NRC Handelsblad
28 januari 1983
Er schijnt een boek van Maurits Dekker te zijn dat Moeder, waarom leven
wij? heet. Op die vraag is eigenlijk nooit een bevredigend antwoord gekomen.
De meeste geleerden zijn het er wel over eens dat zulk een antwoord niet
gegeven kan worden als men zich tenminste niet aan boerenbedrog wil schuldig
maken.
Terwijl die 'grote' vraag onbeantwoord blijft en men ook wel inziet dat daar
weinig aan te doen is verwacht men echter wel op allerlei 'kleine' vragen
een antwoord. Dezelfde mensen die begrijpen dat 'waarom leven wij?' eigenlijk
een zinloze vraag is stellen zonder zich een ogenblik te bedenken vragen
als 'waarom fotograferen wij?' of 'waarom eten wij kaas?' en denken in volle
ernst dat daar een antwoord op mogelijk is.
Vooral bij het lezen van biografieën word je getroffen door de gretigheid
waarom men gelooft dat er een antwoord op zo'n vraag bestaat. 'Waarom leefde
Orwell?' - dat vraag je niet. Maar je vraagt wel 'waarom ging hij naar Burma?'
of 'waarom trouwde hij met Sonia Brownell?' of 'waarom gaf hij zich zo veel
moeite in slechte behuizingen te wonen?' Op de keper beschouwd zijn die vragen
even moeilijk als 'waarom bestaat het heelal?'
Naarmate je overigens die grote vraag groter en zo'n 'kleine' vraag kleiner
maakt wordt het interessanter, vind ik. 'Moeder, waarom leven wij?' lijkt
vrij zinloos. Maar toen ik een keer een collega in Leiden hoorde zeggen:
er moet een reden zijn dat er iets is, en niet niets, was ik
onder de indruk. De gedachte dat het heelal ook niet zou kunnen bestaan was
mij nieuw.
Omgekeerd: 'waarom ging Orwell naar Burma?' is voor mij minder interessant
dan bijvoorbeeld 'waarom, toen hij moest lunchen met Bertrand Russell, wilde
hij daarbij beslist een bepaald soort bretels dragen?'. Op die bretels kom
ik straks terug.
Orwells 'karakter'
Dit alles kwam bij mij op bij het lezen van George Orwell, a personel
memoir van T.R. Fyvel. Je zou denken dat de 'officiële', grote,
uitputtende biografie van Bernard Crick een eind gemaakt zou hebben aan de
produktie van kleinere, fragmentarische biografieën van Orwell. Maar
dat is niet zo. Voor de mensen die Orwell gekend hebben is het boek van Crick
juist een
aansporing. Zij vinden dat boek heel goed - het is ook heel goed - maar zij
hebben Orwell zelf gekend, Crick niet. En daarom is Crick minder goed in
staat om Orwells 'karakter' goed te 'begrijpen'.
Zij begrijpen dat karakter wel. En dan schrijven zij een boek. Crick heeft
over de reacties van Orwells kennissen en vrienden op zijn boek een interessant
stuk geschreven in The London Review of Books. vol. 4, nr. 18.
Fyvel, geboren in 1907, zoon van een Oostenrijkse zionist (ergens laat hij
Orwell zeggen dat zionisten 'allemaal filmjoden zijn die de Engelse pers
beheersen'), kende Orwell sinds januari 1940 als collega-journalist en boekenschrijver
van linkse signatuur. Zijn boek is veel dunner dan dat van Crick, die allerlei
dingen met veel moeite heeft uitgezocht, waardoor mensen als Fyvel behoed
worden voor verkeerde jaartallen en onbetrouwbaar gebleken veronderstellingen,
terwijl ze aan de andere kant een goede beurt kunnen maken door aan te komen
met iets dat Crick niet wist of niet gebruikt heeft.
Wie van Orwell houdt zal dit boek met genoegen lezen. Naast zijn eigen herinneringen
steunt Fyvel vooral op Orwell zelf, die nu eenmaal een begaafd autobiograaf
was. Fyvels Orwellbeeld is sterk beïnvloed door Orwells Orwellbeeld.
Dat wil niet zeggen dat Fyvel een goedgelovig Orwell-vereerder is. Als iets
hem niet bevalt,dan zegt hij dat.
