De geschiedenis van het steenhuis en de borg
te Dijkum
Inleiding
In een aantal
gevallen is de plaats van een verdwenen borg aan de hand van een gracht en
borgstee nog vast te stellen. Zo ook met de plaats van de voormalige
Dijkumborg, waarvan de samenstellende delen van de aanleg zich tot 1971 zonder
moeite in het terrein lieten herkennen. Het betreft een terrein bestaande uit
een centraal gelegen borgstee, een binnengracht, een wal of singel en een buitengracht
(kadastrale percelen, gemeente Stedum, sectie D 2, nrs. 289, 290 en 291).

1.
Borgstee. 2. Hissemaheerd. 3. Weg naar Garsthuizen.
4.
Dijkumerweg. 5. Weg over Wijnjetil naar Zeerijp. 6. Garsthuizer Maar.
Hoe ver de
geschiedenis ter plaatse teruggaat is niet met zekerheid te zeggen. Dat er
echter redenen zijn om aan te nemen dat het terrein van de Dijkumborg reeds
vóór historische bronnen hieromtrent iets vermelden een functie heeft gehad,
blijkt uit de geografische situering, de aanwezigheid van de wal of singel en
de hoge ligging van de borgstee. Ook de afmetingen van ter plaatse gevonden
kloostermoppen 30 x 15 x 10 cm wijzen in deze richting. Deze dateren uit de
tweede helft van de 12de eeuw en behoren tot de alleroudste bekende bakstenen.
Dijkum of
Dikum, een gehucht bij Garsthuizen in Fivelingo, moet onderscheiden worden van
Deikum, een gehucht bij Pieterburen in Hunsingo. Het eerstgenoemde wordt
uitgesproken als Dikum, het laatstgenoemde als Daikum. De oorsprong van Deik in
Deikheim of Deikum is onbekend, maar Dijkum (Dijkheim, Dikheim, Dikeheim of
Dikaheim) is het heim van Dike. De Friese mansnaam Di of Dy of Dye, die nog in
Friesland voorkomt, heeft Dike als verkleinvorm, en dit Dike is nog heden,
vooral in Oostfriesland, een algemene mansnaam. Van deze naam zijn de
geslachtsnamen Dikena, Diken, Dijken, Diekens, Dijkema, Dijkama, Dijkma,
Dijksma, Dikema, Dikken, die alle in de verschillende streken van Friesland
voorkomen, Dikkens (in Holland), Dickens, Dykings, Ditchling, Diceling, Dycing
(in Engeland) afgeleid, en tevens de plaatsnamen: Dikeningen, een voormalig
klooster in Drenthe; Dikenshoff, een sate bij Wirdum in Oostfriesland; Diken,
een gehucht bij het dorp Pakens in Östringen; en Diekhusen, een gehucht bij
het dorp Minsen in Wangerland (de beide laatste in het Oldenburger Friesland).
Het westelijk gelegen Garsthuizen
ontstond aan het einde van de 12de eeuw na de aanleg van de Fiveldijk in 1192.
Het dijkenpatroon rond de Fivelboezem laat zien dat de plaats van het borgterrein
ligt tussen twee zeedijken, te weten de toenmalige westelijke dijk van de
Fivelmonding en een slaperdijk. Dit onderstreept de strategische betekenis
toendertijd van de plaats van de latere Dijkumborg.

Reconstructie
van de Fivelboezem in de elfde eeuw.
De ligging aan de nog open Fivel
strookt geheel met die bij sluizen, kruispunten van wegen, aan zee en
dergelijke waar doorgaand verkeer kan worden gehinderd of geblokkeerd en welke
in deze periode karakteristiek is voor een zogenaamde chateau à motte. In het
onderhavige geval kon de toegang tot de haven van Westeremden voor schepen
worden belet. De verhoogde borgstee op het terrein van de Dijkumborg doet
vermoeden dat ook hier sprake is geweest van een dergelijke chateau à motte,
dat wil zeggen de bouw van een versterking op een omgrachte ronde heuvel.

