Remembering George Orwell
1903, June 25. - 1950, January 21.
HET FATALE PARADIJS
De tweede dood van George Orwell
door PETER
DE LANGE
Rotterdams Nieuwsblad
7 januari 1989
Misschien zag Derek White het waarschuwingsbord bij
Lealt over het hoofd, misschien was hij gewoon overmoedig. Hij negeerde
in elk geval de vermaning 'utmost care'. Met volle snelheid reed hij het
verraderlijke karrenspoor op. Toen hij stopte om mij op te pikken, moest
hij hard op de rem trappen.
Onverantwoord, op dat met scherpe stenen bezaaide modderpad. Maar Derek,
een tuin-architect uit Leeds, was in een vrolijke bui. Het was de laatste
dag van zijn vakantie en die wilde hij goed besteden. Hij was met zijn zesjarig
zoontje Paul in alle vroegte met de veerboot de Sound of Jura overgestoken.
Ze zouden gaan picknicken op het noordelijkste puntje van het eiland. Onderweg
hadden ze van een sportvisser een joekel van een forel gekregen, hun avondmaal.
Het slechte wegdek haalde een streep door hun mooie plannen. Derek moest
een paar mijl voorbij Lealt onder de blauwe Austin-bestel kruipen om de
oorzaak van een onrustbarend gekraak op te sporen. De veer van het rechterachterwiel
was gebroken. Derek betastte het metaal met een zorgelijk gezicht. "Dat
gaat me een fortuin kosten", mompelde hij. Uiterlijk onbewogen stapte hij
weer in: Pauls picknick mocht niet worden bedorven. Voor hem was er echter
geen lol meer aan. De auto hobbelde in de laagste versnelling de heuvel
af.
Ik legde de laatste kilometers naar Barnhill te voet af om de gammele wagen
niet nog meer te belasten. Later ontmoette ik vader en zoon White opnieuw.
Ze zaten allebei stijf onder de blubber en Derek had een vertwijfelde blik
in zijn ogen. De Austin was geslipt, een achterwiel stond tot de as in de
modder. Zonder hulp was er geen kans de wagen weer op gang te krijgen. Ze
hadden twee uur lang vergeefs gewacht tot er iemand zou passeren. Paul huilde,
hij was bang dat hij nooit meer thuis zou komen. Met een balk krikten we
de Austin uit de bagger. Derek signaleerde een nieuwe ramp, een lekke achterband.
Hij zag er ontredderd uit, zijn gezicht muggenbeten.
Derek en Paul haalden de laatste veerboot naar Islay op het nippertje.
Van de veertig kilometer naar de steiger reden ze er twintig zonder achterband.
De metalen velg trok een diep spoor in het asfalt.
Waarheid
Derek White heeft waarschijnlijk nooit 'The crystal spirit' gezien, de
film die de BBC in 1983 maakte over het leven van Eric Blair, alias George
Orwell, op Jura. Anders had hij een excursie per auto naar het noordelijkste
deel van het afgelegen Hebrideneiland wel uit zijn hoofd gelaten. Aan het
slot van die BBC-documentaire immers zakt de auto, waarmee de tuberculeuze
Orwell naar een sanatorium op het vasteland wordt gebracht, tot zijn
assen in de modder. Het incident gebeurt op dezelfde weg waar Derek White
zijn Austin ruïneerde.
De film besluit met de doodzieke Orwell en Richard, zijn vier jaar jonge
geadopteerde zoon, die in de auto achterblijven, terwijl zijn zuster Avril
en haar verloofde Bill Dunn in de stromende regen hulp gaan halen op het
vijf kilometer verder gelegen landgoed Ardlussa.
Orwell stelt voor dat hij Ricky een verhaal zal vertellen, om de tijd te
doden. "Maar eerst een rekenlesje. Hoeveel is twee plus twee?" "Vier", antwoordt
het kind. "Juist", zegt de schrijver, "en dat moet je altijd goed onthouden,
want er zijn een heleboel regeringen die je willen wijsmaken dat het antwoord
vijf is. En er zijn ook een heleboel mensen die dat geloven, ofschoon ze
weten dat het antwoord vier is". Deze filosofie, het hoofdthema uit Orwells
dan net voltooide roman 'Nineteen eighty-four', gaat Ricky te ver: hij valt
in slaap. Orwell zucht. "De waarheid najagen is een zware opgave".
