|
WAT
TE DOEN ALS ER EEN SPELER TE WEINIG IS VOOR EEN INDIVIDUELE WEDSTRIJD?
Als
u met vijf
spelers bent en u wilt bridgen, kan de
vijfde speler tijdens de eerste ronde voor de consumpties zorgen, de telefoon
opnemen, de kinderen die uit school thuis komen verwelkomen en de voordeur
open doen als de melkboer aanbelt. U kunt ronden spelen van vier spellen,
maar aan te bevelen is om hooguit drie en liefst twee spellen per ronde
te spelen.
Tijdens
de tweede ronde gaat de speler met nummer 5 op de Noord-plaats zitten en
is Noord (met spelernummer 1) aan de beurt om voor de consumpties, de kinderen
en de melkboer te zorgen, etc. Tijdens de derde ronde gaat de "klusjesman"
(m/v) met spelernummer 1 op de West-plaats zitten. En zo verder volgens
dit schema:
|
ronde 1
|
|
ronde 2
|
|
ronde 3
|
1
2
3
4
|
|
5
2
3
4
|
|
5
1
3
4
|
|
ronde 4
|
|
ronde 5
|
|
ronde 6
|
5
1
2
4
|
|
5
1
2
3
|
|
5
4
2
3
|
Maar wat als er 7 of 11 of
15 bridgers zijn?
Ik ga er van uit dat - wanneer
19 bridgers een individuele bridgewedstrijd willen speler - er sprake is
van een officiële organisatie. En in zo'n geval wordt er altijd voor
gezorgd dat er een voldoende aantal spelers aanwezig is om een officieel
schema probleemloos te gebruiken.
Dus nu alleen even
over het geval dat er slechts 7, 11 of 15 bridgers beschikbaar zijn voor
een thuiswedstrijd.
Dat kan ik alleen adviseren
om de oplossing te gebruiken die ik toepaste bij mijn minibridgelessen
op basisscholen. Daar kwam het ook wel voor dat er precies één
leerling te weinig was om aan alle tafels vier spelers te hebben.
Stel T = het aantal tafels
waaraan gespeeld zal worden.
Als (T x 4) -1 het aantal
beschikbare spelers is, dan is er geen goed schema voor een individuele
wedstrijd.
Maar...
In de tijd dat ik nog minibridgeles
aan basisscholen gaf, kwam het ook voor dat er een klas was waar het aantal
leerlingen (T x 4) -1 was. Toen gebruikte ik de volgde oplossing.
Bij minibridge wordt (nog)
niet geboden voorafgaand aan het afspelen van een spel.
Het te spelen contract wordt
dan zo vastgesteld:
Vanaf de "gever" zegt elke
speler het aantal honneurpunten dat zijn 'hand' bevat. Aas = 4; Heer =
3; Vrouw = 2; Boer = 1. Als Noord + Zuid 20 punten hebben, hebben Oost
+ West ook 20 punten. Dan moet er opnieuw worden geschud.
Het paar met het hoogste
aantal punten gaat 'spelen', het andere paar wordt 'tegenspeler". De speler
van het paar met de meeste honneurpunten, die van dat paar de meeste punten
heeft. wordt 'leider'. De andere speler van dat paar wordt 'dummy'.
De kaarten van de 'dummy'
worden - kleur bij kleur - open op tafel gelegd. De 'leider' bekijkt de
kaarten van hemzelf en van de dummy en bepaalt of hij zonder troef of met
troef gaat spelen (8 kaarten van een kleur samen kan de troefkleur worden);
en welke 'kleur' eventueel de troefkleur wordt. Dan bepaalt hij hoeveel
slagen hij denkt te gaan winnen. Hij kan de manchepremie verdienen met
het aantal slagen zoals dat bij het 'grote' bridge gebeurt. (Slem kent
minibridge niet.) De speler links van de leider kan dan (gedekt)
uitkomen.
Als er bij mijn minibridgelessen
een tafel was met maar 3 spelers, zat er niemand op de stoel rechts vanaf
de 'gever'. De eerste drie spelers noemden hun aantal honneurpunten; dus
had de vierde dichte en niet bekeken hand er 40 min de som van de honneurpunten
van de drie aanwezige spelers. Bij 20-20 werd er opnieuw geschud en gedeeld.
Als een paar meer dan 20 punten had en beide spelers van dat paar zaten
aan tafel, dan verhuisde de aanstaande dummy naar de lege stoel. De kaarten
van de dummy werden open op tafel gelegd en de leider bepaalde het contract.
Hier speelt de leider dus
echt met twee handen.
De MP-telling bij minibridge
een beetje anders is dan bij het 'contract-bridge'; daarom is mijn voorstel:
ga aan het werk met een tafel met 3 spelers zoals dat bij minibridge gebeurt.
Niet 'bieden' maar honneurpunten noemen. Bij een 20-20 honneurpunten opnieuw
schudden en delen. Bij een andere honneurpuntenverdeling op minibridgewijze
te werk gaan. Ook al zou de 'regel van twintig', de Muiderberg-opening
en het preëmptieve openen bij de spelers niet bekend zijn. Als het
spel aan de/een andere tafel(s) wordt gespeeld, hoeft daar niet met de
20-20-honneurpuntenregel rekening te worden gehouden. |