door
Joost Zwagerman
NRC Handelsblad
27 juni 2003
Achtendertig namen stonden op de lijst die George Orwell bijhield van volgens
hem communistische prominenten. Een smet op het blazoen van de deze week honderd
jaar geleden geboren schrijver die onder fijnproevers nog steeds geldt als
Geheimtip.
Was George Orwell een verklikker? Uitgerekend in de week dat zijn honderdste
geboortedag wordt herdacht, werd de volledige lijst bekend die Orwell bijhield
van Britse prominenten die hij van communistische sympathieën verdacht.
Die lijst met 38 namen had hij aanvankelijk voor zichzelf opgesteld. Maar
op verzoek van een jonge medewerkster van het Britse ministerie van Buitenlandse
Zaken gaf Orwell in 1949 een aantal namen op die lijst door aan de inlichtingendienst
van dat ministerie. Het waren niet de minsten die op die lijst stonden: Charlie
Chaplin, schrijver J.B. Priestley, de Schotse dichter Hugh McDiarmid en de
acteur Michael Redgrave, onder anderen. Fris was die lijst natuurlijk allerminst,
en het werpt zeker een smet op Orwells blazoen.
Toch wordt deze week overal in de Engelse pers benadrukt dat Orwell allesbehalve
een Britse McCarthy was. Voor zover valt na te gaan, heeft de inlichtingendienst
niets met die lijst gedaan. Verder was er, om met Renate Dorrestein te spreken,
liehiefde in het spel. Orwell was hopeloos verliefd op de medewerkster
van het ministerie, Celia Kirwan. Zij was een van de vijf vrouwen die hij
vanaf zijn ziekbed met een voor hem onkarakteristiek aplomb ten huwelijk had
gevraagd. Orwell wilde overigens niet dat die mensen op zijn lijst ook maar
het minst in hun vrijheid zouden worden belemmerd; wel was het hem een gruwel
dat de Labour Party van een sociaal-democatische partij zou versmallen tot
een stalinistisch bolwerk. De meesten van de achtendertig namen op de lijst
leven niet meer, maar Norman Mackenzie, een nestor van Labour, nog wél.
Mackerizie zei deze week in een reactie dat Orwells tuberculose hem minder
toerekeningsvatbaar maakte: " Tubercular people often could get very strange
towards the end." Verder wil Mackenzie geen kwaad woord horen over Orwell,
want: "I'm an Orwell man." Overigens is gebleken dat er inderdaad drie sovjet-spionnen
op de lijst van Orwell stonden.
De media-aandacht voor Orwells blacklist geeft wel aan wat zijn statuur
nog altijd is in Engeland. Enkele weken voor zijn geboortedag -25 juni -verschenen
maar liefst twee nieuwe Orwell-biografieën, en dat terwijl er al drie
waren. De eerste,
George Orwell (1980) door Bernard Crick, is nog steeds
moeilijk te overtreffen als het gaat om het bijeenbrengen van feitenmateriaal
en om politiek inzicht. Sindsdien publiceerden Michael Shelden in 1992 en
Jeffrey Meyers in 2002 Orwell-biografieën. Wat D.J. Taylor en Gordon
Bowker heeft bewogen om het werk van deze drie nog eens over te doen, blijft
ook na lezing van
Orwell en
Orwell. The Life onduidelijk. Nieuwe
feiten of interpretaties hebben de twee niet of nauwelijks te bieden, of het
zou Bowkers onthulling moeten zijn over twee of drie nog niet eerder opgespoorde
vriendinnetjes.
D.J. Taylor roert de trom over wat
hij
Orwell's dirty little secret noemt: Orwell zou er antisemitische
sentimenten op na hebben gehouden. Taylor leunt daarbij zwaar op Orwells
debuutroman,
Down and Out in Paris and London
(1933). Daar komen in het voorbijgaan namelijk een paar keer ongure types
voor, die door de hoofdfiguur vanwege hun uiterlijk als joods worden geïdentificeerd.
Maar Taylor weet natuurlijk ook wel dat in
Down and Out uitsluitend
ongure types voorkomen. De joodse figuranten onderscheiden zich dus in niets
van alle anderen in het boek. Opmerkelijker zijn de stereotypen en clichés
over joden die Orwell zich incidenteel in brieven permitteerde. Maar slechte
smaak en vooroordelen maken iemand nog geen antisemiet. Die vooroordelen
zette Orwell overigens in de loop van de jaren met gepaste zelfkritiek radicaal
overboord. En na Hitlers machtsovername is er geen andere Britse schrijver
die het antisemitisme in zoveel pamfletten en artikelen heeft veroordeeld.
