
Het was er onvoorstelbaar goor. De glazen kroonluchter in het slaapzaaltje
was bedekt met een laag stof zo dik als een vacht. Tijdens het ontbijt vulde
de keuken zich met de geur van de uitwerpselen die dreven in een onder de
tafel weggeschoven po. Hij was behoorlijk door de wol geverfd, maar tegen
deze smeerboel was toch ook George Orwell niet opgewassen. Na tien dagen
hield de schrijver het verblijf in het gruwelijke logement voor gezien.
Het was begin 1936. Orwell verzamelde materiaal voor een nieuw boek. De
socialistisch angehauchte uitgever Victor Gollancz had bij de schrijver
een reportage besteld over het in een economische neergang meegesleurde
industriegebied in Noord-Engeland. Orwell, door Gollancz bedacht met een
genereus voorschot, trok door Yorkshire en Lancashire, studie makend van
de werk- en leefomstandigheden van het industrieproletariaat. Het langst
vertoefde hij in Wigan, het midden in een mijnstreek gelegen stadje dat
wereldberoemd zou worden door het uiteindelijk bij Gollancz ingeleverde
boek:
De weg naar Wigan.
Wigan maakte benarde tijden door. Het werkloosheidscijfer was tot ongekende
hoogten gestegen. Orwell wilde overal het fijne van weten, en gedroeg zich
als een moderne cultureel-antropoloog. Hij observeerde en participeerde.
Hij bezocht bijeenkomsten van socialisten en communisten, en kwam bij mijnwerkers
aan huis. Ook nam hij straatinterviews af. Een respondent zou zich de onderzoeker
jaren later weten te herinneren als een lange, magere gentleman, die met
een smoezelige regenjas aan en een verfomfaaide deukhoed op hem en zijn maten
grondig doorzaagde over hun ervaringen met werkloosheid.
Geen moeite was Orwell te veel. Nieuwsgierig naar de ins en outs van het
mijnbedrijf, daalde hij af in een mijnschacht om vervolgens met een ploegje
kompels de horizontale voettocht naar de kolenwinplaats te ondernemen. De
ondergrondse gangen waren aan de lage kant. Voor de lange schrijver zat er
niets anders op dan de drie mijl dubbelgevouwen af te leggen. Het bekwam
Orwell slecht. Zijn onderzoek moest worden stilgelegd. Drie dagen lang vertoonde
de fysiek gesloopte schrijver zich niet buiten de muren van het ten hemel
schreiende logement dat hierboven ter sprake kwam.
Bernard Crick is de auteur van de eerste substantiële Orwell-biografie,
George Owell. A life (1980). Bij het onderzoek voorafgaand aan dit
boek stond in 1976 Wigan op het programma. Crick wist het adres te achterhalen
van het logement waar Orwell ondanks de vuiligheid herstelde van de gevolgen
van het mijnbezoek. De ruimte werd nu gebruikt door een handelaar in korsetten.
De hedendaagse bezoeker van het inmiddels ver van zijn mijnindustriële
verleden weggedreven Wigan moet constateren dat er van Orwells logement niets
meer over is.
Wat door Crick in 1976 nog werd aangetroffen, is ten prooi gevallen aan
de hier vooral sinds het midden van de jaren tachtig met voortvarendheid
gehanteerde slopershamer.
Behalve in zijn biografie figureert Wigan ook in een ander Orwell-boek
van Crick,
Orwell Remembered (1984).

Samen met zijn medewerkster.Audrey Coppard verzamelde Crick voor dit
boek de meest aansprekende herinneringen en getuigenissen van mensen die
Orwell van nabij hebben meegemaakt. In
Orwell Remembered is ook een
plaatsje ingeruimd voor het tv-interview dat een BBC-medewerker in 1970
had met een zekere Joe Kennan.
Kennan, ten tijde van Orwells onderzoek een werkloze mijnwerker, heeft
de schrijver in Wigan als gids terzijde gestaan. Deze politiek actieve autochtoon
- Kennan was lid van de Independant Labour Party - regelde van alles voor
Orwell, inclusief het mijnbezoek. In het
interview komen Orwells politieke opvattingen aan bod. Orwell, zegt Kennan,
'scheen op zoek te zijn naar een filosofie. Hij wilde binnendringen in de
denkwereld van de mijnwerkers en meer in het bijzonder van de werklozen onder
hen. Een stuk of wat jongens die werkelijk links stonden twijfelden aan
Orwells oprechtheid. Hij was nogal uit de hoogte en in sommige opzichten
een snob, en hij probeerde met beide voeten op de grond te komen en uit te
zoeken hoe de situatie werkelijk was. En op geen enkele manier kan worden
volgehouden dat Orwell een overtuigd socialist was, hoezeer hij ook vond
dat de situatie schreeuwde om radicale veranderingen.'
