|
|
|
Cosquino.nl |
Citaten, overgenomen van Intranet
-1- A.le Cosquino de Bussy (1984 - 1953)
Deze tekst is overgenomen van Afkomstig uit: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1953-1955,pag.51-58. ARTHUR LE COSQUINO DE BUSSY(Bloemendaal, 19 Juni 1884 -- Amsterdam, 24 Juli 1953) De Bussy, zo noemde hem de volksmond, hierbij doorgaans den klemtoon verkeerdelijk op de middelste lettergreep leggende. De Bussy, zo ondertekende de oudere generatie. Aart de Bussy, zo heette hij in den engeren vriendenkring. Toch moet de hoofdnaam le Cosquino hebben geluid en al is een band tussen de Nederlandse en de huidige Franse Le Cosquino's niet afdoende aangetoond, het lijkt waarschijnlijk, dat ook gene uit den Fransen landadel zijn voortgekomen. Zoveel is zeker, dat De Bussy's overgrootvader, te Parijs geboren en onder Lodewijk Napoleon herwaarts gekomen, te Utrecht een dochter huwde uit het Doopsgezinde geslacht Blijdesteijn. De Franse zo goed als de Doopsgezinde traditie bleef Arthur van de wieg af bij. Hij dankte zijn voornaam -- niet naar de traditie dier tijden -- aan Arthur Schopenhauer, den Duitsen wijsgeer. De Bussy's vader bedoelde zeker in deze naamgeving zijn bewondering voor den filosoof neer te leggen, wiens volgeling hij overigens niet was. Tot kort voor Arthur's geboorte hadden zijn ouders, Isaäk Jan le Cosquino de Bussy en Grietje Elisabeth I aan, te Amsterdam gewoond: op 20 April 1884 had de vader afscheid gepreekt als Doopsgezind Predikant aldaar, welk ambt hem mede wegens zijn zwakke stemmiddelen zwaar viel en vervolgens vestigde het gezin zich te.Bloemendaal. Van 1889 tot 1892 was hij Archivaris der Gemeente Deventer; in het najaar van 1892 keerde hij terug naar de hoofdstad, als Hoogleraar in de Godgeleerdheid aan haar Universiteit, tevens Hoogleraar aan de Doopsgezinde Kweekschool. Te Deventer heeft Aart dus zijn eerste schooljaren doorgemaakt; te Amsterdam liep hij van 1896 tot 1902 op vlotte wijze het Stedelijk Gymnasium af, waar hij het verenigingsleven niet verzuimde en in de klasse grollen ten beste gaf, die bij zijn tijdgenoten in genoeglijke herinnering voortleven; te Leiden studeerde hij van 1902 tot 1910 Rechtswetenschap. Deze drie steden hebben in De Bussy's hart hun centrale plaats behouden: het ongedwongen leven in Deventer en omstreken lag De Bussy, wars als hij was van conventie; het Keizerlijk Amsterdam, waar hij, gelijk zijn vader, zijn belangrijkste arbeidsterrein vond, liet hem niet los; de herinneringen aan Leiden met zijn studententijd hadden misschien wel den krachtigsten greep op hem. Want student en lid van het L.S.C. is hij intens geweest; als zodanig
betrachtte hij de traditie evenzeer als hij de conventie schuwde. Van zijn
jaarclub placht De Bussy met erkentelijkheid te gewagen, zeker ook ter wille van
een jongeren broer, in 1902 tegelijk met hem, als medisch student, te Leiden
aangekomen en zijn clubgenoot geweest tot den vroegtijdigen dood van den junior,
eer hij zijn academiestudie had beëindigd. En ook in betrekking tot tal van
anderen, met wie de vriendschapsbanden tot Aart's dood onverminderd bleven
bestaan. Op 11 November 1910 promoveerde De Bussy te Leiden in de Rechtswetenschap op
een proefschrift: "Het ontstaan der Satisfactie van Utrecht", een
onderwerp ,dat eerder in de historische sfeer dan in de juridische thuishoort.
