|
|||
| De indianen van Amerikaanse continent gebruikten al tabak
lang voordat Amerika door de blanken werd "ontdekt". In prehistorische tijden
gebruikte zij de inheemse tabaksplanten op verschillende wijzen voor verschillende
doeleinden. Afhankelijk van de bewerking van de tabaksplant werd deze gedronken, gelikt,
gesnoven, gekauwd of gerookt. Na de komst van de blanke maakte de tabakplant een
wereldwijde verspreiding mee, waarover ik in een later hoofdstuk verder wil schrijven.
Sinds zo'n 200 jaar is tabak een belangrijk commercieel product. In dit deel van wil ik ingaan op een aantal aspecten van de geschiedenis en de fabrikage van tabak en de verschillen in soorten tabak die er in de handel te koop zijn. Dit doe ik door middel van een aantal hoofdstukken die door met de muis op de teksten te drukken kunnen worden bereikt. De hoofdstukken zijn: |
|||
Prehistorisch gebruik van tabak
|
|||
Het gebruik van tabak door de Indianen wordt op meer dan 2000 jaar terug gedateerd. De oudste afbeelding van een rokende mens is de "oude Man van Palenque", een Maya-priester die een kokervormige pijp rookt. Deze afbeelding is zo'n 2400 jaar oud. Van de Azteken is bekend dat er gerookt werd bij het brengen van mensenoffers op het altaar van de Zon. Wellicht is tabak aanvankelijk een ceremonieel kruid geweest, in ieder geval werd het vrijwel overal op het Amerikaanse continent voor innerlijke reiniging gebruikt (braakmiddel) en ook wel medicinaal (wondpap). Tabak werd als een heilig kruid vereerd en daarmee raakten tabak en het roken van tabak diep met Indiaanse mythologie en folklore verweven. |
|||
| De twee belangrijkste tabaksplanten zijn de Nicotiana
Rustica en de Nicotiana Tabacum, rond 1559 vernoemd naar de aan het Portugeese
hof benoemde gezant Jean Nicot. Daarnaast zijn er nog ruim 60 andere, vooral wilde
soorten. Van de meeste soorten is nog niet helemal duidelijk wat de chemische
samenstelling is, zodat het mogelijk is dat een aantal soorten hallucinogeen of
narcotiserende stoffen bevatten. Diverse soorten kruiden en basten, die vaak aan de N.
rustica (die sterk en bitter is) werden toegevoegd, bevatten mogelijk eveneens deze
stoffen. In gebieden waar voornamelijk de Nicotiana Tabacum groeide, rookten sommige stammen (Pomo, Paiute) de gedroogde bladeren puur voor genoegen, omdat deze tabaksplant heel plezierig is om te roken. Sjamanen van deze stammen gebruikten de tabaksbladeren ook in hun genezingsrituelen om contact met de geesten te krijgen en door de rook de ziekte uit het lichaam van de patiënt te verdrijven. Deze tabak werd door vrijwel alle stammen van Noord Amerika gebruikt. Het snuiven en kauwen van tabak is vrijwel zeker aan het roken van tabak voorafgegaan. Tenslotte werd tabak overal ceremonieel gerookt waar het gewas bekend was, behalve in het meest noordelijke deel van de Noordwestkust. Daar werden tabaksbladeren verpulverd en met lime (een grijswitte substantie verkregen uit oesterschelpen) gemengd tot balletjes die gekauwd werden. In Californie en Nevada werd tabak ook wel gegeten of gedronken. De tabaksbladeren werden in een stenen vijzel vermalen met lime en water en vervolgens van de stamper gelikt. Minder vaak werd tabak direct gegeten of met het sap van de Datura (doornappel) doordrenkt en gedronken. Soms ging het alleen om het bedwelmende effect; bij andere gelegenheden diende het mengsel als ceremonieel braakmiddel, zoals bij de Creek (als ingrediënt van de 'Zwarte Drank'). Behalve voor inwendig gebruik in welke vorm dan ook werd tabak geofferd. Het werd als wierook gebrand als een offer aan overleden familieleden, in de lucht of op de grond gegooid, op water gegooid (bv. viswater of door storm opgezweept water), of zelfs begraven, al naargelang de religieuze doelstelling (meestal het gunstig stemmen van de geestenwereld). Om de geest van een ratelslang rust te geven werd tabak op de kop van de ratelslang gegooid voordat het dier werd gedood. Bij de Iroquois werd tabak in het vuur geworpen als een gelofte van oprechtheid van hart. |
|||
|
|
|||
