Reglement Nationale Militie periode 1862-1871

Hieronder volgt het reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor de krijgsdienst te land en te water.

Art. 1
De geschiktheid voor de dienst bij de zee- en landmagt wordt onderzocht en beoordeeld overeenkomstig dit reglement.

Art. 2
De ziekten of gebreken in dit reglement vermeld maken ongeschikt voor de krijgsdienst te land of te water.

Art. 3
Lotelingen der nationale militie en militiepligtigen, wier aangifte ter inschrijving is verzuimd, die geacht worden slechts tijdelijk te lijden aan ziekten of gebreken, in dit reglement aangeduid met het teeken *, of van wie het twijfelachtig is of moeijelijk terstond te beslissen, of die ziekten of gebreken bij hen bestaan, kunnen voor de krijgsdienst geschikt worden verklaard, en, na hunne inlijving, ter verpleging of tot nader onderzoek, in eene militaire of maritime ziekeninrigting worden opgenomen.

Art. 4
Ongeacht het bepaalde bij art. 2, kan de toelating tot eene vrijwillige verbindtenis bij het leger hier te lande en voor de krijgsdienst in 's Rijks overzeesche bezittingen, ook van manschappen der militie geschieden, wanneer de ziekte of het gebrek van hem, die verlangt te worden toegelaten, van dien aard is, dat de genezing daarvan, binnen korten tijd, mogelijk wordt geacht.
Gelijke toelating kan geschieden, ook bij de zeemagt, wanneer de ziekte of het gebrek geacht wordt slechts zoo geringe stoornis in de verrigtingen te veroorzaken, dat de dienst bij het gedeelte der krijgsmagt, waarbij de toelating wordt verlangd, in allen opzigte behoorlijk kan worden waargenomen.
Op de toelating van personen, die in een van de gevallen verkeeren, in de voorgaande zinsneden vermeld, als vrijwilligers voor de krijgsdienst in de 's Rijkse overzeesche bezittingen, zijn voorts daaromtrent gegeven of nader te geven bijzondere voorschriften van toepassing.

Art. 5
Van elke toelating, in de gevallen vermeld in de twee eerste zinsneden van het voorgaand artikel, geschiedt mededeeling aan den kommanderende officier van het betrokken corps of onderdeel.
Betreft het de zeemagt, dan wordt daarvan kennis gegeven aan de betrokken maritime autoriteit in loco.
De ontdekte gebreken worden in den engagementsstaat naauwkeurig vermeld en op het stamboek aangetekend.

Art. 6
Vrijwilligers die verlangen eene nieuwe verbintenis aan te gaan en die bevonden worden ligte ziekten of gebreken te hebben, waarvan de genezing binnen korten tijd mogelijk wordt geacht, worden voor de dienst geschikt verklaard. Zij, die geringe gebreken hebben, van welke geene verergering te wachten is, worden, zoo zij de dienst bij het wapen waarbij zij zich op nieuw verlangen te verbinden, behoorlijk kunnen blijven waarnemen, almede geschikt, verklaard.
Deze gebreken worden in den reëngagementsstaat naauwkeurig vermeld en op het stamboek aangeteekend.

Art. 7
Bij de militie te land ingelijfden en vrijwilligers bij het leger, die ofschoon onbekwaam voor de dienst bij het wapen waartoe zij behooren, echter in staat worden geoordeeld tot de dienst bij een ander wapen, worden daarbij overgeplaatst, wat de vrijwilligers betreft met hun goedvinden. Deze bepaling is alsmede geldende ten aanzien van manschappen der zeemilitie, die voor de zeedienst, ongeschikt, doch nog voor de dienst bij de landmagt geschikt geacht worden.

Art. 8
Voor de krijgsdienst worden ongeschikt verklaard, krijgslieden van alle rangen, die ziekten of gebreken hebben, in dit reglement vermeld, voor zoo verre deze ongeneeslijk zijn of de genezing daarvan vruchteloos is beproefd, en zij daarmede de dienst niet meer naar behooren kunnen waarnemen.

Art. 9
In de verklaringen van ongeschiktheid tot verdere dienst worden naauwkeurig vermeld de aard, de oorzaak, en de tijd van het ontstaan van de ziekten of gebreken, alsmede het nummer, waaronder deze in het reglement zijn omschreven.

