| Les 5.
Na afloop van Les 4 zei
een van de leerlingen: "Ik mocht van mijn oom op de computer bridgen. En
telkens als ik mijn lange kleur afspeel, wint een andere speler die een
kaart van een andere kleur speelt, toch de slag. Hoe kan dat?" Ik beloofde
in de vijfde les het antwoord te geven.
Les 5 gaat over troef.
zijn die nog schoppenkaarten
in handen heeft. Hij wint daarmee nog 5 slagen, zodat de leider de eerste
7 slagen verliest....
Wat kan de leider - die
toch samen met de dummy 33 plaatjespunten heeft - er tegen doen dat hij
zomaar 7 slagen aan de tegenstanders af moet geven?
Tegen dat soort problemen
is nou "TROEF" bedacht.
De leider bepaalt welke
kleur troef is.
Hij moet - samen met
de dummy - tenminste acht kaarten van een kleur hebben om die kleur tot
troefkleur te maken.
Bekennen moet! Ook als
een kleur troef gemaakt is.
Voor de tegenstanders
is dezelfde kleur de troefkleur als door de leider is bepaald.
Les 5 is verreweg de moeilijkste
les. Voor veel kinderen - vooral diegenen die geen kaartspelletjes kennen
- is het begrip "troef" ontzettend moeilijk. We maken er een wedstrijd
van wie het beste aan de klas kan uitleggen wat "troef" is. En er worden
een paar (uitgezochte) spellen gespeeld: eerst zonder en daarna met troef.
Les 6.
Na zo'n moeilijke les
als de vorige keer hebben de kinderen alleen nog behoefte aan spelen. In
de praktijk toepassen wat ze hebben geleerd. Het enige nieuwe dat er vandaag
bij komt is het onderscheid tussen de twee hoge kleuren (schoppen en harten)
en de lage kleuren (ruiten en klaveren). Dat heeft te maken met de scorepunten.
Elke gewonnen slag levert
de leider 10 scorepunten op.
Speelt hij zonder troef,
dan krijgt hij er nog eens 10 scorepunten extra op.
Speelt de leider met
een hoge kleur als troefkleur, dan krijgt hij 5 scorepunten extra.
Speelt de leider met
een lage kleur, dan gaan er 10 scorepunten af.
Het is belangrijk om met
voorgesorteerde spellen te spelen. Dan kan ervoor worden gezorgd dat elk
van de vier spelers een keer leider is.
Les 7.
Nu de kinderen weten wat
het verschil is tussen plaatjespunten en scorepunten, kunnen ze leren om
scorebriefjes in te vullen. Voor minibridgers zijn speciale scorebriefjes
ontworpen. Daarop wordt ook aangetekend wie leider was en welke speelsoort
deze koos. Ook het verschijnsel "downslagen" wordt in deze les geleerd.
Ook vandaag vier voorgesorteerde
spellen. Daarna mogen de kinderen pas zelf schudden en delen. Dat vinden
ze toch wel het mooiste. Het zit er dus al jong in dat voorgesorteerde
spellen niet zo fijn zijn als zelfgeschudde!
Het speeltempo wordt opgevoerd.
Een van de kinderen kwam
met een bladzijde uit het "DAGBLAD DE LIMBURGER" van 7 april 1998, waarin
melding werd gemaakt van de Bridge-Olympiade die in 2000 in Maastricht
wordt gespeeld. Of zij daar ook aan mee konden doen.... "Daar worden tenminste
vier spellen in een half uur gespeeld." |