Verspreiding van de tabakDe tabaksplant is waarschijnlijk de meest wijdverbreide, gecultiveerde Noord-Amerikaanse plant. Niet alleen werd tabak verbouwd in de gebieden waar maïs groeit, maar ook op de noordelijke vlaktes "de Plains", in delen van Californie aan de kust van Oregon en in het meest noordelijke deel van de Noordwestkust (Canada). Alle verbouwde tabakssoorten waren inheemse planten in Noord-Amerika, op de Nicotiana Rustica na, die uit Zuid-Amerika komt en zich vervolgens door Midden- en Noord-Amerika verspreid heeft. Naast het cultiveren van tabaksplanten werd tabak ook verkregen door de wilde soorten te plukken of door ruil met andere stammen. Enkele stammen brandden velden wilde tabaksplant om het jaar daarop een grotere opbrengst te krijgen. Ook waren er stammen die velden wilde tabak regelmatig wieden. Een van de meeste voorkomende tabaksplant is de Virginia tabak. Het wordt in de Verenigde Staten en Europa gebruikt in sigaretten. De zwaardere rassen worden gebruikt in diverse soorten mixtures voor pijptabakken. "Flue-cured" tabakken worden in meer dan 70 landen geteeld. De grootste exporterende landen zijn China, de USA, Brazilie, India en Zimbabwe. Rond de 40% van de tabak in de wereld is momenteel de Virginia tabak.
|
|||
De tabaksplant |
|||
![]() De tabaksplant is een veel voorkomende plant uit de familie der nachtschaden. De kwaliteit, de smaak en de rookeigenschappen van tabak worden bepaald door het type zaad, het klimaat, de grondsoort,het land van herkomst en de wijze waarop de bladeren zijn geoogst en gedroogt. Tabak is een 1-jarige plant waardoor het elk jaar dient te worden geoogst. De plant heeft de voorkeur aan warme en gematigde klimaten, maar ook in Polen, Canada en Frankrijk wordt tabak verbouwd. Een juist geteelde plant kan een hoogt bereiken van 160-190 cm en zal 18 tot 22 oogstbare bladeren bevatten. Opbouw van een tabaksplant. De bloem. Topblad Middenblad. Rookblad Voetblad Omblad Zandblad |
|||
Tabak soortenEr zijn in grote lijnen twee soorten pijptabak in de handel te onderscheiden: de gesausde tabakken en de ongesausde tabakken. De gesausde tabakken zijn momenteel veruit het meest vertegenwoordigd in de handel, en onder kreten als 'toffeetabak' en 'vanilletabak' zijn ze ook bekend aan mensen die geen pijp roken. Gesausde tabakken bestaan uit een tabaksmengsel waar smaakstoffen aan toe zijn gevoegd die in principe niet zoveel met tabakssmaak te maken hebben. Over het algemeen zijn deze tabakken sterk van smaak en geur, en soms zijn de smaakmakers echt herkenbaar in een zoete geur van honing of vanille. Omdat er met smaakstoffen, vochtregulerende en brandbaarheid verhogende stoffen wordt gewerkt zijn ze over het algemeen gemakkelijk te roken; niet te scherp op de tong, goed brandend en dergelijke. Het grootste nadeel is wel dat alle gesausde tabakken een beetje de neiging hebben nat te roken; heel vaak lukt het niet om een pijp met gesausde tabak helemaal leeg te roken. Onderin blijft dan een prop natte tabak over die niet meer wil branden. De tweede groep, de ongesausde tabakken, omvat pure tabak of mengsels van verschillende tabakken zonder andere toevoegingen. Voorbeelden hiervan zijn de baaitabakken zoals Koopvaert en Herenbaai, en de mengsels van Engelse aard, waar behalve de basistabak ook vaak een kruidtabak, als Latakia, met een sterke eigen smaak aan toe is gevoegd. Over het algemeen hebben deze tabakken vooral een rokerige smaak, soms zijn ze pittig als peper of scherp-zoet, of ze doen vaag aan wijn of Madeira denken. Bij de ongesausde tabakken kunnen soorten zitten die nogal scherp op de tong bijten, of die wat moeizamer branden. Het lijkt er dan ook op dat deze tabakken bij beginnende pijprokers vaak wat minder in de smaak vallen, ze straffen onzorgvuldig roken -of een niet goed ingerookte pijp- harder af. In nederland hebben ongesausde tabakken een eigen variant opgeleverd die bekend staan als baai- tabak: fijne snede en betrekkelijk weinig smaak zijn de meest opvallende kenmerken. Door de fijne snede branden de tabakken