eyes_067

Peter Koning in de Bataafse Armee

Subalterne officieren in de 2de halve brigade van 1796 – 1798.

A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M -

Veer

A

 

    Arensma, Johan Willem, Kapitein in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Meenen, 1753 - ?), Johan Willem werd op 23 april 1801 aangesteld als majoor en plaatsvervangend bataljonscommandant van het 2e bataljon als opvolger van Coenradus van Dooren. Johan Willem is op maandag 27 januari 1777 te Bergen op Zoom getuige bij de doop van Joannes Leonardus van Cleef (Switser). Voordat Johan Willem bij de 2e halvebrigade kwam diende hij in het Regiment nationalen Van Dam nr. 11 (16 jaar) en het regiment Markgraaf van Baden-Durlach (2 jaar en 7 maanden).

 

B

 

    Bagelaar, Ernst Willem Jan, 2e Luitenant in het 3e bataljon 1796 & 1798, 1e Luitenant in 1803 , (Eindhoven, 1775 - Son,1837)/

    Ernst Willem Jan Bagelaar (roepnaam Jan) wordt op 16 september 1775 geboren te Eindhoven. Al op veertienjarige leeftijd gaat hij als cadet in krijgsdienst. Hij begon zijn militaire loopbaan in Regiment De Bons, waarna hij in 1795 in de 5e halvebrigade begon. In de 2e halvebrigade doorloopt hij achtereenvolgens de rangen tweede en eerste luitenant, kapitein, om uiteindelijk als majoor op veertigjarige leeftijd in 1815 de dienst te verlaten. In zijn diensttijd maakt Ernst verschillende veldtochten mee. Deze brengen hem ondermeer in Vlaanderen (1793-1794), Duitsland (1796), Noord-Holland (1799), Duitsland en Oostenrijk (1800-1801), weer Duitsland (1805), Pruisen (1806-1808) en nog eens Duitsland in de buurt van Hamburg (1813-1814). Al op vrij jeugdige leeftijd blijkt hij aanleg voor tekenen te hebben. Tijdens zijn veldtochten maakt hij vele tekeningen, meestal landschappen (*)

    Bagelaar

            Zelfportret van Jan Bagelaar in 1801 als 25-jarige

    In 1802 maakt Jan Bagelaar zich de etskunst meester. Vele tekeningen van eigen hand maar ook die van andere kunstenaars legt hij in etsen vast. Hij etst niet alleen maar probeert ook de techniek van het etsen te verbeteren. De verhandeling die hij hierover houdt, levert hem in 1816 een zilveren erepenning op van de Nederlandsche Huishoudelijke Maatschappij. In 1820 wordt Jan Bagelaar benoemd tot lid der Koninklijke Maatschappij van Beeldende Kunsten te Gent. In 1827 wordt Jan genoemd in het Vredesgerecht Haarlem, wonende te st. Oedenrode met als rang majoor. In de loop van 1821 gaat hij bij zijn broer Hendrik in Son wonen, waar hij in 1837 komt te overlijden. Men verdenkt zijn huishoudster en haar nicht ervan hem te hebben vergiftigd, maar de rechter spreekt de verdachten vrij. Naast vele tekeningen heeft Jan Bagelaar ongeveer 200 etsen gemaakt. Van vele etsen zijn meerdere staten bekend. De meeste etsen maakte hij na zijn pensionering in 1815 tot zijn verhuizing naar Son in 1821. Vanaf zijn verblijf in Son is hij zich steeds meer op het schilderen toe gaan leggen. In diverse musea in binnen- en buitenland worden etsen van Jan Bagelaar bewaard. Ook Museum Kempenland in Eindhoven bezit een aanzienlijke collectie.

    Bannier, Wilhelm, 2e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Deventer, 1773 - 1817). Willem trouwde met Gerharda Johanna van der Horst. Zij kregen in 1808 in Doesburg een kind genaamd Lambert Gerhard Wilhelm, in 1810 in Deventer een kind genaamd Martinus Jan Alixander en op 26/11/1815 ook in Deventer een zoon genaamd Johan Coenraad. Lambert Gerard en Johan Coenraad werden net zoals hun vader militair.

    Berg, Jan Frederik Helvetius van den, Kapitein in het 3e bataljon 1796, (Nijmegen, 1763 - ?).  Jan Frederik heeft in 1803 de volgende staat van dienst: cadet (1 jaar), vaandrig bij regiment Nassau (3 jaar, 7 maanden), luitenant en kapitein (7 jaar en 9 maanden)

    Betuwe, Hendrik van, 1e Luitenant in het 3e bataljon 1796 & 1798, (Delft, gedoopt 1 maart 1769 - ?). Henricus was de zoon van Joannes en Joanna Dijkman. Getuige bij zijn doop was Gertrudis Dijkman. Hendrik zelf was getuige bij de doop van zijn nichtje Maria Catharina van Eersel in Delft 17 april 1798. Voor de Bataafse dienst was Hendrik in Franse dienst. Hendrik was in 1803 Kapitein in het 3e bataljon.

    Bierman, Martinus Adrianus, Kapitein in het 3e bataljon 1796 & 1798, (Herwijnen, gedoopt 28 januari 1759 - ?). Martinus Adrianus was de zoon van Petrus Bierman en Cornelia Elisabeth van Niel. Voor de dienst in het 3e bataljon, diende hij bij het garde du corps en het regiment Onderwater. Zijn eerste vrouw, Margareta Dillhoff trouwde hij in 1798. Op 20 november 1813 hertrouwde hij te Herwijnen met Catharina Kracker.

    Bruin, Herman Izacq de, 1e Luitenant in het 3e bataljon 1796, (1773 - ?).

    Buchner, Ernst Christiaan, Chirurgijn-Majoor in het 3e bataljon 1796 & 1798, ( Reinheim (Essen) 6/3/1759 – Kampen 30/7/1836). Zijn ouders waren Georg Philipp Buchner, chirurg in Reinheim en Johannette Ernestine Bierau. Later werd Ernst Christiaan geneesheer te Kampen. Hij trouwde op 25 maart 1788 in Hummelo met Catharina Rhenius (Zutphen 1767 – 1799). Na de dood van Catheriana hertrouwde Ernst Christiaan met Maria Elisabeth Heckers op 29 juni 1800 te Zutphen. Hij kreeg met haar de volgende kinderen: Karl Frederik Christiaan (Delft, 17/5/1802), Ernst Christiaan (Kampen, 1806), Anna Johannetta, Carolina Maria Elisabeth (Kampen, 1816).

    Buchner, Lodewijk Christian, Chirurgijn-Majoor in het 1e bataljon 1796 & 1798, (Reinheim, 1761 - ?). Zijn ouders waren Georg Philipp Buchner, chirurg in Reinheim en Johannette Ernestine Bierau en maakt hem dus een broer van de chirurgijn majoor uit het 3e bataljon, Ernst Christiaan. Lodewijk (of Ludwig) trouwde met Johann Jacoba Christina Inckel.  Zij kregen de volgende kinderen: Georg Jacob (Goes, 1791), Ernst Christiaan (Nijmegen, 1794), Jan Lodewijk Carel (Den Haag, 1802).

