Het Parool
31 december 1983
De trein reed langzaam door de buitenwijken van Wigan, vlak langs de huizen
waarin zich alle misère van het verval van de mijnstreek leek te hebben
opgehoopt.
Het landschap in deze streek van Noord-Engeland was een industriële
vuilnisbelt van kolenslakbergen, schoorstenen, schroothopen en meer drukkend-grijze
roetvette sloppen die haaks op de rivier waren gebouwd. Aan de achterzijde
van een van de huizen zat een jonge vrouw geknield met een stok in de loden
afvoerpijp van de keukengootsteen te poken.
Bij het passeren van de trein keek ze op, niet lang, maar net lang genoeg
om te worden vereeuwigd in die onvergetelijke bladzijde die George Orwell
over dat moment heeft geschreven in
The Road to Wigan Pier.
“Ik had de tijd om alles aan haar te zien - haar afgezakte schort, haar
plompe klompschoenen, haar armen die paars waren geworden van de kou. We
reden er zo dicht langs dat onze blikken elkaar kruisten. Ze had een rond
bleek gezicht, het typische hongergezicht van een sloppenmeisje dat 25 is,
maar door miskramen en gesloof wel veertig lijkt. In de seconde waarin ik
er van dichtbij inkeek, zag ik de meest trieste, hopeloze uitdrukking die
ik ooit heb gezien.
Het viel mij toen in, dat we het mis hebben, wanneer we zeggen 'dat zij er
minder last van hebben dan wij het zouden voelen' en dat mensen die in sloppen
zijn opgegroeid, zich niet anders dan sloppen kunnen voorstellen. Want wat
ik in haar gezicht zag, was niet het onwetende lijden van een dier.
Zij wist zeer wel wat haar was overkomen -ze begreep even goed als ik wat
een afschuwelijk lot het is om daar in de bittere kou met een stok geknield
te zitten poken in een verstopte afvoerpijp, op de slijmerige stenen van
een sloppenachterplaats."
Sinds Swift was er nooit meer een schrijver geweest die het vermogen had
gehad om 99 procent van zijn lezers een onbehaaglijk gevoel te geven. Het
was een schuldgevoel dat aan de
middleclasses knaagde.
Veel gewone mensen echter schreven Orwell na de verschijning van
The Wigan
Pier (1937), dat het boek hen tot het socialisme had gebracht of tenminste
tot het besef dat er eens wat moest worden gedaan aan de werkloosheid, aan
de armoede en aan de Engelse klassentegenstelling.
Politiek schrijver
De weg naar de pier van Wigan, een titel die zijn leven was begonnen
als een grap in een variéténummer van George Formby senior,
was een keerpunt in Orwells schrijverschap. Het boek was een doorbraak in
zijn politieke bewustwording, die later de overgang van de literator naar
de politieke schrijver zou markeren. Het werd uitgekozen voor de lezerskring
van de Left Book Club. die de eerdere Orwells 'te literair' had gevonden,
maar over dit boek in grote geestdrift was geraakt.
Wigan was vooral voor Orwell zelf een mijlpaal in zijn intellectuele geschiedenis.
Hij bevond zich nu tussen zijn belletristische verleden en zijn satirische
voorland, aan het begin van een ontwikkeling die hem uiteindelijk alleen
nog maar bij politieke onderwerpen zou bepalen.
In Wigan deed Orwell zijn eerste verkenningen in een sociale werkelijkheid
waarvan hij tot dan toe weinig had afgeweten. Zijn natuurgetrouwe beschrijving
van het leven van mijnwerkersgezinnen in Lancashire, die erbarmelijk gehuisvest
waren en doorlopend op de grens van de bestaansonzekerheid verkeerden, sprak
tot de verbeelding van de socialisten in het beter gesitueerde zuiden van
Engeland, die nog nooit een mijnwerker in het echt hadden gezien.
George Orwell had de mijnwerkers in het noorden van Engeland in hun dagelijkse
doen en laten afgebeeld en ontdaan van hun onmenselijk voorkomen, dat ze
in de voorstelling van de burgerij altijd hadden gehad. Orwell bracht heel
andere mijnwerkers thuis: mensen met een gezicht, met een diepgeworteld fatsoen
en zelfrespect, een groot vermogen tot onderlinge vriendschap en solidariteit;
arm en tot zwijgen gebracht door schulden, maar met een onverwoestbare eer.