Oude dijken
in de Fivelboezem.
Deze versterking heeft zeer
waarschijnlijk de vorm gehad van een steenhuis – de oudst bekende borgvorm –
bestaande uit een eenvoudig gebouw met zeer dikke muren en kleine vensters,
geheel op de verdediging ingesteld. Hoelang ter plaatse een dergelijk steenhuis
heeft gestaan is onbekend. De inpoldering van de Fivelboezem en de toenemende
invloed van de stad Groningen zal tot het verval van het steenhuis hebben
bijgedragen.
Het is niet
onmogelijk dat de uiteindelijke keuze van de plaats voor de bouw van de
Dijkumborg – vermoedelijk in de 16de eeuw – bepaald is door de nog zichtbare
overblijfselen van de voormalige borgklip. Het landschap ter plaatse had zich
inmiddels sterk gewijzigd. De Fivel was dichtgeslibd en Westeremden kende geen
haven meer. Ook hadden de hier gelegen dijken hun oorspronkelijke functie
verloren en waren wellicht reeds geheel of gedeeltelijk afgegraven. Uit welke
periode de rechthoekige vorm van wal en grachten van de Dijkumborg dateert is
niet met zekerheid te zeggen. Het voorbeeld van de Onstaborg te Sauwerd, die
volgens de kaart van Haubois uit 1641, in die tijd zijn rechthoekige vorm van
terrein en grachten nog niet kende, laat zien dat deze nog in de 17de eeuw kan
zijn ontstaan.

Kwelders en dijken rondom Garsthuizen.
De voortzetting van de Dijkumerweg naar
Wijnjetil is niet aangegeven.
Het is
denkbaar dat bij de thans bekende aanleg van de Dijkumborg de aanwezigheid van
het naastgelegen dijklichaam een rol heeft gespeeld. Wellicht vormde dit een
uitgangspunt voor de aanleg van het circa 55 m brede westelijke walgedeelte. De
voor het noordelijk en zuidelijk walgedeelte benodigde grond zou verkregen
kunnen zijn bij de afgraving van het overige dijklichaam. De grond van de
verhoogde borgstee en wallen bestond uit zand. De nieuwe vorm die men aan het
terrein gaf is in overeenstemming met de algemene aanname dat men bij de nieuw-
of verbouw van borgen eind 15de / begin 16de eeuw door het rustiger worden der
tijden hogere eisen aan de woning ging stellen dan enkel verdedigbaarheid.
Het borgterrein beslaat ongeveer 145 x
120 meter. De afmetingen van de borg zijn 46 bij 24 m. De Dijkumborg heeft een
rechthoekige vorm gehad met mogelijk één of twee verdiepingen en op elke
verdieping drie of meer ineenlopende vertrekken. De borg kwam aan drie zijden
uit het water op behalve aan de voorzijde, waar een voorterrein of terras lag.
In de noordelijke hoek waren drie keldergewelven, mogelijk uit de tijd van het steenhuis
(voor een analogie zie Verhildersum) met afmetingen van in totaal 8 x 12 m. Er
waren twee ronde torens aan elke kant één. Een 8 m breed gedeelte van het voorplein aansluitend
aan de borg was ommuurd. De borgstee en de singels staken meer dan 2
meter boven het maaiveld uit. De borggrachten zijn uitgegraven tot ongeveer 1½ meter beneden het maaiveld. De
binnengracht was dieper dan de buitengracht. De binnengracht was omstreeks 10
meter breed.

Plattegrond,
afmetingen (m) en hoogten (m) van het terrein van de Dijkumborg
De grond uit
de grachten is vermoedelijk verticheld. Aan de zuidwestzijde op de hoge singel was een
gebouwtje met veel misbaksels en aan de noordoosthoek veel pannenmateriaal. Het plein of terras was met een
borstwering omsloten en kan op de hoeken voorzien zijn geweest van een stenen
wachthuisje. Een brug zal toegang hebben gegeven tot het voorplein. In de
richting van de Hissemaheerd waren restanten van een schathuis en een
koetshuis.

