Deze verhalen werden in Nepal verteld om de leer van Boeddha op een gemakkelijke manier duidelijk te maken. Ze werden opgetekend door Bala Sivaram en Eva Kipp en door mij uit het Engels vertaald en bewerkt.
Wat is mooi?
De bewoners van het koninkrijk Malla waren blij met hun koning
Okkaka. De paleisdeuren stonden altijd voor hen open als ze een
probleem hadden. Er was één ding waar ze zich zorgen
over maakten: de koning had geen kinderen. Hoe moest dat nu als
de koning stierf? Dan zou een vreemde overheerser komen en die
zou vast niet zo'n edele koning zijn!
Ze trokken op naar het paleis en riepen: 'We zullen bidden om
een zoon, die het land net zo goed bestuurt als u.'
De hele bevolking bad mee, zodat de lucht gonsde van hun gebeden.
Ze stegen op en bereikten Sakka, Heer van de hemel. Hij besloot
hun gebed te verhoren.
Op de zevende dag van het bidden verscheen hij in de kamer van
koningin Silavati. Ze schrok wakker omdat er een stralend licht
in de kamer kwam en begroette hem eerbiedig.
Sakka zei: 'Je mag een wens doen.'
'O Heer, geef me dan een zoon', antwoordde ze snel.
'Je krijgt er twee. Eén zal wijs en lelijk zijn, de ander
knap, maar dwaas. Wie moet het eerste komen?'
'De wijze', antwoordde ze.
'Zo zal het zijn.' Hij raakte haar voorhoofd aan en gaf haar een
hemelse grasspriet, Kusa genaamd.
De koningin liep meteen naar de koning en vertelde hem wat er
gebeurd was. Ze liet hem ook het hemelse gras zien.
De wijze koning twijfelde niet aan haar verhaal.
Driekwart jaar later werd een zoon geboren. Zijn ouders noemde
hem Kusa. Een tweede zoon werd geboren. Zijn naam was Jayampati.
De jongens groeiden op en leerden alles wat koningszonen moeten
weten. Voor Kusa was dat gemakkelijk. Toen hij oud genoeg was,
wilde de koning plaats voor hem maken, maar zijn moeder wilde
dat hij eerst zou trouwen. Zij vroeg het aan Kusa, maar hij dacht:'
Welke mooie prinses wil nu zo'n lelijke man trouwen?' Hij trok
daarom niet rond om een vrouw te zoeken. Toen vroeg de koning
hem op reis te gaan. Kusa wilde zijn ouders geen verdriet doen.
Hij liet de hofedelsmid komen en vroeg hem alles wat nodig was
om een beeld te maken en ging aan het werk. Hij bleek ook nog
een talentvolle beeldhouwer en zo maakte hij een beeld van een
vrouw. 'Als ik een vrouw vind, zoals dit beeld,' zei hij tegen
zijn moeder, 'zal ik met haar trouwen.'
De koningin liet het beeld in een koets rondrijden door het hele
koninkrijk. 'Als jullie een prinses vinden, die op het beeld van
mijn zoon lijkt,' zei ze tegen haar gezanten, 'zeg dan tegen haar
vader dat zij mag trouwen met mijn zoon.'
Iedereen keek vol bewondering naar het beeld. Het was zó
mooi dat geen prinses aan haar kon tippen.
Uiteindelijk kwamen de gezanten in het naburig koninkrijk Madda,
in de stad Sagala. De koning daar had zeven stralend mooie dochters.
De oudste heette Prabhavati en zij was onbetwist de mooiste. Prahabvati
had een gebochelde, zeer trouwe helpster. Toen dit meisje langs
de weg water ging halen, keek ze toevallig in de koets en schrok.
Daar zat haar meesteres doodstil, maar nee, het was een beeld.
Ze vertelde de gezanten dat haar meesteres sprekend leek op het
beeld. Ze gingen met haar mee naar het paleis en werden naar de
koning gebracht. De koning wilde graag dat zijn dochter trouwde
met de beroemde prins Kusa.
