| Antwoorden
op bovenstaande vraagstukken:
1.
Zuid moet eerst 5
naar 10 en dan 6
naar B - dus tweemaal snijden
op H en V
- spelen, om zo te trachten een van deze honneurs te vangen. Gaat dit beide
keren mis, dan resteert nog de snit op H.
Naar
opgave 2.
2.
Eerst troeftrekken. Daarna
vier ruitenslagen maken en daarbij op tafel een harten opruimen. Met troef
naar de dummy en op A snijden.
Als Oost A heeft kan een klaveren
op H weg. Als West A
heeft en H verloren gaat,
kan tenslotte nog op H worden gesneden.
Naar
opgave 3.
3.
2
- door West bijgespeeld - moet worden uitgelegd als een oneven aantal
ruitenkaarten bij West (laag-hoog). Zuid heeft dan slechts twee ruitenkaarten
en kan de ruitenkleur van de dummy vrijspelen als Oost in de eerste ruitenronde
al A zet. A
zal eerst als entree van tafel gespeeld moeten worden, voordat de ruiten
daar hoog zijn.
Naar
opgave 4.
4.
West kan hoogstens een punt
of zes hebben. Misschien is daar een hoge troefkaart bij en zou hij daarmee
de derde klaverenslag hoger kunnen troeven dan de dummy. Die kans is echter
kleiner dan de volgende: West kan drie kleine troefjes hebben. Dan moet
Oost na het winnen van de eerste klaverenslag een kleine troef naspelen.
De volgende troefslag wint Oost, die dan A
speelt en klaveren na. De dummy kan dan niet meer overtroeven.
Naar
opgave 5.
5.
OW kunnen in het meest gunstige
geval drie schoppenslagen en twee hartenslagen winnen. Daartoe moet Oost
om te beginnen B onder H
bijspelen. Zodra harten wordt gespeeld moet Oost meteen A
zetten en 7 naspelen. Zodra West
aan slag komt zijn dan zijn schoppenkaarten hoog.
Naar
opgave 6.
6.
Andre Boekhorst beschreef
dit spel in zijn rubriek in "De Volkskrant" in '85 naar aanleiding van
de Bols-Bridgetip van Gabriel Chagas. West mocht de eerste slag houden
en vervolgde met V voor Zuids
Aas. Dan speelt Zuid 3 naar de
9. Oost wint, maar kan geen klaveren terugspelen en kiest voor schoppen.
NZ winnen en B valt in de daarop
volgende troefslag. De troeven van Oost worden er uit gesneden. Als Zuid
nu 5 naar de negen wil spelen,
zet West 10, zodat in de dummy
de Heer moet worden gespeeld. Oost is immers de ongevaarlijke hand en had
deze slag mogen winnen, maar niet West! Nu worden eerst twee schoppenslagen
geincasseerd, eindigend in de dummy. De situatie is dan
Van de tafel wordt nu 9
gespeeld. West wint en mag in Zuids vork spelen.
Naar
opgave 7.
7.
West kan maximaal 5 punten
hebben. De start met 2 duidt op
het bezit van een hartenhonneur. Als dat H
is, maakt het niet uit wat Oost bijspeelt, omdat de leider dan altijd twee
hartenslagen maakt. Maar als West A
heeft moet Oost nu duiken, want dan heeft Zuid van harten Heer-klein en
maakt dan alleen 10! Als de leider
in de dummy snel de 10 liet bijspelen
zou die laatste figuur de meest waarschijnlijke kunnen zijn. Dus let bij
tegenspel ook op het "gedrag" van de leider.
Terug
naar het begin van deze bladzijde.

|