George Orwell was geen groot romancier, maar wel een
bijzonder schrijver. "Zodra hij niet het gevoel had dat hij iets moest afleveren
aan de eeuwigheid was er sprake van een totaal andere Orwell: dan werd hij
scherp, boos, vrolijk, scherpzinnig, soms ook volstrekt mallotig, maar altijd
levend." Hij ging vechten in de Spaanse burgeroorlog, vond Stalin een schurk,
haatte Churchill maar slaagde er niet in een hekel aan Hitler te hebben.
Als de Pers werkelijk de koningin van de aarde was -wat zouden journalisten
dan eigenlijk precies zijn? Generaals? Lakeien? Opperstalmeesters? Hofdames?
Potemkins? Schoenpoetsers? Misschien van alles een beetje. Een journalist
-en dat lijkt me een wezenskenmerk van het ambacht –is meestal een aantal
andere dingen bijna ook: bijna een kluizenaar, bijna een man van de wereld,
bijna een buitenstaander, bijna een deel van de macht, bijna een historicus,
bijna een schrijver.
In statusgevoelige samenlevingen, waar men gesteld is op een ordelijke en
overzichtelijke sociale hiërarchie, kan dat problemen geven. In Nederland
bijvoorbeeld heeft het om die reden tussen journalistiek en literatuur, tussen
journalistiek en wetenschap, tussen journalistiek en politiek, nooit erg willen
boteren. Niet lang geleden zag ik de commissaris van de koningin in Flevoland
-zelf ooit werkzaam geweest als krullenjongen bij een Rotterdams boulevardblad
–zich op televisie verschrikkelijk opwinden over de wijze waarop 'de' kranten
verslag hadden gedaan van een voedselactie waarvoor hij bestuurlijke arbeid
had verricht. Van nobele bekommernis over de journalistieke erecode was geen
sprake -dat zag je meteen: hier zat een bikkelharde regent die zich in zijn
regentenkraag gepikt voelde.
Laten we vaststellen dat in Nederland al een lange samenwerkingstraditie
bestaat tussen schrijvers en journalistiek, maar dat er van de kant van de
schrijvers nooit met veel warmte aan is teruggedacht. Busken Huet begon in
1878 een voordracht op een Internationaal Letterkundig Congres in Parijs met
een klaagzang over het feit dat "een Nederlandsch auteur van gemiddelde vruchtbaarheid
wellicht één jaar kan leven van wat hij in tien jaar produceert",
en dus wel verplicht was zijn kostbare tijd te verdoen aan een broodwinning
buiten de literatuur. "Ikzelf', bekende hij zijn internationale kunstbroeders
in deemoed, "leef van een dagblad" -en hij was daar niét trots op,
hij beschouwde het als een bezigheid beneden zijn stand.
Datzelfde beeld is overgeleverd van de talrijke auteurs die zich in de crisisjaren
van het interbellum staande moesten zien te houden met bijbaantjes in de journalistiek:
Ter Braak, Van Vriesland, Van Duinkerken, Houwink, A.M. de Jong, Vestdijk
-de één heeft het misschien wat minder erg gevonden dan de
ander, maar hun eigenlijke roeping zagen ze toch duidelijk buiten de redactielokalen.
Er zijn langzamerhand weliswaar niet veel dag- of weekbladen meer waarin
Willem Frederik Hermans niét heeft gepubliceerd, maar hij is tot op
deze dag koppig van 'hoernalistiek' blijven spreken, en hij zal niets terug
willen nemen van wat hij al jaren geleden vond: "De journalist formuleert
wat de massa denkt, de schrijver bestrijdt wat de massa denkt en brengt aan
het licht wat de massa niet durft te denken."
De conclusie zou kunnen zijn dat in Nederland eerder een scherpe scheiding,
dan een grensgebied tussen literatuur en journalistiek aanwezig is. Daar komt
nog iets opmerkelijks bij. De Nederlandse dagbladcultuur heeft zich in de
afgelopen twintig jaar kwantitatief én kwalitatief groeizaam ontwikkeld,
en voortgebracht wat Bert Poll ooit aanduidde als een weelderige bijvoegselfilosofie
-maar de scheiding tussen letteren en journalistiek is er naar mijn waarneming
niet minder op geworden, integendeel. Tussen grof gezegd 1920 en 1960 zocht
bijvoorbeeld elke krant voor haar literaire rubriek een auteur, van op z’n
minst enige letterkundige reputatie. Dat is voorbij. Mulisch, Reve, Wolkers,
Van der Heijden of Oek de Jong -als die nog bestaat - hebben de traditie
van de Ter Braken, Vestdijken en Ab Vissers niet voortgezet; ze zijn zoals
we uit recente discussies weten verdrongen door een bende Neerlandici, of
ze hebben stipendia, of ze verdienen aan hun 'gemiddelde vruchtbaarheid' meer
dan waarvan Busken Huet ooit heeft durven dromen -of ze hebben er domweg geen
aardigheid in van een dagblad te leven.