Het historische deel, groter van omvang dan het juridische, lijkt trouwens
evenzeer boeiender. Het onderwerp was den promovendus geworden van Mr. S. Muller
Fzn, te Utrecht reeds toen zijn leidsman. Juristen en historici bezorgden voor
wetenschappelijke tijdschriften de recensies. Eén uit de laatste groep wijdt
een woord aan den "eigen stijl" van den schrijver, die zich nochtans
moge hoeden voor het gevaar van duisternis. Mij is het te moede, of De Bussy bij
het schrijven zijner dissertatie zich geweld heeft aangedaan hierbij zo
"gewoon" mogelijk te blijven; hij moet genoten hebben, toen de
Inleiding hem gelegenheid bood tot de inlassing van een lang citaat uit 1836,
dat in zijn archaïstisch bewoordingen onmiskenbaar koddig aandoet. Ongeveer twintig jaren later zal De Bussy in hierna te gebruiken autobiografische aantekeningen andermaal getuigen van onvergankelijke trouw; hij vermeldt het optreden van zijn vader als Archivaris van Deventer en vervolgt: "waar de zoon de eerste archiefgeuren opsnoof en daardoor zoo werd bekoord, dat toen reeds zijn levenskeuze werd bepaald, waaraan hij later onveranderlijk trouw is gebleven." In 1910 wordt De Bussy werkzaam gesteld aan het Rijksarchief in Utrecht onder leiding van Muller, in 1912 wordt hij tijdelijk ambtenaar, hij doorloopt er de verschillende rangen en is in 1920 hoofdcommieschartermeester .Tot alle van het Utrechtse Rijksarchief uitgaande publicatiën draagt hij, grotendeels in belangrijke mate, bij. Nochtans zou hij daar niet hoger klimmen op de ladder der ambten; zekere weerstanden, mij overigens tot in bijzonderheden niet bekend, spraken hierin hun woord; en in datzelfde jaar 1920 was er, zonder echter voortgang te hebben, sprake van De Bussy's sollicitatie voor adjunct-archivaris van Amsterdam en voor een plaats aan het Landsarchief te Batavia. Op 18 October 1922 trad hij te Kruiningen in het huwelijk met Geertruida Hermina Kolff van Oosterwijk, uit welke echt een dochter en een zoon zijn geboren. Tot 1927 bleef De Bussy te Utrecht werkzaam. Met ingang van 1 Februari 1928 immers benoemde hem de Gemeenteraad van Amsterdam tot Archivaris ter opvolging van Dr. Joh. C. Breen. Tot 31 December 1949, op 65-jarige leeftijd heeft hij de functie bekleed. Wel ver van een verzaking te vormen van De Bussy's jeugdgelofte in het
Archiefgebouw te Deventer was zijn overgang van Utrecht naar Amsterdam daarvan
de bevestiging. Toch is ze een keerpunt geworden in zijn ambtelijke leven en had
ze haar gevolgen mede in het maatschappelijke. Wie De Bussy gekend heeft en ook
Muller, wordt in beider levensgang getroffen door sterke punten van verschil
naast andere van overeenkomst: wie niet beiden gekend heeft, neme H. E. van
Gelder's voortreffelijke Levensbericht voor deze Maatschappij van Muller ter
hand. En hij zal het dadelijk als een lijnrechte tegenstelling voelen, dat
Muller aldra Utrecht veel heerlijker dan Amsterdam vond. Zou echter ,zo vraag
ik, indien De Bussy te Utrecht een werkkring ten deel gevallen ware, zijner
waardig, ook hij niet zijn uitgegroeid tot de Utrechtse figuur, die Van Gelder
terecht in Muller ziet? De som van de bestuursbemoeienissen op het gebied van
wetenschap, kerk en maatschappelijk leven -- en men mag hieraan dit der kunst
toevoegen, bedenkende dat te Utrecht zijn belangrijke verzameling van
schilderijen, tekeningen en grafiek door Jan Mankes haar oorsprong had gevonden
-- schijnt ten antwoord te geven, dat voor De Bussy mettertijd een zodanige
plaats was weggelegd. Het zal hem zeker niet licht zijn gevallen die talrijke
banden met Utrecht te ontknopen. En hieronder zal hij toch ook die der
samenwerking met wijlen Muller hebben begrepen. Het keerpunt, waarvan ik gewaagde, bij De Bussy's terugkomst in de hoofdstad zoeke men uitsluitend in zijn ambtelijke werkkring. Hij verheugde zich overigens weer te zijn in de vertrouwde omgeving, waar hij oude vrienden aantrof. Voor de gederfde functies in het wetenschappelijke en het kerkelijke stelde Amsterdam hem meer dan schadeloos. Zijn Mankes-verzameling vond er een waardige omlijsting in de huizing aan de Oranje-Nassaulaan 23, waaraan reeds aanstonds op zijn aanwijzing het clichékarakter van omstreeks 1900 was ontnomen en die hij gedurende juist een kwart eeuw tot zijn dood toe zou bewonen. Maar De Bussy, nu voor het eerst aan den top gekomen, had zich erop te
