Wittgenstein en de Tractatus Logico Philosophicus
De
reden van dit essay over Wittgenstein is tweeledig. Ten eerste vind ik het
gewoonweg leuk om over deze filosoof te schrijven, die zoveel invloed heeft
gehad op het denken in de filosofische wereld en ten tweede hoop ik dat dit
schrijven ertoe bijdraagt dat een grotere groep mensen deelgenoot wordt van het
gedachtegoed van deze briljante filosoof.
In
dit betoog zal ik mij beperken tot het bespreken van de Tractatus Logico
Philosophicus. Een voor velen ondoorgrondelijk kort boekje, waarin
Wittgenstein op reeds jonge leeftijd zijn filosofische gedachten op een zeer
gestructureerde manier uiteenzet. Hij dacht met de Tractatus een
oplossing te hebben gevonden voor alle filosofische problemen en trok zich na de
voltooiing hiervan dan ook voor lange tijd terug uit het wetenschappelijk
leven. Ik heb gepoogd een bondige interpretatie te geven, die voor de meeste
lezers toegankelijker zal zijn dan de oorspronkelijke tekst. Of ik hier in ben
geslaagd, laat ik over ter beoordeling van anderen. Het blijft altijd moeilijk
je goed in de gedachten van een ander persoon te verplaatsen en het zou beter
zijn indien men zo nu en dan wat vragen had kunnen stellen aan de schrijver,
maar dit is in het geval van Wittgenstein onmogelijk.
Wittgenstein
tracht vast te stellen hoe het mogelijk is, duidelijke uitspraken te doen over
de werkelijkheid. Hij wenst een methode te ontwikkelen waarbij duidelijk kan
worden aangetoond, dat er van onzinnig taalgebruik sprake is. In dit licht moet
men de filosofie van Wittgenstein dan ook bezien als taalkritiek. Filosofie
wordt hierbij een activiteit die onder of boven de wetenschappen staat en die
wetenschappelijke uitspraken toetst op hun waarheidsgehalte dan wel juiste
taalgebruik. Filosofische problemen blijken schijnproblemen te zijn die als
sneeuw voor de zon verdwijnen wanneer duidelijk is, dat op een onjuiste manier
gebruik wordt gemaakt van taal om iets over de werkelijkheid te zeggen.
Om
een duidelijke uitspraak te kunnen doen over de werkelijkheid is het eerst
zaak, goed te omschrijven hoe die werkelijkheid in elkaar zit.
De Tractatus
begint dan ook met de uitspraak: “De wereld is alles wat het geval is.”
Voor
Wittgenstein betekent deze uitspraak dat de wereld is opgebouwd uit objecten,
die onderling combinaties vormen. Deze combinaties vormen op hun beurt ook weer
nieuwe combinaties, zodat uiteindelijk een complex geheel ontstaat. Onder
object moet men hier verstaan, een deeltje dat niet meer deelbaar is.
Wittgenstein heeft zich nooit uitgelaten over de aard van het object. Hij wilde
zich beperken tot de logica en het object zou evengoed een andere natuurkundige
betekenis kunnen hebben. Objecten zijn de werkelijke bouwstenen van onze wereld
en zij representeren de onveranderlijke substantie van de wereld.
Wat
wel verandert zijn de configuraties van de objecten. Objecten die onderling in
een bepaalde combinatie staan, noemt Wittgenstein een feit. Indien er nu in een
hypothetische wereld een aantal basisdeeltjes bestaan, dan is het afhankelijk
van hun eigenschappen welke mogelijke combinaties er onderling tot stand komen.
De eerst gevormde combinaties kunnen basisfeiten genoemd worden. Deze
basisfeiten kunnen onderling ook weer combinaties vormen en zo ontstaan er meer
complexere combinaties. Het aantal combinaties dat uiteindelijk gevormd kan
worden is niet oneindig en is afhankelijk van de eigenschappen van de
basisdeeltjes. Indien men de eigenschappen van een basisdeeltje zou kennen, dan
zou men ook alle mogelijke configuraties kennen waarin dit basisdeeltje kan
voorkomen. Alle mogelijke combinaties liggen dus al vast wanneer men de
eigenschappen van de basisdeeltjes kent. Als Wittgenstein dan ook later in zijn
Tractatus de uitspraak doet, dat de vrije wil een illusie is, dan
bedoelt hij daarmee dat het aantal mogelijke combinaties niet onder invloed
staat van de wil van de mens.
Wittgenstein
ziet de wereld dus als het geheel van de feiten, de objecten zijn alleen van
belang voor zover ze onderdeel zijn van een feit.
