GEZOCHT: EEN CHARMANTE, TROMMELENDE MINNAAR

De liefdesmarkt van Gambia

     

Barbara van Erp

3      

 

Het ontbijt van hotel Senegambia bestaat uit een lopend buffet in een
reusachtig hoge ruimte. In de open keuken maken koks met papieren hoeden
aardappels klaar, spek, gebakken ei en pap. In het midden een tafel met
muesli, cornflakes en kannen melk. Eromheen vier soorten gekoeld fruit,
verse warme broodjes, plakjes kaas en ham. Op een tafel met een wit kleed
staat een ingewikkelde berg stokbroden in de vorm van een hart met een
bordje: 'Please do not touch'.
Het is laagseizoen, in juli regent het 's morgens een beetje, en dus is het
dan rustig in Senegambia. De bewoners van het hotel - een van de acht grote
hotels in Gambia - bestaat deze week uit voornamelijk Nederlandse toeristen.
Een christelijke reisgroep voor dertigplussers uit de achterhoek, die bijna
dagelijks op excursie gaan in een bus met airconditioning. Twee getatoeëerde
stellen uit Rotterdam die het hotel een week lang nauwelijks verlaten. Een
groep van vier mannen die overdag vissen op de rivier de Gambia, en zich 's
avonds op het terras van Ali Baba vermaakt met piepjonge Afrikaanse vrouwen.
Elke ochtend om half tien loopt Maria de ontbijtzaal binnen. Aan de rand van
de ontbijttuin dekt ze een tafeltje voor twee, heel huiselijk, met eitjes,
fruit en thee, en gaat zitten, altijd met haar rug naar de rest van de
vakantiegangers. Een kwartier later schuift Mohamed aan tafel, roert in zijn
koffie en steekt een sigaret op.
Maria is een gescheiden huisvrouw uit een dorpje in Zuid Duitsland. Ze is
'rond de zestig', zoals ze het zelf diplomatiek uitdrukt. Mohamed is 32. Ze
proest van het lachen als Mohamed ons dat vertelt. 'Hij zou mijn zoon kunnen
zijn. Ik heb twee dochters van die leeftijd.'
Mohamed is goed gekleed. Hij draagt steeds een andere gouden ketting. Zijn
mobieltje ligt voor hem op tafel. Zijn schoenen glimmen. Hij is Liberiaan,
en acht jaar geleden gevlucht uit zijn geboorteland. Zijn familie verblijft
al jaren in een vluchtelingenkamp in Guinée. Hijzelf woont met een paar
vrienden in een piepklein kamertje in Serakunda, een nabijgelegen stadje.
Ze kennen elkaar nu anderhalf jaar. Vijf keer per jaar komt Maria naar
Gambia om Mohamed te zien. Ze logeren dan samen in Hotel Senegambia. 'De
eerste keer mocht hij het hotel niet in,' zegt Maria. 'Nu boek ik alles in
Duitsland. En dan nog vragen ze hem de eerste dagen: weet je zeker dat je
hier gast bent?' Ze logeert altijd in het gebouwtje van Blok G, met uitzicht
over de tropische tuin, op één hoog, 'zodat er geen enge beesten naar binnen
kunnen lopen'.
Haar dochters hebben het geaccepteerd dat ze met zo'n jonge man is, zegt
Maria, maar ze vinden het wel een beetje onwennig. De jongste reist heel
veel, maar is in die twee jaar nog nooit in Gambia langs geweest. 'Het heeft
tijd nodig,' besluit ze.
Maria is voorzichtig. Het gesprek komt moeilijk op gang. 'In Europa vinden
ze dit heel vreemd,' zegt ze in moeizaam Engels. 'Hier vinden ze het
normaal. Alleen is het van binnen soms een probleem voor mij. Ik ben bang
dat mensen hem uitlachen.' Het liefst laat ze daarom vandaag Mohamed het
woord voeren. Hij schuift zijn stoel tegenover de hare, neemt een van haar