bezinnen, hoe hij de leiding naar binnen en naar buiten zou voeren. Naar binnen
kwam hij voor de moeilijkheid te staan, positie te kiezen te midden den zijner
vreemde medewerkers. Deze moeilijkheid overwon hij gemakkelijk. Zijn goedheid en
zijn wijsheid, zijn humor en zijn universele kennis, gerugsteund door een stalen
geheugen, verzekerden hem een eerbiedige sympathie bij allen op het Archief
werkzaam, wier scholing hij, zonodig door persoonlijke medewerking, krachtig
steunde. En dit geldt onverminderd voor zijn plaats onder de Directeuren van de
Gemeentelijke Diensten en Bedrijven. Anders lag het bij de betrekkingen tot de
Gemeentelijke Administratie in engeren zin; het Gemeente-Archief, ondergebracht
in het oude Raadhuis van Nieuwer-Amstel, stond aan de periferie van Amsterdam,
niet slechts in ruimtelijke, maar ook in ruimere betekenis. Van de noodzaak tot
verbeteringen in de huisvesting was De Bussy zeker overtuigd, maar hij ontging
liever den ambtelijken strijd; den ambtelijken stijl miste hij geheel, niet
alleen in zijn correspondentie. Grote vol doening heeft hem de herdenking
geschonken van het eeuwfeest van den Gemeentelijken Archiefdienst in 1948. Een
tentoonstelling in het Waaggebouw heeft toen op waardige wijze uitgedragen, wat
het Archief betekent in het stedelijk bestel. En zijn vrienden zo goed als De
Bussy zelf hebben zich verheugd in zijn benoeming in dit verband tot Officier in
de Orde van Oranje-Nassau. Zijn Vader. Sterk toch heeft De Bussy zich diens voortzetter gevoeld. Le mort saisit le vif. Er zijn verschillende oorzaken, die hem, den meest hokvasten en den enigen, die een academische studie op het gebied der humaniora voltooide, daartoe eerder aanwezen dan een der andere kinderen. Het was hem goed in den geest van en gelijk zijn vader de Doopsgezinde Broederschap te dienen; en het viel hem zwaar toen het onvermijdelijke tijdstip in 1951 daar was, waarop die dienst een einde nam. Gelijksoortige gevoelens moeten toen bij De Bussy zijn gerezen als in 1945 bij het overlijden na langdurige ziekte van zijn oomzegger Dr. J. C. Westermann, in wien hij zijn opvolger in historicis had mogen zien. In die Doopsgezinde omgeving heb ik De Bussy in zijn Utrechtse periode leren kennen en in latere jaren waren wij elkaar nader getreden. Meer en meer trad de indruk op den achtergrond, dat bij hem de calembour gold om den calembour, waarop Enklaar doelde en dit terecht verwierp. Ik zie hem nog, ook in kleinere bijeenkomsten allerminst een veelspreker, scherp schouwend de beraadslagingen volgen en, zo hij het op zijn weg vond iets te zeggen, beginnen met een verontschuldiging, dat hij ging spreken, een verontschuldiging, waarvoor nauwelijks iemand aanleiding vond. Het is zeker, dat De Bussy met warme aandacht de Doopsgezinde belangen heeft gevolgd en hun zijn tijd heeft geofferd. Wat dit ten aanzien van zijn lidmaatschap in de Kerkeraden van Utrecht en Amsterdam wilde zeggen, vermag ik niet af te wegen. Wel kan ik uit ervaring oordelen over de mate, waarin zijn werk in meer algemenen zin met name voor de Algemeene Doopsgezinde Sociëteit op zijn tijd beslag legde. Het komt me voor, dat dit krachtiger geldt voor zijn eerste,Utrechtse bestuursperiode (1922/7), dan voor de latere Amsterdamse (1940/51). Als jong bestuurder der A.D.S. had De Bussy gewezen op den dreigenden ondergang der archieven vooral in de kleinere Doopsgezinde Gemeenten; op zijn voorstel werd een Commissie in het leven geroepen ter bestrijding van dit euvel, waarin hij de omnis homo was. Deze bereikte, dank zij De Bussy, spoedig, dat gered werd, wat te redden viel, waarna haar taak zich tot toezicht bepaalde; een tweede bemoeiing, die De Bussy uitnemend vervulde, was die, de gelden bijeen te brengen om kleinere gemeenten in een deel des lands in staat te stellen tot zekere verhoging hunner predikantswedden. Ook dit werk kromp geleidelijk in, naarmate deze gemeenten, vacant geworden, onder een andere