De gezanten keerden blij terug naar hun eigen koning Okkaka en
koningin Silavati. Zij brachten een beleefdheidsbezoek aan hun
komende schoondochter, maar toen Silavati zag hoe mooi het meisje
was, dacht ze: 'Hoe moet dat goed komen. Als dit mooie meisje
mijn leleijke zoon ziet, zal ze terug willen rennen naar haar
eigen huis! Ik moet een plan bedenken,'
Ze zei tegen Prabhavati: 'In onze familie bestaat de gewoonte
dat een vrouw haar man niet mag zien tot ze zwanger is. Als je
je daarin kunt vinden, mag je de edele prins trouwen.' De prinses
zei: 'Ja, ik wil' en vertrok met haar aanstaande schoonouders
naar Malla. Ze werd ontvangen met gejuich door de bewoners van
haar nieuwe land. Ze vierden feest, want ze waren blij dat de
koningszoon nu ging trouwen. Okkaka deed afstand van de troon
en Kusa was de nieuwe koning. Niet lang daarna stierf zijn vader.
Het leven van Kusa en Prabhavati zag er vreemd uit. Ze zagen elkaar
alleen 's nachts met hun handen, als blinden. Vòor de zon
opging moest Kusa de koninklijke slaapkamer verlaten. De koning
en de koningin leefden in verschillende vertrekken. Ook de koningin-moeder
had haar eigen afdeling in het paleis.
Na enige weken wilden ze elkaar eindelijk wel eens zien met hun
ogen en ze vroegen herhaaldelijk toestemming aan de koningin-moeder.
Eerst weigerde zij, maar tenslotte gaf ze toe. Ze nam Prabhavati
mee naar de olifantenstal. Aan Kusa had ze gevraagd daar verborgen
te staan als olifantenbewaker. En ja, hij zag het: ze was beeldschoon.
Een tweede keer stond hij in de paardenstal en hij keek vol bewondering
naar zijn prachtige vrouw.
Nu was het Prabhavati's beurt, maar dat was moeilijker. De koning-moeder
had het volgende bedacht: 'Je kunt mijn zoon morgen zien, als
hij een processie leidt door de stad.' Ze vroeg prins Jayampati
een koninklijk kleed aan te trekken en bovenop een olifant langs
het paleis te komen. Toen Prahabvati uit het raam keek, was ze
opgetogen over het knappe uiterlijk van de man die haar echtgenoot
was, tenminste, dat dacht ze. Niemand had voorzien dat Kusa, verkleed
als olifantenbewaker achter zijn broer zat. Toen hij Prabhavati
achter het raam zag staan, kon hij het niet laten naar haar te
zwaaien. Prabhavati was woedend toen ze die lelijke man zo brutaal
naar haar zag wuiven. Ze klaagde tegen de koning-moeder, die naast
haar stond, maar ze vroeg zichzelf tegelijk af: 'Die olifantenbewaker
is een zelfbewuste figuur. Hij heeft geen respect voor de koning.
Zou hij soms koning Kusa zelf zijn?'
Daarom gaf ze haar gebochelde bediende opdracht uit te zoeken
wie nu eigenlijk de koning was: de voorste of de achterste man.
'Hoe kan ik dat te weten komen?' vroeg het meisje. 'Heel eenvoudig.
De koning zal het eerst afstijgen'
En zo gebeurde.
De bediende vertelde wat ze had gezien. Prabhavati ging meteen
naar de vertrekken van haar schoonmoede. Ze was woedend. 'U heeft
me bedrogen! Ik wil niets te maken hebben met zo'n lelijke, stiekeme
echtgenoot.'
Ze riep de gezanten en zei: 'Maak mijn koets klaar. Vandaag nog
ga ik terug naar mijn vader.'
De gezanten verklapten dit aan de koning, maar deze dacht na:
'Als ik haar tegenhoud, zal haar hart breken. Als ze weg wil,
laat haar gaan.'
En daar ging ze.
Als Kusa naar zijn paleis ging, dacht hij steeds aan haar.
Hij zei tegen zijn moeder: 'Ik ga Prabhavati terughalen. U moet
nu het koninkrijk besturen.' Zijn moeder antwoordde: 'Je moet
geen koninkrijk opgeven voor een vrouw. Je zou geduld moeten oefenen
en niet toegeven aan je verlangen naar haar.' Maar Kusa was vastbesloten.
