GEOLOGIE ALS HOBBY

BESTANDDELEN VAN HET AMMONIETENHUIS

MET AFBEELDINGEN EN HET VAKJARGON IN 4 TALEN.

NEDERLANDS DUITS FRANS ENGELS VERKLARENDE TEKST
         
fragmocoon Phragmokon phragmocône phragmocone het gekamerde deel van het huis.
groeilijnen Anwachslinien lignes de croissance  growth lines groeilijnen.
insnoering Einschnürung constriction constriction ongeveer radiaal verlopende groef.
lirae Spiralrippen côtes longitudinales lirae ribben die parallel lopen aan de
        windingsrichting.
luchtkamer Luftkammer chambre à air air chamber luchtkamer.
macroconch Makrokonch macroconque macroconch macroconch is waarschijnlijk
        vrouwelijk exemplaar.
microconch Mikrokonch microconque microconch microconch is waarschijnlijk mannelijk
        exemplaar (seksuele dimorfie).
mond Mündung aperture aperture mond van de ammoniet.
    =bouche =mouth  
mondrand Peristom péristome apertural rim mondrand van de ammoniet.
=peristoom =Mundrand   =peristome  
naveldiameter Nabelweite diamètre de umbilical width de diameter van de navel.
    l'ombilic    
oren Ohren oreillettes lappets oorvormig uitgroeisel aan de mondopening
  =Apophysen =apophyses   .
ribben Rippen côtes ribs ribben.
      =costa  
      =pita  
schaal Schale conque conch originele restanten van het ammonieten-
      =shell huis.
steenkern Steinkern moule interne internal mould afgietsel van de binnenzijde van het
        huis.
striae Striae striae striae zeer fijne ribben.
tussenschot Septum septum septum de wanden die de gaskamers
=septum       scheiden.
winding Windung spire whorl een omgang van het ammonieten-
        huis.
windingsdoorsnede Windungsquerschnitt section whorl section dwarsdoorsnede van de winding.
windingsrichting Windungsrichtung direction spire whorl direction de richting van de winding.
woonkamer Wohnkammer loge d'habitation body chamber de verblijfkamer van het dier.

Fig. 1. Bestanddelen van het ammonietenhuis (Uit Treatise on Invertebrate Paleontology, 1957, part L,
bewerkt door G. Brouwers 1997).

VORMEN

advoluut advolut advolute advolute geen overlappende winding.
evoluut evolut evolute evolute een wijde navel.
involuut involut involute involute een nauwe navel.
heteromorf heteromorph heteromorph heteromorph niet spiraal gewonden..
coronaat coronat   coronate kroonvormig.
serpenticoon serpenticon serpenticône serpenticone slangvormig.
oxycoon oxycon oxycône oxycone schijfvormig, scherpe rand, nauwe navel
platycoon platycon platycône platycone plat, zegt niets over de rand.
=planulaat =planulat   =planulate  
sferocoon sphaerocon spheroïdale sphaerocone bolvormig.
=sferoïdaal        
cadicoon cadicon cadicône cadicone tonvormig met diepe navel.
criocoon advolut déroule criocone los gewonden.
ellipticoon ellipticon   ellipticone excentrisch van vorm.
ancylocoon ancylocon ancylocône ancylocone haakvormig.
scaphiticoon scaphiticon scaphiticône scaphticone met losse, haakvormige woonkamer.

Hoofdvormen

advoluut

evoluut

involuut

heteromorf

meest voorkomende vormen

coronaat

serpenticoon

oxycoon

platycoon

sferocoon

cadicoon

criocoon

ellipticoon

ancylocoon

scaphiticoon

Fig. 2. Vormen van het ammonietenhuis (Uit Schlegelmilch, 1994 en Treatise on Invertebrate Paleontology, 1957, part L,
bewerkt door G. Brouwers 1997).

