Verliefd in Westerbork, verloren in Auschwitz

Auschwitz-overlevende Fred Schwarz

‘Treinen op dood spoor’

TERUG

Na de inlijving van Oostenrijk door de Duitsers in maart 1938 vluchten Fred Schwarz (15)
en zijn oudere broer Frits naar Nederland. Samen met lotgenoten worden zij na het uitbreken
van de oorlog ondergebracht in het vluchtelingenkamp Westerbork. Daar wordt Fred verliefd op Carry.
De liefde is wederzijds en diep, maar de vijand scheidt hen. Zijn liefde voor Carry is nooit overgegaan.
In het boek ‘Treinen op dood spoor’ doet de nu 81-jarige Fred Schwarz verslag van
zijn eerste grote liefde en van de ontberingen tijdens zijn verblijf in Auschwitz.


“Een van de uitgevers aan wie ik mijn manuscript had gestuurd, antwoordde dat ik vast een bijzonder plezierige kamptijd heb gehad, omdat ik er zo gemakkelijk en aardig over schreef. U moet weten, een kampverblijf is het ergste dat er is. Dat kun je je niet voorstellen. Maar goed, je was jong, je was in zekere zin sterk en je hebt geluk als je het overleefde. Maar wat een botheid. Plezierige kamptijd…”



De Bonte Avond is een groot succes geworden. Het stuk werd twee keer opgevoerd en de mensen waren enthousiast. Het balletdansje van die kleine meisjes was een dijenkletser. Vooral de oudere mannen lachten onbedaarlijk met rode koppen toen die kleine meisjes, met die namaak baljurkjes rondjes draaiden en de schunnige tekst uit de jaren twintig zongen, waarvan ze zelf niets begrepen.

Klaartje
“Mijn ouders vonden het vreselijk eng om mij, ‘die kleine Fred’, naar Nederland te laten gaan. Maar ik was bij Frits. En ik bleef bij Frits. Samen uit, samen thuis, zeiden we altijd. Natuurlijk voelde ik me moederziel alleen. Eerst in het vreemde, verre Amsterdam. Later in de barakken van het kamp Westerbork. Maar ik had daar werk. Ik was naaimachinemonteur; Frits was stoker. Daardoor konden we nog lang verre van Auschwitz blijven. En Westerbork was ook wel redelijk uit te houden. Aan de ene kant had je je werk, je sociale contacten, het cabaret. Maar aan de andere kant de verschrikkelijke kou in de winter, de droge zandstormen in de zomer, de harde bedden, het gebrek aan privacy, de honger en het slechte eten en de onzekerheid over de duur van de oorlog. En toen was daar opeens Carry. Klaartje heette ze eigenlijk, maar dat vonden mijn vrienden en ik niet passen, zo’n ouderwetse naam. Het werd Carry.”

                     Fritz, Mutti en Fred (1924)

‘Dit zijn’, zegt Heinz, ‘de drie zusjes Van Leeven en ze komen uit Den Haag.’ Klaartje, de oudste, is een mooie meid, heeft sprekende ogen, het haar in een rol naar binnen met een haarnetje, leuke mond, maar een afschuwelijke jas. Een swagger noemen ze zoiets. Ik hou al niet van dat model, maar wat is die ruit lelijk! Misschien is ie wel lekker warm.

“We hebben elkaar die eerste keer dat zij met haar familie in Westerbork was wel ontmoet, maar verder niets. De familie van Leeven ging daarna naar Barneveld; in september 1943 kwamen ze weer terug. Dat was nog best een leuke tijd toen. We gingen uit met de jongens en de meiden, er werd gevoetbald en geschaakt, het werk was niet naar en je had redelijk wat privacy. Carry kwam bij mij op de confectie werken. Ik vond ‘r meteen weer leuk. Dit keer kregen we verkering. We aten samen ons brood in de herfstzon, uitkijkend over de heide. Omdat onze barakken wat hoger lagen, keken we over het prikkeldraad heen. Carry leunde dan tegen mijn schouder aan. Dat het zo fijn in dat kamp kon zijn…”

Je kunt in Westerbork trouwen. Voor de wet: in het bijkantoor van de burgerlijke stand dat de gemeente Westerbork in het kamp heeft; voor de kerk; rabbijn Augapfel zegent het huwelijk onder de choepah in. Er is ook een dominee in het kamp en een katholieke geestelijke kan zeker ook komen. Veel van onze vrienden maken van die gelegenheid gebruik. Ik denk dat dit hetzelfde is als mensen die trouwen op het moment dat de man naar het front moet. Alhoewel nog bijzonder prematuur spreken Carry en ik af dat we zullen trouwen zodra we dat in een vrije wereld kunnen doen en niet eerder.

