MINIBRIDGE-LESSEN (2)
  Les 5.

Na afloop van Les 4 zei een van de leerlingen: "Ik mocht van mijn oom op de computer bridgen. En telkens als ik mijn lange kleur afspeel, wint een andere speler die een kaart van een andere kleur speelt, toch de slag. Hoe kan dat?" Ik beloofde in de vijfde les het antwoord te geven.
Les 5 gaat over troef.
 
Noord gever
 
 

?
?
?
?

V10
10987
B109
VB109

B9
AHVB
AHV
AH54

 
 

?
?
?
?

Plaatjespunten vertellen:
Noord 6; Oost 3; Zuid 27; West 4. Zuid wordt leider en Noord legt zijn kaarten open op tafel.
De leider kan uitrekenen welk plaatje West heeft en welk plaatje Oost.
West heeft Les 4 goed geleerd en komt uit met 3. Oost wint de slag met H en speelt 2 terug. West wint de tweede slag met het Aas blijkt de enige speler te
zijn die nog schoppenkaarten in handen heeft. Hij wint daarmee nog 5 slagen, zodat de leider de eerste 7 slagen verliest....
Wat kan de leider - die toch samen met de dummy 33 plaatjespunten heeft - er tegen doen dat hij zomaar 7 slagen aan de tegenstanders af moet geven?
Tegen dat soort problemen is nou "TROEF" bedacht.
De leider bepaalt welke kleur troef is.
Hij moet - samen met de dummy - tenminste acht kaarten van een kleur hebben om die kleur tot troefkleur te maken.
Bekennen moet! Ook als een kleur troef gemaakt is.
Voor de tegenstanders is dezelfde kleur de troefkleur als door de leider is bepaald.

Les 5 is verreweg de moeilijkste les. Voor veel kinderen - vooral diegenen die geen kaartspelletjes kennen - is het begrip "troef" ontzettend moeilijk. We maken er een wedstrijd van wie het beste aan de klas kan uitleggen wat "troef" is. En er worden een paar (uitgezochte) spellen gespeeld: eerst zonder en daarna met troef.


Les 6.

Na zo'n moeilijke les als de vorige keer hebben de kinderen alleen nog behoefte aan spelen. In de praktijk toepassen wat ze hebben geleerd. Het enige nieuwe dat er vandaag bij komt is het onderscheid tussen de twee hoge kleuren (schoppen en harten) en de lage kleuren (ruiten en klaveren). Dat heeft te maken met de scorepunten.
Elke gewonnen slag levert de leider 10 scorepunten op.
Speelt hij zonder troef, dan krijgt hij er nog eens 10 scorepunten extra op.
Speelt de leider met een hoge kleur als troefkleur, dan krijgt hij 5 scorepunten extra.
Speelt de leider met een lage kleur, dan gaan er 10 scorepunten af.

Het is belangrijk om met voorgesorteerde spellen te spelen. Dan kan ervoor worden gezorgd dat elk van de vier spelers een keer leider is.


Les 7.

Nu de kinderen weten wat het verschil is tussen plaatjespunten en scorepunten, kunnen ze leren om scorebriefjes in te vullen. Voor minibridgers zijn speciale scorebriefjes ontworpen. Daarop wordt ook aangetekend wie leider was en welke speelsoort deze koos. Ook het verschijnsel "downslagen" wordt in deze les geleerd.
Ook vandaag vier voorgesorteerde spellen. Daarna mogen de kinderen pas zelf schudden en delen. Dat vinden ze toch wel het mooiste. Het zit er dus al jong in dat voorgesorteerde spellen niet zo fijn zijn als zelfgeschudde!

Het speeltempo wordt opgevoerd.
Een van de kinderen kwam met een bladzijde uit het "DAGBLAD DE LIMBURGER" van 7 april 1998, waarin melding werd gemaakt van de Bridge-Olympiade die in 2000 in Maastricht wordt gespeeld. Of zij daar ook aan mee konden doen.... "Daar worden tenminste vier spellen in een half uur gespeeld."


Les 8.

Na een week paasvakantie komen de laatste onderwerpen aan de orde: spelen met de manche en het invullen van de scorekaartjes.
Leroy zorgt echter eerst voor een bijzonder nieuwtje! Hij is op 19 april (1998) mee geweest naar Utrecht naar de minibridgekampioenschappen. Met een vriendje dat al wat verder was met de cursus en hem onderweg in de trein heeft uitgelegd wat "de manche" betekent. Maar Leroy zou het nu niet meer kunnen navertellen. Niettemin hadden zij net iets boven de 50% gescoord! En twee spellen in 20 minuten; dat kan deze groep ook!
Nu wordt het oefenen en oefenen en nog eens oefenen, want ze willen allemaal het Limburgse Minibridge Toernooi winnen. Dat is het toernooi dat jaarlijks - uitsluitend voor kinderen die in het District Noord- en Midden-Limburg wonen, wordt gespeeld aan het einde van het schooljaar in De Postkoets te Horn.

Denk niet dat de kinderen van groep 7 of 8 na acht lessen behoorlijk minibridge kunnen spelen. Iedere les (die ongeveer een klein uur duurt) moet worden gevolgd door een oefenles. Zestien lessen geven een dusdanig redelijk resultaat bij het toernooi. Wat bij de inmiddels gespeelde toernooien opviel, is dat met name allochtone kinderen in bridge een goede mogelijkheid hebben te demonstreren welke verborgen mogelijkheden zij hebben.