    Buschman, Huijbert Lauwrens, 1e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (Zwolle, 1772 – Hellvoetsluis ?). Voordat hij in het Bataafse leger zat diende Buschman in het Regiment Wartensleben. Op 2 juli 1801 werd hij aangesteld als kapitein van het 2e bataljon. Huijbert trouwde op 25 augustus 1801 te Zwolle met Nesina Rijnvis, dochter van Gerrit Rijnvis en Johanna van Lingen. Hij wordt later vermeld als luitenant-kolonel.. Huijbert en Nesina kregen zes kinderen; Johanna Maria (Den Haag, 28/3/1804), Godefridus Hubertus (Ouddorp, 1806), Johanna Gerdiena (Zwolle, 1810), Johanna Gerardiena (Zwolle, 1811), Anna Elisabeth (Amiens, 1812), Johannes Cornelis (Zwolle, 1816). Zijn laatste zoon werd Kapitein in het 4e regiment infanterie.

 

C

    Cannaarts, Hendrik Johannes, 2e Luitenant in het 3e bataljon 1796 & 1798, (Hilvarenbeek,15/08/1779 - ?). Zijn ouders zijn Henricus Cannaarts en Johanna Wilhelmina Bundes. Vader Henricus was majoor in het regiment van den lt. Gen. Grave d'Envie.

    Charlotzky, Johan Bernhard, 2e Luitenant in het 2e bataljon 1798, (Frankfurt, 1766 - ?). Johan Bernhard diende voordat hij in het Bataafse leger zat in het Regiment Baden-Durlach voor maar liefst 10 jaar en 5 maanden.

    Claessens, Johannes Rhenerus, 2e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Maastricht, 1773 - ?). 

    Clos, Nicolaas Pieter, 2e Luitenant in het 3e bataljon 1796 & 1798, 1e Luitenant in 1803, (Groningen, 1761 - ?).

    Coesing, J.P., 2e Luitenant in het 2e bataljon 1798, (? - ?). 

 

D

    Dassel, Johann Friedrich von, Kapitein in het 3e bataljon 1796, (Lunenburg 1755 - Doesburg, 4/6/1839). Als zoon van Johann von Dassel en Margaretha von Friesendorff. Johann trouwde met Catharina Aleida Sara Michgorius. Zij kregen op 6/11/1791 te Doesburg een dochter genaamd Margaretha Elisabeth Maria en in 1796 te Doesburg een dochter genaamd Aletta Catharina Johanna. Johann Friedrich werd bij zijn overlijden in 1839 met eindrang majoor genoemd.

    Degenhard, Christiaan Heinrich, Kapitein in het 3e bataljon 1796 & 1798, (1748 - ?). In het staatse leger was Degenhard adjudant in het regiment Sommerlatte en lag hij tussen 1786 en 1788 in Hulst en Arnhem in garnizoen. Daarna ging hij 9 maanden met verlof naar Lunenburg en Hannover. Op 21 februari 1792 trouwde hij te Zutphen met Anna Rhenius. Hij was toen luitenant in het regiment van Generaal Majoor Willem Carel Hendrik, Graaf van Randwijck. Dit regiment ging in 1795 over in het 3e bataljon van de 2e halvebrigade. Tot 12 maart 1800 was Degenhard kapitein in het derde bataljon. Daarna werd hij bevorderd tot majoor (*)

    Demoeré, Willem, 2e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Breda, 1766 - ), Willem raakte gewond in Noord-Holland op 10 september 1799 (*).  Op 23 september 1799 werd Willem daarop gepromoveerd tot 1e Luitenant.

    Dooren, Coenradus van, Kapitein in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Den Haag, 1745 - ?), zoon van Anthonie van Dooren en Joannae Schaaps. Hij trouwde op 1 september 1805 met Maria Helena Gerlach te Nijmegen. Hij diende van 1786 tot 1788 in Arnhem als kapitein in het 1e bataljon van de luitenant-generaal Van Sommerlatte. Op 28 juni 1799 werd Coenradus bevorderd tot majoor van het 2e bataljon (*).Coenradus wordt vermeld als getuige bij meerdere dopen van kinderen van de familie Lips te Bergen op Zoom: 9 juni 1795, 25 februari 1799 en 22 november 1805.

    Dossing, Gerard Francois, 1e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Rotterdam, 1763 - ?). Hij was kapitein in hetzelfde bataljon in 1803. Gerardus Franciscus was getuige van zijn nichtje Wilhelmina Johanna Verbraak op 10 februari 1809 te Rotterdam.

    Dossing, Jacobus Petrus, 2e Luitenant in het 2e bataljon 1796, (Rotterdam, 1776 -). Jacobus Petrus trouwde met Jeanne Teissier. In 1807 te Den Haag kregen zij een zoon genaamd Theodore Marie. Jacobus Petrus is afgezwaaid als 1e Luitenant.

     

E

    Eiteneuer, Johan Adam, 1e Luitenant in het 1e bataljon 1796, Kapitein op 12-2-1798, (Aldersbach in het graafschap Hackenberg 1750 - ?). Voordat Eiteneuer in Bataafse dienst kwam had hij een behoorlijke militaire loopbaan achter de rug: soldaat (2 jaar en 1 maand), sergeant (10 jaar), Kwartiermeester adjudant (3 jaar en 2 maanden), vaandrig en luitenant-adjudant (2 jaar en 2 maanden) en 1e Luitenant (2 jaar en 2 maanden).

    Engelen, Engelbertus, Kapitein in het 3e bataljon 1796 & 1798, (Zutphen, 17/3/1755 - 28/9/1807). Engelbert was de zoon van Johann Engels en Maria Luedorp. Voordat hij in de 2e halvebrigade diende, was hij in het regiment Oranje Nassau en Regiment Plettenberg.

    Evers, Harmen, 2e Luitenant in het 3e bataljon 1798, (Kampen, 7 januari 1778 - ?). Harmen was de zoon van Joost Christiaan Evers en Asperina Gesina Catherina Herweijer. Evers diende hiervoor bij het 1e bataljon van de 1e halvebrigade.

     

F

    Frylink, Willem Folkert, Kapitein in het 1e bataljon 1796 & 1798, (1758 - ?), Willem trouwde met Catharina Overstraaten op 12 april 1801 te ‘s Gravenhage. 

     

G

    Gaster, Johan Adam, Luitenant adjudant in het 3e bataljon 1798, (Wijseborn in ‘t Sticht Fulda 1765 - ?). Johan Adam heeft voor de Bataafse dienst gestreden onder het regiment Plettenberg.

    George, Francois, Kapitein in het 3e bataljon 1796 & 1798, (Namen, 1750 - ?). George is sergeant geweest in de grenadierscompagnie van het 1e bataljon van het Waalse regiment onder Kolonel en later generaal-majoor Grenier in garnizoen te Breda en later in Frankrijk gediend. George trouwde eerst op 16-7-1775 met Marie Helene van Hall te Breda en later op 17-2-1782 met Jeanne Petronelle Lenskens eveneens te Breda.

    Groin, Carel van, Kapitein in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Coevorden, 18/4/1771 - Doesburg, 2/12/1842), Carel was de zoon van Johan Cornelis Albricht von Groin en Gosina Arnoldina Bruinis en de broer van Johan die kapitein in het 1e bataljon was. Voordat Carel in dienst trad van het 2e bataljon, diende hij onder het regiment van Plettenberg voor 14 jaar en 6 maanden. Op 2 december 1796 werd Carel aangesteld als kapitein van het 2e bataljon 2e halve brigade.

