eerste hoofdstuk uit:
 

English

DE RIJKE BOEREN


Als men over de Provinciale Weg, die in de lengte door Kleidorp heen loopt, het dorp doorging, zag men links en rechts de grote huizen en schuren van de rijke boeren. Een enkele woonde een beetje verder achteraf, maar de meesten woonden in de onmiddellijke nabijheid van de hoofdweg. De allerrijksten woonden vlak aan de hoofdweg, de een aan de linkerkant de ander aan de: rechterkant. Men kon het dadelijk aan de huizen zien als men het dorp doorliep, maar voornamelijk aan de schuren: daar woonden de rijkste boeren, de grootsten, de koningen van het dorp. Ja, dat waren ze eigenlijk: de koningen van het dorp, want hun groot grondbezit gaf hun alle macht in handen. Gemeentebestuur, polderbestuur straten en wegen, sloten en tochten" alles was in hun macht en werd volgens hun wil en wens beheerd.

Dat kwam eigenlijk zo vanzelf en er was ook veel voor te zeggen. Het kon niet anders en het was ook niet meer dan billijk dat de grootste bezitters ook het meeste te zeggen hadden.

Zij waren ook 'm hoofdzaak de werkgevers, want wat kon het arme volk anders doen dan werken voor de rijke boeren. Er, was geen industrie, geen fabriek, geen spoorweg. geen boot., verkeer in dit landelijke dorp, dus het enige dat er was, was akkerbouw en de akkers behoorden aan de rijke boeren.

Nu ging dat in de zomer tamelijk goed. Dan kon men alle handen gebruiken en was er allerwegen drukte genoeg. Maar als het najaar kwam en het buitenwerk gedaan en de oogst binnen was, de aardappels en suikerbieten gerooid waren en het vee op stal stond" dan kwamen de donkere dagen voor Kerstmis en dat waren donkere dagen ook voor het werkvolk. 0 ja, had men een open winter dan kreeg deze of gene die tot de vlugsten behoorde, nog wel eens een sloot om uit te halen of wat greppels te graven en enkele anderen kwamen in de zwingelkooi terecht. Maar voor het merendeel van het losse werkvolk waren het dan maar donkere dagen.

Voor de vaste arbeiders was dat natuurlijk anders. Die hadden het gehele jaar werk. Die hadden vast werk en dus vast geld:. 's zomers vijf en 's winters vier en een halve gulden in de week. Was het buitenwerk gedaan dan kwamen die in het achterhuis en de schuur en zorgden voor het opgestelde vee en "de dors".

Zo ging het jaar in, jaar uit. Grootvader had zo gewerkt, vader werkte zo en het jongere geslacht zou morgen of overmorgen vaders plaats innemen. Hoe armoedig en bekrompen dit bestaan ook was, toch was er steeds een zekere tevredenheid en hoe vreemd het ook moge schijnen, toch was er altijd hart voor het welzijn, het belang en het voordeel van de baas. Dat scheen een ingeboren trek te zijn bij het arme volk, die van ouders op kinderen overging. Men gevoelde verantwoordelijkheid tegenover zijn baas en men betrachtte zijn plicht zo getrouw mogelijk.

Het werkvolk had een veel groter verantwoordelijkheidsgevoel tegenover hun baas dan de baas tegenover zijn werkvolk, want daar haperde over het algemeen heel wat aan.

0 ja, men behoorde tot dezelfde kerk, hetzij Gereformeerd of Hervormd. De plaatsen in de kerk waren altijd bezet, zowel door de armen als door de rijken. Dat nu op maatschappelijk en zakelijk gebied alles volgens rang en stand geregeld was en, het gezag en zeggenschap aan hen die het meeste hadden behoorde, was eigenlijk een vanzelfsprekendheid en, wanneer er geen misbruik van macht gemaakt werd, was het ook niet onrechtvaardig. Maar datzelfde stelsel werd ook in de kerk gevonden en hoe misplaatst het daar ook was, het was er zeer diep ingeworteld. De rijkste boeren zaten ook daar, evenals in gemeente- en polderbestuur, vooraan, in de ouderlingen- en diakenbanken. Ook hun gezinnen zaten 'Vooraan op de beste en voornaamste plaatsen in Gods huis. Ook dat kwam echter zo vanzelf, aangezien de zitplaatsen 's namiddags op nieuwjaarsdag bij opbod verkocht werden voor een jaar zitrecht aan de hoogste bieders. Zo kwamen dus de gegoeden vanzelf vooraan en het arme volk achter in de kerk te zitten. Maar dat was van ouder op kind zo geweest en daar werd ook niet door het arme volk tegen geprotesteerd. Wel weet ik me nog goed te herinneren dat, toen tijdens de Boerenoorlog in Zuid-Afrika het onder het gewone werkvolk gebruikelijk werd om op Afrikaanse wijze, een hoed in plaats van een pet te dragen, ik een rijke boerenvrouw hoorde zeggen: "we moesen de baanken már wir is wá opjoagen, want ze komme veul te ver noar vurrene toe in de kerk, mi der hoeie op l"