knieën in zijn handen, en begint op fluistertoon te vertellen. 'Ik had een
vriend die verloofd is met een Duitse vrouw. Via hem heb ik Maria leren
kennen. Zij was die vrouw uit Duitsland. Daar stonden we dan.' Hij kijkt
Maria diep in de ogen. Verlegen staart ze terug. 'De eerste keer dat ik haar
zag,' vervolgt Mohamed, 'was ik helemaal in de war. Ik dacht dat ik haar al
eens ontmoet had. Iedereen kon zien dat we ons tot elkaar aangetrokken
voelden. Nu zijn we samen. Ik voel me heel trots. Ik heb mijn redenen om te
vallen voor een oudere vrouw. Dat heeft te maken met mijn verleden.' Hij
aait haar over haar wang. Dan begint hij nog zachter te praten. 'Ik ben
getrouwd geweest met een vrouw die veel jonger is dan ik. We hebben een
zoon, die nu acht is. Dat was een heel slechte ervaring. Ik onderhield haar,
maar ze wou steeds méér. Ik moest ook geld sturen naar mijn familie. Drie
jaar geleden gingen we uit elkaar. Toen besloot ik dat ik iemand wou die er
altijd voor me zou zijn.'
Maria gaan even verzitten, en Mohamed vertelt door. 'Ik ging lezen over
relaties. Afrikaanse vrouwen weten niks van de liefde. Ik wil een vrouw die
van me houdt, of ik nou kreupel, ziek of lelijk ben. Ik heb een jaar lang
'nee' gezegd tegen alle meisjes, en ik heb er veel ontmoet hoor! Maar toen
ik Maria zag...'
Hij zwijgt. Lang. We wachten op het einde van die zin, maar Mohamed kijkt
naar de lucht. Na een paar tergend trage seconden zegt Maria: 'Ga je die zin
nog afmaken?' 
Nu kijkt Mohamed haar recht aan en zegt: 'Zij was het die ik nodig had.'
Maria haalt opgelucht adem.
Op zangerige toon gaat hij verder. 'Maria legt mij uit hoe ik in elkaar zit,
ze begrijpt me, meer dan een jonge meid. Ze vervult al mijn behoeften. Heb
ik een lover nodig? Zij neemt die plaats in. Heb ik behoefte aan een moeder?
Zij neemt die plaats in.' Maria trekt een ondeugend gezicht, en zegt: 'Ik
ben je moeder niet.' Zachtjes tikt ze met haar voet tegen zijn knie.
'Het spijt haar heel erg dat ze mij geen kind kan geven. Dat zegt ze steeds,
maar het is oké. Ik heb al een kind.' Hij pakt haar hand en geeft er een
zoen op. Maria stráált.
Zelf is ze ook gescheiden. Na dertig jaar huwelijk besloot haar man nóg een
vrouw te nemen. 'Hij wou een vrouw voor het gewone leven,' vertelt ze. 'En
een vrouw voor de speciale dingen.' Nou, zo zat Maria niet in elkaar, dus ze
vroeg hem te kiezen. 'Hij ging. 'Geen probleem,' zei ik.' Dat is nu tien
jaar geleden. 
De jaren daarop was ze alleen. Op een dag las ze in damesblad Brigitte een
héél klein stukje over Europese vrouwen op vakantie in Gambia met als kop
'Ein Geheimtip'. Ze ging, en leerde er een Liberiaan kennen. Ze kregen een
relatie, maar al snel begon hij met stelen, schelden, haar koffer
openbreken. 'Die mannen hier willen alleen maar geld, geld, geld,' zegt ze
opeens fel. 'Mohamed vraagt nooit om geld.' Mohamed trekt een vies gezicht.
'Ik zag hem en ik dacht: dit is een knappe man. Hij sprak zo lief tegen me.
Heel anders dan die rastaboys.'
Ze is nog nooit bij Mohamed thuis geweest, en zijn zoontje heeft ze in die
zes keer dat ze hier was ook nog nooit gezien. Maar deze week gaat het ervan
komen. Dat heeft Mohamed beloofd.