regeling kwamen te vallen. Wel trad in 1941 hiervoor het lidmaatschap in de plaats van sommige andere commissies, waarvan De Bussy dat van het Curatorium bijzonder op prijs stelde, maar het bijwonen van enkele vergaderingen zonder hieruit voortvloeiende verplichtingen van administratieve aard, kan toch niet meer dan het geval is bij elke andere functie, de verklaring vormen van uitgebleven wetenschappelijke publicaties. Dat de ontstentenis van Muller's animerend voorbeeld of de opvatting, die De Bussy van de taak had van Amsterdams Archivaris, die verklaring afdoende zou geven, bevredigt mij evenmin. Het meest ligt voor de hand, dat De Bussy, buitengewoon scherp analyticus, die hij was, de synthetische arbeid allengs minder lag. Zijn toespraken, welke als schitterende improvisaties klonken, waren -- zo zei men vaak -- gepraemediteerd en over en opnieuw over gepolijst. De Bussy wist zich geen snel werker. Kan men dit beter uitdrukken dan in zijn eigen woorden, toen hij in zelfspot, maar misschien toch niet zonder zelfverwijt zeide, dat een Levensbericht voor Letterkunde het licht nooit zou zien, nu hij er de verzorging van op zich had genomen ? Daarnaast zal De Bussy's achteruitgaande gezondheid zijn invloed hebben geoefend. Herhaaldelijk dwong die hem tot opname in een ziekenhuis. Weder op 21 December 1952, maar Oudejaar zou hij thuis kunnen doorbrengen. De Bussy heeft zijn woning niet teruggezien. Deze zeven maanden was een wreed en een moedig gedragen lijden zijn deel. Het wekte de herinnering op aan de laatste ziekte van zijn vader; de bezoeker repte hiervan niet en De Bussy evenmin. Diens geest was lang onverzwakt en de schitterende causeur in hem niet ten ondergegaan, zij het somtijds met een meer beschouwelijken inslag dan gewoon. Hij zinspeelde er eerder op dan dat hij uitsprak, dat het lopen hem niet mogelijk was en hield er zich mee bezig, of hij bepaalde maatschappelijke functies nog wat langer of wat korter zou vervullen. Opnieuw werden de gedachten van den bezoeker bepaald bij een ziekbed, in Frankrijk, hoezeer overigens De Bussy van Lodewijk XVIII verschilde, die ten dode aan het bed gekluisterd, voortging met de erudite scherts, hem van jongs af eigen, maar van wien ook het koninklijke woord is "non pedes, sed caput regem faciunt". Op 24 Juli verloste de dood De Bussy uit zijn lijden en slechts zeer enkelen uit zijn naaste omgeving droegen hem naar het voorbeeld van zijn vader in alle stilte grafwaarts. De Bussy heeft geweten, dat het nageslacht hem in gedachten niet zou toevoegen aan de trits van Mr Hendrik van Wijn, R. C. Bakhuizen van den Brink en Mr. S. Muller Fz., zijn grondleggers van het Nederlandse Archiefwezen. Hij heeft misschien niet geweten, hoe dankbaar velen zouden zijn gestemd, zo zijn werk ook in de latere jaren sterker sporen had nagelaten. Maar wat is van wezenlijker waarde, dit alles of dat zijn verwanten en vrienden hem mogen zien als een getrouwe dienstknecht, die is ingegaan in de vreugde zijns Heren? CHR. P. VAN EEGHEN LIJST VAN GESCHRIFTENIn den studententijd te Leiden heeft De Bussy veel in de hiervoor in aanmerking komende organen gepubliceerd, vaak echter anoniem of onder pseudoniem, zodat volgens tijdgenoten de kans op identificatie vrijwel uitgesloten is.Onder de nagelaten papieren bevinden zich ongedateerde autobiografische aantekeningen, naar het schijnt van 1927, waaraan de gegevens voor onderstaande literatuur-opgave grotendeels ontleend zijn. Daarenboven maken deze aantekeningen gewag van enige kleinere bijdragen in het Ned. Archievenblad, van boekbeoordelingen en korte bijdragen in het Utr. Prov. & Sted. Dagblad, het Algemeen Handelsblad en het Weekblad voor het Recht echter zonder vermelding van vindplaats; voorts van jaarverslagen en toespraken door hem q.q. uitgebracht of gehouden en gedeeltelijk in druk verschenen. Voor den Amsterdamsen tijd valt op de jaarverslagen eveneens te wijzen en in het bijzonder op de verslagen van het Gemeente Archief. Voorts dateren daaruit kleinere bijdragen, voornamelijk voor de kerkelijke pers en inleidingen of voorwoorden voor boeken betreffende Amsterdam of tentoonstellings-catalogi.