Art. 10
Met betrekking tot het gezigtsvermogen, moet hij, die als vrijwilliger, onverschillig bij de zee- of landmagt, als adelborst en scheepsklerk bij de zeemagt, als kadet op Onze militaire akademie, als kwekeling voor de militaire geneeskundige-, pharmaceutische- of veeartsenijkundige dienst, verlangt te worden toegelaten, in het bijzonder, aan de drie volgende proeven voldoen:

  1. dat hij op eenen afstand van vijf en twintig Nederlandsche duimen duidelijk kan zien en onderscheiden, gewonen drukletters (gelijk aan die van de Nederlandsche Staats-courant) of in grootte daarmede overeenkomende figuren;
  2. dat hij op eenen afstand van vier Nederlandsche ellen duidelijk kan zien en onderscheiden, letters, cijfers of andere figuren van drie Nederlandsche duimen hoogte en breedte en daaraan geëvenredigde dikte, met wit krijt geschreven op een dof zwart, goed verlicht bord;
  3. dat hij op eenen afstand van ten minste acht Nederlandsche ellen, zoowel met beide oogen als met elk oog afzonderlijk, bij afwisseling opgestoken vingers vlug kan zien, tellen en onderscheiden.

Hieronder volgt een gedeelte van de ziekten en gebreken, waarvoor je afgekeurd werd:

Ziekten en gebreken algemene bekleedselen

  1. Geheel of gedeeltelijk gemis van hoofdhaar in zoodanige graad, dat het hoofd niet genoegzaam is beschut, of het dragen van het hoofdtooisel bemoeilijk wordt.
  2. Te groote ligchaamsomvang door vetvorming gepaard met stoornis in de verrigtingen.
  3. Algemene of plaatselijke vermagering, gepaard met ligchaamszwakte.
  4. Hoornuitwassen.
  5. Hoofdzeer (tinea).
  6. Poolsche vlecht (plica).
  7. Verouderde en hardnekkige huidziekten, bijv. baardvin (mentagra), schrub-uitslag (psoriasis) visch-schub-uitslag in den hoornachtigen vorm (ichtyosis cornea) en de zoogenaamde Yaws.
  8. Verouderde en hardnekkige venerische huidziekte (syphilides, condylomata).
  9. Melaatsheid (lepra).

Ziekten en gebreken van de watervaten en watervaatsklieren, van de mam- en schildklier

  1. Sterk uitgedrukte klierziekige ligchaamsgesteldheid.
  2. Hardnekkige klierzwelling, verharding of verzwering aan den hals, in de oksels, in de liezen enz.
  3. Kanker der watervaatsklieren.
  4. Buitengewone ontwikkeling der borsten, waardoor het dragen van de uniform bemoeijelijkt wordt.
  5. Kanker van de mamklier.
  6. Kropgezwel (struma).
  7. Kanker van de schildklier.
  8. Tegennatuurlijke verwijding van de watervaten (lymphangiectasia) en watervaats-pijpzweer (fistula lymphatica).

Ziekten en gebreken van de spieren, handen, beenderen en andere werktuigen tot beweging

  1. Te groote gestalte met eene zwakke ligchaamsgesteldheid (het zoogenaamd uit de krachten gegroeid zijn).
  2. Te kleine (dwergvormige) ligchaamsgestalte.
  3. Vergroeijing van den eersten halswervel met den tweeden, of met het achterhoofdsbeen (onbewegelijkheid van het hoofd).
  4. Aanmerkelijk verdraaide of scheeve stand van het hoofd (halsverkromming) (caput obstipum).
  5. Onwillekeeurige beweging van het hoofd (zoogenaamd waggelhoofd).
  6. Verstijving van wervelgewrichten (anchylosis spinae).
  7. Aanmerkelijk misvormde ligchaamsgestalte, ten gevolge van Engelsche ziekte of beenverweeking.
  8. Belangrijke misstand van den schouder of van de heup (zoogenaamde hooge schouder of hooge heup).
  9. Buitengewone zijdelingsche kromming van de ruggegraat (scoliosis), buitengewoon hooge rug, (cyphosis), buitengewoon ingevallen rug (lordosis).

Ziekten en gebreken van de spijsverteringswerktuigen

  1. Belangrijke misvorming van den mond en verdikking van de lippen met belemmering in het kaauwen of spreken.
  2. Splijting van de lip (zoogenaamde hazenlip, labium leporinum) in belangrijken graad.
  3. Verlies van de lip.
  4. Kanker van de lip.
  5. Van dit gebrek moet wel onderscheiden worden de zoogenaamde lipknoop (nodulus) welke geen beletsel oplevert voor het opnemen in dienst.
  6. Aanhoudende, speekselvloed in belangrijken graad.
  7. Mondontsteking en spruw in belangrijken graad, (Indische spruw).
  8. Uitgebreide verzwering van het tandvleesch.
  9. Vezelgezwel van het tandvleesch in dien graad, dat daardoor het kaauwen en bijten bemoeijelijkt worden.