Orwell kende zijn onderwerp: om zijn feitenmateriaal te verzamelen was hij
bij mijnwerkersgezinnen in pension gegaan. Hij had de nieuwsgierigheid, de
soepelheid en de eenvoud kunnen opbrengen om een paar maanden -tegen betaling
- bij het volk van Wigan in te trekken, in plaat van zijn intrek te nemen
in een comfortabel hotel. Er was nog nooit een journalist of schrijver geweest
die zo het leven van alle dag had benaderd. Voor Orwell sprak dat vanzelf.
"Hoe zou ik het anders hebben moeten leren kennen?", vroeg hij.
Hij was met de mijnwerkers de schacht ingegaan. Zijn gezondheid had hem dat
in feite niet toegelaten, maar iets anders had er niet opgezeten: het was
de enige manier om de rauwe werkelijkheid te leren kennen. Over

het mijnwerkers bestaan onder de grond heeft Orwell de prachtigste bladzijden
geschreven.
In het begin had hij zich beperkt tot het opschrijven van louter waarnemingen,
maar naarmate hij zich dieper in de mijnwerkerswereld was gaan inleven, had
zijn hart meer meegesproken – en pijn gedaan.
Hij had de gezichten van de mijnwerkers beschreven – gezichten van schuurpapier
met Roquefortkazen van voorhoofden - alsof hij ze in een defilé had
voorbij zien trekken en hijzelf in anonimiteit langs de kant van de weg had
gestaan, maar het had lang geduurd voordat zijn medelijden was opgekomen
Door heel het beschrijvende deel van
Wigan klinkt een sterke compassie
door met de mijnwerkers, wier lot hem interesseerde.
Kolenschrapen
Minutieus schreef hij de huishoudboekjes van de mijnwerkersgezinnen over
en verzamelde hij andere gegevens over de economische feiten van de dag –
waarvoor literaire schrijvers zich nooit hadden geïnteresseerd.
Zijn beschrijvingen het kolenschrapen - een vorm van bedeling van werklozen,
die op het gruis werden losgelaten om de kolen die onder de maat waren er
voor zichzelf uit te vissen - was van een Bunuel-achtige zwarte humor, die
je ook nu nog door merg en been gaat "Het verbaast me dat het nog nooit is
verfilmd", voegde hij eraan toe.
Hij registreerde wat hij zag op 'grote betaaldag': dat de mijnwerkers buiten
het kantoor van de mijn in de kou op hun loon moesten wachten, en nadat ze
daar uren aan het lijntje waren gehouden - wat elke week gebeurde – aan hun
pet tikte om hun dankbaarheid te tonen voor een loon waarvan ze nooit helemaal
zouden rondkomen. Dat ritueel kostte steeds een middag en dan moesten ze
daarvan ook nog een sixpence uitgeven aan de bus naar huis.
Orwell schaamde zich voor wat hij zag: hoe anders was de behandeling die
de middenklasse in die situatie ondervond, zelfs iemand van een bescheiden
middenklasse positie zoals hij.
Ook wanneer hij, de armoeschrijver, op de rand van de hongerdood leefde,
verschafte zijn bourgeois-status hem nog voorrechten en voordelen waarvan
een mijnwerker nog nooit had gedroomd. Zijn geld werd beschaafd op de bank
overgemaakt en hij kon het daarvan afhalen wanneer hij dat wilde. En zelfs
als hij rood stond, bleef het personeel van de bank tamelijk beleefd.
De middenklasse, waartoe de pers, de BBC en de rest van de gevestigde orde
behoorden, had haar kop voor de miserabele stille armoede van het industriële
noorden altijd in het zand gestoken, maar Orwell - die juist onder de 'meningsvormers'
naam had gemaakt - had die armoede met alle rijke verbeeldingskracht waarover
hij beschikte aan het licht gebracht.
Hij was de eerste die een profetische waarschuwing liet horen tegen het slaaplied
over de voorbijgaande werkloosheid: "We moeten de werkelijkheid onder ogen
zien dat verscheidene miljoenen Engelsen in dit leven nooit werk zullen krijgen,
tenzij er een oorlog uitbreekt." (1937).