    Carel trouwde op 29 juni 1800 te Doesburg met Catharina Ketjen.  Zij kregen in 1801 te Doesburg een zoon genaamd Johan Cornelis, in 1803 te ‘s Gravenhage een dochter genaamd Johanna Louisa, in 1807 te ‘s Gravenhage een dochter genaamd Wilhelmina Catharina en in 1809 te ‘s Gravenhage een dochter genaamd Maria Sara .Op 21/10/1820 hertrouwde Carel met Anna Theodora van Woelderen te Grave. Met haar kreeg hij op 15/08/1821 te Grave een dochter genaamd Carolina Frederika Theodora Louisa. In 1841 is Carel gepensioneerd luitenant-kolonel.

    Groin, Johan Bruno Bruinis van, Kapitein in het 1e bataljon 1796 & 1798, sedert 1801 als majoor, (Namen, 18/5/1765 - ?), Johan was de zoon van Johan Cornelis Albricht von Groin en Gosina Arnoldina Bruinis en broer van Carel, die kapitein in het 2e bataljon was. Johan heeft een indrukwekkende carriere: cadet voor 12 jaar, ingenieur voor 3 jaar, vaandrig in het regiment van Plettenberg voor 3 jaar, luitenant voor 4 jaar en kapitein voor 9 jaar.

    Groot, Anthonie Josephus de, 2e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (Venlo, 1775 - ?). Hij was vollonteer in Frankrijk (6 maanden), cadet (1 maand), 2e luitenant (4 jaar en 7 maanden), 1e luitenant (3 jaar en 2 maanden) in 1803. In 1801 staat in zijn conduitestaat dat hij een zeer dilligent officier is.

    Groot, Gualtherus Cornelis de, 2e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Heukelom, 27/12/1778 - ?). Gualtherus was de zoon van Pieter Laurensz de Groot en Adriana Cornelia van Maurik. Hij trouwde op 19 october 1815 te Arnhem met de toen 19-jarige Jacoba Juliana Hamel. Op zijn trouwacte werd als rang luitenant-kolonel vermeld. 

    Gussenklo, Dirk, 2e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (Ede, 1761 - Lent, 3/9/1850), Gedoopt op 27 januari als zoon van Dirk Gussenklo en Geertje Willems. Dirk raakte gewond in Noord-Holland op 10 september 1799 (*). Hij trouwde met Johanna van Ulsen. Zij kregen samen op 19/04/1802 te Den Haag een dochter genaamd Theodora Wilhelmina. Op 11-2-1798 werd Dirk luitenant-kwartiermeester. In 1803 staat vermeld in zijn conduitestaat dat hij de administratie van het bataljon deed. Dirk kreeg uiteindelijk als eindrang kapitein.

     

H

    Haak, Johan Adam, 2e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (1778 - ?), Jan Adam raakte gewond in Noord-Holland op 10 september 1799 (*). Johan kende de volgende carriere: cadet Villers (8 jaar), cadet 1e bataljon (6,5 jaar), 2e luitenant (4 jaar), 1e luitenant (3 jaar, 2 maanden) in 1803

    Hagedoorn, Gerrit, 1e Luitenant in het 3e bataljon 1796 & 1798, Kapitein in 1803, (Rotterdam, 1765 - ?), Gerrit werd onderscheiden vanwege zijn verdiensten bij Dirxhoorn in 1799 (*). Gerrit trouwde met Mara Johanna Adriana Sieverts op 29/12/1791 te Oostelbeers (Brabant). Op 23/12/1798 te Deventer kregen ze een zoon genaamd Gerrit Marcus Adrianus Beljeur en in ca. 1801 te Zutphen kregen zij een kind genaamd Johannes Hendrikus Christophorus. Gerrit diende voor het Bataafse leger in het Regiment Pallardy.

    Hensberg, Pieter Hendrik van, 2e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (Sittard,1760 - ?). Pieter Hendrik was in 1801 door een blessure niet geschikt voor “veele fatiques”. In 1803 was hij 1e luitenant.

    Hoffman, Johannes Petrus, 2e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Den Haag, 1760 - ?). Johannes Petrus was voor zijn dienst in Frankrijk voor 3,5 jaar.

    Hopbergen, Johan Wilhelmus van, 1e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, kapitein in 1803 (Groenlo, 1765 - ?). Joh. W. trouwde met Alijda J. Batenborg. Ze kregen in ca. 1793 in Groenlo een kind genaamd Alijda Jacoba.

    Hubert, Pieter Frederik, Kapitein in het 1e bataljon 1796 & 1798, (Den Bosch, gedoopt op 8 juni 1768 in de Grote kerk - ?). Pieter was de zoon van Willem Hubert en Sara Cathriena Brandts. Hubert was voor het Bataafse leger cadet bij Solms (4 maanden),  2e luitenant.in Franse dienst (5 jaar), 1e luitenant in Bataafse dienst (1 jaar) en 8 jaar kapitein (1803). Pieter Frederik raakte gewond in Noord-Holland op 10 september 1799 (*)

    Hucht, Albertus van der, Kapitein in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Zierikzee, 15/5/1762 - 1812), Albertus was de zoon van Nicolaas van der Hucht en Wilhelmina Elisabeth Dona. In juli 1789 ging Albertus in ondertrouw te Nijmegen en op 15 juli 1789 trouwde hij met Carolina Frederica, Barones van Wijnbergen. Hij raakte gewond in Noord-Holland op 10 september 1799 (*).  Albertus en Carolina kregen de volgende kinderen: Jan Pieter (Zierikzee, 1796), Clara Hendriettha (Arnhem, 27/2/1800), Alexandrina Alberta (Den Haag, 26/7/1802), Johanna Gerhardina (Zierikzee, 1804).

     

I

    Idinger, Johan Georg, Luitenant en kwartiermeester in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Zwolle, 1757 - Kampen, 1839). Johan was voor zijn Bataafse dienst in dienst van het regiment Markgraaf van Baden voor 21 jaar en 3 maanden.

     

J

    Jacobi, Johan Valentijn, 1e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Allendorf (Hessen) 1754 - Kampen, 1823). Johan Valentijn trouwde op zondag 15 augustus 1790 te Bergen op Zoom met Anna Drom, geboren in Doesburg wonende te Bergen op Zoom. Johan Valentijn woonde op moment van trouwen in het garnizoen Sluis. Hij was adjudant onder Bedaulz.

    Op zondag 9 september 1798 te Bergen op Zoom was Johan Valentijn getuige bij de doop van Joan Jacobus Touw.

     

K

    Kleijs, Gerrit van der, 2e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (1770 - 1799). Gerrit sneuvelde in Noord-Holland op 10 september 1799 (*).

    Klettenberg, August Friedrich Carel von, Kapitein in het 2e bataljon 1796 & 1798, (1747 - ?)

     

L

    Leijcher, Johan Jacob., 2e Luitenant in het 3e bataljon 1798, (Chrustall in het Maintzische, 1751 - ?). Johan Jacob heeft voorheen in het Regiment van Randwijck gediend. Op 1 mei 1800 is hij bevorderd tot 1e luitenant.

    Lentz, Jan Nicolaas, 2e Luitenant in het 1e bataljon 1796, (1766 - ?).

    Leyen, Teunis van, 2e Luitenant in het 2e bataljon 1796, (1765 - ?).