Ziekten en gebreken van de ademhalings-werktuigen, van den bloedsomloop, en van het bloed

  1. Misvorming van den neus, gepaard met stoornis in de verrigtingen.
  2. Gemis van den neus, of van een belangrijk gedeelte daarvan.
  3. Belangrijke doorboring of gemis van het middenschot van den neus.
  4. Aangeboren splijting van den neus (nasus (bifidus).
  5. Kopervin van den neus (zoogenaamde couperose) in belangrijken graad.
  6. Geheele vergroeijing van de neusgaten, of gedeeltelijke, wanneer daardoor de ademhaling of de spraak wordt bemoeijelijkt.
  7. De kwaadaardige huidwrat en kanker van den neus.
  8. De kwaadaardige en voortknagende neuszweer (ozaena te lupus).
  9. Verouderde hardnekkige zwelling van het neus-slijmvlies, met belemmering in de ademhaling of in de spraak (coryza habitualis).

Ziekten en gebreken van de pis- en geslachts-werktuigen

  1. Vernaauwing van de voorhuid (phimosis) met zeer moeijelijke of pijnlijke pislozing.
  2. Groote voorhuids- en balzakssteenen.
  3. Pisweg-splijting (hypo et espispadias) in die vormen, dat de pislozing niet op de gewone wijze kan geschieden.
  4. Zoogenaamde tweeslachtigheid (hermaphroditsme).
  5. Slepende ontsteking van de pisbuis, van den bal en bijbal of van de zaadstreng.
  6. Pisgezwel van de roede, van den balzak, de bilnaad, enz.
  7. Vernaauwing van den pisweg (strictura urethrae).
  8. Volkomen of bijna volkomen verlies van de roede.
  9. Splijting van de roede (zoogenaamde dubbele roede (penis bifidus).

Ziekten en gebreken van het zenuwstelsel, met inbegrip der zielsziekte

  1. Te groote omvang van het hoofd, tengevolge van te sterke ontwikkeling der schedelbeenderen, gepaard met stoornis in de verrigtingen.
  2. Misvorming van het hoofd, waardoor het dragen van het hoofdtooisel verhinderd wordt.
  3. Het openblijven van de fontanellen, en het been-verlies door schedelwonden, of na panboring.
  4. Het waterhoofd (hydro-cephalus).
  5. Belangrijke indrukken aan den schedel, gepaard met stoornis in de verrigtingen, of wanneer het dragen van het hoofdtooisel bemoeijelijkt wordt.
  6. Sponsgezwel van het harde hersenvlies (fungus durae matric) en beenspekgezwel van den schedel (fungus cranii).
  7. Hersenbreuk (encephalocèle en meningcocèle, hernia cerebri).
  8. Gespleten ruggegraat (hydroachis seu spinia bifida).
  9. Slepende ruggermergs-overgevoeligheid (irritatio spinalis).

Ziekten en gebreken van de gezigtswerktuigen

  1. Ontsteking van den traanzak met slijm-ettervloed (dacryocystits, daecryorrhoea).
  2. Uitzetting van den traanzak (hernia sacci lacrymalis).
  3. Gezwellen van den traanzak en traansteenen (dacryolithen).
  4. Sluiting van de traanwegen.
  5. Traanpijpzweer (fistula lacrymalis).
  6. Hebbelijke tranenvloed (epiphora) in aanmerkelijken graad.
  7. Hypertrophie en gezwellen van de traanklier, bijv. door acephalokysten.
  8. Kanker van de traanklier en van den traanheuvel.
  9. Overvloedige huid in de binnen ooghoeken (epicanthus) in belangrijken graad.

Ziekten en gebreken van de gehoorwerktuigen

  1. Belangrijke misvorming en vergroeijing van de oorschelp met het hoofd.
  2. Gemis van de oorschelp.
  3. Kanker van de oorschelp.
  4. Misvorming van den uitwendigen gehoorgang, met belemmering van het gehoor.
  5. Vernaauwing van den uitwendigen gehoorgang, met belemering van het gehoor.
  6. Sluiting (atresia) van den uitwendigen gehoorgang.
  7. Propgezwel (polypus) en andere woekeringen in den uitwendigen gehoorgang of op het trommelvlies.
  8. Ontsteking van het trommelvlies.
  9. Gemis of doorboring van het trommelvlies (perforatio tympani) met belemmering van het gehoor.

Bron: Staatsblad 1862 (no. 34) v.a. blz. 25