Aan vrijwel al zijn waarschuwingen gaf hij een bittere ironische draai mee,
zoals aan de volgende: "Werkloosheid is een onnoemelijke ellende die voortdurend
verzacht moet worden en vooral met thee, het opium van de Engelsman. Een
kop thee of zelfs een aspirine is een veel betere prikkel dan een korst brood."
Klassentegenstelling
Klassentegenstelling. We zouden bijna vergeten te vragen wat hem eigenlijk
naar Wigan had gedreven? Niemand had hem die vraag gesteld, maar hij deed
het zelf – om hem in zijn boek als het ware programmatisch te kunnen beantwoorden.
Hij was er ten dele naartoe gegaan om de gruwel van de massawerkloosheid
met eigen ogen te aanschouwen, ten dele om de meest kenmerkende sector van
de Engelse arbeidersklasse van dichtbij te zien.
Het was een sociale catechisatie die bij zijn vorming tot socialist hoorde,
want hij stelde zich op het standpunt, dat je voordat je zeker weet of je
werkelijk voor het socialisme bent, je voor jezelf moet hebben uitgemaakt
of je de maatschappelijke stand van zaken draaglijk vindt of niet. In de
tweede plaats ging het hem er om definitief zijn houding te bepalen tegenover
'de verschrikkelijk moeilijke kwestie van de klassentegenstelling.'
Het eerste deel van het boek had hij gereserveerd voor zijn waarnemingen,
het tweede voor zijn oordelen en zijn kritiek - ook zijn kritiek op de zelfgenoegzame
socialisten die hij in zijn omgeving kende.
George Orwell was geobsedeerd door de klassentegenstelling van zijn dagen,
of beter: hij had er een groot deel van zijn leven mee geworsteld. Hij had
de vreemdste toeren uitgehaald om zich van de sociale onderscheidingstekenen
waarmee hij gewiegd was geweest te ontdoen: hij was met een
upper-middle-class
accent van de befaamde exclusieve kostschool Eton afgekomen. en hoewel hij
het bij wijze van spreken later er uit had willen vijlen, was het nooit weggegaan.
Hij had in Birma, waar hij bij de koloniale politie als officier had gediend,
met zijn sociale achtergrond van thuis - en met het 'establishment' van Engeland
- gebroken, en daarna had hij wanhopige pogingen gedaan aan zijn verleden
te ontkomen.
Hij had in Londen en Parijs in de goot geslapen en hij had zich bij vagebonden
aangesloten, niet om de Russische graaf Tolstoi na te doen, maar om de onderkant
van het dagelijks leven te ontdekken.
Eigenlijk meer nog om zichzelf te bevrijden van bepaalde vooroordelen waarmee
hij was opgegroeid, in het bijzonder de vooringenomenheid van zijn eigen
klasse tegen vuil en lichamelijk contact. 'Arbeiders stinken,' hadden ze
hem als jongen altijd geleerd.
Zijn bedenkingen tegen zijn eigen opvoeding moesten onvermijdelijk uitlopen
op een ongeneeslijke haat tegen de klasse waaruit hij was voortgekomen. In
zijn liefde voor de arbeidersklasse - die hij soms behoorlijk zeurderig romantiseerde,
maar altijd consequent trouw is gebleven - ging hij zo ver, dat hij zijn
neus alleen nog in rode zakdoeken snoot en thee van het schoteltje dronk.
En dat allemaal om zijn solidariteit met de arbeidersklasse te demonstreren.
Argwaan
Orwells romantische visie op zijn proletarische medemens is – dat spreekt
vanzelf - door een deel van de Engelse arbeidersklasse met argwaan bekeken.
Een communist in Wigan noemde hem een intellectueel die was gaan 'sloppen',
eenvoudig om aan materiaal voor zijn romans te komen. Zijn werk en zijn motieven
zijn tegen zulke verdenkingen door de jaren heen echter volkomen bestand
gebleken. In zijn drang naar een proletarische schutkleur is Orwell zeker
niet vrij geweest van aanstellerigheid. Maar zijn blijvende verdienste is,
dat hij zijn lezers vertrouwd heeft gemaakt met gebieden van de sociale werkelijkheid
die zij zonder zijn vernieuwende literaire stijl –en zijn groot schrijftalent
– misschien nooit zouden hebben ontdekt.