Verslag van een berechting in Loon op Zand

We schrijven donderdag 25 oktober 1736, een rustige, droge herfstdag. In het centrum van het dorp Venloon heerst een ongewone drukte; er heeft zich een grote mensenmassa verzameld rond het pleintje. In het midden van de open ruimte staat een houten bouwsel, een schavot. Als toevallige passant door de heerlijkheid Venloon wil ik niets van het schouwspel dat komen gaat missen. Ik wring me tussen de menigte door om goed uitzicht te hebben op het schavot en zie een indrukwekkende manspersoon het schavot beklimmen. Omstanders vertellen me dat hij de vorster van het dorp is en Aart van Rijswijk heet. Hij sleurt een geboeide vrouw achter zich aan, het laddertje op, naar het platform. Daar staat de beul, de officieel geheten "meester van den scherpe gerechte" reeds te wachten. In een ijzeren bak gloeit houtskool en het ijzer in het vuur is al rood gekleurd. De vrouw krijst, zij weet wat haar te wachten staat. Eerst een langdurige geseling en dan een tweede brandmerk op de koop toe.
De omstanders verkneukelen zich, want het is immers geen alledaags schouwspel dat, in plaats van een man, een vrouw gevonnist wordt. De deftige mensen vooraan manen het gewone volk tot kalmte. Het zijn de schepenen van de Heerlijkheid; zij menen natuurlijk dat het vonnis in alle waardigheid moet worden uitgevoerd.
Op enkele tientallen meters van het pleintje staat eenzaam een voerman bij zijn paard en kar. Hij is niet geïnteresseerd in het gebeuren op het schavot. De voerman moet later, als de meester van den scherpe gerechte zijn werk heeft gedaan, de wellicht bewusteloze vrouw buiten de grens van de Heerlijkheid vervoeren. Dat werkje levert hem geld op en dat is mooi meegenomen in een hard en arm bestaan.
De meester van den scherpe gerechte bindt met behulp van de vorster de vrouw aan handen en voeten vast. Ze schijnt Geertruij Net te heten. Haar laatste woonplaats is Driel in Gelderland. De beul heeft zijn voorbereidingen getroffen, het geselen kan beginnen. Het rumoer van de toeschouwers bedaart als een van de schepenen voor de laatste maal het vonnis voorleest.

Zo kan het allemaal gegaan zijn, dat straffen van Geertruij Net, op die herfstdag in 1736. Geertruij Net was al op woensdag 8 augustus van datzelfde jaar 1736 gearresteerd, namelijk "op de Ketsheuvel". De arrestatie geschiedde door de vorster, Aart van Rijswijk. Acht dagen later, op 16 augustus is zij voor de eerste keer voorgeleid aan de heren schepenen. Drossaard Justinus van Gennip beschuldigde haar van meerdere zaken en die drossaard van Gennip wordt in de notulen een vakbekwaam man genoemd die over de nodige ervaring en kennis in strafzaken beschikt. Zoals gezegd, Geertruij Net kwam uit het Gelderse Driel. Of zij geparenteerd was aan de vele Net's of Neth's op de Zandschellen wordt nergens vermeld.

Ger Verschuren maakt in Strol Zaand 1987/1 pag. 36 wel melding van ene Gertrudis Neth, geboren 23-1-1698 te Venloon en aldaar overleden op 16-11-1777. Hoewel haar leeftijd in 1736 aardig overeenkomt met die van de gestrafte Geertruij, lijkt het ons bijna niet mogelijk met dezelfde vrouw van doen te hebben. Immers, de gestrafte Geertruij werd voor het leven uit de heerlijkheid Venloon verbannen, terwijl Gertrudis aldaar overlijdt in 1777.

Geertruij was zestien jaar tevoren, in 1720 als jong meisje in 's-Hertogenbosch gevangen genomen wegens het plegen van verschillende diefstallen. In die stad werd ze dus voor de eerste keer gebrandmerkt. Het vonnis in 's-Hertogenbosch luidde verder dat ze gedurende een periode van dertig jaar niet meer in de stad of in, de bij de rechtsgang, horende Meierij mocht komen. Het is vrij logisch dat een veroordeelde vrouw voor haar hele leven gebrandmerkt en aldus steeds herkenbaar, niet meer in een normale samenleving is geaccepteerd.
In de notulen van de rechtszaak die "onze" drossaart van Gennip aanspande wordt dan ook vermeld dat zij bedelend door het leven ging en in het land had "gevagebondeerd", zonder haar leven te beteren.
Toen zij in 1736 "op de Ketsheuvel" aankwam heeft ze bij verschillende mensen geprobeerd om onderdak te krijgen. Volgens de stukken is haar dit steeds geweigerd, waarna ze al die mensen met vreselijke dingen bedreigde. Uiteindelijk vond Geertruij onderdak bij een reeds getrouwde man. Ze leidde met hem een "ergerlijk en ontugtig leven" en juist vanwege dat feit greep drossaart van Gennip in en liet na enige tijd Aart van Rijswijk de vrouw arresteren. Wie nou toch de Ketsheuvelse man was met wie ze dat "ontugtig leven" leidde is jammer genoeg niet bekend.
Het proces duurde van 16 augustus tot 20 oktober 1736, de dag van de uitspraak. Geertruij Net bekende grif al haar "misdrijven", uiteraard in de hoop om niet extra gestraft te worden. Ze vertelde zelfs méér, want zo kwam van Gennip te weten dat zij in Bergen op Zoom verschillende keren voor dezelfde zaken was veroordeeld. En boetvaardig voegde ze er aan toe dat ze zich nimmer aan de uitspraken van de rechterlijke macht had gehouden. Het vonnis luidde aldus: "Ze zal worden gebracht, ter plaatste daar men gewoon is executie te doen en dat zij aldaar als exempel (voorbeeld) aan den lijve strengelijk zal worden gegeseld en gebrandmerkt en tevens voor altijd uit de heerlijkheid Venloon zal worden gebannen".
Aldus gedaan, de heren schepenen Anthony Mouthaan, Claas Mouthaan, Jacobus Oerlemans, Lambert Nouwens en Thomas van Vught. Geertruij Net moest bovendien alle proceskosten betalen, maar we nemen aan dat van zo'n kale kip weinig te plukken is geweest. Deze proceskosten drukten natuurlijk geweldig op de hele gemeenschap van de heerlijkheid Venloon. Wanneer we alle kosten van arrestatie, verzorging in de gevangenis, enzovoorts, bij elkaar tellen dan komen we aan een totaalbedrag waar een gewone burger van de Heerlijkheid lange tijd voor moest werken.
Na de geseling en het brandmerken is Geertruij met een kar tot aan de grens van de Heerlijkheid gebracht, "tot op de heil' zoals er in de stukken staat. Vermoedelijk zal dit aan de grens met de huidige gemeente 's-Gravenmoer geweest zijn.
Stelt U zich eens voor wat mensen met een lage moraal in onze heerlijkheid allemaal te wachten stond! Eerst de pijn van geseling en brandmerken en dan die extra vernedering van "het uitrijden". Bespot en gehoond op een kar te liggen langs een haag van mensen. En de mensen die hadden genoten van het hele schouwspel waren natuurlijk de braven!

Pierre van Boxtel

Bronnen: Rijksarchief LOZ, nr.2 's-Hertogenbosch, Jaarrekeningen der heerlijkheid Venloon, archief Loon op Zand