    Linde, Willem van der, 1e Luitenant in het 3e bataljon 1796, (Oud Vosmeer, 1760 - Steenbergen, 6-2-1820), Willem was op 27-12-1796 in civiel arrest te Nijmegen. Voordat Willem in Bataafse dienst was deed hij dienst bij regiment de Schepper en Plettenberg. Op 12 juni 1803 werd hij tot kapitein bevorderd. De burgerlijke staat bij overlijden was: gescheiden van Maatje van der Nijntje.

    Kapt van Linden moest Jfr Dorth executeren

     

    Lindwurm, Johan Nicolaas, 2e Luitenant in het 3e bataljon 1796 & 1798, (Altenschoenbach, Unterfranken, 1752 - ?).

    Lindwurm, Jan Leendert, 2e Luitenant in het 3e bataljon 1798, (Altenschoenbach, Unterfranken, 1751 - ?). Voor de Bataafse tijd was Johannes Leonard in dienst van het Regiment van Randwijck. Hij trouwde met Anna Barbara Cairn/Kern op 19/8/1787 te Arnhem. Zij kregen de volgende kinderen: Hindrik Jan (Kampen, 8/8/1796), Johan Nicolaas (Almaar, 13/5/1798). Tijdens het huwelijk van zijn zoon Sergeant-Majoor Hindrik Jan Lindwurm met Emke van Hummel wordt Jan Leendert met rang luitenant genoemd. In 1803 is hij 1e Luitenant.

     

M

    Mangnez, Pieter, Luitenant Kwartiermeester in het 1e bataljon 1796 & 1798, (Leiden, 1766 - ?). Pierre trouwde met Clara Francina van Waalwijk en kregen op 2/2/1805 te Leiden een dochter genaamd, Lisbeth Marie Catharina. Pierre was in het Staatse leger in dienst van het regiment Bosc de la Calmette als soldaat, korporaal en sergeant voor 12 jaar en 7 maanden. In 1801 staat in zijn conduitestaat dat hij soms niet goed van gedrag was.

    Marchant, Johan Christian, 1e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (Opperpzosten in ‘t Bornfelsche, 1757 - ?).  Voor de 2e Halve brigade was Marchant cadet en sergeant in het regiment van Waldeck (6 jaar en 4 maanden) en daarna als vaandrig en adjudant in het regiment Vilates (5 jaar en 7 maanden).

    Marck, Carel Albert van der, Kapitein in het 2e bataljon 1796 & 1798, (1763 - 1799), Op 9 januari 1797 is geschreven: “Is gelezen de requeste van C.A, van der Marck, Capitein in het tweede bataljon van de tweede halve brigade in dienst van de Bataafse republiek, zich beklagende dat de capiteins Van Thielen en Overveld, in rang boven hem geplaatst zijn; en verzoekende dat het Committe tot de Algemeene Zaken van het Bondgenootschap te Lande, geauthoriseerd worde om zyne grieven te repareren.”. Carel Albert sneuvelde in Noord-Holland op 10 september 1799 (*)

    Rouwadvertentie Kapitein van der Marck

     

    Marck, Frederik van der, 1e Luitenant in het 2e bataljon 1796 &1798, Kapitein in 1801 & 1803 (Groningen, 1767 - Deventer, 1822), Frederik heeft 2 jaar voor Frankrijk gediend. Op Frederiks conduitestaat staat het volgende vermeld op 18 juni 1801: “sijn gedrag beantwoord niet zoals het hoord aan ’t caracter dat hij bekleed”.

    Masske, Johan Daniel Lodewijk, 1e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (1767 - ?)

    Mathieu, Frederik Josephus, Kapitein in het 1e bataljon 1796, (1763 - ?). Op 29 augustus 1797 staat vermeld: “Is gehoord het rapport van de burgers representanten Cambier en verdere by decreet van den 17 april laatstleden Gecommiteerdenter examen van de requeste van J Mathieu, Capitein in het eerste bataljon van de tweede halve brigade in dienst van de Bataafse Republiek; daarbij zich beklagende, dat hij niet volgens den rang welke hy in de jaare 1787, bekleed heeft, is geplaatst geworden, verzoekende derhalven, dat de vergadering in zyne wel en wettig in den jare 1787, verkreegen aanstelling, volgens de alstoen door hem bekleed wordenden rang gelieve te herstellen en dat het committee tot de algemeene zaken van het Bondgenootschap te Lande, mooge worden geauthoriseerd, hem in zyne rang bij de gemelde tweede halve brigade aan te stellen.” De beslissing werd uiteindelijk negatief voor Mathieu.

    McPherson, Alexander Daniel, Kapitein in het 1e bataljon 1796 & 1798, (1764 - 1799). Alexander Daniel sneuvelde in Noord-Holland op 10 september 1799. Hij was kapitein van de grenadierscompagnie (*)

    Meyer, Jan, 1e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Zwolle, 1764 - ?).  Jan heeft voordat hij bij de halvebrigade kwam 6 jaar in Frankrijk gediend.

    Meyer, Jacob Gijsbert, Luitenant kwartiermeester in het 3e bataljon 1796 & 1798, (Tiel, 1745 - ?).

    Montagne, Johan Willem, 1e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (1769 - 1799). Johan Willem sneuvelde in Noord-Holland op 10 september 1799 (*)

    Montanus, Antonius, Kapitein in het 3e bataljon 1796, (Doornik, 21/08/1752 - Delft, 4/12/1829). Zoon van majoor Johannes Henricus Montanus en Jacoba Velge. Antonius werd op 21-12-1797 aangesteld als luitenant-kolonel van het 1e bataljon. Hij trouwde met Carolina Isabelle Elbertina Corn, barones van Haersolte op 25/9/1796 te Zutphen. Op 30 maart 1798 te Hoorn werd een dochter van het echtpaar geboren, genaamd Hendrika Adriana. Op 2 december 1801 te Den Haag werd een zoon van het echtpaar geboren, genaamd Jean Jacques Henri, later 2e luitenant van de infanterie. In Staatse dienst diende Antonius als cadet in het regiment Pabst, 5 jaar als vaandrig, 4 jaar als luitenant en 15 jaar als kapitein. Hij werd in 1797 aangesteld als luitenant-kolonel van het 1e bataljon nadat zijn voorganger overleed (*).

    Montanus, Hendrik Willem, 1e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Sprundel, gedoopt op zondag 5 maart 1775 - ?). Zoon van Petrus Jacobus Montanus, predikant te Sprundel en broer van kapitein Antonius Montanus, en Margaretha Elisabeth Hoffius. Getuige was Wilmina M. Montanus. Henricus Wilhelmus is dus het neefje van Antonius Montanus. Voordat hij in het Bataafse leger dienst nam, diende hij 8 jaar en 3 maanden in het regiment Wartensleben.

     

N

    Nieuwenhuijs, Egbert, 2e Luitenant in het 3e bataljon 1798, (Kampen, 1781 - ?).

    Nyvenheim, Christian Fredericus van, 2e Luitenant in het 3e bataljon 1796 & 1e Luitenant 3e bataljon 1798, (Hohenbudberg (Pruissen), 25/9/1779 - ?). Zijn vader was Carolus Christianus, Baron de Nyvenheim. Luitenant Van Nyvenheim wordt als adjudant genoemd in de generale staf van Luitenant-generaal Dumonceau van 7 augustus – 2 september 1805. 

 

O

    Overveldt, Adrianus Nicolaas Gerbrand van, Kapitein in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Almelo, 1771 - 1799), Adrianus trouwde op 19 september 1798 met Perina Roeters van Lennep. Hij sneuvelde in Noord-Holland op 10 september 1799 (*).

