Droge Dromen


Mark de Boer

Geschreven tijdens de openbare Masterclass van Pim Wiersinga van de Schrijversschool SKVR in Boekhandel Donner voor het project "NAT" van het Rotterdamse zomerevenement Waterlife in het kader van het Internation Year of Freshwater.
Voorjaar 2003.



Gekrenkten en verlatenen, als ik mijn ogen sluit zal ik ze stuk voor stuk voorbij zien trekken. Dit is die dorre streek waar mensen vechten om liefde, om de aandacht van hun geliefde. Hier trok Johanna de Waanzinnige rond met haar dode Philips. Hier doolde ooit Don Quichot, onopgemerkt door zijn Dulcinea van El Toboso.
Maar ik sluit mijn ogen niet want daar loopt zij; zwarter haar heb ik nooit gezien. Tot op haar schouders, levende golven. En toch moet ik mijn ogen sluiten. Mijn vertrek uit de stad is om de waanzin buiten te houden. Waanzin, mijn Dulcinea, wil ik ontvluchten. Ze brengt de maalstromen op gang. Onbereikbaar zal ze blijven, als een oester in de onmetelijke diepzee. Zij dwingt mij om rust zoeken op het platteland. Voor mij geen draaikolken meer, geen onverhoede stromingen, geen woeste rivieren, alleen droogte en windstilte.

Het meisje met de golvende haren begroet een jongen bij Bar Viky. Arm in arm lopen ze het Plaza Mayor af. Waarheen? Zijn huis? Haar huis.
Ik ga mee, naar haar huis. Samen gaan we dan aan de wijn, natuurlijk een Vega Sicilia Único met droge ham aan prikkertjes. Dan siësta in haar koele slaapkamer, mijmeren over morgen en nog meer van de toekomst.
Maar het is hij die gearmd met haar doorloopt, het plein af, onder de bouwvallige galerij door, naar het huis met de wijn. Naar de ham en de siësta. Ze neemt hem mee, deelt haar toekomst met hem. Languit liggen ze op het laken met de wijn op het nachtkastje.
Mijn werkelijkheid is beperkt tot een pension, alleen, geen Dulcinea.  De waanzin verdrijvend, net als Johanna toen, de vrouw die haar dode man liet opgraven om hem te liefkozen bij het licht van fakkels. Een in doeken gewikkelde bruingroene, ontbindende echtgenoot. Zwart bespikkeld met vliegen. Overdag lag Philips, of wat er nog van hem restte, opgebaard in een klooster. ’s Nachts trok zij met hem door Noord-Castilië, met de kist op een wagen voortgetrokken door stoere Friese paarden, geflankeerd door monniken met toortsen. In die tijd was het hier droog en windstil.

Een vlieg wandelt over mijn plafond. Het meisje met de zwartste haren, laat ik haar Juana noemen, pakt een krant; een gesmoord gezoem en de vlieg is een vlek in het nieuws van gisteren. Loom draait ze zich om, kijkend naar een andere vlieg. Het elastiek van haar slipje tekent zich af onder haar jurk, felrood met donkerrode rozen. Ze slaat een kruis en dan de vlieg. Weer raak.
Alle vezels voeren een volmaakt ballet op. Een waterballet met Juana als vis, glimmend en ongrijpbaar. Als een octopus grijpt ze om mij heen. Met haar jurk aan het voeteneind en met mijn kleren daaromheen ben ik de toeschouwer die meegesleept wordt in dit mariene schouwspel.
Maar de vliegen kruipen nog steeds over de muur. Juana geeft een matinee bij haar vriend, ik verdiep mij in Philips de Schone en hoe de waanzinnige troonsopvolgster werd opgesloten in het kasteel van Tordesillas.

Het kasteel is al lang gesloopt en de rol van de Habsburgers al eeuwen uitgespeeld maar het naburige klooster staat er nog steeds. Eens was het een paleis waar zowel Alfonso XI van Castilië als Pedro de Wrede hun maîtresses onderbrachten. Maar nergens krijg je het gevoel dat hier de heersers overspel pleegden, dat dit een godvrezend oord was of dat hier een gestoorde koningin zat.
Ik kijk over de muur naar de rivier beneden, de Duero. Zou Johanna hier ooit ook gestaan hebben? Het water van de Duero stroomt als stollend bloed door de bedding. Zou Juana hier wel eens staan?
Samen met mijn geliefde loop ik stroomopwaarts. Hand in hand door de pijnboombossen. Ze laat mij het Casa del Tratado zien, vertelt mij over de opstandige edelen die daar Johanna onder druk zetten om de macht van haar zoon, Karel V, te breken. Ik kijk naar mijn Juana, ze wijst naar Dulcinea. Ik zie haar weglopen aan de overzijde van de kolkende Duero.
Op de kademuur landt een vlieg, “kom met ons mee”, zegt Johanna. “Ja”, zegt Juana en ze stapt naast Johanna op de rand van de muur. Johanna en Juana, ze strekken hun vleugels. Johanna de Waanzinnige en Juana van Tordesillas, mijn levenselixer. Droomvrouwen. Ze vliegen op, ik spring mee. Beneden mij een droge bedding.

 

home