 

De eerste eigenaren kochten de grond om de molen voor f 525,- van Zeger den Ouden, 'rademaker' op het Haringseind. Zij kenden hem vanwege hun betrokkenheid bij het Sint Jorisgilde. De eerste steen was op 4 april 1811 gelegd toen men met de bouw van de molen, molenhuis en de rosmolen reeds ver was gevorderd. Bij het verlenen van een hinderwetvergunning eiste men in die tijd dat de molen binnen een jaar in werking moest zijn, anders verviel de vergunning. Bakker Willem van Asten overleed op 15 augustus 1812. Bij de deling van de boedel in 1822 worden zijn vijf kinderen eigenaar van zijn 1/6 deel. De taxatiewaarde bedraagt f 2.200-. Op 8 januari 1836 verkopen zij hun deel aan Arnoldus Huybregts te Riel. De verkoopprijs is dan f 1.800,-.

 

Ook molenaar Peter Assenberghs heeft niet lang van zijn part kunnen profiteren. Na het overlijden van zijn vrouw ging de eigendom over op hun dochters Dymphna, Anna en Maria Cornelia. Guiliam Francis Blomjous, broodbakker op de Heuvel, verkoopt zijn aandeel in de molen en verdere gebouwen op 21 januari 1832 aan mejuffrouw Adriana van Liemdt, weduwe van de schatrijke bierbrouwer Adriaan Mombers die op de Heuvel woonde en de moeder was van de twee mede-eigenaren Hendrik en Justinus Mombers. Iedereen die een goed onderpand had, kon bij haar terecht voor een geldlening. Bakker Blomjous leende bij haar reeds in 1821 een bedrag van twee duizend gulden, zodat hij bij de verkoop van zijn 1/6 part slechts tweehonderd gulden in handen kreeg. Blomjous was ook de vertrouwensman van de weduwe Van Asten. Als toeziend voogd over haar kinderen trachtte hij het zesde part bij openbare veiling te verkopen. Christiaan Mombers mijnde dit deel van de molen voor f 1.650,-. Vermoedelijk deed hij dit bod namens zijn moeder Adriana van Liemdt. Doch de verkoop werd opgehouden.

 

Adriana van Liemdt bezit op het moment van overlijden (6 juli 1847) de helft van de molen en verdere gebouwen, verworven door aankoop van het part van bakker Blomjous en de twee 1/6 parten van haar twee vooroverleden zonen Hendrik en Justinus Mombers. Haar erfgenamen en de eigenaren van de andere parten (Anna Maria Janssens weduwe van bakker Johannes van den Houdt, Arnoldus Huybregts en de kinderen Assenberghs) verkopen in 1849 het bezit. Het bestaat dan uit de stenen korenwindmolen met daarbij behorende rosmolen, het gaande en staande werk, het woonhuis met stal, tuin en erf.

 

De nieuwe eigenaren worden Jan Baptist Smulders bouwman (=landbouwer) en steenbakker, en bouwman Arnoldus Huybregts. De verhuur van de molen aan Piet van den Boer is voor hen een goede zaak. Op het terrein links van het molenhuis laten zij een pakhuis annex paardenstal en remise, alsmede twee woningen met een koffiehuiszaal bouwen. Daarin hield Cornelis Denissen het Noord-Brabants koffiehuis. Na het overlijden van Arnoldus Huybregts ging zijn erfdeel over op zijn zoon Hendrik, eveneens bouwman en woonachtig te Riel.