▲ terug naar de top van deze pagina -2- J.C.Westerman
Deze tekst is overgenomen van Afkomstig uit: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1947-1949, pag. 194-201.JOHANNES CORNELIS WESTERMANN(Laren, 11 Juni 1905 -- Rotterdam, 28 November 1945)
Wanneer een verdienstelijk man van 40 jaar wordt weggenomen, de vader van een jong gezin, die juist de maatschappelijke erkenning van zijn betekenis heeft verkregen, dan is dat steeds een treffend geval. De ontroering bij velen, toen de dood van Kees Westermann hun werd aangezegd, wordt daarmee alleen niet verklaard. Hij was door gaven van hoofd en hart een graag gezocht vriend voor velen, die zich verkwikten aan zijn evenwichtige opgewektheid, zijn rustige levensmoed, zijn vertrouwengevende onbevangenheid van oordeel, zijn eerlijk zoeken naar waarheid. Zij kenden hem als een hulpvaardig en belangstellend man, die luisteren kon, en kwamen tot hem in de nooit teleurgestelde verwachting dat zijn benadering van problemen hun gemoed zou op streek helpen brengen. Aan zijn graf heeft een van hen daarvan getuigd. Westermann boeide niet alleen zijn tijdgenoten, ook ouderen gevoelden zich tot hem aangetrokken en gaven hem vertrouwen. Zijn ordelijke en werkzame geest, zijn kennis van zaken, zijn voorzichtig oordeel, zijn belangeloze toewijding, de eenvoud wanneer hij zijn meningen of bedenkingen uitsprak, maakten hem een aantrekkelijk medewerker ook voor hen. Hij was volstrekt afkerig van leuzen of dogmatiek en bleef critisch tegenover elke stellige verzekering, maar dan op een manier die niet verkilde als uiting van negativisme, maar die juist gevoeld werd als een poging om mee te helpen opbouwen. Het deed vele kringen voor hem openstaan, van radicalen en conservatieven, van geleerden en zakenmensen, van autoriteiten en particulieren. En hij op zijn beurt genoot daarvan, want hij werkte graag met anderen samen, verkeerde in het algemeen graag onder mensen en had er plezier in uiteenlopende krachten samen te brengen voor een constructief plan. Hij heeft maar weinig mensen bepaald antipathiek gevonden. Het waren de overheersenden en de volstrekte negativisten. De geremden heeft hij misschien niet altijd gepeild. Dat zij zich met hem toch gelukkig konden voelen kwam door de onbevangenheid van zijn wezen en de hartelijkheid waarmee hij hen in zijn kring betrok en later in zijn gastvrij huis ontving. Dit alles veronderstelt een man met eigen inzicht en voorkeur, met duidelijke waardebepalingen en een ontvankelijkheid van geest en gemoed. Westermann bracht veel van dit alles mee uit het gelukkige gezin van zijn ouders, waar principiële eenvoud en brede geestelijke belangstelling de sfeer bepaalden. Hij was een van acht kinderen (zes zoons en twee dochters) van C. J. J. Westermann, die de rubriek wetenschappen van het "Algemeen Handelsblad" verzorgde en sterk theologische belangstelling had, en van E. le Cosquino de Bussy, de dochter van den bekenden theologiae professor van de Universiteit van Amsterdam. Zijn ontwikkeling leidde van de H.B.S., die hij te Hilversum doorliep, over het staatsexamen ß, dat hem de studie in de rechten zou openen, naar de geschiedenis, waartoe hij onder leiding van dr Loenen zich voor het aanvullingsexamen voor de faculteit bekwaamde, reeds na zijn eerste studentenjaar. Al in de studentenwereld werd zijn betekenis opgemerkt. De invloed van zijn houding en optreden bepaalde mede de overgang van bravour naar een meer intellectuele belangstelling bij zijn dispuutgenoten -- hij was een "Beets"-man geworden. Voor de lustrumsenaat van 1927, die in zoveel met de professoren zou moeten samenwerken, was hij een ideale ab-actis. Het gedenkboek der Amsterdamse studenten hielp hij mee opzetten en hij was de aangewezen man om daarvoor de geschiedenis der disputen te schrijven, juist