Scharreleieren

 

Alles verandert met de tijd en alles blijft ook hetzelfde.

 

In de periode voor 1960 werden op onze boerderij ruim tien kippen en een haan gehouden. Zij hadden een donker houten hok met langs de voorkant leg- en broedkisten aan de wand. Boven aan de achterkant een paar stokken om te rusten. Daaronder de mestplank. De kleine uitgang voor de kippen naar buiten kon in de nacht worden afgesloten. En op de lemen bodem van het hok waren een drinkbak en een pan met grit (schelpengruis) voor de calciumhuishouding. Er was een deel van het erf met kippengaas omheind, waar de kippen overdag onder de bomen voldoende loopruimte hadden. Waar ze wat groenteafval of gebruikte theebladeren naar binnen werkten of in de modder een worm of een larve verschalkten. Aanvullend kregen de kippen nog wat graan of maïs.

Dagelijks werden de eieren uit het hok gehaald en bewaard. Het eierrek was voor in de kelder van de boerderij. De verse eieren lagen onderop, alle eieren werden regelmatig omgekeerd. Omdat de kip soms modder aan de poten had, zagen de eieren er vaak wat morsig uit en er zat nu en dan een plukje kippendons op vastgeplakt.  Het kookwater van de eieren werd meteen gebruikt om een grote pot thee te zetten. Op die manier hadden we elke zondag een zachtgekookt ei bij het brood. Daarnaast gebruikte mijn moeder de eieren bij het bakken van cake. Ook werd van rauwe eieren wel eens advocaat gemaakt. Alcohol doodt immers de salmonella bacterie, maar dat wisten wij toen nog niet.

Wij noemden deze eieren destijds geen scharreleieren. Scharrelen was in de provincie Groningen een beginfase van de verkering. Elders ook wel een uitdrukking voor het gedrag van een persoon, die het met de formele regels niet te nauw nam.

Om de kringloop compleet te maken werden de eierschalen teruggegooid in de ren en werd de verzamelde mest uit het hok een paar keer per jaar op de moestuin gebracht. Daar groeiden dikke preien van. Dat deden ze ook van de volle privaatemmers, die mijn vader in de herfst en winter op de preienakker in de moestuin leegmaakte. De inhoud hiervan was gemengd met in vieren gescheurde pagina’s  van de radiogids "Vrije Geluiden" en het regionale dagblad. Dat werd in die tijd veel gebruikt als toiletpapier. In het voorjaar aten we deze prei, zacht gestoofd,  bij de aardappelen. Op een groot stuk witte prei in mijn bord kon ik één keer vaag in spiegelschrift lezen: “Pelleboer, morgen half tot zwaar bewolkt”

De verzorging van de kippen was in handen van de inwonende grootvader. Want het was nog in de tijd van de noodwet Drees. Grootvader zorgde er ook voor dat de kippen, die van de leg waren, werden gedood en geslacht. Zo at je gebraden kip of sudderkip. Van het karkas en de botten werd heerlijke soep getrokken. De overblijvende kale beenderen en de poten waren voor de hond. De veren werden gebruikt om smeermiddelen op draaiende delen van apparaten aan te brengen. Grote staartveren werden gebundeld aan een lange stok, een hulpmiddel om in de schuur spinnenwebben te verwijderen. Met een kippenvleugel werden de asladen van kachels gestoft. En kippendons werd in een zak bewaard om toegepast te worden als kussenvulling.

Om het aantal kippen op peil te houden, zorgde grootvader er samen met de haan voor, dat er soms een paar kippen gingen broeden. Ook nam hij voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat roofdieren te veel kuikens zouden vangen. Hij moest daartoe gaten in het kippengaas tijdig herstellen. En het lukte soms een bunzing in een val te lokken. Grootvader kreeg als beloning elke dag bij het brood een zachtgekookt ei.  