Toch heeft Taylor een mini-hoofdstuk de suggestieve titel 'Orwell and the
Jews' meegegeven. Het is een hoofdstuk dat van suggestie soms ontspoort in
insinuatie en vormt daardoor een gemene kerf in zijn met Schwung geschreven
biografie.
Na 1984 is meer dan eens beweerd dat Orwells meestgelezen roman
Nineteen Eighty-Four niet langer aantrekkingskracht
uit zou oefenen op de lezer nu de voorspellingen in dat boek konden worden
getoetst aan de werkelijkheid. Na 1989 kwam daar het argument bij dat de laatste
van de drie draken waartegen Orwell had gestreden - het Britse imperialisme,
het fascisme, het communisme -met het vallen van de Berlijnse Muur voorgoed
tot het verleden behoorde. Waarom dan nog Orwell lezen? Orwell zou toch eigenlijk
meer journalist en pamflettist dan schrijver zijn geweest.
Het was - en is nog altijd – makkelijk Orwell weg te zetten als zure moraaltheoloog,
die niet schreef met de pen maar met de opgeheven vinger. Intussen dacht George
Orwell heel wat genuanceerder over de verhouding tussen literatuur en politiek
engagement dan algemeen wordt aangenomen. In het essay 'Why I write' uit
1946 verklaarde hij: 'I could not do the work of writing a book or even a
long magazine article, if it were not also an aesthetic experience.' In een
ander essay, 'Writer and Leviathan', benadrukte hij dat een schrijver altijd
eenling moest zijn en blijven, 'an outsider, [...] an unwelcome guerilla on
the flank of a regular army'.
Helaas blijft het vaak bij een evaluatie van zijn politiek engagement wanneer
Orwells oeuvre de maat wordt genomen. De essayist Timothy Garton Ash, die
Orwells blacklist als eerste in handen kreeg, noemde Orwell ook deze week
nog eens de invloedrijkste politieke schrijver van de twintigste eeuw: hij
blijft overeind als exempel, of schrijfmodel, van politieke teksten. In de
literatuur vormt zo'n lovend bedoelde kwalificatie niet bepaald een stevige
basis om overeind te blijven. Maar een substantieel deel van zijn oeuvre,
in het bijzonder zijn essays en non-fictie, blijft dat wel degelijk vanwege
zijn meesterlijke stijl.
Orwell-lezers zijn er
grosso modo in drie groepen, waarvan de eerste
groep overweldigend groot in aantal is. Het zijn de miljoenen die Orwell uitsluitend
kennen van
Nineteen Eighty-Four en
Animal
Farm. Deze lezers hechten niet aan Orwell de pamflettist, maar aan
Orwell de pessimist. Zij lezen
Nineteen Eighty-Four als de nachtmerrie
van een angstkunstenaar, met Oceanië in het algemeen en de martelingen
in Kamer 101 in het bijzonder als metaforen voor een tijdloos en universeel
Kwaad, de gitzwarte uitbeelding van
la condition humaine.
De loskoppeling van
Nineteen Eighty-Four van het stalinistische schrikbewind
waar de schrijver zijn pijlen op had gericht, is een doorn in het oog voor
de tweede categorie Orwell-lezers. Die is het best te typeren als de verzameling
'beroepsorwellianen'. De gemiddelde beroepsorwelliaan neemt Orwell-de-pamflettist
graag tot in ieder autobiografisch detail de maat. Orwells ervaringen in Spanje
tijdens de Burgeroorlog vormen vrijwel altijd de kern van hun onderlinge polemiek.
Orwell was de Spaanse burgeroorlog ingegaan als idealistische vrijheidsstrijder
en kwam eruit als rabiate communistenhater.
Betekende zijn grote ergernis over de blinde vlek onder linkse intellectuelen
in het Westen voor het stalinisme dat hij zich tegen wil en dank ontpopte
als een aanhanger van Britse conservatieven? Dát is de vraag die er:
voor de beroepsorwelliaan toe doet. De rest is literaire franje. Christopher
Hitchens is zo'n beroepsorwelliaan. In het polemische essay
Orwells Victory
(2002) haalt Hitchens zijn neus op voor de lezer die het waagt zijn Orwell
te bezwadderen door een vals-romantische lezing van zijn twee bestsellers:
'I sometimes feel as if George Orwell requires extricating from [...] moist
hankies; an object of sickly veneration and sentimental overpraise, employed
to stultify schoolchildren with his insufferable rightness and purity.'