Tekening van
Stellingwerff van de Boukumborg.
De aanleg van
de Dijkumborg met de twee ronde torens doet sterk denken aan de naburige
Boukumborg te Leermens, met als voornaamste verschil het bestaan van het
voorterrein. De aanleg onderscheidt zich verder nadrukkelijk van die van andere
bekende borgterreinen in de provincie Groningen, waar nimmer sprake is geweest
van een verhoogde borgstede of een hoge singelwal.
In de eerste helft der 16de eeuw
vestigde Barthold Tjarda van Starkenborgh zich in de Ommelanden vermoedelijk in
verband met zijn huwelijk met Bawe Vrilinges (Kater). In 1538 verkoopt Teso
Kater aan zijn zwager en nicht Barthold en Bawe het zevende deel van een heerd
lands, geheten Itummerheerd te Garsthuizen. In 1542 verkregen zij door ruil met
het echtpaar Johan van Ewsum en Henryk Kater nog een deel in Itummerheerd.
Barthold heeft waarschijnlijk in Garsthuizen gewoond, hoewel hij daar niet
voorkomt als hoofdeling. Hij is gestorven tussen 1561 en 1566 in de stad
Groningen. Zijn zoon Lambert wordt in 1569 vermeld als hoveling tho Dyckuma en
redger te Zandeweer. In 1618 wordt Dijkum genoemd in het grafschrift van Ludolph
Tjarda van Starkenborgh in de kerk van Leens. Ludolph was een zoon van
Lambert en Etteke Coenders. Hij trouwde met Hidde Onsta, erfdochter van
Verhildersum waar hij ging wonen. In 1618 stierven beide en kwam de heerd
land met behuizing, hoften, singels, poorten, grachten te Dijkum onder de
klokslag van Garsthuizen met al het huisraad bij erfscheiding toe aan hun
dochter Anna
Maria, getrouwd met Rembt ten Ham. Zij woonden in Dijkum
want Rembt compareerde voor Garsthuizen op de landdag. Hij sneuvelde
in 1622. Anna Maria hertrouwde met Johan Eppinus Huninga van Oostwold. Beiden
zijn in Garsthuizen begraven in 1638/39 als vrouwe en heer op Hissema, Dijkum
en Garsthuizen. Rembt en Anna Maria hadden een zoon Rembt geboren in 1622.
Rembt erfde Dijkum. Hij trouwde in 1651 met Anna Bertha van Ewsum. Na haar
overlijden in 1661 hertrouwde hij in 1667 met Anna Catharina Kijff. In 1669
liet hij Dijkum publiek verkopen. Rembt was een krijgsman
en sneuvelde in 1672. Anna Bertha en Rembt zijn in Garsthuizen begraven.
De schoolonderwijzer te Garsthuizen,
Tonnis Klaassens Land (1810-1869), schrijft in 1828 in het schoolmeesterrapport
dat het verhaal gaat dat bij de Dijkumborg veel geld begraven ligt. Ook wil het
volksverhaal dat daar twee (spook)juffers lopen. Tevens hebben oude mensen hem
verteld dat zij in hun jeugd gehoord hadden van een haas die, op een afstand
van tien minuten lopen van Garsthuizen, zich voortdurend vertoonde op de weg
van Garsthuizen naar Dijkum.
Het huis
Dijkumborg te Garsthuizen met het schathuis, hoven, grachten, 90 grazen
land (ruim 40 ha), met gerechtigheden is verkocht in 1669. Koper was Johan
Clant van Stedum. Johan zal er niet gewoond hebben. Dijkum werd in een onbekend
jaar gesloopt. Het laat zich gissen dat de afbraak van de Dijkumborg heeft
gediend tot de verbouw van de borg Nittersum die rond 1669-1671 werd uitgevoerd
onder leiding van de architect Vingbooms.
Omstreeks
1733 is Peter Harms getrouwd met Venje Jacobs de beklemde meijer op
Hissemaheerd. Het eigendom van de landerijen was inmiddels door vererving
overgegaan van de familie Clant naar de familie Rengers. Wanneer de landerijen
uiteindelijk vrij en eigen werden is onbekend. In 1758 kochten de voogden van
de kinderen van wijlen Fokke Heeres, bakker te Garsthuizen en Grietje Clasen
uit Westeremden, van Peter Harms het beklemde eigendom van 8½ grazen land gelegen