     

P

    Pfeiffer, Johannes Pieter, 1e Luitenant in het 3e bataljon 1796 & 1798 & 1803, (Maastricht, 1775 – 1799), Johannes Pieter raakte gewond in Noord-Holland op 10 september 1799 (*). Voor de bataafse tijd diende Pfeiffer in het regiment Stuart en Markgraaf van Baden. 

    Pflug, Andries Gotthard Frederich, Chirurgijn-majoor in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Welzlaar, 1758 – Leiden, voor 1840). Zoon van Andreas Pflug. Andries zou Chirurgijn-Majoor onder generaal Sommerlatte zijn. Hij trouwde op 11 juli 1790 te Zutphen met Judith Rhenius (geb. 30/11/1760 te Zutphen).Zij kregen 6 kinderen: Jacoba Frederica (Coevorden, 26/10/1794), Carl (Bergen op Zoom, 25/10/1797), Anna Christina (ca. 1803), Christina Henrietta, Sophia Angelica en Elisabeth Charlotte (Leiden, 16/12/1803), die later trouwde met Georg Philip Buchner, een achterneef van de Chirurgijnmajoors van het 1e en het 3e bataljon.  Op 7 juni 1803 werd Pflug geemployeerd bij het lands hospitaal te Leiden.

     

R

    Rappard, Everhard, Kapitein in het 1e bataljon 1796 & 1798, (Katwijk bij Cuijk 5/2/1770 - 2/3/1818), Everhard was de zoon van Gerhard Rappard en Wilhelmina Verspijck. Zijn staat van dienst was: cadet bij het regiment Botha (4 jaar en 2 maanden), vaandrik (6 jaar en 2 maanden), luitenant (2 jaar en 2 maanden), 1e Luitenant (9 maanden), Kapitein (7 jaar en 2 maanden) in 1803. Everhard werd aangesteld als kapitein in het eerste bataljon op 14 april 1796.

    Everhard trouwde met Levina van Voorde op 28/4/1796 te Brouwershaven (Zeeland). Zij kregen de volgende kinderen: Agneta Cornelia Willemina (Zwolle, 1799), Wilhelmus Hendrikus (Brouwershaven, 31/08/1800), Bernard Leonard (Den Haag, 26/9/1804), Naletta Helena (Den Bosch, 1812).

    Rasink, Gerrit Godfried, 2e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (1763 - ?). 

    Reepmaker, Johan Christian, 1e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (1756 - Waalwijk, 21/12/1846). Zijn staat van dienst in 1803: cadet in het regiment Onderwater (7 jaar en 7 maanden), In Frankrijk (2 jaar en 4 maanden), 1e Luitenant in dit bataljon (4 jaar), kapitein op 29-7-1799 (3 jaar en 11 maanden).

    Jan Christiaan trouwde met Maria Johanna Schuttelare. Zij kregen de volgende kinderen: Johanna Flippina (Alkmaar, ?), Geertruijia Isebella Constans (‘s Gravenhage, 2/1/1802), Pieter Lodewijk (Besoijen, 28/2/1806).

    Rigo, Mathieu, Kapitein in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Luik, 1769 - ?), Hij heeft voor dit bataljon in Belgie (1 jaar) en in Frankrijk (7 jaar, 11 maanden) gediend. Mathieu wordt als adjudant genoemd in de generale staf van Luitenant-generaal Dumonceau van 7 augustus – 2 september 1805 (*).  

    Reinhold, Johan Gotthard Ridder, 1e Luitenant in het 3e bataljon 1796, (Aken, 1771 - Hamburg, 1838). Reinhold heeft hiervoor in het regiment Markgraaf van Baden gediend. In zijn conduitestaat van 1801 staat: “is charge d’affeine ad interim der Bataafse Republiek te Hamburg”.  Hij was naast militair diplomaat en dichter. Zoon van Johann Friedrich Reinhold, koopman, en Eleonore Pastor. Gehuwd in 1808 met Sophie Amalie Dorothea Wilhelmine Ritter. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren: Susette-Marie en Marie-Auguste-Friederike (hieronder in 1815 in Rome).

    Madame Johann Gotthard Reinhold born Sophie Amalie Dorothea Wilhelmine Ritter and Susette and Marie in 1815Reinhold heeft zijn leerjaren in Duitsland doorgebracht, ofschoon zijn ouders kort na zijn geboorte naar Amsterdam waren verhuisd. Van zijn zesde tot zijn twaalfde jaar verbleef hij op de Hohe Karlsschule te Stuttgart, de persoonlijke schepping van hertog Karl Eugen van Württemberg, waar in een militaire sfeer een veelzijdig lesprogramma werd gevolgd. Reinhold, een vlugge leerling met aanleg voor talen, kwam onder de indruk van zijn tien jaar oudere medescholier Friedrich Schiller. Na het overlijden van Reinholds vader trad zijn moeder opnieuw in het huwelijk met de Amsterdamse koopman C.J. Boehm, die voor zijn stiefzoon een toekomst in de handel koos. Daartoe verbleef deze tot zijn achttiende bij een tante in Frankfurt am Main.

    In september 1789 liet Reinhold zich echter als vaandrig inlijven in het Staatse leger, en vanaf 1793 diende hij als luitenant in het infanterieregiment 'Markgraf von Baden'. Een vroegere studievriend, Johann Georg Kerner – die in Parijs actief aan de revolutie had deelgenomen en in 1795 in Hamburg was terechtgekomen als secretaris van de Franse gezant bij de Duitse Hanzesteden – wist gedaan te krijgen dat ook voor Reinhold een diplomatieke carrière werd geopend. In december 1795 werd de luitenant, met behoud van rang, door toedoen van de Bataafse gezant B.E. Abbema diens secretaris te Hamburg.

    Tot september 1809 heeft Reinhold in zijn nieuwe standplaats een actieve rol gespeeld in het culturele leven, vanaf november 1800 als zaakgelastigde. Samen met Kerner stichtte hij in 1797 een politieke club van ‘Vrijheidsvrienden’, met de verhullende naam ‘Philanthropische Gesellschaft. In Hamburg kwam hij in aanraking met de dichter Friedrich Gottlieb Klopstock, en hij ontplooide dichterlijke talenten in de talrijke verlichte salons. Hier vond hij ook zijn echtgenote, de koopmansdochter Maria Schuchmacher, met wie hij in 1808 zou trouwen.

    Onder het Staatsbewind, de Raadpensionaris en koning Lodewijk bleef Reinholds positie ongewijzigd. Intussen distantieerde hij zich - evenals zijn vrienden - steeds openlijker van de Franse politiek, vooral na de nederlaag van Pruisen in 1806. Toch benoemde koning Lodewijk hem op 25 november 1807 tot ridder in de Orde van de Unie, en in juli 1809 volgde zijn bevordering tot minister plenipotentiaris in Pruisen. Hij was nog geen jaar in Berlijn toen in juli 1810 het gezantschap werd opgeheven na de inlijving van de Noordelijke Nederlanden bij het Keizerrijk.