Volgens beroepsorwellianen als Hitchens moet Orwell sowieso worden gered
uit de handen van velen, en dan in de eerste plaats uit die van conservatieven
en neoconservatieven. In de jaren tachtig beweerde de conservatieve literatuurcriticus
Norman Podhoretz dat, als Orwell vandaag nog in leven zou zijn geweest, hij
de kant van de neoconservatieven zou hebben gekozen. De persoonlijkheid van
Orwell werkt dit getouwtrek in de hand. De vurige aanhanger van het democratisch
socialisme was tenslotte ook een monkelende conservatief die zich stoorde
aan de vulgariteit van het moderne leven. Gordon Bowker heeft het korte zelfportret
opgediept dat Orwell in 1940 op verzoek van een Amerikaans literair naslagwerk
opstelde. Dat bestaat uit een opsomming van genoegens en ongenoegens. Orwell
zei erg te houden van eerlijk en eenvoudig werk op het platteland, van Franse
rode wijn, zware tabak, kaarslicht, comfortabele stoelen en de Engelse keuken
(sic!). Hij had een hekel aan grote steden, lawaai, auto's, de radio,
voedsel-in-blik, centrale verwarming en designmeubelen - kortom: aan de Vooruitgang.
Uit de opsomming rijst een beeld op van iemand die onmiskenbaar de trekken
vertoont van een misantrope mopperaar die onder het genot van een goedkoop
glas wijn de moderne tijden bekreunt, maar evengoed is het een zelftypering
van een milieuactivist die zweert bij biologisch-dynamische voeding.
In de jaren dertig leefde Orwell bijna twee jaar lang in Parijs tussen de
allerarmsten, werklozen, zwervers, hoeren en straatboefjes. Dat is erg lang
om nog te spreken van literair veldwerk. Die jaren vormen de basis voor
Down
and Out in Paris and London, zijn semi-schelmenroman over het leven aan
de onderkant van de samenleving. Armoede is spirituele onwelriekendheid, staat
er in
Down and Out in Paris and London. Orwell haatte de geuren die
anderen soms kunnen verspreiden, maar de kennelijke spiritualiteit van het
geregisseerde martelaarschap liet hij zich goed smaken. De zelfgezochte ontberingen
in Parijs vormden geen incident. Na zijn schooljaren op het elitaire Eton
en lang voordat hij zich het befaamde pseudoniem George Orwell zou aanmeten,
besloot Eric Blair om niet naar de universiteit te gaan. In plaats daarvan
vertrok hij naar Birma, toen nog een Britse kolonie, en kreeg een niet zo
bijzondere functie bij de keizerlijke politie. Daar ontwikkelde hij een levenslange
aversie tegen het kolonialisme.
De reeks van opgezochte ontberingen wekt de indruk van een langzame zelfontbranding.
Toen hij na de Tweede Wereldoorlog aan tuberculose bleek te lijden, zocht
Orwell geen heil in warmere oorden, en dat terwijl hij voordien een tijdje
in Marokko had gewoond. In plaats daarvan koos hij voor het gure eiland Jura
in Schotland. Biograaf Jeffrey Meyers noemde zijn vervallen landhuis op Jura
'zijn zelfmoordstek.' Onder barre omstandigheden voltooide Orwell er
Nineteen
Eighty-Four. In een afgesloten en onverwarmde kamer rookte hij steviger
dan ooit zijn zware shag. Hij overleed toen hij nog maar achtenveertig was.
Had hij het roken gestaakt of zelfs maar geminderd, dan had hij zeker langer
geleefd.
De herhaalde zelfkastijdingwas Orwell aan zichzelf verplicht, als een soort
omgekeerd
noblesse oblige: armoede adelt. Zijn vijf ellendige jaren
in Birma hadden dat schuldgevoel alleen maar aangewakkerd. Orwell wijdde er
een passage aan in
The Road to Wigan Pier,
zijn grote reportage over mijnwerkers in Noord-Engeland: 'Vijf jaar lang was
ik een onderdeel geweest van een onderdrukkingssysteem en daar had ik een
kwaad geweten aan overgehouden [...] In die tijd scheen mislukken mij de
enige manier om deugdzaam te leven. Iedere gedachte aan maatschappelijke vooruitgang,
aan een slagen in het leven [...], scheen mij geestelijk afstotelijk toe,
een soort tirannie."