aan de oostzijde van de Dijkumerweg. In 1760
kocht hun zoon Claas Fockes (eind 18de eeuw kerkvoogd te Garsthuizen), getrouwd
met Hilje Nannincks uit Noorddijk, van Peter Harms de nabijgelegen boerderij
Hissemaheerd met beklemde landerijen. Tot de landerijen behoorde ook de
voormalige borgstee Dijkumborg. Het totale oppervlak van de landerijen was 49
grazen. Claas Fockes verkocht in 1824 de boerderij aan hun zoon Nanne Klaassen Bos
getrouwd met Janna Jacobs Bousema. De weduwe deed in 1873 de boerderij over aan
hun dochter Cornelske Nannes Bos getrouwd met Wiebrand Jans Bos. In 1884 werd
de boerderij verkocht aan Menne Pieters Nanninga getrouwd met Aaltje Melles
Nieveen. De verkoop was al gesloten wanneer Menne en Wiebrand, bij een uit de
hand gelopen ruzie tussen elkaar, het leven verliezen (zie bericht Leeuwarder Courant 3 oktober 1884). De
weduwe Aaltje betrok met haar jongste zoon de boerderij. In 1898 werden
boerderij en landerijen publiek verkocht. Eigenaar werd Berend Klaassen
Westerdijk getrouwd met Trijntje van Niejenhuis. Zij vergrootten het bedrijf in
1909 door aankoop van land met daarop
het inmiddels gesloopte boerderijtje in de hoek van de Dijkumerweg. In 1958
ging de boerderij over in handen van Jans Westerdijk getrouwd met Grietje Cornelia
Bolt. Tijdens hun boerenbedrijf werd de ingrijpende ruil- en herverkaveling
uitgevoerd. Hun zoon Berend Jan Westerdijk getrouwd met Jantina Attje Luitjens
ging later op de boerderij wonen. In 1998 werd het grootste deel van het land
verkocht aan hun zoon Berend Johannes Ulfert Westerdijk getrouwd met Janke
Diewerke Bouwsema
|
|
|
Foto’s voorjaar 1920. Links vanaf het borgterrein en rechts vanaf de noordsingel in westelijke richting van Garsthuizen.
Rechts de nog natte noordbinnengracht. Op de achtergrond koren- en pelmolen “De Hoop”. Foto’s van W.F. Pastoor met op de foto’s J. Vinhuizen.
In 1925 is de
borgstee ruim 1 meter verlaagd. De vrijgekomen grond, waarin slechts enkele
kloostermoppen herinnerden aan de voormalige borg, is in de omringende gracht
gestort
tot er gras op kon groeien.
Deze binnengracht was voordien, in 1924 bij de herbouw van de boerderij
Hissemaheerd, reeds gedeeltelijk opgevuld met grond afkomstig van het terrein
van deze boerderij. De binnengracht was nochtans gedurende drie eeuwen als
duidelijke laagte tussen borgstee en singel herkenbaar gebleven. De eveneens
duidelijk zichtbare wal of singel, ter breedte van respectievelijk 30-35 meter
aan de noord- en zuidzijde en 50-55 meter aan de westzijde, was aan de
zuidoost- en zuidwestzijde gedeeltelijk verlaagd ten behoeve van grondwinning
voor het dichten van sloten. De buitengracht – die als goed ontwikkelde sloot
aanwezig was – voerde, ook waar deze samenging met een gedeelte van de
overigens droge binnengracht, nog water. Op de plaats waar de noord- en
oostbinnengracht samenkwamen was later een zogenaamde dobbe uitgespaard.

Foto omstreeks 1966-1971. Vanaf de zuidsingel in noord-noordwestelijke richting van Menkemaborg.
In het midden de meer dan 2 m hoge westsingel en rechts de reeds gedeeltelijk afgegraven borgstee.
Op de achtergrond rechts boerderij “Dijkum”, Dijkumerweg 7.
Ondanks bezwaren van Gedeputeerde
Staten van Groningen en de Monumentenraad is het geheel in de zomer van
1971 geëgaliseerd met
als winst 0.4 ha landbouwgrond op een totaal bedrijfsterrein van meer dan 70
ha.

Locatie van het voormalig borgterrein in het huidige herverkavelde landschap (ca. 2006).
Ten noorden van het terrein is nog vaag de contour van de afgegraven Fiveldijk zichtbaar.