wel goed, soms zelfs te goed (heet en scherp dus). Rustig roken maakt dat een pijp beter smaakt, en nergens gaat dat sterker op dan voor baaitabak. Doordat baaitabak een subtiele smaak heeft is het eigenlijk ook wel zinvol om een paar pijpen speciaal hiervoor te reserveren, omdat anders de nasmaak van een zware gesausde tabak blijft overheersen. Tabak bestaat doorgaans uit een mengsel van verschillende tabakssoorten, eventueel aangevuld met stoffen die de vochtigheid regelen, de brandbaarheid verhogen of er een andere smaak aan moeten geven. Om een beetje gericht tabak te kunnen kiezen in het overdonderende aanbod van blikjes en pakjes in de handel is een zekere basiskennis van tabak noodzakelijk. Een opsomming van de meest voorkomende tabakssoorten. Virginia. Zoet en scherp, meestal een flink deel van de basistabak voor zowel gesausde als ongesausde tabak. Burley (of: White Burley). Betrekkelijk weinig eigen smaak, wordt vooral aan mengsels toegevoegd als volume, omdat het smaken van andere tabak gemakkelijk overneemt. Maryland. Heel lichte rokerige smaak, wordt gebruikt om andere smaken beter te laten samengaan en om de brandbaarheid van een mengsel te verhogen. In pure vorm komt het voor als baaitabak, bijvoorbeeld 'Vier Heren Baai'. Kentucky Burley. Anders afgewerk dan White Burley, daardoor een wat rokerige smaak. Wordt in kleine hoeveelheden in een mengsel gebruikt als kruid-tabak. Latakia. Sterke rokerige smaak en geur, de smaak doet vaag aan wierook denken. Wordt in kleine hoeveelheden gebruikt als kruid-tabak, meestal in ongesausde mengsels. Perique. Zoet, zacht en wat weeg van smaak, wordt in zeer kleine hoeveelheden gebruikt als kruid-tabak, meestal in ongesausde mengsels. Orientaalse tabakken. Diverse kruid-tabakken zoals Samsun, met smaken die ook in sigaretten gebruikt worden en aanvulling op een bepaalde smaak moeten geven. Andere kruidtabaken die in kleine hoeveelheden voorkomen in mengsels zijn bijvoorbeeld Java en Braziliaanse tabak. Cavendish. Is geen zelfstandige tabakssoort maar een tabak die op een bepaalde manier is behandeld; door bevochten, persen en bewaren worden hierbij andere smaakstoffen met de tabak verweven. Dit is in principe dus elke gesausde tabak. Flake en Ready Rubbed. Over het algemeen wordt de klassieke Flake (plakken) en de Ready Rubbed (losse tabak) het meest gerookt. De tabaksbladeren worden onder hoge druk samengeperst en verhit. De zo ontstane tabakskoeken worden uit de persen gehaald en met een mes in dunne plakken gesneden. De pijproker breekt de Flakes met de hand in kleinere stukken op, totdat de tabak fijn genoeg voor het type pijp en zijn eigen rookstijl. Dit type tabak zorgt voor een bijzonder koele, langzaam brandende en bevredigende rooksessie, maar is weggelegd voor de meer ervaren pijproker. Steeds meer wordt de tabak echter gekocht in de Ready Rubbed vorm. Dit is gemakkelijker in het gebruik en heeft bijna de zelfde kwaliteiten als de originele Flake tabak, maar geeft een meer gelijkmatige, makkelijker rooksessie, met andere woorden ideaal voor de beginnende pijproker. Mixtures. Mixtures bestaan in hoofdzaak uit gewone natuurlijke Virginia tabaksoorten en shag. Het unieke karakter van deze tabaksoort komt van het zorgvuldig mengen van veel verschillende en exotische tabakken, sommige zijn al eerder geperst en donker gemaakt en velen hebben rijke smaakstoffen meegekregen om het aroma en de smaak te verhogen. Deze tabakken zijn doorgaans lichter en makkelijker te roken. Aromatische tabak. Deze tabaksoorten komen over het algemeen uit Europa en Amerika en worden steeds populairder. Aan de normale tabak worden smaakverhogende toeslagstoffen toegevoegd, waardoor de tabak een unieke smaak en reuk krijgt. Twist en Spun Cut. Dit zijn tabaksoorten voor de enthousiaste pijproker, over het algemeen alleen verkrijgbaar bij de tabaksspeciaalzaak. Deze tabakken hebben een volle body, zijn krachtig en rijk van smaak. Ze zijn op traditionele wijze gemaakt en ontwikkeld door zeelui, die de tabak in de vorm van een touw wikkelde.