Monster
“Voor Carry’s verjaardag, eind januari 1944, maakte ik een ring van vliegtuigglas. Dat waren kleine geluksmomenten in Westerbork. Je raakte daar gehard. Een transport van duizend mensen naar Auschwitz werd bijna routine. Het niet weg moeten geeft je een gevoel van zekerheid. Maar als iemand die je beter kende op transport werd gesteld, was dat een dreun. Dat deed je weer beseffen dat je weerloos in de greep van een monster bent. En dat monster bepaalde in het najaar van 1944 dat wij – Frits, Carry en ik - naar Theresiënstadt moesten.”




Vooraan bij een opgewonden massa mensen bij de poortkazematten van Theresiënstadt staat Car die op me af komt en roept: ‘Je moet op transport’.  Ik begrijp het niet goed, maar zie de ontzetting in haar ogen. Opzij van de weg staat een bank, daar gaan we zitten. ’s Middags was er een oproep dat alle niet werkenden op de binnenplaats van de Magdeburger moesten komen. De Judenälteste, Eppstein, houdt een toespraak waaruit blijkt dat alle Nederlandse mannen, met uitzondering van de Barnevelders en NH-gedoopten, samen met anderen, totaal 2000 mannen, overmorgen weg moeten. Naar Riesa bij Dresden, daar ligt een nieuw kamp waar genoeg werkgelegenheid is […] Carry is kapot. […] ‘Ik blijf bij jou tot je weg moet.’ Ik wil niet anders, dus lopen we naar het voorportaal van het washok. Zo hebben we dus voor het eerst een nacht met elkaar geslapen. Als we ‘als lepeltjes in een doosje’ in het smalle bed wakker worden duurt het even voor de harde werkelijkheid tot ons doordringt. De wetenschap dat ons nog slechts een dag tezamen rest.

“Ik hoef niet uit te leggen dat het ontzettend veel pijn deed om in te pakken en Carry achter te laten. Ze was emotioneel, maar nuchter. Ze gaf me haar riem mee. Later kwam ik erachter waarom dat goed van pas kwam. Het vertrek duurde uiteindelijk een paar dagen langer. We hebben het nog over trouwen gehad, maar dat zou geen verandering in de situatie brengen. Carry bleef een Barneveldse en mocht dus blijven. Ik moest weg, hoe dan ook. We hebben elkaar nog lang gekust. Daarna ben ik naar de trein gerend. De poortwachter vroeg of ik niets was vergeten, want ‘es gibt kein zurück’. In de trein zaten duizenden angstige, nerveuze mensen. Er was geen ventilatie. Het was nacht. Ik hoorde iemand ver weg een bekend deuntje fluiten. Dat moest Carry zijn. Door de schijnwerpers op het perron kon ik niets in de verte zien. Wanhopig heb ik in het niets gezwaaid. Gelukkig viel ik in een diepe slaap en toen ik mijn ogen opendeed, zag ik een wit naambord met zwarte letters ‘Kattowitz’. Dat is vlakbij Auschwitz. En wij maar denken dat de Russen die streek allang bezet hadden!”

 



We bonken over wissels, dan stopt de trein. Het is donker, geen gebouwen, geen perron. Maar wel lichtjes, het kunnen mensen met lantaarns zijn, in de verte maar ook dichtbij. Mijn ogen wennen aan de duisternis en als een van de Grünen met een lamp langs loopt begrijpen wij dat naast ons en ook verder weg treinen staan die, net als de onze, bewaakt worden. Het is spookachtig, dit rangeerterrein met treinen vol mensen. Soms hoor je schreeuwen, soms kermen. Een weeïge geur dringt door de kieren van de ramen. Is dit het eindpunt? De sfeer is zo luguber dat wij slechts fluisterend met elkaar spreken.

Doucheruimte
“Hier begon het inferno pas echt. SS-ers die slaan, kermende en gillende weerloze mensen, lang gedwongen stilstaan, bewegingloos. Als je bewoog, kreeg je een stomp. Langzaam werd het ochtend. We waren in kamp Birkenau. Uit de schoorsteen zagen we steeds meer rook en vuur komen. We vroegen ons af wat dat voor een ketelhuis was en wat die penetrante lucht was. Een Unterscharführer riep tegen ons dat dat onze familieleden waren die daar brandden en wandelde vervolgens hardop lachend weg. Wie het Duits niet verstond, vertaalden we dat het om een crematie ging. Het was wachten op het uitkleden en wassen. De riem mocht ik houden. Samen met mijn schoenen. Verder moesten we alles inleveren en werden we kaalgeknipt en kregen we een ijskoude douche. Wij mochten naar rechts. Zij die naar links gingen kwamen in een doucheruimte met gas in plaats van water. Nu werd duidelijk hoe het mogelijk was dat Auschwitz, dat vlakbij lag, elke week duizenden mensen kon ontvangen.”