Niemand kon hem tegenhouden.
Na een tijd bereikte hij de stad Sagala. Hij rustte uit, haalde
zijn fluit tevoorschijn en begon te spelen. De muziek klonk door
de hele stad. Toen Prabhavati de melodie hoorde, begreep ze meteen
dat die van Kusa kwam. De koning hoorde het ook en liet de vreemde
fluitspeler komen. 'Je speelt prachtig' zei hij. 'Je moet mijn
hofmuzikant worden.' Maar Kusa dacht: 'Nee, dan zie ik Prabhavita
niet.' Ook in dat land waren er aparte mannen- en vrouwenvertrekken.
Kusa besloot pottenbakker te worden. Eén van zijn kruiken
had de vorm van Prahabvati met haar gebochelde bediende. De koning
was onder de indruk en stuurde het kunstwerk naar zijn dochter,
maar zij begreep wie het gemaakt had en zette het opzij. Kusa
ging manden vlechten. Alweer maakte hij een meesterwerk:: een
Prabhavati van bamboe. De koning gaf de mand aan zijn dochter
en zij keek er niet naar om. Kusa kwam iets dichterbij zijn vrouw
toen hij paleistuinier werd, maar zelfs de prachtigste bloemstukken
konden haar niet veroveren. Toen besloot Kusa als kok op te treden.
Zijn schotels met eten waren zó verrukkelijk dat de koning
hem liet koken voor zijn dochters. Hij moest de schotels ook naar
hen toe brengen. 'Ah,' dacht Kusa, 'nu zal ik eindelijk mijn vrouw
weer zien.' Maar nee. Toen zij zag, dat hij de trap opkwam met
het heerlijke eten, dacht zij: 'Als ik hem ontvang, denkt hij
dat ik me met hem zal verzoenen. Als ik de deur open, kijkt hij
naar me. Als ik hem uitscheld, verdwijnt hij misschien. Wie weet,
grijpt hij me, als ik de deur opendoe.' Daarom sloot zij de deur
en liet de gebochelde het eten ophalen. Toen verwisselde zij het
eten dat voor de bediende bedoeld was met het hare en waarschuwde
het meisje dat zij de koning niets mocht zeggen.
Enkele dagen later, toen Kusa naar boven ging met een zwaar blad
vol eten, struikelde hij en viel. Het deed erg pijn. Toen Prabhavati
het gekreun hoorde, opende zij haar deur en toen ze hem in elkaar
gedoken zag onder het blad met eten, zei ze tegen zichzelf: 'Zie
toch de grote koning Kusa. Om mij lijdt hij pijn, dag en nacht.'
Toch gaf ze niet toe. Toen ze zag dat hij nog leefde en ademde,
ging ze terug naar haar kamer. Kusa zag nauwelijks een glimp van
zijn vrouw, maar hij was er nu zeker van: zij verafschuwde hem.
Ondertussen was het koninkrijk Malla in gevaar. De koning kreeg
bericht dat zes prinsen van naburige koninkrijken van plan waren
om de stad Sagala binnen te vallen. Ieder van de prinsen wilde
de mooie Prahabvita veroveren. Zij werd immers niet meer beschermd
door haar echtgenoot, de moedige koning Kusa.
De koning overlegde met zijn vrouw, die op haar beurt praatte
met haar oudste dochter: 'Was Kusa maar hier. Hij zou de prinsen
verslaan en ons allemaal redden.' Prabhavati had geen keus meer.
Ze vertelde haar moeder wie de muzikant, de pottenbakker, de mandenvlechter,
de tuinier en de kok was. Ze opende het raam en wees hem aan:
de man in smerige kleren die de potten en pannen afwaste.
De koningin vertelde alles aan haar man, die onmiddellijk naar
Kusa ging en hem vergeving vroeg omdat hij hem niet had herkend.
Kusa zei dat het kwam door zijn verschillende rollen.
Prabhavati begreep haar dwaasheid. Al die tijd dacht ze alleen
maar aan Kusa's uiterlijk en niet aan al zijn talenten en wijsheid.
