eyes_067

Peter Koning in de Bataafse Armee

Wie zijn vader heeft vermoord en zijn moeder heeft vergeven, die is nog veel te goed voor het soldatenleven.

De soldaten van het Bataafse leger waren vrijwilligers, merendeels buitenlanders. Zij die dienst wilden nemen in dit leger moesten aan de volgende condities voldoen: niet jonger zijn dan 18 jaar en niet ouder dan 36, en een minimale lengte hebben van 5 voet en 4 duim Rijnlandse maat ofwel 1,67 meter. Jongemannen die nog in de groei waren, mochten 3 duim (ongeveer ruim 8 centimeter) korter zijn. Het dienstverband bedroeg minimaal zes jaar. Na het verstrijken daarvan kon men nog twee maal voor een dergelijk periode bijtekenen, mits de leeftijd dit nog toestond. Bij het tekenen van de eerste drie contracten kreeg men een premie van 6, resp. 6 en 3 dukaten. Degenen die voortijdig de dienst wilden verlaten, konden zich uitkopen. Waren er nog geen drie jaar van de totale termijn verstreken, dan kostte hun deze 150 gulden - voor een gewone fuselier kwam dit dus neer op meer dan anderhalf jaar soldij - in alle andere gevallen de helft van dit bedrag. (Schulten: 24-27)

Militair 2de HB links en 6de HB rechtsNa de vorming van het Bataafse leger kreeg het uniform van de infanterist een Franse snit. Het behield de blauwe kleur van dat van voor de Bataafse republiek, de jaspanden werden zeer lang, de kragen erg hoog, de riemen, broek en vest waren wit, zwarte slobkousen en schoenen. Het hoofddeksel was een zwarte tweekantige hoed. Grenadiers onderscheiden zich door een zwarte pluim met gekleurde top op de hoed en rode epauletten. De fuseliers hadden geen pluim. De wapens waren een musket met gladde loop en bajonet en een kort sabel (zie bewapening). De ransel was van koeienhuid gemaakt. Onderofficieren droegen hetzelfde als soldaten. Hun rangonderscheidingstekens kon men herkennen aan de chevrons op de mouwen. Officieren hadden een betere kwaliteit uniform dan de soldaten en hadden twee zilveren epauletten en om de middel werd een rood/wit/blauwe sjerp gedragen, officieel onder de rok, maar ook vaak eroverheen.

Generaals droegen een blauwe rok met rode kraag en mouwomslagen, goudkleurig borduurwerk op de kraag, mouwomslagen en zakken. Gouden epauletten, wit vest en broek, hoge zwarte laarzen met stalen spore. Om de middel een sjerp in kleur van de rang met gouden strepen. Grote zwarte tweekantige hoed met goud geborduurd en witte veren en zwarte kokarde.

Een gewone fuselier ontving per dag vijf stuivers soldij, dus 91 gulden per jaar. Een sergeant kreeg per dag acht stuivers meer. Een tweede luitenant verdiende ongeveer twee keer zoveel als een sergeant. Een kapitein, commandant van een compagnie, ontving bijna zeven keer zoveel. Iedere militair moest van zijn inkomen nog wel de kosten van zijn voeding, onderdak en geneeskundige verzorging betalen (*).

Kazernes zoals wij die nu kennen waren er toen nog niet. Steden werden beschermd door vestingwerken. Soldaten werden in de stad gehuisvest in woonhuizen en ook ondergebracht in gevorderde gebouwen. De Broederenkerk in Deventer was voor 1803 in gebruik als opslagplaats en kazerne voor soldaten. Men had bepaald, dat de solaten twee aan twee moesten slapen in bedden van 40 duim binnenwerk.

Tussen Franse en Bataafse militairen bestond een groot verschil. De chef van de general staf, generaal Dardenne schreef aan generaal Brune tijdens de veldtocht in Noord-Holland van 1799: “Het Bataafse leger op mars wordt in de regel ondergebracht in kerken of opslagplaatsen en slaapt op stro, terwijl de Franse soldaat gewoon is dat te doen bij de burgerij. Dit verschil in behandeling maakt het ontevreden en voorwerp van minachting van zijn landgenoten”. Generaal Dardenne werd eind 1799 enstig ziek en moest het leger verlaten.

De verschillen voor de soldaten van de 2de Halve Brigade komen ook nog eens expliciet naar voren in de brieven van S.J. Bruce aan generaal-majoor Van Zuylen van Nijevelt.

Aanhangsel op het garnizoensregelement 1796De Franse legers brachten vaak hoge onkosten en oninbare vorderingen met zich mee, waar o.a. de gemeente Lith een groot probleem mee had. Aanmerkelijk beter waren ze te spreken over het gedrag van de 2e halve brigade: “De municipaliteit van Lith, quartier Maasland, Meierije van ‘s Hertogenbosch, verklaart dat de 2 compagnieen van het 3e bataljon 2de Halve Brigade alhier sinds 14 dagen gecantonneerd en gecommandeerd geweest doo kapitein Engelen en andere officieren, zich in alle opzichten loffelijk gedurende hun verblijf hebben gedragen en ieder uiterst met ons content is geweest over de goede discipline, welke bij deze troepen heerste”.

De legers brengen veel werkgelegenheid in de plaatsen waar zij komen. Getrouwde militairen hadden vaak hun vrouw en kinderen bij zich. Hele gezinnen reisden mee van garnizoen naar garnizoen. Met eten, drinken, wassen en door 'vertier' te bieden kan de lokale bevolking aan de soldaten 'verdienen'. Er werd soms wel een beetje te veel economisch gehandeld getuige het feit wat de commandant van het 3e bataljon van de 49e halvebrigade Senac op 6 januari 1800 schreef nadat hij met zijn bataljon in Woerden verblijf had gehouden: “Ik beklaag me ernstig over het gedrag van het gemeentebestuur van deze stad. De inkwartieringsbiljetten voor 18 a 20 mannen waren verdeeld over de minst welgestelden, die geld hadden ontvangen van de rijke inwoners. Op dat moment zaten de soldaten onder de sneeuw; het was hen onmogelijk gedurende de gehele nacht te verwarmen of zij moesten dit om de beurt doen; 20 mannen kunnen zich niet drogen voor een kacheltje. Men had in diezelfde onderkomens enkele slechte matrassen doen distribueren om de troep te laten slapen op zolders met duizend gaten in het dak... Het brood was niet gebakken en van zeer slechte kwaliteit. De ambtenaren van de gemeente hebben mij geantwoord, dat zij geen ander brood hadden noch andere onderkomens om mij te geven en dat een nacht heel snel voorbij was.”


Bronnen: Schulten, C.M., F.J.H.Th. Smits, Grenadiers en Jagers in Nederland 1599-1829-1979, Sectie Krijgsgeschiedenis van de Landmachtstaf, ’s-Gravenhage, Staatsuitgeverij, 1980