Traditioneel is het grensgebied altijd haast overbevolkt geweest in landen
als Amerika, dat egalitaire paradijs waar sociale of culturele etikettering
minder een rol speelt -en Engeland waar, dunkt mij, de journalistiek altijd
een dominanter en gezaghebbender rol heeft genoten. Of het daaraan precies,
of alleen ligt, laat ik in het midden: het lijkt me een onderwerp waarop een
pers- of literatuurwetenschapper nog maar eens moet afstuderen. Waarbij het
mij, maar dat zeg ik voorlopig even in de kantlijn, zou interesseren of er
een zekere causaliteit zou kunnen bestaan tussen de volte van het grensgebied,
de 'standing' van de journalistiek en de literaire kwaliteit van de schrijvers
die dat grensgebied hebben opgezocht.
Mijn interesse naar zo’n eventuele samenhang werd in de afgelopen weken
gewekt toen ik het letterkundige werk doornam van George Orwell, eigenlijk
Eric Blair, geboren in een zomers, volop koloniaal India - die 'jewel in
the crown' - en gestorven op een treurige, koude januaridag in Londen. Orwells
oeuvre is allerminst onafzienbaar, maar dat is niet verwonderlijk voor een
schrijver die nog 47 moest worden toen hij doodging.
Zijn strikt-literaire produktie –of laten we zeggen de produktie die hijzelf
aanmerkte als strikt-literair -behelsde zes romans, en één satirisch
sprookje. Ik heb die boeken nog eens doorgelezen, of doorgebladerd, en ik
vond het nauwelijks een pretje. Ik kan het verkeerd hebben, ik acht het ook
lang niet uitgesloten dat Maarten ’t Hart nog eens met een artikel komt waarin
hij schrijft dat hij Multatuli, Joyce, Kafka en Thomas Mann cadeau doet

voor
A Clergyman's Daughter of
The Road to Wigan Pier, -maar
ik heb er ternauwernood enig literair genoegen aan beleefd.
Orwells eerste romans - z’n debuut heette
Down and Out in Paris and London
– laten ons een sociaal bewogen razende reporter zien, iets tussen Egon Erwin
Kisch, Ilja Ehrenburg en Jef Last in: de stijl van wat we in Nederland de
Nieuwe Zakelijkheid noemden, en die we nu misschien, als New Journalism zouden
aanduiden, maar met de aantekening dat er wel degelijk de pretentie, of in
ieder geval de ambitie achter stak om aan de beschreven werkelijkheid -van
die twee grote steden, van de misère in Engelse depressiestadjes -
op literaire wijze te ontstijgen.
Wat de boeken in aangename zin onderscheidde van wat op dat gebied in de
jaren dertig haast per strekkende meter in Europa werd geproduceerd, was een
zekere gewoonheid, een treffend gevoel voor saillante details, én een
soort geestigheid die in de traditie van die Nieuwe Zakelijkheid - Bordewijk
wat mij betreft uitgezonderd - heel zeldzaam was.
Gevoel voor humor had Orwell onder alle omstandigheden -misschien juist
wel onder barre omstandigheden, want hij had, als veel Engelsen, een ontberingscomplex.
In de Spaanse burgeroorlog raakte hij gewond aan het front in Aragon: door
een kogel die ongeveer dwars door z'n,keel schoot, op een haar na z’n strottehoofd
raakte, en in het hospitaal schreef hij stoïcijns aan een vriend: "De
dokter denkt dat ik nooit meer zal kunnen praten" - maar na twee dagen bleek
het mee te vallen, en hij schreef: "Niks aan de hand; de dokter zegt dat ik
nooit meer zal kunnen zingen."