|
|||
Toevoegingen aan tabakHet merendeel van de indianenstammen mengde andere planten met hun tabak. Dit werd deels gedaan om economische redenen omdat er onvoldoende tabak was, deels om de smaak te verbeteren, of om de sterkte van de tabak af te zwakken. In het oosten van de Verenigde Staten en Canada werden dergelijke mixtures Kinnikinnik genoemd een Algonquin woord dat "dat gemengd is" betekent. De twee meest toegevoegde ingrediënten zijn de gedroogde bladeren van de sumak (looiersboom) en de binnenste bast van dogwood (rode kornoelje; in sommige literatuur ook wel rode wilgebast genoemd). Daarnaast werden vaak andere kruiden toegevoegd die van streek tot streek verschilden. Klein hoefblad. Grootmoeder verwerkte klein hoefblad niet alleen in thee maar droogde het kruid ook en sneed het in stukjes. Die stukjes kwamen dan in grootvaders tabak terecht. Klein hoefblad helpt immers tegen die typische rokershoest Gallen. Op de hondsroosstruik zijn wel eens bruine, bolvormige mininestjes te zien; dat zijn gallen. Vroeger kwamen ze meestal terecht in de pup van de boer. Glidkruid. Glidkruid kalmeert de zenuwen. Als een jongeman op vrijersvoeten de zenuwen door zijn lichaam voelde gieren als hij nog maar aan "haar" dacht, kan glidkruid wel eens helpen. Hij rolde dan wat van het kruid door zijn tabak, en voelde zich na het roken van het kalmerende spul veel rustiger. Schaafstro. De boer polijstte zijn pijp met schaafstro. Dat kruid had hetzelfde effect als schuurpapier, en het liet geen schrammen achter. Daarna ging hij eens met zijn vettige vingers over zijn pijp, zodat het pronkstuk heel mooi begon te blinken. Schaafstro is een vrij onbekend plant je, omdat het veel zeldzamer is dan andere kruiden. Op spoordijken en in vochtige loofbossen komt het nogal eens voor. Het kruid Heeft graag een iets drogere bovengrond, maar met zijn wortels houdt het graag contact met de watervoorraad. Lievevrouwebedstro. Een beetje lievevrouwebedstro in tabak zorgt voor een bijzonder geurtje, dat een beetje doet denken aan vers stro. Hop. Vroeger droogde men hopbladeren, en mengde die dan met tabak. De rokers ervan konden gegarandeerd rekenen op een zalig gevoel van rust. Pijpestrootje. Een pijp stoppen en aansteken was en is een klusje dat om vaardigheid en nauwkeurigheid vraagt! Grootvader nam een zwavelstokje (een wilgesnipper of een paar aan elkaar gebonden pijpestrootjes) uit de bus naast de open haard, ging in zijn zetel zitten, en trok met grootst mogelijke aandacht de vlam in de pijp. De pijpgangetjes hield bij schoon en open door er een pijpestrootje door te schuiven en het heen en weer trekken. Zo'n pijpestrootje was daar erg geschikt voor; het heeft immers geen knopen in de stengel. Lavendel, Salie en Jeneverbes. Drie kruiden die men in de middeleeuwen rookte om de pest buiten het huis te houden; ze smeulden als wierook en ontsmetten de hele kamer. Men was er heilig van overtuigd dat de pest zo veel minder kans kreeg toe te slaan. Deze 3 kruiden gebruikt U, als U in een kamer vol rook zit: neem een stukje aluminiumfolie en leg het op het onderstel van de theeverwarmer. Doe er een theelepel van deze kruiden op, steek het theelichtje aan en... er komt een heerlijke geur vrij, die de tabaksgeur vernietigt.
|
|||