eyes_067

Peter Koning in de Bataafse Armee

Soldaat 2de HB in 1796De eerste besluiten ten aanzien van de uniformen van het nieuwe leger kwamen tegelijkertijd met die betreffende organisatie, namelijk op 8 juni 1795. De troepen zouden gekleed blijven in dezelfde stoffen als voorheen, de onderofficieren en de tamboer-majoor in laken, de korporaal en ‘gemeenen’ in karsaai. De kleuren zouden ook hetzelfde blijven als tevoren en wel donkerblauw voor de infanterie en donkergroen voor de jagers. Voor de kleding van de officieren werden volledige voorschriften gegeven. Zij zouden zich moeten kleden zoals de troepen in 1797 gekleed zouden worden.

Om de twee jaar werd een geheel nieuwe monstering verstrekt. De infanterist kreeg dan per 1 augustus: 1 rok, 1 vest, 1 broek en 1 hoed. De zogenoemde kleine monsteringsstukken werden ieder jaar opnieuw verstrekt: 2 paar kousen, 2 paar schoenen, 1 paar zwartlakense slobkousen met vier dozijn knoopjes, 1 linnen kiel en 3 hemden. Tenslotte ontving de man nog een poederzak en drie kammen alsmede 1 haarlint, 1 slaapmuts, 1 ransel, 2 schoen- en 1 kleerborstel. Een deel hiervan werd op 1 februari en de rest per 1 augustus uitgegeven.

De rok was van blauw laken met wit metalen platte knopen, waarop het nummer 1, 2 of 3 van het bataljon. De tweede halvebrigade had een eigen uitmonsteringskleur: de kraag en voering wit, de borstkleppen en opslagen karmozijnrood. Deze uitmontsteringskleuren hielden niet het minste verband met die van de oude regimenten waaruit de tweede halvebrigade onstaan was. Daarom zal de brigade in de eerste twee jaar van de “Bataafsche vrijheid” wel een bonte aanblik geboden hebben, want volgens de hierboven vermelde uitmonsteringsbesluiten zouden de troepen pas in augustus 1797 de nieuwe kleding ontvangen.

Het jaar 1796 bracht een nadere omschrijving van de uitmonstering, waarbij kleine aanpassingen tKnoop 2de HBen opzichte van 1795 werden aangebracht: de oorspronkelijk ronde opslagen werden gewijzigd in opslagen die door lakense patten, zgn gulpen, met vijf kleine uniformknopen gesloten werden. Dit was zeer karakteristiek voor het Bataafse leger, want de meeste legers hadden slechts drie knopen voor de gulp. De knopen moesten nu voorzien zijn met het nummer van de halve brigade, dus 2. De lengte van de rok moest zodanig zijn dat de panden de grond raakten wanneer de man geknield was.

Er mochten voor de vervaardiging van de uniformen slechts inlandse stoffen van goede kwaliteit gebruikt worden en het was onder meer de taak van de majoor - een rang die 27 april 1799 ingesteld werd - daarop nauwkeurig toe te zien. Ook werden met name enige fabrieken genoemd die de kousen en de slaapmutsen voor het leger mochten leveren.

In 1798 bepaalde de agent van oorlog dat alle militairen tot en met de rang kolonel hun haar met een zwart lint omwikkelde staart moesten dragen:

    Het achterhaar gebonden en in een met zwart lint omwikkelde staart, vier vingers van het achterhoofd, waar de nek begint, gebonden een halve Rijnlandsche voet lang omwikkeld met zwart lint. Bij de officieren aan het boveneind met een strik van hetzelfde lint vastgemaakt ter lengte van drie duim. De overigen zonder strik met twee spelden vastgestoken, zonder dat er iets van het lint bijhangt. Onder het omwikkelde moet het losse haar ter lengte van anderhalve duim uitkomen. Het haar op de kruin mag nimmer zo lang zijn dat het voor uit de hoed komt. Zijlokken uitgedund en egaal afgesneden met den onderkant van het oor.

Alleen de grenadiers mochten een knevel dragen, de manschappen van de fuselierscompagnieen niet.

Soldaat 2e halve brigade 1802In 1802 werd nog bepaald dat de achterpanden van de rokken van de grenadiers versierd zouden worden met witte granaten en die van de fuseliers met witte hartjes.

De reorganisatie van 1803 bracht enkele kleine wijzigingen met zich mee. De uniformen van van de eerste bataljons van de voormalige 2de halve brigade bleef hetzelfde. Bij het vroegere 2e en het 3e bataljon werd de kleur van de kraag en van de gulpen op de opslagen gewijzigd, zodat ieder bataljon goed te herkennen was.

In 1804 werden de knopen voorzien van het nummer van het bataljon in plaats van dat van de 2de Halve Brigade en de granaten en de hartjes op de panden van de rok werden vervangen door de nummers van het bataljon uit laken gesneden. De bataljons 1 tot en met 9 moesten de nummers dragen op de omslagen van de voorpanden, terwijl in de hoeken van de achterpanden een punt ter grootte van een schelling werd aangebracht. De grenadiers zouden voortaan elk jaar per 1 augustus een nieuwe panache voor de hoed ontvangen en wel een rode voor alle bataljons.

Toen in 1805 de bataljons weer in regimentsverband gebracht werden kwam er opnieuw verandering in de uniformen. De snit bleef ongeveer dezelfde, alleen werden de panden van de rok iets korter en werden de gulpen op de mouwopslagen in een zgn. ‘driekop’ gesneden en gesloten meSoldaat 5de bataljon infanterie van linie 1804t drie uniformknopen. De uitmonsteringskleuren waren nu voor het 1e en 2e regiment infanterie van linie ponceaurood, voor het 3e regiment was aanvankelijk de groene kleur aangewezen, doch spoedig daarop gewijzigd in wit, omdat er geen egaal groen laken te verkrijgen was.

Als werkkleding had de man oorspronkelijk slechts een linnen kiel ontvangen. Aangezien het wassen van deze kielen voor de soldaten een betrekkelijk grote uitgave met zich meebracht, werden zij in 1801 vervangen door grauwe karsaaie buisjes en linnen broeken. De kosten kwamen wel ten laste van de soldaten, te betalen uit de gelden die zij met loonwachten en werken in de stad extra verdienden, tot een maximum van drie gulden in twee jaren. In 1805 werden deze buisjes en lange broek weer vervangen door een kort buisje en een pantalon van Vlaams linnen.

Bij hetzelfde besluit van 10 december 1805 werd ook bevolen dat elke man een blauwkarsaaien kapotjas zou ontvangen. Kapotjassen mochten slechts tussen 1 october en 1 april worden gedragen als de brigade in garnizoen lag. De bij de bataljons aanwezige wachtjassen moesten om reden van zuinigheid gebruikt worden en er mochten derhalve slechts zoveel nieuwe kapotjassen uitgereikt worden als nodig waren om samen met de wachtjassen ieder man van overkleding te voozien. Dat het geen overbodige luxe was blijkt wel uit de memoires van Dumonceau, die de veldtocht van 1805 meemaakte. Hij vertelt dat zij in december 1805 in Wenen de beschikking kregen over verscheidene balen bruin laken waaruit men onmiddelijk kapotjassen voor de manschappen maakte. Hij zelf kreeg enkele ellen om er een livrei voor zijn oppasser Dries van te laten maken.