Een literair oordeel over Orwells beroemdste roman,
1984, is lange
tijd bemoeilijkt omdat het boek een niet gering aantal connotaties opriep
die de aandacht nogal afleidde van de louter letterkundige kwaliteiten. Mij
viel dezer dagen weer op hoe tractaterig het eigenlijk is - en hoe machteloos
de schrijver op zijn ongerieflijk ziekbed achter op de Hebriden geprobeerd
heeft enig leven in de brouwerij van zijn schema te krijgen. Winston Smith,
de heilige Julia, de boosaardige O'Brien - het zijn allemaal houten klazen
in een angstaanjagende wereld, en van die wereld is wel tamelijk precies de
totalitaire technologie beschreven, maar er komt verder geen herkenbaar mens
of geen herkenbare situatie in voor.
Als sciencefiction fantast leed Orwell aan hetzelfde euvel als waaraan die
tak van literatuur sinds Jules Verne heeft geleden: hij kon wel de techniek,
maar absoluut niet de maatschappelijke werkelijkheid extrapoleren, wel de
inhoud, niet de vorm, wel de hardware, niet de software. Jules Verne kon wel
verzinnen dat mensen naar de maan zouden vliegen, maar hij dacht dat ze naar
de maan zouden vliegen in een soort gietijzeren ballon, en dat ze nog altijd
een hoge hoed zouden dragen, en als goede Victoriaanse Engelsen ook altijd
de whisttafel mee aan boord zouden nemen.
Na het literaire werk te hebben doorgenomen, sloeg ik de vier delen
Collected
Essays, Journalism and Letters of George Orwell nog eens op, en ik was
onmiddellijk weer een gefascineerde lezer. Zodra hij niet het gevoel had dat
hij iets moest afleveren aan de eeuwigheid -en de pen opnam om een brief te
schrijven, of een artikeltje

voor de
Partisan Review, voor
Time and Tide of later vooral
voor
The Tribune, was er sprake van een totaal andere Orwell: dan werd
hij scherp, boos, vrolijk, scherpzinnig, soms ook volstrekt mallotig, maar
altijd levend.
Bij alle profetische gaven die men hem na 1984 heeft toegedicht, was hij
een slecht profeet. Dat hij - terecht -in Stalin een verderfelijke boef zag,
maakte hem nogal blind voor wat Hitier te weeg zou kunnen brengen. Nog in
maart 1940 -Polen was al veroverd, Engeland beleefde z'n phoney war met de
Duitsers - recenseerde hij in de
New English Weekly een heruitgave
van
Mein Kampf. Over Hitler deed hij heel relativerend. Hij schreef:
"ik wil hier wel voor gezegd houden dat ik er nooit in ben geslaagd een hekel
aan Hitler te krijgen. Sinds hij aan de macht is gekomen heb ik wel altijd
gedacht dat ik hem waarschijnlijk zou vermoorden als ik de kans kreeg, maar
ik heb nooit een persoonlijk soort afkeer voor hem kunnen voelen. Er zit iets
heel aandoenlijks aan hem."
Hitler liep naar Orwells indruk wel los -hij had meer de pest aan Churchill
over wie hij in dezelfde tijd schreef dat die 'poseerde als een democraat'.
Het is merkwaardig en veelzeggend dat de jodenvervolging in Duitsland en later
de rest van Europa, geen enkele rol speelt in zijn beschouwingen -en uit
die beschouwingen blijkt toch dat hij, zeker al vanaf 1936, met z'n neus bovenop
de actuele ontwikkelingen in de wereld heeft gezeten.
Er is maar één verklaring –en die heeft te maken met zijn
volstrekte gefixeerdheid op wat hij als de gevaarlijke anti-revolutionaire
kracht in z'n wereld zag: het communisme in Moskou. Waarom Orwell in 1936
naar Spanje wilde is niet helemaal zeker. Natuurlijk speelde de ideële
overwegingen een rol -maar het is niet helemaal schandelijk te veronderstellen
dat hij na z'n ontberingsavonturen in Parijs, Londen en de Engelse mijnstreken,
aan een niéuwe ontbering toe was. Hij was bovendien 33. Voor duizenden
van zijn generatie was Spanje natuurlijk ook een avontuur, naast het eerbare
verlangen om in een ogenschijnlijk zuiver conflict tussen Goed en Kwaad partij
te kiezen.
Soldaat
Aan Orwell zou nooit de glorie van een Hemingway zijn besteed. Die hing,
omringd door vrouwen en whisky, de grand seigneur uit in Madrid waar ook de
wereldpers present was. Orwell verdween als anonieme milicien, temidden van
een zootje tamelijk ongeregeld, naar de Sierra de Alcubierre, ten westen van
Barcelona –geen lid van de glorieuze Internationale, maar soldaat van een
obscuur links groepje.