Hoe
is de mens nu in staat een geldige uitspraak over deze wereld van de feiten
(combinaties) te doen? Om dit te bewerkstelligen, moet er een connectie bestaan
tussen het subject en de werkelijkheid. Deze connectie verloopt middels de
gedachte.
In
zijn gedachte kan de mens zich een logisch beeld vormen van een bepaald feit
uit de werkelijkheid. Een logisch beeld betekent hier, dat de samenhang tussen
de objecten in de gedachte overeenkomt met samenhang van de objecten in de
werkelijkheid. Met behulp van taal kunnen wij deze gedachte uitdrukken, zodat
ze voor anderen begrijpbaar is.
Een
zinvolle uitspraak over de werkelijkheid is er dus een, waarbij de objecten in
de zin qua logische samenhang overeenkomen met de logische samenhang in de
werkelijkheid. Op deze manier fungeert taal als een afbeelding van de
werkelijkheid.
Een
zin bezit een logische vorm (het is niet zomaar een opeenvolging van woorden),
dit betekent dat een zin de mogelijkheid heeft een bepaald feit uit de
werkelijkheid te omschrijven.
Om
werkelijk te bepalen of een zin (wetenschappelijke uitspraak) juist is of
onjuist dient zij geverifieerd te worden met de werkelijkheid. Dit is de enige
juiste wetenschappelijke methode die gevolgd dient te worden. Het gaat volgens
Wittgenstein in de wetenschap om het kennen van de basisfeiten, zodat alle
hieruit voortvloeiende combinaties gekend zijn. Deze combinaties kunnen dan
vervolgens in zinnen worden gegoten zodat een volledige beschrijving van de
werkelijkheid ontstaat.
De
wetenschap heeft een beperkte scoop, het draait erom te onderzoeken hoe feiten
zijn.
Het
antwoord op de vraag waarom basisdeeltjes zijn zoals ze zijn, behoort niet tot
de taak van de wetenschap. Het antwoord hierop ligt buiten onze wereld, het is
het mystieke.
Wittgenstein
verwoordt dit in de uitspraak: “Het is niet hoe dingen zijn in de wereld dat
mystiek is, maar dat ze bestaat.”
Wittgenstein
maakt in zijn Tractatus ook onderscheid tussen datgene wat gezegd kan
worden en datgene wat getoond kan worden. Wat zich niet laat uitspreken behoort
niet tot de wereld van de feiten, doch dat laat zich in bepaalde gevallen wel
tonen. Dit geldt onder andere voor de logica, de ethiek, de esthetiek en de
religie. De logische vorm die een zin bezit laat zich zelf niet uitspreken,
doch toont zich direct aan ons. We weten direct wat het geval is wanneer we een
zin lezen of horen. De wereld is als het ware doorvlochten met logica, we
zouden ons niet eens een beeld kunnen vormen van een onlogische wereld.
Evenzogoed is een waardeoordeel binnen de ethiek en de esthetiek onmogelijk,
daar alle feiten in de wereld van gelijke waarde zijn. Toch tonen de schoonheid
en het goede zich aan ons en dringen zich aan ons op. Ook het godsidee toont
zich en bekruipt onze gedachte keer op keer en zet ons aan tot uitspraken die
onzinnig zijn.
De
mens staat niet in de wereld, maar hij is de grens van zijn wereld. De mens is
een metafysisch wezen en nergens in onze wereld zal men een metafysisch wezen
aantreffen. Een medemens wordt door ons alleen gekend in zoverre hij een
combinatie van atomen is, alles wat daar buiten valt, behoort niet tot ons
kenapparaat en is dus per definitie niet kenbaar.
Wat
de mens een metafysisch wezen maakt is zijn mogelijkheid zich bewust te worden
van de feiten in zijn kenbare wereld, waarvan hij zelf de grens is. Dit bewustzijnsproces
ligt buiten de totaliteit van de feiten en daarom is er geen zinvolle uitspraak
over te doen, maar het toont zich wel.
Wittgenstein
heeft aangegeven dat zijn stellingen niet zinvol zijn volgens zijn eigen
criteria, want zijn stellingen behoren niet tot de feiten in de wereld en
kunnen als zodanig dan ook geen aanspraak maken op de waarheid. Maar zo zegt
hij, men moet als het ware mijn stellingen gebruiken als een ladder om het
probleem te boven te komen zodat alles duidelijk wordt, waarna men de ladder om
kan gooien.
B.N.
van Eikema Hommes
Gorinchem
09-05-2006