De SS-ers schoppen en slaan, ik houd er ook een paar blauwe plekken aan over. Dan staan we binnen in een ruimte die naar desinfectie ruikt, we moeten langs een schragentafel lopen waarachter een stel mannen ons kleding toewerpt. Een soort werkhemd, een broek, een colbertjasje en een muts. Op de rug van dat jasje is met verf een groot kruis geschilderd. Op maat en pasvorm wordt niet gelet. Ik heb geluk: wat ik krijg past enigszins, de pet is wat klein maar die kan ik ruilen met mijn buurman die niet zo’n groot hoofd heeft. De kleren stinken en voelen onplezierig aan, zeker op je blote huid. Ik bedank Carry in gedachte duizendmaal voor haar riem, want met een slecht passende broek kun je niet zonder. Ik zie een van de jongens aan de balie om een stuk touw vragen. Dat kost hem een verschrikkelijke trap met een zwarte laars, maar als hij weer overeind krabbelt gooit een van de blauw-witten die achter de tafel staan een gescheurde stropdas naar hem toe die hij als ceintuur kan gebruiken.

“We lagen daar met zijn tienen op een bed dat hooguit aan vier mensen plaats bood. Als sardientjes. Zonder matrassen, dekens en kussens; slechts op ruwhouten planken. We aten soep uit kommen die nooit werden afgespoeld. Als er iets ondefinieerbaars – een muis? – in de soep dreef liet je het wel uit je hoofd om het eruit te gooien. Dan kreeg je de volgende dag niets. Je had toch immers geen honger? De pesterijen van de SS-ers waren onmenselijk. Een keer mochten we ongelimiteerd soep drinken. Na enkele gulzige teugen bleek er een enorme berg zout in te zitten. Water kregen we niet. De hele dag brandde het in je lichaam. Lugubere grappen waren dat. Maar we hoorden ook dingen die ons bespaard zijn gebleven. Elke dag nieuwe gruwelen en elke keer denk je dat het niet erger kan. Elke ochtend hingen de doden aan het elektrische prikkeldraad; de ellende had hen tot deze wanhoopsdaad gedreven. De gedachte aan Carry hield mij in leven, ondanks mijn enorme honger en angst voor bombardementen. Ik had visioenen van haar. Zag haar in mijn dromen op onze terugreis langs de weg staan. De terugreis kwam uiteindelijk. Maar zou ik Carry ooit nog levend terugvinden?”




Snel alles inpakken en wegwezen, de uurtjes zijn nu af te tellen. Het treft dat we naar Eindhoven gaan, als er problemen mochten zijn kan mevrouw Verwey ons zeker helpen. Misschien weet ze ook al iets van Carry en van Papa en Mutti. Van Carry? Ik heb er de hele tijd zo vast aan gedacht dat zij er zou zijn als we terugkomen, zeker toen mijn pogingen om naar Theresiënstadt te gaan op niets uitliepen. Maar wie zegt dat de Barneveldstempel ook later nog geholpen heeft, en wie zegt dat het Getto niet net zo geëvacueerd is als Meuselwitz, en wie zegt dat ze zoveel geluk had als wij. ‘Ik weet het, ik ben de pessimist’, zeg ik tot mezelf. Waarom? Net nog was ik ervan overtuigd dat alles goed zou komen! Met elke kilometer wordt mijn angst groter.

Riem
“Ik heb geen wroeging. Ik ben niet verbitterd. Dat klinkt vreemd, maar dat is echt zo. Als ik praat over wat er gebeurd is, heb ik eerder de neiging te vertellen over de mensen die hulp boden aan de Joden dan over de rotzakken die mij het leven zuur maakten. Ik heb een goed leven kunnen opbouwen. Getrouwd, twee kinderen, een goede baan. Na mijn pensioen zei mijn vrouw: ‘Je gaat je vast vervelen, schrijf je verhaal over de oorlog op.’ Ik heb die wijze raad opgevolgd, met dit boek als resultaat. Mijn vrouw heeft altijd goede ideeën voor mij gehad. Zoals de riem die ze me meegaf bij ons afscheid in het kamp. Ik hou nog steeds van haar; na zestig jaar huwelijk.”

 




Ik ga mij binnen melden, de formaliteiten duren een tijdje. Ik ben ongeduldig […] Sneller dan verwacht zie ik Carry aankomen. Een lichtbeige blouse, een heel wijde bruin-beige rok, zonnebril, schoudertas, ze ziet er schitterend uit. We hebben elkaar tegelijk gezien: we rennen beiden en botsen zowat, maar onze monden vinden elkaar onfeilbaar. Tien maanden zonder elkaar lijkt een eeuwigheid, maar nu is het zó vergeten. We gaan op een bankje zitten en houden elkaar vast, eerst zonder iets te zeggen; we voelen dat het waar is.

Treinen op dood spoor – Fred Schwarz,
ISBN 90-9018999-8
Voor meer informatie:
www.treinenopdoodspoor.nl
fredschwarz@tref.nl
020 659 23 29

TERUG