'Hoe kon ik zo blind zijn voor zijn werkelijke schoonheid?' Ze
ging snel naar haar echtgenoot, viel voor zijn voeten, smeekte
om vergeving en beloofde hem nooit meer te beledigen. Kusa was
blij. Hij dankte de Heer van de hemel.
Toen hoorde hij van de vijandige prinsen. Hij verzekerde haar
dat hij ze zou verslaan, ging het paleis binnen en trok koningskleren
aan. Hij besteeg een olifant en stormde op de vijand af. Het duurde
niet lang of de prinsen lagen op hun knieën. Kusa doodde
ze niet. Hij liet ze trouwen met de jongere zusters. Zo werden
ze verbonden aan het koninkrijk. Madda.
Koning Kusa en koningin Prabhavati keerden terug naar Malla en ze werden feestelijk binnengehaald door hun enthousiaste onderdanen.
------
Geef alles
Maya en Phusati waren twee zusters die leefden volgens alle
lessen van de Boeddha. Vooral Phushati leefde bijna als een heilige.
De goden wilden haar belonen. Ze mocht van Sakka, de koning van
de goden, tien wensen doen voor haar wedergeboorte. Zij wilde
in haar laatste leven onder andere graag een voortreffelijke zoon.
Niet lang na deze wens stierf ze en werd herboren als een prinses.
Ze groeide op en overtrof iedereen in schoonheid en kennis. Ze
trouwde met een prins die Sanjaya heette, zoon van de koning van
Sivi.
Boven in de hemel zag Sakka dat negen van de tien wensen vervuld
waren. Nu moest ze nog een zoon krijgen. Hij riep het Grote Wezen
en zei: 'Edele Heer, je moet de wereld van de mensen binnengaan.
Je moet zonder uitstel ontvangen worden in de schoot van Phusati.'
Het Grote Wezen gehoorzaamde. Hij daalde af en zo gauw hij de
schoot van Phusati binnendrong, voelde zij een verandering in
haar bestaan. Het was het vurige verlangen naar vrijgevigheid
en weldoen. Ze gaf meteen aalmoezen in overvloed aan de arme mensen
die op het land werkten.
De waarzeggers van koning Sanjaya zeiden: 'Uw vrouw draagt een
kind dat steeds maar wil geven.' De koning was blij en hij maakte
er ook een gewoonte van de arme mensen iets te geven.
Toen het kind bijna geboren zou worden, zei Phusati dat ze de
stad wilde bezoeken. Terwijl ze door de Vessastraat kwam, begonnen
de weeën. Er werd een tent voor haar opgezet en daarin werd
haar zoon geboren. De mensen zeggen dat hij werd geboren met open
ogen. Hij greep onmiddellijk de hand van zijn moeder en gaf haar
een zakje met gouden munten. Hij werd Vessantara genoemd. Dat
betekent: hij die geboren is in de Vessastraat. Op dezelfde dag
werd een geheel witte olifant geboren. Dat was een teken van geluk
en de olifant werd naar de koninklijke stallen gebracht.
Toen Vessantara nog klein was, gaf hij aan zijn verzorgers en
bedienden zijn sieraden weg. Dit werd verteld aan de koning. Hij
zei: 'Wat mijn zoon heeft gegeven, is goed gegeven!' en hij liet
nieuwe sieraden maken.
Toen hij acht jaar was, zei de jongen: 'Alles wat ik weggeef,
komt van iemand anders en dat is niet genoeg. Ik wil iets weggeven
dat helemaal van mij is.'
Sakka hoorde dit in de hemel en hij was zeer tevreden.
Toen Vessantara zestien jaar was, beheerste hij alle wetenschappen.
Hij trouwde met een prinses die Maddi heette. Zij kregen een zoon
Jali en een dochter Kanchana.
Het ging goed in het koninkrijk. Het geld stroomde binnen. De
prins deelde elke dag rijkelijk giften uit, gezeten op de rug
van de witte olifant.
