eyes_067

Peter Koning in de Bataafse Armee

Administration BataveHet Nederlands leger, waar de halve brigade van Peter deel uit maakte, werd na 1795 de Bataafse armee genoemd. Deze armee telde 25.000 man waarvan 60% soldaten van buitenlandse afkomst, ex Franse krijgsgevangenen of overlopers van vele nationaliteiten. De kwaliteit was beneden peil, veel onervaren soldaten, te weinig training en uitrusting. Op 27 april 1799 werd besloten om het leger met 9545 man uit te breiden. De aantallen werden bereikt door onder meer ronselen van soldaten in Duitsland en een generaal pardon voor deserteurs (Zie sterkte Bataafse Armee)

Hoe werd dit bijna 35.000 man tellende gemŕleerde leger georganiseerd? Onderstaand is overgenomen uit het artikel van de hand van drs. J.P.C.M. van Hoof in Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie en het Iconografisch Bureau, deel 49, ’s-Gravenhage, 1995, pagina’s 194-210. 

Onder de zaken die na de Bataafse omwenteling de aandacht van het nieuwe bewind opeisten, nam de opbouw van het leger een belangrijke plaats in. Uiteraard moest hiervoor eerst een plan op tafel komen. Het ComitÚ tot de Algemene Zaken van het Bondgenootschap te Lande, een orgaan dat op 4 maart 1795 door de Staten-Generaal was opgericht om in de plaats te treden van de Raad van State, kreeg tot taak dit ontwerp op papier te zetten. Op 8 juni legde het comitÚ de Staten-Generaal een uitgewerkt voorstel voor. Dit plan, dat precies een maand later in vrijwel ongewijzigde vorm hun fiat kreeg, voorzag in de opbouw van een beroepsleger van ruim 34.000 man. Dit zou voor het merendeel gaan bestaan uit militairen die ook al deel uitmaakten van de strijdmacht van vˇˇr 1795, het Staatse leger. 

Het belangrijkste bestanddeel vormde het voetvolk, oftewel de infanterie. Deze werd gerangschikt tot acht Halve Brigades, welke te zijn vergelijken met de regimenten van vˇˇr 1795. De wat vreemd aandoende benaming van deze nieuwe eenheden kwam voort uit de organisatiestructuur op het hogere niveau. Er zouden namelijk twee divisies worden geformeerd, die elk uit twee brigades zouden bestaan (zie oprichting van de Bataafse infanterie)

Van de Halve Brigades zouden er zeven worden gevormd uit nationale troepen, dat wil zeggen militairen die uit eigen land afkomstig waren. De achtste Halve Brigade zou bestaan uit Duitsers. Dezen behoorden tot de regimenten Saksen-Gotha en Waldeck, die ook al hadden deel uitgemaakt van het Staatse leger. Elke Halve Brigade had een sterkte van ongeveer 2.000 man. Naast gewone infanteristen, voortaan fuseliers genaamd, waren hierin ook grenadiers ondergebracht. Deze militairen, die waren geselecteerd op hun lengte en hun goede gedrag, golden als elitesoldaten.

Officieren van  Waldeck (R.) en de 2de HB (L.)Het Bataafse leger, zoals de strijdmacht van de nieuwe staat ging heten, kende uiteraard ook nog een groot aantal eenheden met een andersoortige functie. Dat waren allereerst de jagers, die tot de lichte infanterie werden gerekend. Op het slagveld hadden zij een wezenlijk andere taak dan hun krijgsmakkers bij de Halve Brigades. Terwijl dezen, mannetje aan mannetje naast elkaar, de vijandelijke infanterie onophoudelijk bestookten met geweervuur, fungeerden de jagers veeleer als scherpschutters, die in los verband optraden. Verder beschikte het Bataafse leger ook over de nodige eenheden ruiterij (cavalerie) en artillerie, dat wil zeggen het personeel dat belast is met de bediening van het geschut. Bijzondere vermelding verdient het Korps Rijdende Artillerie. Deze in 1793 opgerichte eenheid had tot taak om de cavalerie bij haar manoeuvres met geschutvuur te ondersteunen.

Een andere belangrijke categorie vormden de drie onderdelen welke later onder de noemer van de genie zouden vallen. Dat was allereerst het Korps Ingenieurs, dat onder meer zorg droeg voor het ontwerpen van nieuwe vestingwerken en het in stand houden van de al bestaande. In de praktijk werkten de ingenieurs veel samen met de mineurs en sappeurs. De specifieke taak van deze eenheden lag vooral in de strijd rond de vestingen, waar zij met de inzet van explosieven en het gebruik van de spade zowel in aanvallend als verdedigend opzicht het gevecht ondersteunden. Als derde dient in dit verband het Korps Pontonniers te worden vermeld, een onderdeel dat zorg droeg voor de aanleg van oeververbindingen.

Buiten het organieke verband, maar binnen de geplande sterkte van ruim 34.000 man, stond ten slotte nog zes Zwitserse infanterieregimenten. Deze troepen, samen 7.200 man, maakten voorheen deel uit van het Staatse leger. Na de omwenteling gingen zij over in Bataafse dienst en bleven dat totdat hun contract was afgelopen. Voor de laatste twee gebeurde dat in 1797.