VORMEN VAN DE VENTRALE ZIJDE

carinaat carinat caréné carinate ventrale zijde met geprononceerde
=gekield     =keeled kiel.
lanceolaat lanzettlich lancéolé lanceolate ventrale zijde met lansvormige kiel.
=lansvormig =scharfrückig      
fastigaat fastigat fastigié fastigate ventrale zijde waarvan kiel niet afgezet.
tabulaat tabulat tabulaire tabulate ventrale zijde met vlakke kiel.
=afgeknot     =runcinate  
tabulaat/sulcaat tabulat/sulcat tabulaire/sulqué sulcate vlakke ventrale zijde met groef.
tricarinaat/bisulcaat tricarinat/bisulcat tricaréné/bisulqué tricarinate/bisulcate ventrale zijde met twee groeven
      =trisulcate en drie kielen.
concaaf/bicarinaat konkav/bicarinat concave/bicaréné concave/bicarinate ventrale zijde met twee kielen en
        groef.
septicarinaat septicarinat septicaréné septicarinate ventrale zijde met een gevloerde kiel.
  =Hohlkiel      
koordvormig zopfförmig cordé cordate ventrale zijde met koordvormige kiel.
gecreneleerd kreneliert crénelé crenulate(d) ventrale zijde met kiel in vorm van
        afgezette tandjes.
         

carinaat

lanceolaat

fastigaat

tabulaat

tabulaat/sulcaat

tricarinaat/bisulcaat

concaaf/bicarinaat

septicarinaat

koordvormig

gecreneleerd

Fig. 3. Vormen van de ventrale zijde (Uit Schlegelmilch, 1994 en Richter, 1982 , bewerkt door G. Brouwers 1997).

WINDING

diameter Diameter diamètre diameter doorsnede van het ammonietenhuis.
dorsale zijde Dorsalteil partie intérieure dorsal side het afgedekte deel van de winding.
flank Flanke flanc flank de zijkant van de winding onderverdeeld
=laterale zijde =Lateralregion     in drie gebieden:
-bovenste deel aussere Flankenhälfte flanc externe outer half het bovenste deel van de flank.
-middelste deel   médiane du flanc mid-flank het middelste deel van de flank.
-onderste deel innere Flankenhälfte flanc interne inner half het onderste deel van de flank.
flankgroef Flankenfurche sillon latéral spiralgroove groef op de flank die meebuigt met de
      =fasciculate winding.
      =sulks  
kiel Kiel carène keel in het midden van de ventrale zijde
        kan een kiel aanwezig zijn.
kielgroef Kielfurche sillons keel groove groef aan weerszijden van de kiel.
mediaan Medianlinie médiane median de symmetrielijn van het ammonieten-
  =Medianebene     huis.
navel Nabel ombilic umbilicus gebied binnen de windingsnaad van
=umbilicus       de laatste winding.
navelrand   rebord périombilical umbilical rim  grens tussen flank en navelwand.
      =umbilical edge  
navelwand Nabelwand paroi ombilicale umbilical wall het umbilicale deel van de winding in
=umbilicale zijde =Nabelabfall =retombée ombilical   het gebied tussen de flank en de
  =Innenbug =bord ombilical   dorsale zijde.
  =Umbilikalregion      
omgeving windingsnaad Nahtregion     de directe omgeving van de windingsnaad.
protoconch Protoconch protoconque protoconch de eerste (embryonale) kamer.
=beginkamer =Anfangskammer      
sifobuis Sipho tube siphonal siphonal tube buis aan de ventrale kant van het huis
=sifo       die alle kamers met het dier verbindt.
ventrale zijde Venter region ventrale venter de ventrale zijde van de winding.
=externe zijde =Externseite =aire siphonale =external side  
    =partie extérieure    
    =aire ventrale    
ventrolateraal gebied Ventrolateral bord latéro ventral ventrolateral shoul- het ventrolateraal gebied vormt het
  =Aussenbug =bord extérieur der overgangsgebied tussen de ventrale
        zijde en de flank.
  =Windungsursprung      
windingsdikte Windungsbreite épaisseur whorl width de dikte (breedte) van de winding.
=windingsbreedte     =whorl breadth  
windingshoogte Windungshöhe hauteur whorl height de hoogte van de winding.
windingsnaad Windungsnaht ligne d'involution umbilical seam de lijn waar de windingen met elkaar
=umbilicale naad =Nabelnaht     in contact komen.
=naad        
         

Fig. 4. Terminologie van de windingsdoorsnede (Uit.Richter, 1982 en Treatise on Invertebrate Paleontology, 1957, part L,
bewerkt door G. Brouwers 1997).