omdat hij het vertrouwen had van alle richtingen en groepen in de studentenwereld. Naast zijn historische belangstelling, die zich hier deed gelden en die hem ook voor behoud van traditie en continuïteit deed opkomen, liet hij zich kennen als man met orgaan voor poëzie. En evenzeer stond hij open voor natuur en natuurschoon. Hij was een geestdriftig zeiler en zwemmer. Het werkte alles samen in zijn lust tot reizen. Het leidde ertoe dat hij na afgelegd doctoraal examen uitzag naar de mogelijkheid van een studiereis. Het was de tijd waarin de Holland-American Foundation studietoelagen beschikbaar stelde voor een verblijf in de V.S. Westermann werd een der begunstigden. Was het vooral deze toevallige mogelijkheid die zijn keuze bepaalde? Zeker niet alleen. Hij heeft altijd belangstelling gehad voor de wereld buiten Europa, omdat vergelijkingsmogelijkheden het eigene van de oude Westerse wereld zouden kunnen verduidelijken. In dat verband kan men ook zijn latere reis door Indië zien als een onderneming die bij zijn aard en geest paste. Maar geheel en al voorbereid heeft hij de reis in Amerika toch ook niet aanvaard. Hij vertrouwde erop dat hij er wel een onderwerp voor een proefschrift zou vinden en hij heeft er ook een ontdekt. Maar dat was toen inderdaad wel een toevallige vondst, die hem nooit volle bevrediging heeft gegeven en die hem jaren lang heeft bezet doen blijven met werk dat geen gelegenheid kon bieden om ten volle te tonen waartoe hij in staat was. De verschijning van zijn proefschrift The Netherlands and the United States, their relations in the beginning of the nineteenth century maakte hem in 1935 eindelijk vrij van wat hij als een last moet hebben gevoeld. De afstand die hem scheidde van de studentenjaren, die in 1928 met zijn doctoraal waren afgesloten, was toen al groot. Hij had ruim andere half jaar als wetenschappelijk assistent gewerkt in de bibliotheek van het Vredespaleis en was in Sept. 1932 assistent 1e kl. geworden voor de economische geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 1934 was zijn verloving gevolgd met mej. W. E. Heinsius van den Berg, doctoranda in de medicijnen. In December 1935 trad hij met haar in het huwelijk en vestigde hij zich aan zijn geliefde Prinsengracht. Het was hem welkom geweest dat hij in 1932 weer naar Amsterdam had kunnen terugkeren, waar het samentreffen van traditie en modern leven, van geestelijke belangstelling en practische ondernemerslust hem zo boeide. Ook in Den Haag had hij oude vrienden terug gevonden en nieuwe gemaakt, maar het wonen daar had hij toch steeds als iets voorlopigs gevoeld. Men kan zeggen dat hij in zijn hart Amsterdammer is gebleven ook in die tijd. Het leven heeft maar eenmaal hem voor de noodzaak gesteld die oude liefde los te laten en zich op iets anders te richten -- en toen waren, naar blijken zou, zijn dagen geteld. Zijn leven heeft ook in ander opzicht eenheid en vastheid gekend. Hij heeft nooit anders gewild dan een wetenschappelijke loopbaan. Het was een hachelijk streven in Nederland, dat slechts zo beperkte mogelijkheden daartoe biedt. Voor Westermann, die materiële genoegens zeer op prijs kon stellen, maar er toch ook maar weinig naar uitging, was dat geen bezwaar. Hij bleef ook rustig in de eenmaal gekozen banen voortgaan, toen de huwelijksplannen opkwamen, maar nam ook zonder morren allerlei betalende opdrachten aan, toen de belangen van het gezin dat vergden. Zo zien we hem werken aan zijn inleiding op de catalogus van de bloembollententoonstelling en schrijft hij zijn geschiedenis van de Amsterdamse K. v. K. Hij geeft een geschiedenis van de Nederlandse blikindustrie en van de bedrijven der Goedkoops. Een geschiedenis van de staalfabriek van De Muinck Keizer lag bij zijn overlijden gereed. De geschiedenis van de Amsterdamse