 

Met een taxi laten we ons brengen naar Hotel Leybato, een zeldzaam
backpackerparadijsje aan het strand. Iman, de taxichauffeur die voor
vijftien euro de hele dag voor ons paraat is, wil weten wat we daar gaan
doen. 'Zwemmen,' antwoorden we kortaf.
In het hutje van de strandtent staat de televisie aan. Er is voetbal. Iman
staart naar het scherm. We bestellen een flesje cola voor hem en gaan in een
hangmat in de schaduw liggen. Dan zien we taxichauffeur Iman door de
branding hollen. Heen en weer, heen weer. Hij drukt zich op, stretcht
opzichtig, draait rondjes met zijn heupen. Al die tijd in een natte witte
onderbroek. Hij probeert onze aandacht te trekken, zwaait, en holt de zee
in. Urenlang blijft hij daar dobberen, komt af en toe melden dat hij 'zo
eenzaam' in de zee is en holt dan weer terug. In de branding maakt hij
bewegingen die hij van lessen aquajoggen in de hotels moet hebben afgekeken.
De lust om te gaan zwemmen vergaat ons.
Achter een pilsje zitten Jeanette (61) en Ann (34). Ze draaien sjekkies uit
een Van Nelle pakje met leren tasje eromheen. Jeanette komt hier al jaren.
Haar hobby was altijd al Afrika. Ze is gek op die muziek. Dus toen de
kinderen het huis uit gingen, zei ze tegen haar man: 'En nu gaan we erheen.'
Het werd Gambia, vanwege de goedkope tickets. Ze werden geraakt door de
armoede, en Jeanette en haar man besloten iets terug te doen. Samen met de
zus van Jeanette hebben ze nu drie nursery schools opgericht met geld van
familie en kennissen, iets dat veel Europese toeristen doen. Een paar keer
per jaar komen ze kijken hoe het ervoor staat.
Jeanette steekt meteen van wal over haar vakantievierende leeftijdgenoten in
Gambia. Ze heeft er al veel zien passeren. 'Leven en laten leven,' wil ze
eerst maar even gezegd hebben. Maar dan barst ze los: 'Je ziet ze liggen op
het strand. De Gambiaan met z'n tong uit de mond, armen langs het lijf
bungelend, ongeïnteresseerd. En dat vrouwtje ze strelen. Het is pathetisch.
Je ziet ze rondlopen met zo'n smile van: hij houdt van me. Maar je
onderhoudt ze. Je betaalt hun studie - die ze helemaal niet volgen. Je
draait op voor de kosten van een gezin waar je niks vanaf weet. En de hele
familie moet een Nokia.'
Ga maar eens naar het vliegveld, zegt ze. 'Dan zie je ze huilend afscheid
nemen van de één, een een half uur een ander in de armen vallen.' Ze trekt
aan haar sjekkie en zegt: 'Ze neuken nog met een lijk.'
Iman heeft inmiddels zijn kleren weer aangetrokken. Morrend rijdt hij terug
naar ons hotel. 'Waarom gingen jullie niet zwemmen?' vraagt hij twee keer
nukkig. 'Jullie gingen toch om te zwemmen?'

 

