In oktober 1948 aarzelde George Orwell nog welke titel
hij
negentienvierentachtig zou geven. In een brief aan zijn uitgever
F.J. Warburg schreef hij, dat de keuze ging tussen '1984' en 'De laatste
man in Europa'. Zijn nieuwe boek, schreef hij, zou een parodie worden op
de uitkomsten van de Conferentie van Teheran waarin de wereld in twee invloedssferen
was verdeeld:
Oost en
West. Een fantasie in de vorm van een
naturalistische roman. "Ik heb altijd de idee gehad dat men nooit de ware
betekenis van het totalitarisme onder ogen heeft gezien, en dat de vervolging
van wetenschappelijke geleerden in Rusland eenvoudig een onderdeel is van
een logisch proces, dat tien tot twintig jaar geleden al voorzien kon worden,"
schreef hij.
Hij schreef het boek op Jura, een van de Hebriden-eilanden, waar hij niet
gestoord kon worden door de post en door fanmail en het grootste deel van
de winter door de mist van de wereld was afgesloten.
In het begin van de oorlog had Orwell er vingeroefeningen voor gedaan in
een opstel 'Literatuur en totalitarisme', waarin hij een relatie legde tussen
economische en intellectuele vrijheid Als de eerste zou verdwijnen, zou op
den duur ook de tweede eraan gaan; de ene kon niet zonder de andere.
Op het eerste gezicht leek het dat hij socialisme en totalitarisme in een
onverzoenlijke tegenstelling tegenover elkaar had geplaatst, maar wie dat
er in las had hem niet goed begrepen. Orwell was juist bang, dat het socialisme,
wanneer het in het bezit van de staatsmacht zou komen, ook totalitaire trekken
zou krijgen, weliswaar nooit zo sterk als in de Sovjet-Unie, maar toch totalitair.
Zijn waarschuwing was dus evenzeer gericht tegen zijn eigen, democratische
wereld als tegen de totalitaire.
Het socialisme had het beste met de wereld voor (hij meende dat, want hij
was zelf overtuigd socialist), maar het gevaar school volgens hem in de combinatie
van socialisme en staatsmacht.
Als het socialisme eenmaal aan de macht was, dan stond hij er niet meer voor
in dat het heil van het individu het niet zou afleggen tegen het heil van
de staat. Socialisme was altijd gezien als liberalisme van een hoger zedelijk
plan. De socialistische staat zou je economisch bestaan waarborgen en je
bevrijden van de vrees voor armoede en werkloosheid, maar hij zou zich niet
met je particuliere intellectuele leven hoeven bemoeien. De kunst zou daaronder
even goed gedijen als in het liberalistisch-kapitalistische tijdperk, eerder
nog wat meer, want de kunstenaar zou niet meer de strijd om het bestaan hoeven
te voeren.
Dat idyllische geloof had Orwell in 1941 verloren. Hij had de ontwikkeling
van liberale democratie naar de totalitaire democratie- waarvoor Stalins
Rusland na de Moskouse zuiveringsprocessen model had gestaan - vooral uitgewerkt
uit het standpunt van de burger (in zijn geval de schrijver) die op zijn
mening staat. Vrije meningen zouden de atmosfeer van een totalitaire staat,
maar ook van een op hol geslagen staatssocialisme, niet overleven, geloofde
hij.
"Als het totalitaire denken de gehele wereld verovert, betekent dat het einde
van wat wij tot dusver onder literatuur hebben verstaan." Orwells voorstelling
was een satire waarin hij de overdrijving er dik had op gelegd, maar daarvoor
was het dan ook een satire.
De verschijning van Nineteen Eighty-FOur - dat ook ging over taalverkrachting,
herschreven geschiedenis, gepolitiseerde wetenschap, machtshonger in het
algemeen, de nucleaire patstelling tussen de grote mogend- heden en de 'prolerizatie'
van de bevolking door de massamedia - in 1949 werd algemeen beschouwd als
het belangrijkste politieke werk van eeuw.
In Het Parool stelde H.A. Gomperts Orwell op één lijn met Swift
en prees het werk vooral om zijn absolute intellectuele integriteit. Orwell
had "de totalitaire elementen, die ook in de westelijke wereld bestaan, met
een meedogenloze consequentie dóórgedacht," aldus Gomperts.
De totalitaire krachten, die ook in de westelijke wereld bestaan, hebben
in ons 1984 sinds de publicatie van 'Negentienvierentachtig' niet overal
dezelfde ontwikkeling doorgemaakt. Als we afgaan op de kritiek die de Engelse
bond voor de vrijheidsrechten(NCCL) regelmatig op de Engelse overheid laat
horen, zijn Orwells waarschuwingen voor Engeland veel meer opgegaan dan voor
een land als Nederland.
In Engeland heeft de overheid enkele ongekende bevoegdheden, die wij de overheid
niet gauw zouden toestaan. Een Nederlandse minister van binnenlandse zaken
kan geen lichtvaardig gebruik maken van de (wettelijke) mogelijkheid iemands
telefoon af te luisteren voor andere dan opsporingsdoelen, omdat de wet daarvoor
heel wat barrières opwerpt.

In Engeland kan dat zóveel gemakkelijker, dat de Europese Commissie
voor de mensenrechten de afluister- bevoegdheid in de Engelse telecommunicatiewet
als een ontoelaatbare inbreuk op de vrijheid van het individu heeft gekwalificeerd.
In Nederland heeft de regering wel de onderhandelingsvrijheid van de vakbeweging
beperkt, is de sociale rechtshulp hier en daar wegbezuinigd en worden publiek,
verdachten en raadslieden steeds vaker door de politie gebrutaliseerd. maar
de klassieke grondrechten en de vrijheidsrechten lopen hier (nog) geen gevaar.
Onze bestuurders zijn gemiddeld genomen weinig geschoold in de linkse rechtsfilosofie,
maar wij zuchten niet onder tirannen die het op onze geestelijke vrijheid
hebben gemunt. Lubbers is geen Thatcher. In alle betrekkelijkheid is dat
in ieder geval één troost in 1984.