Bank had hij juist ter hand genomen. Bij het werk voor die boeken stelde hij zich steeds tot taak de jubilerende bedrijven te schetsen als resultaat van het bijzondere initiatief dat op een algemene voorontwikkeling inwerkte. Hij liet ook zoveel mogelijk de beschreven nijverheid zien in haar betrekkingen tot het overige bedrijfsleven. Zijn publicaties hebben daardoor steeds belang voor de wetenschap der economische geschiedenis en leveren bouwstoffen voor een samenvattend boek dat hij een plicht der vaderlandse wetenschap achtte. Voor hem zelf betekende het werk ervoor een verrijking van zijn ervaring, grote vaardigheid in oriëntering en oefening in compositie en vormgeving. Vergeleken bij het werk uit zijn studententijd zijn deze boeken een grote vooruitgang. Afzonderlijk moet zijn beschrijving worden genoemd van het bedrijf der K.P.M. waartoe hij, voor enige maanden samen met zijn vrouw, een reis door de Archipel mocht maken. De historicus laureatus van de Nederlandse scheepvaartmaatschappijen, dr M. G. de Boer, die de geschiedenis van de Mij. beschreef, voelde zich te oud voor zulk een verkenningstocht en liet dit gedeelte graag aan den jongeren vakgenoot over. De voorgeschiedenis heeft Westermann zelf nog eens behandeld in het verzamelwerk: Daar werd iets groots verricht. Toen hij in het Oosten was, brak de 2de wereldoorlog uit, die hem via de Kaap deed terugkeren. Indië liet hem niet los. De gedachte dat daar ginds na de oorlog spanningen zouden blijken te zijn ontstaan deed hem omzien naar een middel om ook dan een rustige beoordeling van de situatie mogelijk te maken, waarop immers alles in hem steeds zoveel prijs stelde. Zo ontstond het boekje Vreemden over Indië, dat in Maart 1946, na zijn dood, zou verschijnen. Naast het werk om den brode was er ook tijd voor zuiver wetenschappelijke publicaties, o.a. over de riviertollen van Gelre in de 14de eeuw, een der weinige studies die hij aan een onderwerp van middeleeuwse geschiedenis heeft gewijd en waarop dan ook na verschijning van andere kant nog enige aanvulling moest volgen. Hij heeft ook geregeld bijgedragen tot de boekbesprekingen in het "Tijdschrift voor Geschiedenis", de rubriek die hij in een wetenschappelijk vaktijdschrift het belangrijkste achtte. Geruime tijd na zijn dood verscheen daar nog zijn critische studie over de convoyen en licenten, die hem zo volkomen waardig is. Het is alles bij elkaar een heel oeuvre voor een man die nauwelijks de veertig mocht bereiken, ook al heeft hij zich dan meer aan het voorbereiden van publicaties kunnen wijden dan menigeen. Meent echter niet dat hij niets anders om handen had. Zijn assistentschap gaf veel werk, ook al werd het later bij de algemene bezuiniging in officiële waardering en bezoldiging -- maar niet in werk -- omlaag gebracht. Om de regelmatige inkomsten wat aan te vullen ondernam Westermann het wekelijkse overzichten over buitenlandse politiek te schrijven voor de beurskrant "De Zakenwereld". Hij zag er het nut van in voor zijn lezerspubliek en voelde het werk ervoor ook als een oefenschool, waarin hij, die moeilijk een geschrift uit handen kon geven, gedwongen werd in vaste regelmaat te produceren. Bijzonder genoten heeft hij van zijn leeropdracht voor de economische geschiedenis aan de Troelstra-school in Beekbergen, waar toekomstig kader gevormd werd voor de moderne arbeidersbeweging en de S.D.A.P. Hij mocht er in ondogmatische geest meewerken aan de ontwikkeling van begaafde en hard werkende jonge mensen en vond er in de weken van samenzijn met leerlingen en mede-docenten een sfeer, die hem weldadig aandeed. Aan het begin van 1940 werd hij secretaris van het genootschap Amstelodamum, een functie waarvoor hij èn de liefde èn de kennis èn de vaardigheid bezat. Hij maakte in die functie alle zorgen mee van de