Zo begint Homage to Catalunya. Nergens spat het wereldverbeterend
elan feller van de beginpagina's en nergens is het absurde van de werkelijkheid
duidelijker aan het slot. Na 115 dagen aan het front en een week van felle
gevechten in de stad, waar de milities elkaar van weerszijden van de Ramblas
beschieten, verlaat Orwell Spanje gewond en ontnuchterd. Zo helder als de
idealen zijn, zo krankzinnig onoverzichtelijk is de strijd, zo zinloos zijn
de eentonige ontberingen in loopgraven en zo hopeloos chaotisch is het oorlogsbedrijf.
Orwell heeft het niet nodig je dit in het gezicht te wrijven. Aan absurde
observaties geen gebrek; het lijkt alsof een schrijver niets anders hoeft
te doen dan ze optekenen, maar Orwell ziet scherper dan iedere ander. Het
filter van zijn onderkoelde blik doet de rest. 'Het is opmerkelijk dat je,
als je naar artillerie-vuur kijkt vanaf een veilige afstand, altijd wil dat
de schutter zijn doel raakt, ook al is dat doel je avondeten en een paar
van je kameraden.'
Wie Homage to Catalunya leest, kan niet anders dan voortdurend grinniken.
Ondertussen rijzen de haren je te berge en hap je op elke bladzijde naar
adem. Niemand die eraan denkt jongens uit de achterbuurten van Barcelona,
bezield van strijdlust, het gebruik van een geweer bij te brengen voordat
ze de loopgraven in moeten, al is het alleen maar omdat er doorgaans geen
geweren zijn. Het pas verworven zelfbewustzijn is ondertussen overal, wat
bij de trainingen lastig is. 'Als iemand het niet met een order eens was,
stapte hij meteen uit de gelederen en begon heftig te discussiëren met
de officier'.
Met zijn Wat & Hoe boekje in de hand probeert Orwell in het Spaans
te vragen om wapeninstructies - aan het Catalaans, dat iedereen in zijn barak
spreekt, waagt hij zich maar niet. De precieze betekenis van het antwoord,
maÉnana, begrijpt hij ondertussen uitstekend. Orwell
is niet de enige die last heeft van taal; veel soldaten zijn zo ongeletterd
dat ze de hoogdravende wachtwoorden niet kunnen onthouden. Voor de Andalusiërs,
op wie de Catalanen intens neerkijken, geldt bovendien nog: 'Ze wisten niet
eens datgene wat elke Spanjaard weet, namelijk tot welke politieke partij
ze behoorden. Ze dachten dat ze anarchisten waren, maar ze waren er niet
helemaal zeker van; misschien waren ze wel communisten.'
Behalve zien kon Orwell goed ruiken en horen. Nooit vergeet hij het gerammel
van voortsjokkende soldaten te vermelden - meest kinderen van nog geen zestien
jaar oud - de lucht van rottend voedsel en dooie beesten, de eindeloze modder,
wind en regen. De omstandigheden reduceren de helden van de revolutie tot
een nest jonge katjes, een kudde verdwaalde schapen. Hilarisch en gruwelijk
is het verslag van tegenstrijdige bevelen, verdwaald raken tussen de linies.
Link natuurlijk, maar aan de andere kant not bad fun. Aanvankelijk
zitten de loyalisten op zevenhonderd meter afstand, buiten bereik van de
schaarse geweren, wat niet wegneemt dat iedereen enthousiast begint te schieten.
Terug in beschaafd Barcelona barst de hel pas echt los. In de stad breken
gevechten uit tussen de Guardia Civil en de marxistische POUM, althans grof
gesproken, want overal beschieten verschillende facties elkaar. Dagen zit
Orwell op het dak van het Polioramabioscoop aan de Rambla dels Estudis, zonder
slaap, met een stapel Penguinboeken bij de hand, om het POUM-gebouw te bewaken.
'De hele enorme stad van een miljoen inwoners was opgeslokt door een soort
gewelddadige inertie, een nachtmerrie van herrie zonder beweging.' Oorlog
blijkt vooral honger, dorst en slaapgebrek; van het besef aanwezig te zijn
bij de geschiedenis, wat heet, die zelf te maken, is weinig meer over.
Barcelona 1937 was daar in Orwells geval ook niet de tijd en de plaats
voor. Zijn bijdrage aan de geschiedenis kwam pas zeven maanden later, met
het schrijven van Homage to Catalunya.