Armoede en ontberingen als aflaat. George Orwell stelde het schrijven van
literatuur in dienst van die aflaat. Schrijven was een intensieve vorm van
boete-doening. Schrijven was voor hem óók: falen, voortdurend
en onvermijdelijk. In 'Why I write' liet Orwell zich ontvallen dat het schrijven
van een boek altijd uitloopt op een mislukking. En even verderop verzuchtte
hij: 'Writing a book is a horrible, exhausting struggle, like a long bout
of some painful illness. One would never undertake such a thing if one were
not driven by some demon whom can neither resist nor understand.' Het is een
verzuchting die we associëren met
poetes maudits. Orwell worstelde
wel degelijk met vormkwesties en met de toeëigening van een zo helder
en onopgesmukt mogelijke schrijfstijl.
Het aantal Orwell-liefhebbers dat hem eerst en vooral leest vanwege die
stijl is met zo heel groot, is mijn ervaring. Deze liefhebbers vormen de
derde groep Orwell-lezers. Onderling beschouwen zij Orwell als hun
Geheimtip.
Hoe moet je die derde categorie noemen? De rekkelijken, misschien, in vergelijking
met de preciezen uit de tweede categorie. De rekkelijken brengen in de regel
weinig waardering op voor zijn romans. Zij vinden Orwells non-fictie - zijn
essays, commentaren, autobiografische opstellen en columns -het beste dat
hij heeft geschreven. Wie waren en zijn zoal die rekkelijken? In Amerika:
Lionel Trilling en Mary McCarthy. In Engeland: V.S. Pritchett, John Bayley,
Martin Amis. In Nederland: Jan Blokker, Martin van Amerongen, Carel Peeters,
en ik vermoed ook Kees Fens en Henk Hofland. De meeste van deze rekkelijken
zijn of dood of ze zijn de jongsten niet meer. Dat is hun schuld niet, maar
wel is het opmerkelijk dat er, in tegenstelling tot in Engeland en Amerika,
in Nederland niet of nauwelijks jongere schrijvers zijn die zichzelf tot deze
derde groep van Orwell-lezers rekenen.
Orwell de romancier formuleerde op zijn zwakke momenten schools, inwisselbaar
en vaak ook ronduit saai. Tot het einde toe leek hij een tikje geïntimideerd
door het genre van de roman. In zijn essays durfde Orwell alles -en hij kón
daardoor ook alles. Niet gehinderd door enig ontzag voor het genre schreef
Orwell er trefzeker op los, eerlijk, compromisloos. In de keuze van zijn onderwerpen
was Orwell de essayist nooit snobistisch en altijd alert. Niets was hem te
min of laag bij de gronds. Dat laatste blijkt uit voorbeeldige stukken als
'The Art of Donald McGill' en 'Boys weeklies'. Donald McGill was een populair
tekenaar van vaak schuine cartoons en prentbriefkaarten. De 'boys weeklies'
- de toenmalige bladen a la
Maxim en
Hitkrant - waren het eveneens
waard om te analyseren, Orwell stak er evenveel tijd en energie in als in
zijn stukken over Shakespeare, Arthur Koestler en W.B Yeats.
Vanwege zijn essays is Orwell weleens omschreven als de literaire grondlegger
van de culturele studies. Zijn manier van essayeren over populaire cultuur
heeft onmiskenbaar school gemaakt, in Engeland en daarbuiten. In variatie
op de uitspraak van Podhoretz: als Orwell in onze tijd zou hebben geleefd,
dan had hij essays geschreven over de Amerikaans-Britse invasie in Irak, de
kunst van Tracey Emin, het Eurovisie Songfestival, de behoudzucht van Roger
Scrutori, het volkse dandyisme van David Beckham en het drilboorproza van
Irvine Welsh. En in die stukken zou Orwell dan terloops een paar droge grappen
hebben gemaakt. Want dat is ook een kwaliteit van Orwell die nog veel te
weinig wordt onderkend: zijn gevoel voor humor. Toegegeven, het is wel even
zoeken naar de humor bij Orwell. Maar zijn droogkomische talent blijkt bijvoorbeeld
bij vlagen al uit Orwells vroege roman
Keep the
Aspidistra Flying, waarvan de hoofdfiguur Gordon Comstock een gezellig
neefje van Frits van Egters lijkt. Middenin het boek spreekt Gordon een aforisme
uit dat Orwells eigen sympathieën met het democratisch socialisme in
één pennenstreek ridiculiseert: 'Er bestaat maar één
bezwaar tegen het socialisme en dat is dat niemand er behoefte aan heeft.'
Reactie op dit artikel door Rob Hartmans in De Groene Amsterdammer, 5
juli 2003.
Lees ook: Joustra, RD, 26 juni 2003
en Etty, NRC, 28 juni 2003.