Zeeziekte
Die laatste opmerking mag dan wat theatraal aandoen, hij is wel tekenend
voor Orwells eenzaamheid op dat moment. In deze slotscène wordt opeens
duidelijk in welke hopeloze afzondering hij zich had begeven, en hoe fataal
het roekeloos omspringen met zijn gezondheid hem was geworden.
Orwell had zich op het onherbergzame eiland voor de Schotse westkust teruggetrokken,
omdat hij 'een boek in zich had', 'Nineteen eighty-four', en hij in Londen
niet aan schrijven toekwam. In zijn flat op Canonbury Square rinkelde permanent
de telefoon en regende het verzoeken van kranten en tijdschriften om recensies
en artikelen. In Barnhill, zijn gehuurde boerderij op Jura, was geen telefoon;
de dichtstbijzijnde aansluiting bevond zich in Craighouse, op ruim twintig
mijl afstand.
Hoe rustgevend dat isolement ook voor een schrijver is, het bracht ook
enorme nadelen met zich mee. Voor elke boodschap moest Orwell op een oude
motorfiets, een BSA die het om de haverklap begaf, naar Craighouse. Die
lange tochten over een weg vol kuilen en putten zullen zijn gezondheid bepaald
geen goed hebben gedaan.
De dichtstbijzijnde arts woonde ook in Craighouse. Een plattelandsdokter,
niet bepaald de autoriteit op het gebied van TB, aan wie Orwell dringend
behoefte had. Zijn snel verslechterende conditie dwong Orwell in januari
1949 Jura te verlaten voor een kuur in een sanatorium. Een jaar later, op
21 januari 1950, stierf hij in een ziekenhuis in Londen.
'Nineteen eighty-four' was zijn laatste krachtsinspanning geweest. Hij
moest het voltooien van het boek met zijn leven betalen. Met een wilskracht,
die zijn huisgenoten tot wanhoop dreef, had hij zelf, in bed, het manuscript
persklaar gemaakt. Typistes waren moeilijk te vinden, zeker voor dit speciale
geval: vanuit Londen duurde de reis naar het verre Jura twee dagen, en wie
van plan was de tocht te ondernemen moest bovendien niet tegen zeeziekte
opzien.
Attractie
Toen 1984 naderde en voor Orwells huiveringwekkende Big Brother-visioenen
het uur van de waarheid aanbrak, werd Jura overspoeld door journalisten
en letterkundigen uit de hele wereld. Ze namen hun intrek in het Jura Hotel,
de enige accommodatie voor reizigers op het door 230 zielen bevolkte eiland.
Hun namen staan in het gastenboek. Ze kwamen uit Noorwegen, uit de VS, uit
West-Duitsland, uit Holland. Zelfs de universiteits- bibliotheek van Peking
stuurde een afgevaardigde.
Financieel kwam die invasie de eilanders waarschijnlijk wel goed uit. De
journalisten brachten flink wat geld in het laatje en bovendien plaatsten
ze Jura even in het middelpunt van de belangstelling. Dat kon, gezien de
geringe bekendheid die het oord onder toeristen genoot, geen kwaad.
Ironisch was het wel. Orwell was er immers nooit in geslaagd de plaatselijke
bevolking voor zich te winnen. Tussen 1946 en 1949, de tijd dat hij er woonde,
maakte hij op Jura maar weinig vrienden. De meesten beschouwden hem als
een outsider, een zonderling, die er twee verschillende namen op na hield:
Eric Blair –zijn eigen naam- en dan dat pseudoniem, George Orwell. Uitgerekend
die eenzame intellectueel uit Londen bleek opeens een toeristische attractie
van de eerste orde.
De massale toeloop van persmensen op een en hetzelfde ogenblik had nog
een ander pikant kantje. In wezen bestaat er immers geen enkel verband tussen
het jaar 1984 en de titel van Orwells wereldberoemde 'toekomstroman'. In
de titel zijn de laatste twee cijfers omgedraaid van het jaar, waarin het
boek ontstond; eigenlijk staat er 1948. Met dat cijfertrucje wilde Orwell
zo veel zeggen als: de nachtmerrie in dit boek is geen beschrijving van de
toekomst, maar mijn visie op de hedendaagse werkelijkheid.
Stuka's
Tien jaar eerder, in 1939, had hij in 'Coming up for air' ('Happend naar
lucht') al uiteengezet hoe de wereld er na de oorlog volgens hem zou uitzien.
De haat-sessies, de affiches met het gezicht van Big Brother, de slaafse
massa's -alle ingrediënten van 'Nineteen eighty-four' zijn in 'Coming
up for air' al overvloedig aanwezig, inclusief de verdraaiing van de waarheid,
de rantsoenering en de voedselvervalsing.