Ik heb dan ook altijd veel meer plichtsbetrachting en getrouwheid bij het werkvolk gezien tegenover hun bazen dan goedwilligheid en waardering van de bazen tegenover hun werkvolk. De baas wist dat hij hen in zijn macht had - als zij niet voor hem konden werken, waar moesten ze dan gaan. Zodoende moesten de vier en een halve en vijf gulden verdiend worden en wel zo zuur mogelijk. Ze wisten best hoe moeilijk het ging om van zo'n beetje geld met een huisgezin te leven. Ze wisten best dat het eigenlijk niet kon. Ze zagen hoe armoedig alles er naar toeging, dat er nooit een stukje kaas, spek of worst op hun brood was en de kleren die ze aanhadden niet veel meer dan vodden waren. Ze zagen hun kinderen met uitgebroken klierpokken omdat er geen vet genoeg in hun voedsel was, dat toch zo nodig is voor een gezonde groei van het lichaam. Ik heb zelf de grote Toon tegen zijn vrouw horen zeggen. toen de jonge jongen die voor hem werkte van de tafel opstond waar hij zijn brood gegeten had - de tafel waar ook het eten opstond van de grote Toon en zijn vrouw -: "Zaagde nie hoe hij naar dieë kais keek? Ik doch: As ge hum er 'n stuk van gaaft, wá zoa die er in bijten!"
Ja, de baas wist best dat Hanneske 's wintersavonds, zo gauw als hij thuis zijn brood op had, in een hoekske van 't achterhuis bij een klein lantaarnpitje zat te zwingelen, tot tien uur toe en, 's morgens, als het werkvolk voorbijkwam om naar de boer te gaan, waar hij ook heen moest, reeds een paar uren met de zwingelspaan op de pof gezeten had, om: er een paar centen bij te verdienen. Maar nooit was er ook maar de minste toegeeflijkheid, want zelfs voor een emmer karnemelk, dat toch 95 procent water was, moest nog twee cent betaald worden.

Toch had Hanneske het nog ver gebracht. In de jaren toen de regering het grote werk had, een paar dorpen verder, was Hanneske bij de boer gebleven, maar twee van zijn aankomende jongens hadden meer dan twee jaar aan de sluis en de brug gewerkt en daar werd goed betaald. De jongens kregen 's zaterdags een goede zakcent, want die gaven alles aan moeder, en toen het werk klaar was had Hanneske een koe gekocht. Dat, was de grootste zegen die hij ooit ontvangen had. Wat kon hij ,met dankbaarheid naar zijn koeike staan kijken als het 's winters in het achterhuis op stal stond. En als zijn vrouw dan zat te melken en hij hoorde het gezipzap van de melk in de emmer, dan stond hij soms te lachen'. zo'n plezier had hij dan. De buren kwamen melkbij hem kopen en de jongere kinderen kregen ook wel eens een glas vol en 's zondagsavonds hadden ze altijd "rômede" pap.

Doch dat bracht vanzelf ook weer werk mee, want er moest hooi zijn voor de winter en strooisel. Dat strooisel kon hij wel krijgen, want er stond lies genoeg in de sloten. Dat sneed hij eruit en legde het op de kant te drogen. Dat kostte hem niets. Maar het hooi moest hij van de boer kopen. Hij kocht gewoonlijk het kanthooi langs de sloten en de- gripskanten van het bouwland. Als het dan lichte maan was, trok hij er 's nachts om één uur al op uit om het af te maaien, want om vijf uur moesten ze bij de boer zijn. In een, paar nachten had hij -het klaar. Als het dan droog was en naar huis gehaald, moest worden, moest hij altijd een paar schoft afnemen. Zodra het dan vier uur was, ging hij er op uit. Dan 'at hij al gaande zijn brood maar op en als hij op de plaats aankwam, zat Mieke, zijn jongste méske, al te wachten. Die had de kruiwagen met het rek erop gebracht en die kon dan meteen helpen. Al kon ze dan nog niet zo veel doen, ze deed toch een beetje en dát hielp. Want al dat kanthooi moest hij met een touw erom op zijn kop uitdragen en dat viel niet mee, zo langs de gripskanten en slootkanten. En toen het zaterdag was kreeg 'hij net niets, want het kanthooi en de twee schoft die 'hij niet gewerkt had, kwam net tot vijf gulden en zes centen. De zes centen, zei de baas, zou hij er de volgende week wel afhouden.

Daar had hij echter allemaal niets om gegeven. Dat deed hij graag. Dat was ook geen verloren geld. Dat kwam op zijn tijd allemaal terug, al moest hij dat ook twee of drie maal op een zomer doen om genoeg hooi voor de winter binnen te krijgen. Maar er was één ding waar hij veel last van gehad heeft en waar hij soms wel stillekens om gehuild heeft.