Op een terras met uitzicht over een uitgestrekt strand zet Beatrice (61) een
flesje bier aan haar mond. Vijf Senegalezen geven haar een oorverdovend
concert op hun djembé's. Ze heeft het rijk alleen; er is in de wijde
omgeving niemand te bekennen. Beatrice beweegt haar hele lichaam heen en weer,
en slaat op haar dijbeen. 'Jauw! Jauw! Jauw!' gilt ze het uit. Het rieten
stoeltje waar ze op zit heeft het zwaar te verduren onder haar zinderend
enthousiasme. 'Pensionado!' schreeuwt ze ons toe. 'Hoe ouder, hoe gekker!'
Ze wijst op een van de bezwete trommelaars. Een jongen met reggaemuts, een
vaal t-shirt met de vogels van Gambia en een plaatje van Jah om zijn nek.
'Dat is Paul,' schreeuwt ze. 'Mijn vriend!'
Beatrice komt al vier jaar in Gambia. De eerste keer dat ze ging, was met een
vriendin. Ze waren op zoek naar een goedkope vakantie. Beatrice wist dat
Gambia erom bekend stond dat vrouwen erheen gingen voor sekstoerisme. 'Ik
was wel nieuwsgierig,' zegt ze. En ze ging om 'heerlijk te kunnen
trommelen', djembéspelen is haar hobby. Al trommelend leerde ze haar eerste
Afrikaanse vriend kennen. 'Een beeldschone jongen was het,' zegt ze. 'En de
grootste oplichter aller tijden.'
Het gebeurde hier, op het strand van de Baobab Bar. Iedere dag ging Beatrice
erheen voor haar djembéles. 'Als ik aan kwam lopen, stond hij als een aap zo
blij te springen: daar is mijn liefje! Dat deed me wel wat.' Op een avond
zat ze met die vriendin op het terras van Ali Baba wat te drinken. De
jongen, hij was 27, bleef op straat staan, want hij mocht er niet in, en
riep: ik ben het. 'Ik herkende hem helemaal niet, want dat is best moeilijk
bij ze, zeker in het donker.'
Hij nodigde haar uit om een keertje bij hem te komen eten. 'Dat is hier dé
manier.' Hij woonde in een kamertje, met een matras op de grond. Hij had
niks in huis. Alles wat hij had, was per portie gekocht, in plastik zakjes.
Een portie zout, een portie rijst. 'Hij maakte allemaal lekkere dingetjes.
Het was helemaal het einde.'
Geleidelijk aan kreeg ze door wat de bedoeling was. 'Eerst schrok ik van die
leeftijd. Ik voelde me net een babyverkrachter. Maar later dacht ik: ja, 27
- dat is toch gewoon volwassen.'
De eerste keer dat ze 'het' deden, was tijdens de trommelles. Na vier lessen
zei hij: we gaan een wandelingetje maken. Hij ging meteen van het strand af,
de bossen in. 'Daar hebben we tussen de palmbomen heerlijk gevreeën. Hoppa!
In de open lucht.' 
Met deze jongen ging het snel mis. Hij wou eerst een Mercedes van haar,
zodat hij zijn eigen geld kon verdienen, en ze gelijkwaardig konden zijn.
'Die heeft z'n moeder later ingepikt.' Toen ging hij mee naar Nederland,
voor een maand. Daar ging het al mis. 'Hij wou de hele tijd dingen hebben. I
need a suitcase. I need a walkman. I need a mobile. Allemaal dingen die bij
ons een achttienjarige wil hebben. Hoe meer hij kreeg, hoe meer hij wou.'
De keer daarop dat ze hem bezocht in Gambia, kwam hij haar niet eens van het
vliegveld halen. Hij stuurde iemand in de Mercedes. Pas na drie dagen dook
hij op, met een vaag verhaal. Hij bleek later nóg een Europese vrouw te
hebben, een Engelse, waar hij inmiddels mee getrouwd was. 'Hij was een echte
bumster,' zegt Beatrice nu, verwijzend naar de jongens die op straat en op het
strand hangen, en waar het Ministerie van Toerisme in Banjul het hoofd over
breekt: 'Geen werk, mooi lijf en een goede babbel.'
Maar Beatrice is niet iemand om lang te treuren. Al snel leerde ze Paul (29)
kennen, die nu hartstochtelijk voor haar aan het trommelen is. 'Ze zijn een
en al aandacht,' zegt ze boven trommelgeluid uit. 'Ze houden de hele dag je
hand vast, zitten altijd naast je. Ze geven je het gevoel dat je zestien
bent. Dat is kicken!' Een van de trommelaars is inmiddels bij ons aan tafel
komen zitten, druk doende ons avances te maken. Als Beatrice hem duidelijk
maakt dat we dáárvoor niet gekomen waren, haalt hij een brief uit een tasje,
geadresseerd aan een vrouw in België. Hij wil dat we die straks thuis op de
bus doen. 'Je vriendin?' vragen we. Maar hij geeft geen antwoord. Beatrice
weet het ook niet, hoewel ze de man al jaren kent. En Paul laat niks los.
'Die jongens dekken elkaar allemaal.'
De trommels worden opgepakt. Paul stelt zich aan ons voor. Een kleine man
met een vriendelijk gezicht. Ze lopen naar de zilveren Mitsubishi Jeep. 'Net
gekocht,' roept Beatrice. Op de zijkant staat 'Sylver & Gold' - zo noemen de
locals haar hier. Ze gaat achter het stuur zitten. 'Eerst dacht ik dat ik
het eng zou vinden,' zegt Beatrice. 'Rijden hier, met al die geiten enzo. Maar