DOORSNEDE VAN DE WINDING

rond gerundet subcirculaire round winding rond van vorm.
  =rotundus   =circular  
vierkant quadratisch subquadratique quadrate winding vierkant van vorm.
driehoekig dreieckig subtriangulaire triangular winding driehoekig van vorm.
  =triangular      
trapezium trapezoid subtrapézoïdale trapezoid winding trapeziumachtig van vorm.
lanceolaat lanzettlich lancéolé lanceolate winding lancetachtig van vorm.
spitsboog spitzbogenförmig     winding spitsboogachtig van vorm.
hoogrechthoekig hochrechteckig subrectangulaire subrectangular winding hoogrechthoekig van vorm.
ellips ellipsoid subelliptique ellipsoid winding ellipsachtig van vorm.
      =elliptical  
ovaal oval ovale oval winding ovaal van vorm.
breed ellips breitelliptisch     winding breed ellipsachtig van vorm.
breed rechthoekig breitrechteckig      winding breed rechthoekig van vorm.
breed trapezium breittrapezoid     winding breed trapeziumachtig van vorm.

rond

vierkant

driehoekig

trapezium

lanceolaat

spitsboog

hoogrechthoekig

ellips

ovaal

breed ellips

breed rechthoekig

breed trapezium

Fig. 5. Windingsdoorsneden (Uit Schlegelmilch 1994, bewerkt door G. Brouwers 1997).

SOORTEN RIBBEN OP HET AMMONIETENHUIS

richting ribben        
retroradiaal retroradial rétroverse rursiradiate achteroverleunende rib.
=rursiradiaal   =rursiradiée    
radiaal radial rectiradiée radial rechtstandige rib.
=rectiradiaal     =rectiradiate  
proradiaal proradial proverse prorsiradiate naar voren leunende rib.
=prorsiradiaal   =prorsiradiée    
afstand ribben        
ver uiteenstaand weitständig distantes distant ver uiteenstaande ribben.
dicht opeenstaand engständig approximées approximated dicht opeenstaande ribben.
gebundeld Rippenbündelung fasciculées bundled het bundelen van ribben op de
=fasiculaat     =fasciculate navelwand.
type ribben        
concaaf konkav conkave concave hol staande rib in de richting van de
        mond.
proconcaaf vorgeschwungen projectée projected naar voren buigende rib.
biconcaaf bikoncav biconcave biconcave dubbel hol staande rib in de richting
        van de mond.
convex konvex convexe convex bol staande rib in de richting van de
        mond.
biconvex biconvex biconvex biconvex dubbel bol staande rib in de richting
        van de mond.
sinusvormig sinusförmig sineuse sinuous in S-vorm golvende rib.
=sinueus   =flexueuse =sigmate  
falcaat falcat falciforme falcate sikkelvormige rib.
  =sichelformig   =sigmoid  
bipartiet gegabelt bifurquée bifurcate zich in tweeën splitsende rib.
  =bipartit =primaire =biplicate  
  =Spaltrippen   =bipartite  
tripartiet tripartit trifurquée trifurcate zich in drieën splitsende rib.
      =triplicate  
      =tripartite  
quadripartiet quadripartit quadripartite quadripartite zich in vieren splitsende rib.
tussenrib Schaltrippe intercalaire intercalatory kortere losse tussenrib.
zigzag zickzackförmig zig-zag zigzag zigzaggende rib.
fibulaat fibulat fibulée looped lusvormige rib.
    =enboucles    
simpele rib einfache Rippe nervure simple simple rib enkelvoudige rib die niet vorkt.
diversipartiet diversipartit   diversipartite splitsende rib meervoudig naar een
        kant.
polygyraat polygyrat     polygyrate rib.
polyplook polyplok   polyschizotomous meermalen in tweeën splitsende rib.
virgatotoom virgatipartit virgatoïde virgatotome  
parabolisch parabolisch parabolique parabolic parabolische rib.
plicaat plicat plissée plicate geplooide rib.
=geplooid =gefaltet      
  =Faltrippe      
         

SOORTEN RIBBEN
richting (de mond is rechts)

retroradiaal

radiaal

proradiaal

afstand

ver uiteenstaand

dicht opeenstaand

gebundeld

type

concaaf

proconcaaf

biconcaaf

convex

biconvex

sinusvormig

falcaat

bipartiet

tripartiet

quadripartiet

tussenrip

zigzaggend

fibulaat

simpele rib

diversiepartiet

polygyraat

polyplook

virgatotoom

parabolisch

plicaat

Fig. 6. Soorten ribben op het ammonietenhuis (Uit Treatise on Invertebrate Paleontology, 1957, part L,
bewerkt door G. Brouwers 1997).