Misschien had Orwell 'Nineteen eighty-four' niet eens geschreven als 'Coming
up for air' een succes was geworden. Dat boek lag echter koud in de winkels,
of de Tweede Wereldoorlog brak uit. Vanzelfsprekend hadden de Engelsen geen
enkele behoefte aan Orwells voorspellingen,dat bommenwerpers Londen met
de grond gelijk zouden maken en dat de vooroorlogse gemoedsrust in een zee
van vuur en staal voorgoed ten onderzou gaan: de Stuka's waren al druk bezig
die profetie waar te maken.
'My book was killed by the war', schreef Orwell later spijtig. Hielp
de oorlog 'Coming up for air' om zeep, van 'Nineteen eighty-four' zou je
kunnen zeggen, dat de tijd het in z'n graf heeft geholpen. Sinds 1984 heeft
het boek zijn beklemming grotendeels verloren. Voorspelde verschijnselen
als teleschermen, dunkpolitie en martelkamers zijn immers geen gemeengoed
in West-Europa geworden. In de ogen van het grote publiek is 'Nineteen eighty-four'
een curiosum geworden; er gaat evenveel dreiging van uit als van een gedemonteerde
tijdbom.
Vier jaar na het 'overlijden' van de roman, in 1988, en veertig jaar nadat
Orwell het manuscript op de post deed, verkeert Jura weer in zijn gewone
isolement. De schaarse toeristen komen er als vanouds om te wandelen en te
vissen. Of ze vermaken zich met de jacht; in de bergen en de uitgestrekte
veengronden wemelt het van de herten. Die dieren hebben het eiland zijn naam
gegeven: Dy Oer, Joora, Herteneiland.
Orwell is allang geen attractie meer,net als in de jaren voor 1984 wordt
er nauwelijks naar hem gevraagd. Het lijkt wel of hij na het 'jubileum'
van zijn bekendste boek en de publiciteitsgolf daaromheen voor de tweede
maal is overleden, en nu voorgoed is dood verklaard.
Boomgaard
Een hoogst enkele keer vertoont de manager van het Jura Hotel 'The crystal
spirit' nog wel eens op de video, maar de gasten hebben toch voornamelijk
belangstelling voor het tij en het weerbericht. Er worden ook aanzienlijk
meer wandelgidsjes omgezet dan exemplaren van de gestencilde brochure Jura
and George Orwell. De Penguin-uitgave van Bernard Cricks biografie maakt
deel uit van de huisbibliotheek, maar terwijl de Agatha Christies bijna uit
hun band hangen, ziet 'George Orwell, a life' er nagenoeg ongeschonden uit.
Barnhill, in 1983 zes weken lang het werkterrein van een BBC-filmploeg,
is weer gewoon het vakantie- onderkomen van de familie Collins uit Londen.
Het bankiersgezin brengt er al een jaar of twintig de zomer door en ontvangt
liever geen literaire toeristen.
Wat zouden ze ook kunnen vertellen? De Collinsen hebben de schrijver nooit
gekend, alle bijzonderheden over zijn verblijf weten ze uit de tweede hand.
Voordat het Londense gezin er zijn intrek nam, hadden Orwells nabestaanden
de meeste sporen al uitgewist. Nieuwe huurders deden de rest. De door Orwell
aangelegde moestuin en boomgaard zijn verdwenen en op het erf staat niet
de koe die de Blairs van melk voorzag, maar een afgedankte Landrover.
Aan het huis zelf is weinig veranderd. Binnen heeft het houtwerk een fris
verfje gekregen, maar de buitenkant ziet er nog even haveloos uit als op
de foto's van veertig jaar terug. Nieuw zijn alleen de aluminium raamkozijnen
en de dubbele beglazing. Ook de waterleiding is gemoderniseerd. Het moet
er behaaglijker zijn dan voorheen. In de woonkamer staan een paar oliekacheltjes
en wat comfortabele stoelen en sofa's. Orwell stookte hout en turf en had
eenvoudig meubilair, grotendeels in bruikleen van zijn huisbaas, mevrouw
Nelson.
Dat hier ooit een wereldberoemd schrijver heeft gewoond, valt nergens uit
op te maken. Op de gevel is zelfs geen gedenkplaat aangebracht. Barnhill
is een anonieme boerenwoning, zoals er talloze op de Hebriden staan. Als
de familie Collins eind dit jaar het huis ontruimt, trekt er misschien weer
een schaapherder in, net als een eeuw terug.
