|
|
|
de
tijd na Jan de Grote, de tijd van de boerenfamilies
In 1544 wordt een acte opgemaakt
waarin ene "Heyndricgen wedue wilen van Adriaen Ruychrock" wordt genoemd
als bewoonster van een huis aan de Nobelstraat in Den Haag. Zij is de zuster
van Claesge Gerytsdr., de vrouw van Jan Jacobsz die een boerderij heeft
in Wassenaar. Beide dames voeren de familienaam Ruychrock - afkomstig van
een aangetrouwde oudoom. Deze naam wordt door Anthonis Jansz, de zoon van
Claesge en Jan, overgenomen. Zij hebben vijf kinderen die zich nog bij
hun patroniem laten noemen. De oudste zoon Adraen huwt in 1570 met Neeltgen
Florensdr, weduwe van Leendert Eewoutsz. Uit haar eerste huwelijk heeft
Neeltgen al drie kinderen, die eveneens de naam Ruychrock krijgen.
|
| Via
diens zoon Leendert (1678, die dan niet meer Ruychrock maar Ruygrok heet)
en daar weer de zoon van (Johannes, 1705) en diens zoon Cnelis (1744) komt
de familie in Zoetermeer. Sedertdien wordt de naam van deze tak van de
familie als "Ruigrok" geschreven.
Een van de tien kinderen van Cnelis is zijn zoon Cornelis - de oudste uit Cnelis' tweede huwelijk (geb. 25-04-1787). Deze Cornelis verhuist vanuit Zoetermeer, waar hij in een molen buiten het dorp heeft gewoond, in 1819 met vrouw en toen nog drie kinderen naar een boerderij aan de Gaag in Maasland, waar nog tien kinderen uit dit huwelijk worden geboren. |
de boerderij aan de Oostgaag in Maasland waar in 1819 Cornelis Ruigrok zich met zijn gezin vestigde. Een acte uit 1861 spreekt van "een hechte, sterke en welingerichte bouwmanswoning" |
|
Op het land
van zijn vader bouwde Michiel, een van de dertien kinderen van Cornelis
Ruigrok - geboren 24-7-1825, met financiele medewerking van zijn schoonvader
Cornelis Ham, destijd een welgestelde boer in Vlaardingen, een eigen boerderij,
waarvan hij na de dood van zijn ouders in 1849 eigenaar werd. Ook hij kreeg
dertien kinderen.
Volgens goed gebruik in de familie Ruigrok erfde na het overlijden van Cornelis niet uitsluitend de oudste zoon de boerderij, maar werd het familiebezit gelijkelijk over alle kinderen verdeeld. Had Cornelis in 1819 een kapitaal bezit, na het overlijden van Michiel in 1877 had iedere nakomeling van Cornelis nog geen 1% van het bezit van zijn grootvaders vermogen over. De zonen van Michiel stichtten van hun erfenis allen een eigen zuivelhandel in Schiedam dan wel in Rotterdam. Alleen Bartholomeus, mijn grootvader, geboren 13-1-1868, sloot zijn zuivelwinkel aan de Eendrachtstraat in Rotterdam in 1989 en werd bouwvakarbeider in Vlaardingen. |