Het was niet allemaal positief. Ik heb nog altijd een litteken op het rechterdijbeen, dat destijds is ontstaan door een naar voren gerichte snavel van de agressief aanvallende haan. Ik begreep toen plotseling waarom volwassen mannen een lange broek dragen. Ook kon het gebeuren dat je na schooltijd vreselijk schrok van een fladderende kip aan de binnenkant van de schuurdeur. Grootvader hing ze daar op aan een dikke spijker. Aan een touw met een strop om de nek. Dan werd er een paar uur later weer één geslacht. Dit was voor mij als kind een schokkend beeld, dat de trek in een ei een paar dagen deed verminderen.  Langer niet, want een Partij voor de Dieren - om zulke gevoelens tot na de kiesgerechtigde leeftijd in stand te houden - bestond er toen nog niet. Daarentegen maakte de haan een vertrouwd sociaal-democratisch geluid. Op de boerderij hoorde je dat twee keer. Bij het krieken van de dag in het kippenhok en wat later bij de thee in de keuken op de radio. Hoe het precies zat weet ik niet meer, omdat na de oliecrisis door het kabinet Den Uyl de zomertijd werd ingevoerd.

Ergens in de tweede helft van de zestiger jaren veranderde dit allemaal. De pluimveehouderij werd grootschalig en geïndustrialiseerd.  De kruidenier werd om zeep geholpen door de supermarkt en de groene zeep vervangen door waspoeder. Bij zo’n supermarkt kon je alles krijgen: eieren, fabriekscake, mayonaise, wat later ook Amerikaanse diepvrieskip en spoedig daarna boerenkool en prei. Met wat extra zout smaakten de legbatterij eieren prima. Het zag er allemaal aan de buitenkant schoon en netjes uit. En je kreeg er een gratis plastic zak bij.

Gas verving de turf en de steenkolen. Iedereen had een stofzuiger. De insecten en spinnen kon je uitroeien met een spuitbus, die een mild zenuwgas bevatte. De resultaten van de militaire chemische research werden toen ook in de huishouding toegepast. De oorlog in Vietnam liep immers toch op zijn einde. De prijzen voor deze producten waren toen zo laag, dat het kippenhok bij de boerderij overbodig werd. De hele kringloop van de boerderijkip verdween. De eierschalen, lege spuitbussen, het groenteafval en de zeepdozen kwamen in de vuilnisemmer van de Gemeentereiniging. Overal werden riolen aangelegd. Alleen op de radio hield het kraaien van de haan nog een aantal jaren stand.

En toen kwam plotseling in het begin van de tachtiger jaren in Ten Boer het scharrelei. Hilda had van een buurvrouw gehoord, dat er elke veertien dagen bij ons in de wijk een man aan de deur kwam om ze te verkopen. Een oude boer die woonde onder Stedum. Hij was van de Gereformeerde Bond en genoot van de AOW. De man was een aantal jaren geleden vanuit Holland naar Groningen gekomen vanwege een uitbreidingsplan bij Rotterdam. En hij kon met de verkoop van scharreleieren nog wat bijverdienen. Hij maakte aan de deur graag een praatje over het geloof. Maar liever nog kwam de eierboer binnen om thee te drinken, want zijn vrouw was helaas toch al dood. 

Het waren heerlijke eieren. Ze waren niet veel duurder dan de legbatterij eieren van de Spar. Aan het uiterlijk van de eieren in de doos kon je zien dat het scharreleieren waren. Eén of twee ervan zagen er wat smerig uit en soms zag je ook een donsveertje. Zo hebben we drie jaar lang heerlijke eieren gegeten. Totdat ik op een middag van het werk thuiskwam en Hilda vertelde dat ze de eierboer woedend de deur had gewezen. Ze had in de buurt gehoord dat hij de eieren van de veiling haalde. Ik reageerde enigszins verbaasd. Het waren toch heerlijke eieren? En als de kippen al niet scharrelden, dan deed die boer dat immers zelf wel. 

Als je nu in de supermarkt komt, zie je bijna alleen nog dozen met scharreleieren. Het wrange is wel dat men de leeftijd voor de AOW wil verhogen zodat de grootouders straks weer langer moeten scharrelen. Misschien komt de kippenren nog eens terug.

  

Cor Uitham

Ten Boer augustus ’08