    Reinhold verkoos een ambteloos leven, ofschoon hij in een rapport aan Napoleon wordt beschreven als een der bekwaamste diplomaten van Europa. De Franse Keizer benoemde hem op 7 maart 1812 tot ridder in de Orde van de Reunie. Hij vestigde zich met zijn gezin - waartoe ook zijn twee jaar jongere zuster Suzanna gerekend kan worden - in Parijs. Behoudens enige contacten met de Duitse kolonie leidde hij een teruggetrokken leven, wijdde zich aan de vertaling van Petrarca's sonnetten en wachtte op betere tijden. Een week na Napoleons abdicatie, in april 1814, schreef hij de Souvereine Vorst 'als een vaderlander die verheugd is over de loop der gebeurtenissen die Oranje aan Holland heeft weergegeven'. In augustus van dat jaar benoemde Willem hem tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister bij de Italiaanse mogendheden, met als standplaats Rome.

    Dat een protestant bij de Heilige Stoel werd geaccrediteerd, was op zich zelf een opmerkelijk feit, maar geen novum sinds in 1805 Wilhelm von Humboldt de Koning van Pruisen in Rome had vertegenwoordigd. Reinholds benoeming kreeg evenwel extra reliëf in het licht van de vereniging met België. Voor de katholieke leiders in het Zuiden gold dit als een bewijs dat de Koning weinig rekening wenste te houden met hun belangen. Het heeft Reinhold in de Zuid-Nederlandse en ultramontaanse geschiedschrijving een kwade naam bezorgd. Hij werd afgeschilderd als een verklaard jozefist, verwant aan de antiklerikale adviseurs van Willem I, M.J.F.G. baron Goubau d'Hoogvorst en P.G. van Ghert. Dit beeld lijkt te worden bevestigd door zijn vriendschap met de jonge Belgische republikein Louis de Potter, wiens kerkhistorische geschriften door Rome werden veroordeeld, en later door zijn contacten met Ignaz Heinrich von Wessenberg, vicaris-generaal van het bisdom Konstanz en de voornaamste woordvoerder van de Duitse febronianisten, die de autonomie van de nationale kerk centraal wensten te stellen en zich keerden tegen het primaat van de Paus. Daarnaast had Reinhold echter een groot respect voor de persoonlijkheid van de uit Franse gevangenschap teruggekeerde Pius VII, en hij onderhield buitengewoon hartelijke betrekkingen met diens staatssecretaris, kardinaal Ercole Consalvi. In religieus opzicht kan de van huis uit lutherse Reinhold het best als irenicus worden getypeerd.

    In Rome heeft de gezant loyaal uitvoering gegeven aan de regeringsplannen inzake de eedsaflegging op de grondwet - die bisschop M.J.M. Broglie van Gent wilde verhinderen - en die van de benoeming van F.A.M.C. de Méan tot aartsbisschop van Mechelen. Hij slaagde erin de politiek van koning Willem I bij het Romeinse hof aanvaard te krijgen, en dit ondanks de felle tegenwerking van een Zuid-Nederlandse lobby in Rome, die een gewillig oor vond bij de Congregatie voor Buitengewone Kerkelijke Aangelegenheden, het hoogste adviescollege van de Paus.

    Door zijn uitstekende contacten met Consalvi èn door zijn vriendschap met kardinaal Cesare Brancadoro - gewezen nuntius te Brussel en een der kopstukken van de behoudende krachten in de curie die oppositie voerden tegen de concordatenpolitiek van Consalvi - wist Reinhold hoe zijn kansen lagen. Rome zou aan goede contacten met de Koning de voorkeur geven boven die met de Belgische bisschoppen, mits de gevoeligheid van de curie in principiële zaken werd ontzien. Reinhold ontraadde zijn opdrachtgevers serieus op concordaats-onderhandelingen in te gaan, aangezien hij als nuchter waarnemer zag welke problemen zulke besprekingen opleverden voor de katholieke vorsten die telkens weer op Romeinse onverzettelijkheid stuitten.

    Toen na de troonsbestijging van paus Leo XII in 1824 de onderhandelingen opnieuw werden geopend, fungeerde Reinhold in Den Haag tijdelijk –? van 6 januari tot 12 mei 1824 –? als minister van Buitenlandse Zaken in de plaats van A.W.C. baron van Nagell van Ampsen, die de besprekingen leidde. Ook bij die gelegenheid demonstreerde hij openlijk zijn scepsis ten aanzien van een goede afloop ervan. Het sprak daarom vanzelf dat de Koning in 1826, toen met de komst van P.J.S.L. van Gobbelschroy op Binnenlandse Zaken de bakens in de kerkelijke politiek werden verzet en voortvarend op een concordaat werd afgestuurd, Reinhold in Rome liet vervangen door A.P.F.G. graaf de Visscher de Celles. Reinhold verhuisde naar Florence en een jaar later, in 1827, werd hij buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Bern. Deze functie zou hij tot 1832 uitoefenen.

    In de ruim twaalf jaar van zijn verblijf in Rome was Reinhold een begrip geworden in de kringen van beeldende kunstenaars en letterkundigen, die hij wekelijks aan zijn tafel verzamelde. De jonge romanticus Giacomo Leopardi beschouwde hem als de gezaghebbendste beoordelaar van zijn dichterlijk oeuvre. Behalve gastheer en collectioneur was Reinhold ook een productief dichter. Hij vertaalde uit het Grieks, Portugees, Italiaans en Engels, en zijn sonnetten verschenen verspreid in een aantal Duitse bladen. Zijn vriend de Pruisisch diplomaat Karl August Varnhagen von Ense heeft een aantal ervan postuum uitgegeven.

    Ofschoon hij zijn leven lang de Nederlandse zaak heeft gediend, beschouwde Reinhold Duitsland, en dan vooral Hamburg, als zijn vaderland. Toen koning Willem I hem in 1832 tot gezant in Kopenhagen benoemde, bedankte de zestigjarige voor de eer en trok hij zich terug in Hamburg. Hij is voornamelijk wegens zijn letterkundige activiteiten bekend gebleven. Zijn voortreffelijke diplomatieke rapporten werden door zijn opdrachtgevers hoog gewaardeerd, maar een blijvende plaats in de Nederlandse geschiedenis heeft Reinhold er niet mee verworven.

    Rochell, Jacobus, Kapitein in het 3e bataljon 1796 & 1798, (Namen, 1753 - ?).  Hij trouwde met Louisa Catharina Koning. Op 29/12/1793 kregen zij te Leiden een zoon, Albert Christiaen Eberhard.

    Rochell, Johannes, Kapitein in het 1e bataljon 1796 & 1798, (Bergen op Zoom, 1758 - ?). Gedoopt op zaterdag 19 augustus 1758 als zoon van Joseph Rochell en Hendrina Timmermans. Johannes werd op 29 juli 1799 bevorderd tot majoor in het 1e bataljon (*). Johannes diende in het staatse leger onder luitenant-generaal Onderwater , garnizoen te Rotterdam, Wageningen en Nijmegen als luitenant.

    Rost, Johan Christiaan, 1e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (Waalwinkel, 1757 - Aalten, 18/2/1835). Als zoon van een Luthers predikant Nicolaas Rost en Wilhelmina Wenig. Hij heeft de volgende staat van dienst in 1803: soldaat, korporaal en sergeant in het regiment Saxen Gotha (2 jaar en 6 maanden), Adjudant in het regiment Dundas (10 jaar), 1e Luitenant (4 jaar), Kapitein op 15 maart 1800 (3 jaar en 3 maanden).

    Johan Christiaan wordt op 1 februari 1812 genoemd als getuige bij de doop van Roelof Arentzen, zoon van Bernardus Arentzen en Josina Aleida te Lintum. Hij is dan gepensioneerd kapitein en wonende te Aalten. Op 20/4/1817 trouwde hij te Aalten met de 30-jarige Christina Petronella Stumph.