Het leven in het naburige koninkrijk Kalinga was moeilijk. Er
was droogte en misoogst en hongersnood. Vele bewoners vochten
om een beetje eten of gingen het stelen. De mensen gingen wanhopig
naar hun koning om hulp te vragen. Hij zei dat hij zou bidden
om regen, binnen zeven dagen. Maar er kwam geen regen. 'Wat moet
ik doen?, vroeg hij aan zijn beste minister. Deze antwoordde:
'Vessantara is bekend om zijn vrijgevigheid. Hij heeft een prachtige
witte olifant en overal waar die olifant komt, gaat het regenen.
Stuur hem enkele magere mensen en laat ze vragen om de olifant.'
De koning vond het een goed plan. Hij riep acht magere mannen
en zei: 'Ga en vraag om Vessantara's olifant.'
De volgende morgen gingen ze op weg. Ze bezochten de plek waar
Vessantara aalmoezen uitdeelde en riepen: 'Leve de edele Vessantara!'
Toen de prins hun magere lijven zag, vroeg hij: 'Wat wensen jullie?'
Het antwoord kwam snel: 'Wij hebben iets heel hard nodig. Wij
willen de olifant waarop u rijdt.' Vessantara steeg af en gaf
wat ze vroegen, niet alleen de olifant, maar ook de kostbare versieringen
waarmee hij bekleed was. Zij stegen snel op en reden weg, dit
tot grote woede van de plaatselijke bevolking. Daar ging hun regenbrenger.
De mensen schreeuwden: 'Waarom pikken jullie onze olifant in?'
en zij antwoordden: 'Wie zijn jullie dat je dat vraagt? Vessantara
gaf hem aan ons.' En terwijl ze wegreden door de stad, maakte
ze minachtende gebaren naar de bevolking. De mensen werden nog
bozer, niet alleen door het verlies van hun olifant, maar ook
door het misselijke gedrag van de mannen van Kalinga. Ze kwamen
in opstand tegen Vessantara. Ze drongen op naar zijn vader, de
oude koning Sanjaya, op een manier die nog nooit was vertoond
in het vredige koninkrijk. De koninklijke familie werd bang dat
de menigte Vessantara zou doden en besloot hem de volgende morgen
te verbannen, als de uitzinnige mensen hem met rust zouden laten.
De koning vond het niet de beste oplossing, maar hij had geen
keus. Hij riep Vessantara bij zich en vertelde wat hij had besloten.
Vessantara leek onaangedaan. Ook koningin Phusati hoorde van de
beslissing. Zij klaagde: 'Een bitter lot treft mijn zoon, hij
die alleen maar goed doet.' Zij pleitte voor hem, maar het volk
eiste zijn vertrek. Het beste wat ze kon doen, was haar zoon troosten.
Gehoorzamend aan zijn vader ging Vessantara naar de vertrekken
van zijn vrouw Maddi. In grote rust zei hij tegen haar: 'De bevolking
van Sivi is kwaad, omdat ik de olifant weggaf en zij verbannen
me uit het koninkrijk.' Hij droeg een gedicht voor over een landstreek
bij het Himalayagebergte en zei dat het een goede plek was om
heen te gaan. Toen zij luisterde naar het gedicht, voelde zij
dat zij zich in deze streek thuis zou voelen.
De volgende morgen, vòòr de zon opging, vertrok
Vessantara naar het paleis, met Maddi, om afscheid te nemen van
zijn ouders. Zij zegenden hun zoon en verzekerden hem dat zijn
vrouw en kinderen alle zorg zouden krijgen tijdens zijn afwezigheid.
Maar dat was niet nodig. 'Ik ga met hem mee', zei Maddi, 'want
hij geeft mij alle vreugde en vrede.' 'Maar laat de kinderen achter',
vroeg de koningin. Maddi zei: 'Mijn Jali en Kanchana zijn mijn
lievelingen. Zij gaan met ons mee naar het bos.'
Toen de zon opging, vertrokken zij in een koets die werd getrokken
door vier paarden. Tegen het samengestroomde volk zei Vessantara
dat zij aalmoezen moesten geven aan de armen en goede daden moesten
doen. Terwijl zij door de stad reden gaf hij aan bedelaars alles
wat hij nog bezat, zelfs zijn eigen sieraden. Bij de grens van
het koninkrijk liet hij de koets en de paarden achter en zij trokken
lopend verder en droegen de kinderen op hun heup.