Af en toe is hij een beetje kortzichtig. Aan het eind van het boek, als hij
zijn 'Impressions on re-reading Orwell' geeft, vindt hij het een tekortkoming
in 1984 dat OrweIl 'presents his totalitarian Party as deliberately
unideological, neither nationalist nor Communist, which seems unlikely' –
terwijl het geniale van Orwell nu juist is dat hij in 1948 het 'on-ideologische'
van de dictaturen van Hitler en Stalin gezien heeft, ondanks al die rode
vlaggen en 1 mei als nationale feestdag.Misschien is die kortzichtigheid
van Fyvel te wijten aan zijn nationaliteit: Engeland is misschien het laatste
bastion der 19de-eeuwse ideologieën. Thatcher gelooft in het Britse
Rijk, en Labour gelooft dat je door nationalisatie van industrieën het
nationale inkomen kunt verhogen. Van hier tot Peking gelooft dat verder niemand.
Tegenover die kortzichtigheid staan weer heel aardige formuleringen. Zo laat
hij een mijnwerkerszoon Orwells uiterlijk en gedragbeschrijven als dat van
een 'broken-down officer of the First World War selling insurance from door
to door - there was something vaguely military about him'. En hij citeert
Muggeridge die gezegd heeft dat het would-be landadelkostuum waarin Evelyn
Waugh rondliep en de would-be proletarische uitmonstering van Orwell allebei
regelrecht aan de plaatjes van Punch ontleend waren. Ook geeft hij af en
toe een prachtige karakteristiek, zoals deze van Orwells stukken in Tribune:
'dogmatically written but always with a light touch and that grain of
inescapable truth'.
De leukste anekdote die hij vertelt heb ik daarnet al even genoemd: Orwell
moest een keer lunchen met Bertrand Russell. Hij besloot daartoe zijn beste
pak aan te trekken, een 'herringbone tweed' dat eruitzag als het zondagse
pak van een werkman. Hiermee nog niet tevreden stuurde hij zijn huishoudster
de straat op om een paar werkmansbretels te kopen - ik denk van het soort
dat bij ons 'de echte brandweer- en politiebretels' heette. Zo ver ging zijn
streven om de 'arbeider' te spelen en indruk te maken op 'the old Earl',
die immers tot de verachtelijke, niet-werkende, rijke aristocratie behoorde.
Daar heb je weer zo'n waarom-vraag. Waarom deed Orwell dat? Een mogelijk
antwoord: hij was nu eenmaal een sterk autobiografisch schrijver en gaf in
zijn werk een duidelijk portret van zichzelf. Dat portret klopte niet helemaal.
Crick heeft gezocht, bijvoorbeeld, naar die olifant in 'Shooting an elephant'
en naar de executie van 'A hanging' en is er niet in geslaagd enig spoor
van deze als waar gebeurd vertelde verhalen in de werkelijkheid terug te
vinden. Ook kan geen van Orwells medeleerlingen op die kostschool zich het
bedwateren van Eric Blair en de straf die hij daarvoor kreeg herinneren.
Een sterk autobiografisch schrijverschap zou er wel eens toe kunnen leiden
dat zo'n schrijver zijn eigen leven hier en daar in overeenstemming probeert
te brengen met het beeld dat hij van dat leven geeft in zijn eigen geschriften.
Zoals iemand die het voortdurend heeft over de beenwond die hij bij El Alamein
heeft opgelopen die wond door een licht mank lopen accentueert.
Om met een lach en een traan te eindigen: toen Orwell op zijn sterfbed lag
moesten Muggeridge en Fyvel voor de BBC een gesprek houden over 1984.
Ze wisten dat Orwell in dat ziekenhuis zou luisteren en besloten, enige luchthartigheid
in hun gesprek te brengen. Dus spraken zij erover dat de beroemde martelscène
(met die ratten) in 1984 een beetje deed denken aan kleine jongens in een
kostschool die 's avonds in bed elkaar griezelverhalen vertellen, totdat
de 'dormitory prefect' roept: 'En nu stil wezen! Licht uit!' Later vertelde
Orwell hun dat hij hardop gelachen had toen hij dat hoorde.