    Rupp, Frederik Leonhard, Luitenant en adjudant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Tweebruggen, 1752 - ?). Fredericus Leonardus was getrouwd met Henrica van Straelen. Op 10 december 1792 lieten zij hun dochtertje Anna Arnolda Carolina in de St.Jan-St.Pieter te 's-Hertogenbosch dopen.Er waren drie getuigen: Getuige 1 (Peter): Arnoldus van Straelen, getuige 2: Christianus Carolus Rupp en getuige 3 (Meter): Anna van Straelen. In Leiden kregen ze een dochtertje genaamd Frederica Margeretha.Op 5 november 1802 werd Rupp 1e Luitenant van het 2e bataljon.

     

S

    Schweikart, Wilhelm Leopold, 1e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Richelsheim, 1775 - ?). Voordat hij bij dit bataljon in dienst trad, diende hij 1 jaar en 9 maanden in Frankrijk en 2 jaar en 2 maanden in het Regiment Markgraaf van Baden. Op zijn conduitestaat van 1801 staat: “vergeet vrij veel door den drank, egter is hij niet incorrigerend

    Sinninghe, Hendrik, 2e Luitenant in het 3e bataljon 1796 & 1e luitenant in het 3e bataljon 1798, (Wirum (Groningen) 1767 - ?), Hendrik trouwde op 26 november 1797 te Leeuwarden met Anna Apollenia Groenia. Hij lag toen volgens de ondertrouwacte in garnizoen te Zwolle. In Zutphen werd een dochter geboren op 10/2/1801, genaamd Anna Fransina en op Schiermonnikoog werd een zoon van het echtpaar geboren op 31/7/1803, genaamd Jacob Rudolph Willem. Hendrik kreeg als eindrang kapitein.

    Sluyterman, Lodewijk Stuart, Kapitein in het 1e bataljon 1796, (Morra bij Dokkum 1763 - ?). Vaandrig sedert 23-9-1780, 1791 kapitein (volgens conduitelijst 1784)

    Speelman, Johannes, Luitenant en adjudant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (1770 - Utrecht, 6/10/1825), In zijn coduitestaat van 1801 staat: “door blessure niet geschikt voor veele fatiques”. Zijn staat van dienst in 1803 luidde: tamboer in het regiment grave van Dam (4 jaar en 9 maanden), korporaal en sergeant (5 jaar en 9 maanden), adjudant (4 jaar en 2 maanden),  1e Luitenant (3 jaar en 9 maanden).

    Johannes raakte gewond in Noord-Holland op 10 september 1799 (*). Later in 1815 werd hij in de slag om Waterloo de commandant van de eerste brigade van de 2e Nederlandse divisie. Hij kreeg hiervoor de Militaire Willemsorde ridder 3e klasse [Speelman, Luitenant-kolonel Johannes (KB No.17, 8 August 1815)] (*).

    Speelman

     

    Stelling, Carel Anthoon Julius, 1e Luitenant in het 3e bataljon 1796, (Boitzenburg in Mecklenburg 1764 - ?). Hij was de zoon van George Hendrik von Stelling en Elisabeth la Moche. Carel trouwde op 56-jarige leeftijd op 15/5/1821 te Hulst met de 62-jarige Jacoba Cornelia Steenaart. Hij hertrouwde 23/02/1828 met de 34 -jarige Charlotte Henrietta Philippina Bussmann afkomstig uit Boitzenburg.

    Sutherland, George, 2e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (Den Haag, 1762 - ?). Sutherland diende hiervoor als sergeant-majoor voor de Franse republiek. In zijn coduitestaat van 1801 staat: “door blessure niet geschikt voor veele fatiques”. Hij trouwde met Dingena Visser. Zij kregen een zoon genaamd George (Geertruidenberg, 24-10-1811).

    Swaan, Bastiaan de, 1e Luitenant in het 1e bataljon 1796, (Den Haag, 1762 - ?). Zijn staat van dienst in 1803: vaandrig in het regiment Hardenbroek (3 maanden), cadet ter zee (3 jaar en 4 maanden), 1e Luitenant (2 jaar en 5 maanden), Kapitein (5 jaar en 4 maanden). Bastiaan werd in januari 1798 aangesteld tot kapitein in het 1e bataljon.

     

T

    Thielen, Johan Frederik Thomas van,  Kapitein in het 2e bataljon 1796 & 1798, (’s Hertogenbosch, 27/10/1762 - Amsterdam 01/10/1807), Zoon van Johan Wilhelm van Thielen en Elisabeth de Bruijn. In de recrutenlijst van de lijff. Compagnie in het eerste Battaillon van het Regiment Infanterie van den Generael Major van Aerssen van Sommelsdijck, inhoudende hoeveel man bij dezelve aangenoomen en geavanceert zijn, zeedert den 8e juni 1780 tot heeden den 30e maij 1781. Guarnisoen houdende binnen Groningen: Charge: vaandrig met Cadets gage. Aangenomen: 16 januari 1781, tijd van dienst: tot dat in d'volle tradement van Vaandrig zal zijn ingevallen volgens acte van Zijne Hoogheid, lengte op koussen: 5 voet, 6 duim en 1 streek. Leeftijd 20 jaar. Geboren te 's Hertogenbosch. Hiervoor gediend in het regiment Bentink als Cadet 8 jaar en 4 maanden. Zij ambagt is kleedermaaker. Hij heeft dan een vrouw en 1 kind. Op 27 maart 1781 is hij vaandrig Surnumerair. In het lidmatenboek van Bredevoort wordt Johan Fredrich Tomas genoemd als ingekomen persoon, met attestatie van Bergen op Zoom. Deze attestatie is gedateerd op 24-04-1788. Op 4 december 1795 wordt in Bredevoort een kind van de Heer van Thielen begraven in de kerk. Op 8 december 1795 staat in het begraafboek van Bredevoort dat er wederom een kind van de Heer van Thielen begraven wordt in de kerk. Hij betaalde hiervoor 2 keer 4-10. Johan Frederik Thomas raakte gewond in Noord-Holland op 10 september 1799. In 1799 kreege hij een dochterje met Bernhardiena Catriena genaamd Antje in Bredevoord (Gelderland). Gehuwd voor de kerk (1) op 24-jarige leeftijd op 10-12-1786 te Nijmegen (NH) met Bernhardiena Catriena van THIELEN, 26 jaar oud, gedoopt (NG) op 15-04 -1760 te 's Hertogenbosch, overleden op 14-06-1803 te Bredevoort op 43-jarige leeftijd. De tekst van de overlijdensadvertentie luidde als volgt: "Mijne waarde en tedergeliefde Huisvrouw Bernhardina Catharina van Thielen, is mij en mijne zes kinderen, waarvan de oudste nog geen 15 jaaren oud is, in haar 43ste jaar, heden door den Dood ontrukt - Een Zinking Koorts maakten een einde aan haar voor mij zo dierbaar leeven, 't geen ik hoop, dat ze nu met een beter zal verwisseld hebben. Het treurige van mynen toestand verlang ik niet door Brieven van Rouwbeklag vermeerdert te zien. (Bredevoort, den 14 Juny 1803, J.F.T. van Thielen, Kapt. onder 't 2de Bataillon van de 2de halve Brigade Bataffsche Infantery). In het begraafboek van Bredevoort: op 15 juni 1803 is overluidt met 3 pausen de huisvrouw van den Capitain van Thielen. Hij betaalde hiervoor 4-50. Voor het beste laken betaalde hij 4-". In de ranglijst der officieren behoorende tot den staf van het 4e regiment Infanterie van Ligné, opgemaakt in den Brielle den 24. december 1806: In de ranglijst der Capiteins en Subalterne Officieren stond: Charge: Capiteins, Namen: Joh. Fred. Thomas van Thielen, Datum van Aanstelling: 8 juli 1795, Ouderdom: 44, Geboorteplaats: den Bosch, Aanmerkingen: Zeer goed officier, verdient geavanceert te worden.