En dat was niet de baas, maar de vrouw van de baas, die hem dit aangedaan heeft. Zij was de rijkste vrouw van het gehele dorp en behoorde eigenlijk ook de voornaamste te zijn, maar het was er ver vandaan. Ze trad nooit op de voorgrond en werd nooit gezien, noch bij geboorte van kinderen, noch bij ziekte- of sterfgevallen. Ze werd nimmer gehoord of gezien. Men zou gezegd hebben dat ze voor het dorp niet bestond.

Zij, die dieper zagen, wisten wel beter. Die konden haar zelfs in gemeenteraad en polderbestuur ontwaren, waar haar invloed maar al te vaak gevoeld werd. Want ze had één levensgenot en dat was "prengelen" en ze liet geen kans verloren gaan om haar invloed te laten gelden en ervan te genieten, hetzij persoonlijk of door haar invloed op anderen. En het was ook daardoor dat ze Hanneske zo'n verdriet heeft berokkend.

't Was laat in het voorjaar en zijn koe moest gestierd worden. De stier stond bij de baas op stal. Hij had 's morgens de halster al meegenomen en zo gauw als het twaalf uur was, ging hij naar de wei, haalde zijn koe en bracht haar bij de stier op de dam, en toen weer gauw terug naar de wei. Hij had. het zo vlug gedaan als hij maar kon, maar toen hij weer op de dam kwam, was het werkvolk juist weg om bonen te gaan hakken op de hoge akker. De vrouw van de boer stond in de deur en zei tegen hem: "Ge zijt laot, Hanneske!" "Joa," zei hij, "'k hé motte haste om 'et te hoale!"

Haastig liep hij het werkvolk achterna en kwam nog net gelijk met hen op het land en op het werk. Maar Piet de Koek zei tegen hem: "Heet Mie oe gezien, want ze ston in de deur toen wij weggongen!" "joa," zei Hanneske, "ze zin nog tege me da'k Ioat was." "Dá kost oe unne stuiver!" zei Piet toen. DA zal toch nie woar zijn!" zei Hanneske.
"Doar kunde mar van opoan!" antwoordde Piet, "Ze ston doar uie vur niks!"
De meesten vielen Piet bij en zeiden: "Dá kost oe unne stuiver, da loat Mie nooit goan."

Toen het zaterdagavond was en het werkvolk op de "geut" stond om hun loon te ontvangen, stond de deur naar het woonvertrek open. En toen de baas tegen Hanneske zei: "Ou koei is gestierd van de weak, dus da's veur 'ou zeuve stuivers minder," klonk het opeens door de open deur uit het woonvertrek: "Neeë, aacht!" Zodoende kreeg Hanneske acht stuivers minder uitbetaald en Mie had haar zin. Ze had hem toch nog een stuiver afgeprengeld.

Daar heeft Hanneske veel last van gehad. Dat was niet eerlijk, die stuiver had men van hem gestolen. Hij was een beetje te laat op de dam geweest, maar wat gaf dat! Daar werkten ze toch niet en hij was gelijk met de anderen op het land en aan het werk. Er was dus geen tijd verloren gegaan.
Daar heeft hij veel last van gehad. Niet om die stuiver. Dat was het ergste niet, maar om de manier waarop het gedaan was.
Hij kon maar niet begrijpen hoe iemand, die schatrijk was en overvloed van alles had, een arm mens zó kon behandelen.

Toen het een paar maanden later nachtmaal was, had hij die week juist de wei gebloot vlak naast het kerkhof en toen zijn er toch zo veel gedachten door zijn hoofd gegaan over recht en gerechtigheid, God Almachtig en de eeuwigheid, dat hij die zondag niet aan de nachtmaalstafel durfde gaan en hij kon maar niet begrijpen dat Mie wel durfde. En toen de baas, die ook ouderling was, 's maandags tegen hem zei: "Hanneske, ge zijt nie oan de taffel geviest!" had hij niets gezegd dan "neeë!" en was zo maar weggelopen.

En toch is hij er overheen gekomen, want niet zo heel lang daarna las de kleine Mieke, omdat ze zo goed lezen kon, 's middags na het eten uit de Bijbel en hoorde hij de woorden uit de Klaagliederen: "Heere, Gij hebt gezien de verkeerdheid die men' mij aangedaan heeft, oordeel mijne rechtzaak." Toen is het weer vrede in zijn hart geworden. Hij wist eigenlijk niet goed waarom, maar toen had hij er ineens geen last meer van.

 

Uit: De boeren van Kleidorp, Noord Brabant, van Hendrik J. Blacquiére.

Januari 1956

 

Het boek gaat over het dorp Genderen aan het eind van de 19e / begin 20e eeuw. Het schetst de verhoudingen zoals die toen lagen. Dergelijke verhalen kon mijn grootvader ook vertellen. Mijn opa (Nico de Boef, *1907- +2005), vertelde regelmatig verhalen dat hij om kwart voor 3 's nachts zonder eten of drinken het land werd ingestuurd om te werken en dan maar water uit de sloot moest drinken.

 
 
INDEX