| De poëzie van Salah Hassan | H.J. de Roy van Zuydewijn & Ahmed Al-Rikali |
|
De Iraakse dichter
Salah Hassan is in 1960 te Babel in Irak geboren. In 1986 studeerde hij
af aan de Academie voor Schone Kunsten in Bagdad (studierichting theater).
Op zijn zeventiende jaar begon hij met het schrijven van gedichten. Hij
trok al gauw de aandacht van kenners en vakgenoten, onder andere doordat
een van zijn gedichten werd voorgedragen in een radioprogramma en later
gepubliceerd in een krant. Het vertalen van
poëzie, op zichzelf al een kunst, bleek bij de gedichten van Salah
Hassan op de extra moeilijkheid te stuiten dat het Nederlandse publiek
in het geheel niet vertrouwd is met de Arabische taal en symboliek. Zoals
hierboven al opgemerkt, bedient de dichter zich bovendien vaak van een
wat mysterieuze, zelfs voor Irakezen niet altijd onmiddellijk herkenbare
beeldspraak, die mede verband houdt met het feit dat het in een dictatoriaal
geregeerd land onmogelijk is op onverhulde wijze de waarheid te zeggen.
Ook Salah Hassan heeft een tijdlang alleen kunnen overleven door de machthebbers
zand in de ogen te strooien en zijn waarheden in bewust vaag gehouden
beeldspraak aan de man te brengen. Waar op het bezigen van het woord vrijheid
al een taboe rust, moet de waarheid zich wel in een camouflagepak steken. Uit het voorgaande volgt al, dat Hassans poëzie doortrokken is van de tragiek die zijn land in zijn recente historie heeft moeten verduren. Zijn vlucht naar Nederland heeft dit nationale en collectieve levenslot ook een persoonlijke dimensie gegeven. Zonder in een stereotype 'vluchtelingenpoëzie' te vervallen, wordt zijn toch al niet zo optimistische levensvisie nog aangescherpt door zijn ervaringen in een land waarvan de wortels en waarden, de taal en de cultuur uiteraard sterk verschillen van die in het land van herkomst. Veeleer gekenmerkt door een zekere ontworteling dan nostalgie krijgt het terugverlangen naar zijn geboorteland in zijn poëzie de ondertoon van een onoverwinbaar gemis: Dit is mijn heden Hier heeft een dubbele vervreemding plaats gevonden: zo ernstig van zijn eigen land vervreemd dat hij er een 'bodemloze doodskist' (met een schier oneindig aantal nieuwe doden) mee kan vullen, maakt zijn buitenlands gezicht hem tot de zichtbare, als het ware met zijn eigen stigma rondlopende, vreemdeling in een land van hem vreemde anderen. In het volgende fragment stelt hij deze dubbele vervreemding andermaal aan de orde, en komt de dichter in opstand tegen de machthebber die al zijn 'slimme' middelen inzet om de waarheid te verbergen en te vervalsen: opdat de geschiedenis
zich niet zal herhalen De dichter waarschuwt de toekomst voor het verleden en laat verleden en toekomst samenvallen in een even plaatselijk als tijdelijk te duiden tegenwoordigheid, die eerder cyclisch dan lineair lijkt te worden opgevat, als een eeuwige wederkeer van dezelfde bronnen en gevolgen van kwaad: Het is de tegenwoordige
tijd De machthebber maakt misbruik van zijn macht. Maar hij vormt niet het enige probleem waarvoor de dichter zich ziet gesteld. Ook zijn verhouding met God is, soms bijna letterlijk, onder vuur komen te liggen: Ik heb Hem gezien In de gedichten van Salah Hassan neemt God diverse gedaanten aan; de relatie tussen God en hem is op zijn minst problematisch. Soms onderneemt het gedicht een persoonlijke zoektocht naar God en, uiteindelijk, naar het 'Ik', het liefst door middel van een eenwording zodat de grenzen tussen 'Ik' en 'Hij' verdwijnen. Maar wanneer die eenwording op het punt staat tot stand te komen, staat God dat niet toe en blijft Hij de eeuwige Aanwezige die tegelijk de eeuwige Afwezige lijkt: geen lichtjaar zet
Hem op afstand Misschien blijft
daarom de zoektocht naar het 'Ik' voortduren: "hij wil zijn leven
bereiken", d.w.z. het leven van voor de catastrofes die hem en zijn
land getroffen hebben, opnieuw in handen nemen, Gisteren? Een weduwe Wat blijft er dan over? Misschien alleen de waanzin als "een rebellie tegen jezelf', tegen God en tegen de machthebber, de waanzin die zo vanzelfsprekend lijkt en doorklinkt in zijn uitroep: O oorlog, Maar ook deze kreet zal vergeefs zijn: de oorlog als rampscenario van het verleden zal, in de visie van de dichter, tot in de verre toekomst het lot van de mensheid blijven bepalen: Wij gaan dood en
de oorlog stopt niet Is er dan geen hoop meer? De dichter beantwoordt deze vraag niet, want "hij wil geen pijnlijke vragen meer stellen". Maar dat hij die vragen in de gedichten van zijn hier gepresenteerde bundel niet uit de weg is gegaan, geeft aan zijn poëzie haar menselijke waarde en betekenis; dat hij ze bovendien beantwoord heeft in een beeld- en gedachtenrijke, bij wijlen zelfs visionaire en profetische poëzie, maakt ze tot een, nu ook in het Nederlands toegankelijk, literair en cultureel erfgoed. © H.J. de Roy van Zuydewijn / Ahmed Al -Rikali |
|