In de Middeleeuwen had de rooms-katholieke kerk zich ontwikkeld tot een machtige en rijke organisatie. Al rond 1350 uitte de Engelsman John Wycliffe de eerste kritiek op de wereldse welvaart en macht van de katholieke kerk en van de paus.
In 1517 publiceerde Maarten Luther (Eisleben (D) 1483-1546) zijn 95 Stellingen waarin hij zich vooral keerde tegen de, voor de kerk zeer profijtelijke verkoop van aflaten. Maarten Luther was zelf een katholiek priester en wilde de katholieke kerk van binnenuit hervormen (reformeren). De publicatie van de Luthers stellingen wordt vaak als het begin van de Reformatie gezien. Luther kreeg vooral veel aanhang in delen van Duitsland, Polen en Scandinavië.
In Frankrijk was Jean Cauvin (Noyon (F) 1509 - Genève (CH) 1564) de grondlegger van de Reformatie.
Cauvin -wij kennen hem beter als Johannes Calvijn- studeerde rechten in Parijs en deelde de kritiek van Luther op de katholieke kerk. Calvijn vestigde zich later in Genève en Straatsburg waar hij een invloedrijk predikant en reformator was. In zijn boek Institutio Religionis Christianae (1536) beschreef hij zijn visie op de kerk, zowel in theologisch als in organisatorisch opzicht. Aanhangers van Calvijn vinden we vooral in Zwitserland, de Palts, zuidelijk Frankrijk (Hugenoten), de Nederlanden (Hervormden en Gereformeerden) en in Schotland (Presbyterianen). Zowel kerk als staat reageerden sterk afwijzend op deze protestantse ketterij. Luther en zijn volgelingen werden in de ban gedaan en van hervormingen van binnenuit kon natuurlijk geen sprake zijn. De scheiding tussen protestant en katholiek was een feit.