 

Na overlijden van zijn schoonouders verkrijgt Gerardus Claassens, gehuwd met Cornelia Smulders (dochter van Jan Baptist Smulders en Adriana Wilhemina Voskens), het bezit uit de erfboedel voor het getaxeerde bedrag van f 6.000,-. In 1880 bieden Hendrik Huybregts en Gerardus Claassens, fabrikant in wollenstoffen, hun bezittingen in de Noordhoek te koop aan. Gerardus Claassens wilde daarmee het bezit van Huybregts in handen krijgen. Uiteindelijk kocht zijn stroman Hendrikus Klaassen voor hem de molen en het pakhuis dat vroeger een rosmolen was geweest, alsmede bijna de helft van het oorspronkelijke perceel grond voor f 7.150,-. Het molenhuis ging voor bijna f 5.300,- naar commissionair Theodorus Schots, de vriend van Gerardus Claassens. Het koffiehuis wordt gekocht voor f 6.560,- door fabrikant Eugène van Kemenade. Het blijft in huur bij Cornelis Denissen, die tevens een stalhouderij en begrafenisonderneming begint. De woning met het pakhuis annex remise en paardenstal gaan via stroman Nicolaas Pessers naar molenaar Peter van den Boer senior. Deze wil op de bijhorende grond een stoommolen bouwen om zo zijn talrijke klanten te behouden. Dit had Gerardus Claassens niet voorzien. Zeker niet dat Hendrik Huybregts f 9.000,- aan Peter van den Boer zou lenen om dit mogelijk te maken.

 

Gerardus Claassens bouwde nu rechts naast het oude molenhuis twee winkelpanden en een woonhuis, en vestigde de eerste Tilburgse door stoom aangedreven brood- en witgoedbakkerij. Veel bakkers lieten hun trog of deegmolen door een hond rondtrekken. Ook de carrouseloven van bakker/molenaar Claassens was iets nieuws. Hij wist een ware broodrevolutie te ontketenen door een zespondsbrood, dat normaal 32 cent kostte, aan te bieden voor 18 cent. Hij kreeg zoveel tegenwerking van de andere bakkers en molenaars in Tilburg dat hij van lieverlede zijn omzet op de molen zag teruglopen. De enorme ontplooiing van de stoommeelfabriek van Hypolite Bruyelle aan de Spoorlaan, destijds Parallelweg geheten, zal ook voor molenaar Claassens een doorn in het oog zijn geweest.Peter Johannes van den Boer jr., die na de dood van zijn vader in 1886 de stoommolen in de Noordhoek voortzette, heeft daar ongetwijfeld ook veel last van gehad. Om die reden verkochten de kinderen Van den Boer, na het overlijden van hun moeder, de gebouwen met de stoommachine en ketel aan Vincentius Verschuuren-Piron. Deze lost de hypotheek af bij Hendrik Huybregts. Zij kunnen dan nog f 300,- verdelen. In de loop der jaren koopt Verschuuren ook het woonhuis dat de gezusters Van den Boer in eigendom hadden gehouden, en het koffiehuis van Denissen. Op de achterliggende grond breidde hij zijn textielfabriek uit. Op deze grond rustte een erfdienstbaarheid om de windrechten van de molen veilig te stellen.

 

Per 1 februari 1888 verhuurde Gerardus Claassens het magazijn, dat naast de molen was gelegen, aan zijn vriend Henricus Cornelis Vorselaars om daarin een smederij te beginnen. Ook laat hij daarvoor het bekende huis met het rokgeveltje zetten. In een werkboek uit 1888 van mecanicien H.C. Vorselaars staan veel werkzaamheden aan de 'Stenen Molen' vermeld. Uit dit boek blijkt ook dat hij voor veel andere molenaars en molenmakers heeft gewerkt. Ook de nu nog in perfecte staat verkerende gesmede kruizen uit 1892 op de kerk van de Trappisten zijn van zijn meesterhand. De machinefabriek H.C. Vorselaars bestaat nog steeds. In juni 1895 verkopen Gerardus en zijn zoon Antonius Josephus Claassens, voor het luttele bedrag van f 200,-, het recht aan Vincent Verschuuren, om zijn panden tot op een hoogte van 11 meter en 70 centimeter te mogen bouwen.