    Tulleken, Willem Christoffel, 1e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Arnhem, 21/3/1754 - ?), Willem was de zoon van Gijsbert Tulleken en Johanna Wilbrennink. Bij zijn conduitestaat van 18/6/1801 staat vermeld: “gebrek aan zielsvermogen beletten hem om sijn post na behooren waar te nemen en kan dus niet om die reden geavanceerd worden”.

     

V

    Vassy, Carel Frederik de, 2e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, 1e Luitenant 1803 (Middelburg, 1771 - ?). Diende hiervoor als vaandrig onder Regiment de Vilattes. Stond in 1801 te boek als zeer diligent officier. Op 12 februari 1808 is te Middelburg een kind van Carel Frederik overleden in de koepoortstraat. 

    Veldt, Willem, 2e Luitenant in het 3e bataljon 1798, (Leeuwarden, gedoopt op 9 juli 1760 - ?). Hij is een zoon van Jacob Velt en Tryntie Harmens. Diende hiervoor in het Regiment Plettenberg.

    Verkroost, Hermanus. 2e Luitenant in het 3e bataljon 1796, 1e Luitenant in het 3e bataljon 1798, (gedoopt RK Maarssen 17-09-1766 - ?), zoon van Willem Verkroost en Elsje van Dijsselsteden, arriveert in 1787 na het neerslaan van de patriottenopstand samen met zijn broer Henricus in Noord-Frankrijk en is daar (scheeps)timmerman in St. Omaars en Gravelines. Op 15-04-1799 trouwt hij in Zwolle met Gerridina Willemina Buijsman (geb. Zwolle 04-10-1778, ovl Zwolle 06 -11-1809). Zij krijgen de volgende kinderen: Hermina Magdalena, geb. Zwolle 19-07-1800, ovl. Zwolle 22-10-1810 Petrus Johannes Hendrik, geb. Zwolle 26-03 -1802, begr. Delft 28-10-1802 (overleden tijdens het verblijf van het bataljon in Delft. Magdalena Elisabeth, geb. Zwolle 10-06-1805, ovl. Bedum 20-03-1895 Petronella Johanna, geb. Zwolle 08-08-1806, ovl. Zwolle 29-04-1808 Willemina Arnolda Magdalena Margrita, geb. Zwolle 22-01-1808, ovl Zwolle 22-11-1811 Gerrit Willem Jacobus, geb. Zwolle 06-11-1809, ovl. Amsterdam 19-02-1859 Petrus Johannes, geb. Zwolle 06-11-1809, ovl. Zwolle 08-03-1810. Op 12-08-1805 vestigt hij zich formeel in Zwolle. Mogelijk is dat zijn uittrededatum. In 1806 zit hij in elk geval niet meer in het leger, maar is hij boekhouder.

    Vermeulen, Marinus, 1e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, (Loon op zand, 1764 - ?). Zijn staat van dienst in 1803: Bombardier (4 jaar), vaandrig in regiment Vilates (6 jaar en 9 maanden), 1e Luitenant (4 jaar en 5 maanden), kapitein op 8 maart 1800 (3 jaar en 3 maanden).

    Vognitz ontslagVognitz, Johan Godefroy, Kapitein in het 1e bataljon 1796, Kapitein in het 3e bataljon 1798, (Gotha in Saxen, 1763 - ?). Hij diende hiervoor in het regiment Saxen Gotha als korporaal tot october 1786, in garnizoen te Bergen op zoom, vervolgens sergeant. Cordon tussen Zuiderzee en Maas, te Meerkerk, Ameyden, Schoonhoven, Oudewater en Woerden, in garnizoen te Leiden en Haarlem, waarna hij in Franse dienst ging.  In de Bataafse omwenteling kreeg hij een plek in de 2de Halve Brigade, 3de bataljon, 5de compagnie. In 1799 kreeg hij opdracht om met twee compagnieen Deventer te bezetten (*). Op 12-7-1800 tot 22-6-1801 werd hij tot lid van de krijgsraad te velde benoemd. In deze periode schrijft hij zijn boek: Catechistmus voor înfanterie en Cavailerie (met pl. Hage, 1801). In 1803 kreeg Johan Godefroy zijn ontslag.

 

W

    Weber, Johan Conrad, 2e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (1751 - ?), Johan Conrad werd in Noord-Holland op 10 september 1799 krijgsgevangen gemaakt door de Engelsen (*). Johan Conrad was getuige op vrijdag 5 augustus 1785 te Bergen op Zoom van de doop van Johanna Cathrina Offenhuijser.

    Welman, Johan Georg, 2e Luitenant in het 3e bataljon 1798, (Hoorn, 1777 - ?).

    Westenberg, Gijsbert, Kapitein in het 3e bataljon 1796 & 1798, (Goor, 26/10/1766 - ?), Gijsbert was de zoon van overste Jan Oortwijn Westenberg en Maria Henrietta Pothoff. Hij trouwde op 22 juni 1797 te Alkmaar met Adriana Sophia Lincklaen. Zij kregen op 11/6/1800 te Zutphen een zoon genaamd Jan. Gijsbert was de broer van kolonel Jhr. Jan Josias Westenberg, commandant van de 7e afdeling infanterie en Waterloo veteraan die in 1826 generaal-majoor en lid van het hoogmilitaire gerechtshof de gelederen heeft verlaten. 

    Weyman, Willem, 1e Luitenant in het 3e bataljon 1796 & 1798, Kapitein in het 3e bataljon in 1799, (Leeuwarden, 1765 - ?), Voorheen diende hij in het Regiment van Randwijck. Willem werd onderscheiden vanwege zijn verdiensten bij Dirxhoorn in 1799. 

    Willems, Thomas, Luitenant adjudant in het 3e bataljon 1796, (1768 - ?).

    Wolk, Anthonie van der, 2e Luitenant in het 1e bataljon 1796 & 1798, 1e Luitenant 1803, (Utrecht 1764 - ?), Anthonie was voorheen in dienst als sergeant majoor in de Franse Republiek. Op 1 juli 1796 vraagt Anthonie een militaire of politieke post aan in de Bataafse republie, die hem werd toegestaan als subalterne officier in de tweede halve brigade. Hij raakte gewond in Noord-Holland op 10 september 1799 (*).

    Wurmb, Friedrich von, 2e Luitenant in het 2e bataljon 1796 & 1798, (Wolkramshaussen 1777 - ?). Op 10 september 1799 werd Friederich gepromoveerd tot 1e Luitenant.  In de slag bij Waterloo commandeerde L-Kol. Friedrich von Wurmb veldbataljon Grubenhagen van de 1e Hannoverse brigade onder generaal-majoor Friedrich, Graaf van Kielmansegge.


Bronnen:

Zoeken naar Bataafse militairen