Dit oordeel over Orwells politieke geaardheid strookt niet met het beeld
dat de schrijver in De weg naar Wigan van zichzelf schetst. Hij komt uit
het boek wel degelijk als een overtuigd socialist naar voren. Het socialisme,
door hem rijkelijk vaag omschreven als een beweging die moet strijden voor
vrijheid en gerechtigheid en tegen elke vorm van tirannie, is volgens Orwell
de enige remedie voor het kwaad dat hij in Noord-Engeland heeft gezien. De
schrijver uitte deze mening waarschijnlijk al in Wigan. Maar over iets anders
zal hij ook wel niet hebben gezwegen: zijn afkeer van bepaalde types die
in Engeland op de socialistische beweging afkwamen, 'vegetariërs met
verlepte baarden', 'ernstige dames op sandalen', 'harige marxisten die moeilijke
woorden herkauwen', 'ontsnapte quakers', Orwells tirades tegen dit soort
'appelsap drinkende halfzachten' zullen tot gevolg hebben gehad dat de linkse
jongens van Wigan het zaakje toch niet helemaal vertrouwden.
Donderdag 2 april 1936 - van
De weg naar Wigan stond nog geen letter
op papier, maar het onderzoek voor dit

boek was afgerond - stapte George Orwell in Londen op de trein naar Baldock.
Het reisdoel was Wallington, een onbeduidend gehucht in Hertfordshire dat
een aantal jaren zijn thuishaven zou zijn. De busverbinding met Wallington
liet het die dag afweten: de drie mijl die Orwell na aankomst in Baldock
nog van het dorp scheidden, werden te voet afgelegd. Drie kwartier later betrad
de reiziger het zeventiende-eeuwse stulpje dat hij voor een spotprijs kon
huren.
In de laatste herfst van het oude millennium, bijna een halve eeuw na
zijn dood, treed ik in Orwells voetsporen. Een plensbui veronaangenaamt
de wandeling naar Wallington, maar de vreugde is groot als ik ontdek dat
Orwells stulpje er nog staat. Het ziet er goed onderhouden uit. Is het een
monument? Er is niemand aan wie ik het kan vragen. Tien jaar geleden, toen
Hertfordshire County een of ander centenary had te vieren, heeft men het
huisje voorzien van een plaquette: 'George Orwell /1903-1950 / Author / Lived
here /1936-1940'.
' George Orwell ' was een pseudoniem. De man die zich in 1936 in Wallington
vestigde, heette in werkelijkheid Eric Blair. Deze representant van Engelands
lower-upper-middle class, toen 32 jaar oud, had een merkwaardige tijd achter
de rug. Na zijn studie in Eton had hij gekozen voor een carrière bij
de Indian Imperial Police in Birma. Dit was in Blairs leven de grote vergissing.
Hij kon er slecht tegen mensen in de gevangenis te stoppen voor een daad
die hij als hij in hun schoenen had gestaan zelf ook zou hebben verricht.
Toen hij in 1928 met verlof in het moederland zat, besloot hij niet naar
Birma terug te gaan. Nog slechts één beroep leek hem de moeite
waard: dat van schrijver.
In 1933 eigende hij zich de schrijversnaam George Orwell toe en publiceerde
Aan de grond in Londen en Parijs, een
boek over zijn ervaringen als bordenwasser in de Parijse horeca en als zwerver
in Londen. Op dit debuut volgde een jaar later het voorlopig alleen in Amerika
uitgebrachte
De jaren in Birma. In deze
ongemeen spannende roman, waarvoor hij zijn politieverleden overhoop haalde,
legde de auteur getuigenis af van zijn anti-imperialistische gezindheid.
Orwell werkte als een bezetene. In 1935 kwam er alweer een nieuwe roman
van de pers,
De domineesdochter. In Noord-Engeland
verblijvend, corrigeerde Orwell de drukproeven van zijn vierde boek – opnieuw
een roman; deze zou eind april 1936 onder de titel
Houd de sansiferia hoog het licht zien.
Kennelijk had Orwell met zichzelf afgesproken elk jaar een nieuw boek af
te leveren.
Vreselijk schriel
Orwells huisje, dat vroeger had gefungeerd als dorpswinkel, stond in Wallington
bekend als The Stores. Orwell besloot het kruidenierszaakje te heropenen.
De opbrengst van zijn boeken stelde teleur en ook als hij er de som bij optelde
die hij verdiende met het schrijven van recensies was het onvoldoende om
enigszins comfortabel van te leven. Maar, verwachtte hij, met de winkel erbij
zou het gaan. En inderdaad: al met al bleek hij redelijk te kunnen rondkomen.