Museum
Charles Fletcher, de zoon van Margaret Nelson, bekommert zich meer om het
vinden van een nieuwe huurder dan om de nagedachtenis van George Orwell.
"Ik kan er toch moeilijk een museum van maken? Er komt hier geen mens. Veel
te afgelegen. En na 1984 heeft bijna niemand meer belangstelling voor hem",
zegt de huidige eigenaar van het landgoed.
Fletcher heeft niet meer dan wat vage herinneringen aan de schrijver. Hij
was destijds ongeveer even oud als Orwells zoon Richard, en hij weet nog
dat hij jaloers was op Ricky's vuurrode speelgoedkraan. "Maar ik kwam niet
graag op Barnhill. Blair was een lichtgeraakt iemand, ik was een beetje bang
voor hem".
Fletchers moeder kon beter met hem opschieten. Ze maakte zich bezorgd om
zijn gezondheid. "Hij was heel ziek en ook heel eenzaam, zijn eerste vrouw
was kort tevoren overleden. Ik heb het altijd onverstandig gevonden dat
hij zich hier vestigde, alleen al vanwege het afgrijselijk natte klimaat".
Toch had ze de indruk dat Orwell, die zij steevast 'Eric' noemt, niet ongelukkig
was. "Hij was in zekere mate tevreden, ook als hij maar weinig te eten had.
Hij hield van het primitieve leven".
Apotheek
De Blairs zijn op Ardlussa in zekere zin deel gaan uitmaken van de familie.
Mevrouw Nelsons kleinkinderen hebben meegespeeld in de BBC-film, en ze bewaart
stapels krantenknipsels met haar eigen portret naast dat van wijlen haar
beroemde huurder. Richard, die tegenwoordig in Warwick woont, twee volwassen
zonen heeft en landbouwmachines verkoopt, bracht in 1984 een bezoek aan het
landgoed. Het was voor het eerst dat hij de plaats terugzag, waar hij een
deel van zijn jeugd had doorgebracht. Sonia Brownell, Orwells tweede vrouw
(ze trouwden kort voor zijn dood in het ziekenhuis), hebben ze slechts één
keer ontmoet, toen ze in 1950 het huis kwam leegruimen. Ze vond Barnhill,
dat ze nooit eerder had gezien, een 'vreselijk oord'.
Bill Dunn en Avril, die inmiddels is overleden, kochten een boerderij op
het Schotse vasteland. Op Barnhill was boeren onbegonnen werk. Orwells vriend
Richard Rees had wat geld in een agrarisch experiment gestoken, maar slechts
weinig van zijn investeringen teruggezien.
Mevrouw Nelson: "De grond is te nat en te zuur om iets te verbouwen. Aan
hooi voor het vee valt in een verregende zomer zoals deze niet te denken.
Bovendien zit je veel te ver van een afzetmarkt. Uit Craighouse vertrekt
eens per jaar een schip naar de veemarkt in Oban. Als je koeien daar eindelijk
aankomen, is er niets van ze over, 'they look like nothing in the world'.
En voor schapen heb je in dit klimaat een hele apotheek nodig om ze in leven
te houden. Er is al van alles geprobeerd, zelfs bosbouw, maar hoe moet je
de stammen afvoeren? De weg is te smal en als je het via het water probeert
worden de vlotten meteen door de stroom meegesleurd".
Gummiknuppels
Orwell ondervond al die harde waarheden over het landleven aan den lijve.
Toch verkoos hij het rauwe bestaan op de Hebriden boven zijn flat in Londen.
Anders dan George Bowling, de hoofdpersoon uit 'Coming up for air', weigerde
hij te aanvaarden dat het moderne leven louter bestond uit surrogaten, uit
krachteloos bier, jam met smaakstoffen en opgedrongen politieke denkbeelden.
Orwell wilde ontkomen aan het lot van Winston Smith, die in 'Nineteen eighty-four'
namaak-jenever drinkt, namaak-sigaretten rookt en die moet haten in plaats
van liefhebben.
Orwell zag de wereld veranderen in een concentratiekamp en ging wanhopig
op zoek naar een paradijs, waar aspirines en telefoons en gummiknuppels
nog moesten worden uitgevonden. Het is wel navrant dat hij dat paradijs
zo laat ontdekte en er zo kort gelukkig kon zijn. Op zijn zesenveertigste
jaar begaven zijn longen het.
Kort voor hij definitief afscheid nam van Jura noteerde hij in een brief
aan een vriend op voor hem ongewoon tragische toon: 'Everything’s flourishing
here, except me’.
back to the Orwell home page