het valt reuze mee.'
Paul is stil. Uit de radio schalt Frans Bauer. Beatrice slaat met haar vlakke
hand op de knie van Paul en zegt: 'Alles goed?'
'Alles prima,' antwoordt Paul in bijna accentloos Nederlands.
Ze rijdt het toeristisch gebied uit, de geasfalteerde hoofdweg op, en duikt
na vijf minuten een stoffige weg in. Bij elke hoek gebruikt ze de claxon.
Twee mannen in lange jurken met kalotje op het hoofd stuiven opzij. Bij een
hoge muur opent Paul de verroeste deuren, Beatrice rijdt de auto de compound
op en parkeert hem in de schaduw van een mangoboom.
Een betonnen hut met golfplaten dak, een droge akker en een put. Hier wonen
Beatrice en Paul met negen van zijn vrienden uit Senegal. 'Le Petit Paradis!'
roept Beatrice. Ze is hier sinds januari steeds twee maanden, en dan weer een
maand in Nederland. Ze heeft voor algemeen gebruik een paar plastik stoelen
aangeschaft, een stel bekers en een ijskastje. 'Er was hier niets,' zegt ze
tijdens de rondleiding.
Een woonkamertje van drie bij drie met een reusachtige bank en kratten
frisdrank. Aan de muur een foto van Paul, Beatrice en haar drie blonde
kleinkinderen die in december op bezoek waren. Dan een slaapkamertje met een
enorm tweepersoons bed, keurig opgemaakt door Paul. En daar achter een
badkamer en wc, met emmers gevuld met water uit de put. Buiten begint het
getrommel weer. 'Soms word ik wel gek van de muziek,' verzucht Beatrice. De
Senegalese rap heeft ze inmiddels verboden.
Ze neemt plaats op de plastik stoeltjes voor het huis. De Senegalezen hangen
op een bankje. Op de buitenmuur is met houtskool de mobiele nummers van de
mannen geschreven. Beatrice is nu met Paul stukken grond aan het kopen in
Abéné, een kunstenaarsdorpje in Senegal, twee uur rijden hier vandaan.
Ongeveer tweeduizend euro per stuk kosten ze. Ze heeft ze op beider naam
laten zetten. 'Als ik doodga, is het allemaal voor hem.'
Onder de mangoboom rookt de rijinstructeur van Paul een joint. Beatrice wil
dat Paul zijn rijbewijs haalt, zodat hij straks de Jeep kan besturen.
'Iedereen rijdt hier zonder, maar daar houd ik niet van.' Zijn leraar kan
niet rijden zonder gerookt te hebben, lacht Beatrice. Met een sleutelhanger
jaagt ze een magere kip weg.
Paul staat op voor zijn rijles. 'Leggie, leggie,' zegt hij. 'Tot ziens,'
roepen zijn vrienden in het Nederlands. 'Dat heb ik ze geleerd,' zegt Beatrice
trots. ''Tot ziens', en 'welkom thuis'. Dat vind ik gezellig.'
Met haar vorige vriend had ze ook een stuk land gekocht, maar die bleek al
het geld in zijn zak te hebben gestopt. Paul lijkt in niets op haar ex, zegt
ze. 'Paul heeft een heel volwassen manier van handelen. Helemaal geen
losbol.' Als ze 's morgens om tien uur opstaat, is hij al twee uur in de
weer. Dan gaat-ie vegen, water halen, opruimen. Uit Goa, waar ze laatst op
vakantie was, heeft ze zilveren armbanden voor hem meegenomen. 'Verder
hoeft-ie niks,' zegt ze. Alleen met zijn zus had ze laatst een aanvaring.
Had ze een gebruikt mobieltje voor haar meegenomen, was de zus er niet blij
mee: 'Ze vond 'm te groot!'
Paul hoeft niet zo nodig mee naar Europa, maar hij wil misschien wel
trouwen. Voor ze beslist of ze dat wil, gaat Beatrice eerst uitzoeken hoe het
zit met het erfrecht. Alles moet naar haar dochter gaan als ze overlijdt.
Alleen de landjes in Abéné zouden naar Paul mogen gaan. 'En mijn
nabestaandenpensioen,' lacht ze. 'Dertig jaar heb ik daarvoor gewerkt in een
psychiatrisch ziekenhuis. Het zou toch fantastisch zijn als Paul dat geld
zou kunnen krijgen!'
Ze voelt zich wel eens onzeker. 'Soms denk ik: hij houdt wel van me. En dan
weer denk ik: ik ben oud, en niet moeders mooiste. Op een dag gaat hij op
zoek naar een jonge vrouw, wil hij kinderen - hij is gék op kinderen. Daar
hebben we het een keer over gehad. Maar dan zegt-ie: ik hoop dat we nog
jaren samen zullen zijn. '
En soms ziet het heel praktisch. 'Hij is voor mij de sleutel om in Abéné te
kunnen zijn, en dan ook nog met een charmante trommelende man. Het is een
deal. Maar is niet ieder huwelijk dat?'
Morgen vertrekken Beatrice en Paul samen naar Abéné, naar hun landjes, waar ze
binnenkort willen gaan wonen. Paul wil niet graag op de foto. Wel alleen,
maar niet als stel. Beatrice weet niet precies wat er aan de hand is. Ze kijkt
een beetje bezorgd. We vertellen haar dat we op het strand een groepje
bumsters wilden fotograferen, die toen hysterisch werden, en riepen of het
soms 'voor internet' was. Ze belooft met Paul te praten, maar verwacht er
niet veel van. 'Wat hij écht denkt,' verzucht ze, 'zal ik nooit weten.'

    

      
   1  

Barbara van Erp

3