De schrijver-kruidenier ging zelfs genoeg verdienen om zich een echtgenote
te kunnen veroorloven. In juni1936 trouwde Eric Blair met Eileen O'Shaughnessy.
De wittebroodsweken waren nog niet voorbij toen het paar een van Erics oude
Eton-vrienden op bezoek kreeg, Denys King-Farlow. 'Bij The Stores', aldus
King-Farlow in 1960 in een tv-uitzending van de BBC, 'was er ruimte voor
een paar geiten en ook voor het pluimvee dat Eric en zijn vrouw fokten. Hij
kwam naar buiten en verwelkomde mij met die wonderlijke stem van hem die
ik mij zeer goed herinner - er klonk iets van verveling in door. Hij was
er, sinds hij Eton had verlaten en naar de Oost was vertrokken, niet korter
op geworden. Hij moet over de twee meter zijn geweest; hij was bruin verbrand
en zag er vreselijk schriel uit in zijn sjofele manchesterbroek en grijze
overhemd.'
King-Farlow was niet de enige die in Wallington gastvrijheid genoot. Vrienden
en kennissen kwamen graag bij Eric en Eileen. In de eerste maanden van hun
huwelijk was de antropoloog Geoffrey Gorer, bewonderaar van
Houd de sanseferia
hoog, een van de vaste bezoekers. Later zou Gorer beweren dat hij Orwell
nooit gelukkiger had gezien dan in die periode.

In The Stores schreef Orwell twee meesterwerken:
De weg naar Wigan
en
Saluut aan Catalonië. Dat laatste
boek gaat over zijn belevenissen in Spanje, waar Orwell in 1937 een tijdje
met de republikeinen meevocht in de burgeroorlog. Saluut aan Catalonië
werd medio januari 1938 voltooid. Precies een maand later kwam de romanschrijver
Rayner Heppenstall Eric en Eileen opzoeken. 'De echtelieden', zou Heppenstall
later schrijven, 'lieten duidelijk merken dol op elkaar te zijn; ze konden
niet van elkaar afblijven, en zaten ze niet bij elkaar op schoot dan toch
minstens samen in dezelfde leunstoel. Bij The Stores huurden ze een lapje
grond, waarop ze hun eigen groenten verbouwden.' Die moestuin ging Orwell
na aan het hart. In een autobiografische aantekening, geschreven voor een
Amerikaans overzichtswerk, staat te lezen: 'Buiten mijn werk geef ik vooral
om het telen van groenten.' Orwell hamerde deze ontboezeming uit de schrijfmachine
in het voorjaar van 1940, toen hij op het punt stond naar Londen te verhuizen.
In zijn winkel hield hij uitverkoop.
De zojuist geciteerde Rayner Heppenstall moest weinig van Wa1lington hebben.
Een desolaat oord, luidde zijn typering. 'Desolaat' - ik zeg het Heppenstall
na. Op die regenachtige oktoberochtend in 1999 is er in het dorp nergens
een mens te bekennen. Toch heeft Wallington ook mooie kanten. Zo mag de kerk
er best wezen. Als ik naar dit twaalfde-eeuwse gebouw toeloop zie ik een eekhoorn
de weg oversteken.
Ik neem een kijkje op het kerkhof, waar Orwell zich in 1939 door een van
zijn vrienden liet fotograferen (de foto toont Orwell in zijn 'beste pak';
de schrijver had een merkwaardige voorkeur voor slordige kledij). De zorg
voor dit kerkhof staat in Wallington laag op de prioriteitenlijst. Het in
geen tijden gemaaide gras bezorgt mij een paar natte broekspijpen.
De goede dingen des levens
Op de terugweg naar Baldock laat ik in gedachten bijzonderheden de revue
passeren uit Orwells latere leven. Tussen november 1943 en februari 1944
schreef hij in Londen
Dierenboerderij.
Toen dit boek in augustus 1945 eindelijk op de markt kwam - het bleek
een onverbiddelijke bestseller -, was Orwell weduwnaar. Een maand of vijf
daarvóór waren de complicaties na een operatie in een Londens
ziekenhuis Eileen noodlottig geworden. Ruim vier jaar later hertrouwde de
schrijver. Zijn tweede kaskraker,
1984,
was toen net uit. Hij gaf zijn jawoord aan de beeldschone Sonia Brownell
in het University College Hospital in Londen, waar hij met tbc het bed hield.
Brownell, die een grotere liefde koesterde voor de Franse filosoof Merleau-Ponty
dan voor Orwell, hield van de goede dingen des levens. Toen in de vroege
ochtend van zaterdag 21 januari 1950 Orwells longen het hadden begeven,
moesten de ziekenhuisautoriteiten veel moeite doen om de nachtclub te traceren
waar zij zich kostelijk met vrienden aan het vermaken was.