Dé ontbering kwam toen Orwell, ontslagen uit het hospitaal in Lerida,
even terugkeerde naar z'n onderdeel in Barcelona, en daar moest onderduiken.
Moskou had inmiddels ontdekt dat alle anarchisten eigenlijk handlangers waren
van Franco, en als vijanden van de Republiek moesten worden uitgeroeid. Orwell
beleefde 'de korte zomer van de anarchie' en de volstrekt oprechte Engelsman
die naar Spanje was gekomen om aan de Goede zijde aan een zuivere oorlog deel
te nemen, moest het land als een dief in de nacht ontvluchten omdat hij aan
die goede zijde verdacht was gemaakt als een verrader.
Ik ben er altijd van uitgegaan dat in 1937 het concept is ontstaan van de
roman waarmee Orwell elf jaar later beroemd zou worden. Wat hem toen op de
rand van gek maakte was het feit dat hij, terug in Engeland, niemand vond
die hem wilde geloven. Integendeel. In de linkse, volksfrontachtige beeldvorming
buiten Spanje werd klakkeloos aangenomen dat de Catalaanse dissidenten bij
wie Orwell zich had aangesloten inderdaad provocateurs voor Franco waren geweest
-of zich in ieder geval dusdanig roekeloos hadden opgesteld dat ze, om realpolitische
redenen, terecht door de Russen onschadelijk waren gemaakt. Orwell las terug
thuis de kranten van zijn al dan niet onmiddellijke medestanders en hij wist
dat de nieuwsberichten, de verslagen en de opinies over Barcelona gelogen
waren, of dat de waarheid er op z’n minst onvolledig, of gemanipuleerd in
tot uitdrukking kwam.
Hij had maar één middel om wat terug te doen -hij begon te
schrijven. Met engelengeduld, met grote stilistische zorgvuldigheid en met
een haast ongeloofwaardige objectiviteit -niet als de in de linkse kring min
of meer gekende en gerespecteerde romanschrijver, maar als een journalist.
Met
Homage to Catalonia betrad Orwell

het grensgebied.
We weten wat de centrale nachtmerrie was in
1984 -die zit in wat
O'Brien in het eerste verhoor zegt: " Verbeeld je nou maar niet: dat het
nageslacht je zal wreken, Winston. Het nageslacht zal nooit van je horen.
Je zult doodeenvoudig uit de geschiedenis worden verwijderd. We zullen je
in damp veranderen en je als damp de stratosfeer inblazen." De doodsangst
van iemand die niet zozeer de bedreiging van z'n leven vreest, maar de bedreiging
dat z'n leven er niet geweest zou zijn. Orwell schreef
Saluut aan Catalonië
om z'n waarheid te redden -en tien jaar later schreef hij
1984 in
de sombere zekerheid dat ook waarheden via het memory-hole voor eeuwig zouden
kunnen worden weggeblazen.
Wat Orwell aan artikelen, essays en brieven heeft geschreven behelst heel
veel mallotigs, heel veel scherpzinnigs en heel veel dat verrast -maar dat
zich, en dat is het belangrijkst, nog altijd laat lezen alsof het gevoegd
kan worden binnen hedendaagse sociaal-politieke of culturele polemieken die
tenslotte naast allerlei scherpzinnigs en verrassends ook veel mallotigs bevatten.
Z'n eigenaardige, haast ongerijmde liefde voor het eigen land -verzameld
in opstellen over The English People -is kinderlijk, ontroerend en ineens
ook hartverwarmend: je had hem gegund dat hij Thatcher nog had mogen meemaken
-en hij zou misschien, bij al z'n tegenzin, iets in haar ontdekt hebben dat
ook van zijn eigen, Engelse zelf was.
Orwell was een schrijver uit het grensgebied -ik zou durven zeggen: bij
uitsluiting een schrijver uit het grensgebied. Maar terwijl ik dat zeg, schrik
ik van de gedachte dat ik daarmee bijna een theorie heb geformuleerd. De
theorie zou luidden dat we in het grensgebied dat hier aan de orde is de
onderkant van de literatuur en de bovenkant van de journalistiek tegenkomen.
Dit artikel is de bekorte versie van een lezing die gehouden werd
in de serie Literatuur en journalistiek, georganiseerd door de SLAA
in samenwerking met NRC Handelsblad.
back to the Orwell home
page