 

Deze 'doodzonde' in de ogen van een molenaar vormt het begin van afstoting van zijn panden in de Noordhoek. Hij gaat in het huis direct naast de overweg wonen. De andere huizen worden in 1899 verkocht aan de bewoners. De molen en het woonhuis gaan zoals eerder vermeld, in 1900 naar Josephus Johannes Kennis. Tot 1910 maakt hij gebruik van windkracht, dan schakelt hij over op een gasmotor en breekt de molenkap met wieken en twee of drie etages af. In 1918 besluit Kennis zijn zaak over te brengen naar de Enschotsestraat. Hij verkoopt de molenromp en verdere gebouwen aan de gebroeders Maas, sigarenfabrikanten uit Lage Mierde. Hun handelsmerk was 'Jamayca'.Na vele jaren verhuurd te zijn geweest, komen het molenrestant en de fabriek in eigendom van Adrianus Vorselaars. De gehele omgeving wordt onteigend door de gemeente Tilburg om de plannen voor het 'hoogspoor' te kunnen verwezenlijken. Bij de sloop van de panden komt de molenromp, die tot dan voor veel Tilburgers onbekend was, weer even in het gezichtsveld

 

Tekst van Ad Vorselaars.

 

Gaspar Asselberghs, gedoopt op 8 november 1725, Schilde, gestorven op 14 januari 1764, Loenhout. Molenaar op de windmolen te Loenhout.
Gehuwd op 30 juni 1750 met
Dympna van Merode, gedoopt op 10 maart 1721, Roosendaal en een van hun kinderen:

 

                          Petrus Josephus Assenberghs, gedoopt op 19 mei 1755, Loenhout, gestorven op 16 augustus 1822, Tilburg. Molenaar te                                        Oisterwijk en Tilburg.

                          Gehuwd, Oisterwijk, met Adriana Maes, gedoopt circa 1755, Tilburg, gestorven op 12 september 1821, Tilburg.

Familie Assenberghs

Tekstvak: Indien personen bezwaar hebben tegen vermelding van hun naam en/of bepaalde gegevens in de stamboom op GeneaNet, dan kunnen zij dit via een E-mail aan mij kenbaar maken. Ik zal er dan voor zorgen, dat die namen/gegevens verwijderd worden.
Voor opmerkingen, aanvullingen en correcties  kunt U schrijven naar:
Met vriendelijke groet, Gijs Asselbergs.

Oisterwijk

Tilburg

Watermolen Ter Borcht.

 

Petrus Josephus Assenberghs was eerst molenaar op de watermolen genaamd Ter Borcht. Deze molen was gelegen aan de Ley, Nieuwe Ley later ook wel De Voorste Stroom genoemd te Oisterwijk. In 1786 pacht hij deze molen van de weduwe Hendrik Kiviets. De molen blijft tot 1792 in het bezit van de familie Kiviets. Daarna wordt de molen met omliggende weilanden en opstallen eigendom van Pieter Vreede. Ook is Petrus Josephus in Oisterwijk nog molenaar geweest op de Kerkhovense molen. Later verhuist hij naar Tilburg alwaar hij mede-eigenaar wordt van de stenen molen op de Logt aan de Noordhoek.

De molen aan de Noordhoek ca. 1900, gezien vanuit de Spoorlaan. Links het molenhuis. Bron: fotocollectie Regionaal Archief Tilburg.

Eerste steen 1811. Bron: fotocollectie Regionaal Archief Tilburg.

De Kerkhovense molen.

 

De huidige molen stamt uit 1895. Bij een brand werd de oude houten standermolen in 1893 verwoest. Daarvoor in de plaats kwam nu een stenen stellingmolen welke echter in 1912 opnieuw door een ernstige brand getroffen werd. Daarbij gingen balklagen, zolders en het gaande werk voor een groot deel verloren. Van de oude standermolen is geen afbeelding beschikbaar

De watermolen Ter Borcht in verval. Bron beide foto’s: fotocollectie Regionaal Archief Tilburg.