
George Orwell reisde in december 1936 naar Spanje om over de Burgeroorlog
te schrijven, maar sloot zich meteen aan bij een arbeidersmilitie om tegen
de troepen van Franco te vechten. Waarom hij dat deed, daar is hij in zijn
beroemde verslag
Saluut aan Catalonië
heerlijk kort over: "omdat iets anders op dat momenten in die atmosfeer onvoorstelbaar
leek," en met "die atmosfeer" bedoelde hij dat men in het revolutionaire
Barcelona "gelijkheidslucht" ademde.
Orwells verslag van de burgeroorlog is verbijsterend onheroïsch, want
hij belandt aan een stagnerend front in Aragón. Vanop een bergrug beloeren
de tegenstanders elkaar en hun grootste vijand is een gezamenlijke: de kou.
"We vochten tegen de longontsteking, niet tegen mensen."
Een karakteristiek citaat: "Op een ijzige nacht maakte ik een lijstje in
mijn dagboek van de kleren die ik aanhad. Het is nogal interessant, omdat
eruit blijkt hoeveel kleren het menselijk lichaam dragen kan. Ik had aan een
dik stel onderkleren, een flanellen overhemd, twee pullovers, een wollen jak,
een varkensleren jak, een manchesterbroek, puttees, dikke sokken, veldschoenen,
een dikke trench-coat, een lange wollen das, gevoerde leren handschoenen en
een wollen muts. Niettemin bibberde ik als een juffershondje."
Orwell deelt, recht voor z'n raap, de expertise die hij aan het front opdoet:
kaf is beter om in te slapen dan stro, niks zo smerig als een luis, en eten
uit het blikje waarmee je je ook wast, dat went verbazend vlug. Orwell gaf
zichzelf twee opdrachten mee bij het schrijven van
Saluut aan Catalonië.
De eerste is de geur van de oorlog te beschrijven en dat lukt hem bijzonder
goed ("een lucht van uitwerpselen en rottend voedsel"). Hij ontsnapt op het
nippertje aan de dood als een kogel door zijn keel snelt, en die passages
zijn onvergetelijk. De tweede opdracht is een stuk moeilijker: met tegenzin
duikt hij in de beerput van de onderlinge partijtwisten aan het front, en
verklaart hij wat er in deze burgeroorlog in het linkse kamp politiek op het
spel staat. De lezer mag deze hoofdstukken overslaan, schrijft Orwell erbij,
allicht zonder het te menen, want hij vond het zelf van het grootste belang
dat de wereld vernam wat er aan de hand was.
Wat was er,
in a nutshell, aan de hand? Orwell beleefde van binnenuit
hoe de Moskou-gezinde communistische partij
rücksichtslos en te
kwader trouw orde op zaken stelde aan republikeinse kant. Voor de communistische
strategie (eerst de oorlog winnen, dan de revolutie) had hij best begrip,
voor de communistische praktijken, de manier waarop de stalinisten de anarchisten
en "trotskisten" vervolgden, helemaal niet.
Het was voor Orwell, die zelf uit het land moest vluchten voor de communisten,
een politieke scholing die lijn denken en schrijven voor de rest van zijn
leven bepaalde. Hij had vroeger dan een goed deel van de wereld begrepen dat
je geen antifascist kon zijn zonder antitotalitarist te zijn. "Every line
of serious work that I have written since 1936," zo heet het in een opstel
"Why I Write" uit 1946, "has been written, directly or indirectly,
against
totalitarianism and
for democratic socialism... What I have most
wanted to do throughout the past ten years is to make political writing into
an art."
Met
Homage to Catalonia heeft Orwell zijn beste proeve van dat soort
politieke essayistiek geleverd: dat was

althans zijn eigen oordeel, en dat is ook het oordeel van lijn jongste
biograaf Jeffrey Meyers. Maar antistalinistische waarheden waren eind van
de jaren dertig niet
en vogue. Orwell kreeg het boek -zijn zesde-
moeilijk gedrukt, en er werden maar 600 exemplaren van verkocht in de eerste
twaalf (!) jaar na publicatie.
Volgens Meyers is niet Orwell de held van
Saluut aan Catalonië,
maar wel "de zwaargebouwde Belgische
comandante", die hij al vroeg
in zijn relaas "aan het hoofd van de colonne, naast de rode vlag, op een zwart
paard" introduceert: Georges Kopp. Die overdrijving permitteert Meyers zich
omdat hij in een biografie die voorts weinig toevoegt aan eerdere biografieën
wat nieuwe gegevens over Kopp kan presenteren. Het is waar dat de figuur van
Kopp zeker de Belgische lezer intrigeert. Volgens Meyers stond hij met zijn
indrukwekkende fysiek model voor O'Brien in
Nineteen
Eigthy Four. Blijkt dat hij eerder een Rus was met een vader uit
Sint-Petersburg en een moeder uit Odessa, en een merkwaardig avonturier,
die acht talen sprak. Hij had minder geluk dan Orwell, werd als POUM-commandant
door de Spaanse communisten gegrepen en maandenlang gefolterd. Bij het begin
van de oorlog werd hij door de Duitsers gewond in Frankrijk. Weer herstelde
hij en hij deed nadien ondergronds werk. Na de oorlog was hij even ingenieur
in Schotland; in 1951 stierf hij, nog maar 49 jaar oud, in Marseille.
Orwell zelf stierf een jaar eerder, 46 jaar oud.
Saluut aan Catalonië
is nu, vijftig jaar na zijn dood, voor de derde keer herdrukt, in de Atlas-reeks
"De Twintigste eeuw", nog altijd in de vertaling van Aad Nuis uit 1964. Dat
zo'n oudere vertaling geen probleem stelt, heeft te maken met Orwells sobere
taalgebruik.
Bij de zoveelste herlezing bleek me nog eens dat Orwell blijft verrassen.
Met een detail over het frontleven dat je een vorige keer ontgaan was ("Bijna
nooit was er een vogel in de lucht."), of een observatie die je van hem niet
verwacht. Zo noemt hij, fanatiek
England-lover, het Zuid-Engelse landschap
het kneuterigste ter wereld, en een bezoek aan Gaudi's Sagrada Familia in
Barcelona levert dit op: "Ik vind dat de anarchisten blijk gaven van slechte
smaak door het ding niet op te blazen toen ze de kans hadden."
Maar goed, al eerder luidde zijn conclusie: "Spanjaarden kunnen veel dingen
goed, maar oorlog voeren niet."