bezettingstijd en hield het werk gaande tot er niets meer tot stand te brengen viel. In vertrouwen op de toekomst regelde hij ook allerlei voor toekomstige publicaties. Toen de bevrijding kwam, trok hij erop uit om het maandblad van het genootschap, alle papiernood ten spijt, weer te doen verschijnen. Hij was in zijn houding tegenover de bezetter bedachtzaam maar vastberaden. Zijn afscheid van de Joodse leden van Amstelodamum in het jaarverslag van 1941 getuigt daarvan. Hij poogde ook te midden van de ellende van de hongerwinter afstand te houden tegenover de drukkende zorgen en de ontstellende gebeurtenissen en al vloog veel onrecht en redeloze vernieling ook hem aan, hij kon toch voor velen een steun blijven in vertwijfeling. Toen zijn leermeester en chef, prof. N. W. Posthumus, was afgezet, heeft hij in overleg met hem veel van het werk aan de Universiteit en aan het Economisch-Historisch Archief gaande gehouden, hoezeer schroom om op de stoel van Posthumus te gaan zitten hem daarbij eerst vervulde. Na de gebeurtenissen van Febr. 1943 heeft hij zich voor werk aan de Universiteit niet meer beschikbaar gesteld en na een pijnlijk gesprek met een der Duitse machthebbers is hij als assistent ontslagen. Het Economisch-Historisch Archief heeft hem tot kort voor zijn dood als wnd. directeur mogen behouden. Posthumus is er pas in het najaar van 1945 teruggekeerd. Westermann is regelmatig met de zaken van het archief bezig geweest, met voorbereiding van publicaties, besprekingen over de na-oorlogse toekomst, met aankoop en ruil, en met het zoeken van steun voor een studiefonds, waardoor hij uit de overvloed van betalingsmiddelen iets ten goede wilde laten komen aan het economisch-historisch onderzoek. Het fonds is tot stand gekomen naar zijn denkbeeld en zijn uitwerking. In de loop van de jaren, die sinds 1932 verlopen waren, was de maatschappelijke positie van Westermann niet verbeterd. Integendeel, reeds vóór de bevrijding was ze door bezuiniging zwakker geworden. De Duitsers hadden hem tenslotte ontslagen. Het schijnt hem niet te hebben verontrust. Toen hem het aanbod gedaan werd om bibliothecaris te worden van de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam, heeft hij dat niet terstond met gretigheid aanvaard, maar eerst er ernstig over nagedacht wat hem te doen stond. Hij nam de positie aan meer uit gevoel van plicht jegens zijn gezin dan in vreugde over de erkenning van zijn werk of het vooruitzicht van zelfstandigheid en leiderschap. Of hij Amsterdam zou hebben kunnen vergeten, of Rotterdam hem dierbaar zou zijn geworden, het staat te bezien. Op 1 October 1945 begon Westermann zijn nieuwe werk. Op 6 October was hij weer in Amsterdam voor het overdragen van functies. Op 10 October werd hij te Rotterdam bedlegerig en toen een maagperforatie was geconstateerd werd hij naar het diaconessenhuis overgebracht. Na vele ingrepen die de verwachte verbetering niet mochten brengen, is hij, die zijn leven lang practisch niet ziek was geweest en die nog een toonbeeld van blozende gezondheid scheen bij zijn afscheid in Amsterdam, in de nacht van 27 op 28 November overleden. Er was verslagenheid onder de velen die op 1 December op "Zorgvlied" zijn baar volgden.
P.J. VAN WINTER
LIJST VAN GESCHRIFTEN *
Bovendien vindt men van de hand van Westermann bijdragen in: Propria Cures, jrg. 38, 39, 40; -- Tijdschrift voor Geschiedenis, jrg. 47, 48, 52, 53, 54, 55, 57, 59 (boekbesprekingen) en jrg. 51 (verslag van een lezing voor het derde congres van Nederlandsche historici over: De Vereenigde Staten en de overgang tot een liberale politiek in Nederland); Maandblad Amstelodamum, jrg. 27, 29 (boekbesprekingen); Jaarboek van het genootschap Amstelodamum, 1940-1944 (jaarverslagen). * Samengesteld door Aleida Gast. ▲ terug naar de top van deze pagina
|
|