TUBERCULATIE OP HET AMMONIETENHUIS

knobbels Knoten nodosités nodes knobbels.
tuberkels Tuberkeln tubercules tubercles wat meer geprononceerde knobbels.
  =Höcker      
stekels Stacheln épines spines stekels.
bullae Bullae bullae bullae langgerekte knobbels in richting van
        de rib.
clavi Clavi clavus clavi langgerekte knobbels in de richting
        van de winding.

Fig. 7. Tuberculatie op het ammonietenhuis (Uit Treatise on Invertebrate Paleontology, 1957, part L,
bewerkt door G. Brouwers 1997).

PLAATSAANDUIDING ORNAMENTATIE OP HET AMMONIETENHUIS

ventrale knobbels Ventralknoten nodosités ventrales ventral nodes knobbels op de buitenzijde van de
        winding.
ventrolaterale knobbels Ventroateralknoten nodosités ventro- ventrolateral nodes knobbels op het ventrolaterale deel van
    latérales   de winding.
laterale knobbels Lateralknoten nodosités latérales lateral nodes knobbels op de flank.
umbilicale knobbels Umbilikalknoten nodosités umbilicales umbilical nodes knobbels op de binnenzijde van de
        winding.

Fig. 8 Plaatsaanduiding knobbels op het ammonietenhuis.

SUTUUR EN SUTUUROPBOUW

binnensutuur Innensutur suture interne internal suture de sutuur afgedekt door de voor-
        gaande winding.
buitensutuur Aussensutur suture externe external suture de sutuur die niet is afgedekt.
karteling Zerschlitzung cranté serration kartelingen van de sutuur.
mediane insnijding Median-Inzision incision médiane median incision mediane insnijding in een zadel.
onzichtbare sutuur innere Lobenlinie suture invusible invisible suture  de sutuurelementen door voorgaande
        winding bedekt.
primairsutuur Primärsutur   first suture sutuur van het tussenschot tussen de
        1e en 2e kamer.
prosutuur Prosutur   prosuture de eerste sutuur van een individu.
sutuurlijn Sutur suture suture kontaktlijn tussen het tussenschot en
  =Lobenlinie =cloisonnaire   de buitenwand.(soms)
         
lob Lobus lobe lobe het deel van de sutuur dat concaaf
        naar de opening is gericht.
binnenlobben Innenloben lobes internes  internal lobes  de lobben die niet zichtbaar zijn.
buitenlobben  Aussenloben  lobes externes external lobes de lobben die zichtbaar zijn.
protolobben Protoloben     de lobben E, L en I.
suspensief lob Suspensivlobus lobe suspensif suspensive lobe naar achter buigende sutuur
         
E:        
externe lob Externlobus lobe externe external lobe lob op het ventrale deel van het
=ventrale lob =Ventrallobus =ventral lobe =ventral lobe ammonietenhuis.
sifonale lob Siphonallobus lobe siphonal siphonal lobe de eerste lob op de mediaanlijn.
         
A:        
adventief lobben Adventivloben lobes adventifs adventive lobes onafhankelijke lobben tussen E en L
        (alleen bij Goniatieten).
         
L:        
laterale lob Laterallobus lobe latéral lateral lobe lob naast de externe lob als er geen
        adventief lob is
         
U:        
umbilicale lob Umbilikallobus lobe umbilicale umbilical lobe lob(ben) tussen L en I.
suturale lob Suturallobus lobe suturale  sutural lobe de laatst gevormde umbilicale lob-(ben)
        aan weerszijden van de naad. (soms)
I:        
dorsale lob Dorsallobus lobe dorsale dorsal lobe lob op het dorsale deel van de winding.
=interne lob =Internlobus      
         
zadel Sattel selle saddle het deel van de sutuur dat convex
        naar de opening is gericht.
dorsale zadel Dorsalsattel selle dorsale dorsal saddle zadel in het dorsale deel van de
  =Internsattel     winding.
externe zadel Externsattel selle externe external saddle zadel in het ventrale deel op de
=ventrale zadel =Ventralsattel   =ventral saddle mediaan van de winding.
=mediaanzadel =Mediansattel   =median saddle  
laterale zadel Lateralsattel selle latérale lateral saddle zadel(s) aan weerszijden van de
        laterale lob.
umbilicale zadel Umbilikalsattel     zadel(s) tussen de umbilicale lobben.

Fig. 9. Sutuur en sutuuropbouw (o.a Uit Treatise on Invertebrate Paleontology, 1957, part L, bewerkt door G. Brouwers 1997).

 
Klik hier voor de beginpagina
Copyright © George Brouwers, Oisterwijk 2002-2012