In zijn voorstellen aan de Staten-Generaal trachtte het ComitÚ te Lande, zoals de opvolger van de Raad van State kortweg heette, tevens zo veel mogelijk een einde te maken aan de misstanden die onder het vorige regime ten aanzien van het leger hadden bestaan. Een voorbeeld van dit soort gebreken vormde de regel dat de militairen zelf hun kleding, uitrusting en bewapening dienden te bekostigen. De daarmee gemoeide gelden werden ingehouden op hun soldij. Het door het ComitÚ te Lande ingediende plan bepaalde in dit verband dat bij elk korps een aparte kas zou komen voor reparatie en vervanging van uniformen, uitrustingsstukken en wapens. De staat kreeg de verplichting opgelegd om voor elke man die bij dat korps diende, wekelijks een bepaald bedrag in deze kas te storten. Dankzij deze nieuwe regeling hielden de militairen nu dus meer van hun soldij over.

Een andere belangrijke verbetering vormde de oprichting van ÚÚn centrale kas, het Bureau van Betaling, dat alle voor de defensie te land bestemde financiŰn beheerde en de korpsen rechtstreeks van de benodigde gelden voorzag. Onder het oude bewind vonden dergelijke betalingen namelijk plaats via de provincies, die elk een vast gedeelte van de defensielasten bekostigden. Omdat na de Bataafse omwenteling de invoering van een nationaal belastingstelsel nog geruime tijd uitbleef, moesten de provincies voortaan elk jaar het hun opgelegde aandeel in de kosten voor de defensie te land aan het Bureau van Betaling afdragen.

In de lente van het eerste jaar van de Bataafse vrijheid besteedde het ComitÚ te Lande tevens ruim aandacht aan het opstellen van een voordracht van de te benoemen officieren. Aan de hand daarvan zouden de Staten-Generaal uiteindelijk bepalen wie als zodanig een functie in het nieuwe leger zouden krijgen. Op 25 april 1795 bepaalde het comitÚ dat alle officieren van het voormalige leger door middel van een rekest een keuze moesten maken: ˇf een benoeming in het nieuwe leger ˇf ontslag uit dienst, al of niet met toekenning van pensioen. Het lag voor de hand dat het comitÚ bij het opstellen van de voordracht de namen van degenen die in het verleden al te duidelijk blijk hadden gegeven van een orangistische houding, al bij voorbaat ter zijde legde. Van de officieren die uiteindelijk werden benoemd, was ongeveer de helft afkomstig uit het Staatse leger. Verder gingen er veel posten naar personen die na het Úchec van de patriottenbeweging in 1787 naar Frankrijk waren uitgeweken en enkele jaren later met hun revolutionaire medebroeders ten strijde waren getrokken tegen hun oude vaderland en zijn bondgenoten. Van de Staatse officieren die niet naar de nieuwe armee wensten over te gaan, week een deel uit naar het buitenland. Voor een aantal van hen was deze keuze ingegeven door de wens om gewapenderhand en onder leiding van de Oranjes het oude regime te herstellen. Een aantal anderen koos voor een loopbaan in vreemde krijgsdienst. Vele Staatse officieren gaven echter de voorkeur aan pensionering. Over de aantallen lager gegradueerden die naar het nieuwe leger overgingen, zijn geen gegevens bekend.

Het comitÚ tot de Zaken voor het Bondgenootschap te Lande in Den Haag vroeg generaal Pichegru toestemming de generaals Daendels, Dumonceau en Vandamme te laten overgaan naar het Bataafse leger. Generaal Pichegru raadde Dominique Joseph Rene Vandamme (1770-1830) af Bataafs generaal te worden. Het comitÚ vroeg toestemming aan het ComitÚ de Salut Public tot benoeming van de twee andere generaals. De aanbeveling luidde: “In 1787 werden zij verstoten door een ondankbaar vaderland; nu hebben zij recht op een passende vergoeding, aangezien hun kunde en dapperheid hun vaderlandsliefde evenaren”.

Daendel en Dumonceau

Op 16 mei 1795 trad Herman Willem Daendels in Nederlandse dienst. Samen met de Belg Jean Baptiste Dumonceau werd hij op 15 juni beŰdigd tot luitenant-generaal, de hoogste rang in het Bataafse leger. Het leger bestond uit twee divisies. Daendels voerde de eerste divisie, Dumonceau de tweede. De twee jonge generaals, resp. 32 en 34 jaar oud, moesten erop toezien dat de bepalingen met betrekking tot de legerorganisatie hun beslag kregen.

Het ComitÚ te Lande was geen lang leven beschoren; het werd al op 16 februari 1798, dus nog geen drie jaar na de oprichting, opgeheven. Zijn taken op militair gebied werden overgenomen door de agent van Oorlog, een soort minister, die het toezicht op en de complete leiding over leger en landsverdediging in handen kreeg. Hij stond bovendien aan het hoofd van het Ministerie van oorlog, dat namens hem orders uitvaardigde aan de commandanten van de grote eenheden. Deze centrale instantie en haar chef veranderden later nog diverse keren van naam - van 1801 tot 1803 lag de leiding zelfs in handen van een driemanschap -, maar hun taak bleef dezelfde (zie hier voor meer  over de politieke leiding van het leger).