Ondertussen bereikte het nieuws over Vessantara de koninkrijken
verderop, bijvoorbeeld Ceta, waar Vessantara en zijn vrouw doorheen
trokken. De prinses van het land heette ze hartelijk welkom en
vroeg of ze in het paleis haar gasten wilden zijn. Vessantara
dacht dat zijn eigen volk het verkeerd zou begrijpen als hij als
banneling in het paleis ging wonen en vroeg om een hut buiten
de stadsmuren. De volgende dag vertrokken ze alweer. De prinses
liet een wijze en praktische man achter hen aanreizen om een oogje
in het zeil te houden.
Er gingen vele dagen voorbij. Ze trokken door dichte bossen en
over woeste rivieren en uiteindelijk bereikten ze de voet van
de berg Vamba. Neerziend uit de hemel had Sakka er voor gezorgd
dat er een kluizenaarshut was gebouwd op een mooie plek. Vessantara
zag de hut al van ver en liep er naar toe. Hij begreep uit de
inscripties op de muren heel goed wie de hut had laten bouwen.
Hij trok zijn kleren uit, legde zijn boog en zwaard weg en trok
de ruwe pij van een heremiet aan en liet zich zo aan zijn vrouw
zien. Maddi wierp zich in tranen aan zijn voeten. Zij ging toen
naar haar eigen cel en trok ook een pij aan. Hierna lieten ze
ook hun kinderen een eenvoudig kleed aantrekken.
De vier edele monniken bleven daar zeven maanden. Ze leefden van
wilde wortels en bosvruchten en ze dronken uit het stroompje naast
de hut.
In die tijd woonde er in een naburig koninkrijk een oude koopman
met de naam Jujaka. Hij had zijn bezittingen achtergelaten bij
een zekere familie en vertrok om nog rijker te worden. Tijdens
zijn afwezigheid gaf de familie het geld uit en omdat ze hem niet
konden terugbetalen, gaven ze hem hun jonge dochter Amittata.
Jujaka nam het meisje mee naar zijn dorp. Zij beantwoordde aan
al zijn wensen, maar ze was niet gelukkig. Dat kwam omdat ze werd
uitgelachen door jonge mannen als ze water ging halen in de rivier.
De jonge mannen bespotten haar omdat ze leefde met een oude man.
Amittata ging naar haar man en zei: 'Ik zal jou iets vertellen.
Als je geen slaaf of dienstmeid koopt om dit werk te doen, loop
ik van je weg.' Jujaka had geen geld, maar zij had een plan. 'Bij
de berg Vamka leeft Vessantara. Ga naar hem toe en vraag hem om
een slaaf. De prins zal je alles geven wat je graag wilt hebben.'
Na veel aarzeling ging Jujaka accoord. Gauw maakte ze alles klaar
voor zijn vertrek, legde de knapzak op zijn schouder en zond hem
weg voor hij van gedachten kon veranderen.
Jujaka zocht naar de plek waar Vessantara woonde. Hij vroeg het
aan iedereen die hij tegenkwam, maar de mensen waren bang dat
hij een vijand van de prins was. Ze stuurden hem dan de verkeerde
kant op. Toch vond hij de hut van Vessantara, maar daar stond
een soldaat die door prinses Ceta was neergezet. De koopman bedacht
een smoes: 'Ik kom hier als de ambassadeur van het volk van Sivi
om Vessantara terug te brengen. Vertel mij waar ik de prins kan
vinden.' De soldaat was blij, pakte zijn spullen bij elkaar en
wees hem de weg. Jujaka kwam doodmoe aan bij het pad naar Vessantara's
hut. Het was al donker. Hij had van de soldaat gehoord dat Maddi
's morgens zou weggaan om bosvruchten te zoeken en dat was het
goed moment om Vessantara te vragen om zijn kinderen. 'Vrouwen
staan dan maar in de weg', mompelde hij. Daarom beklom hij een
heuveltop in de buurt en bracht daar de nacht door. De volgende
morgen vermomde hij zich als wijze man en liep naar de hut. Vessantara
zat op een steen en begroette hem. 'Het is niet zonder reden dat
een bezoeker zo diep het bos is ingetrokken', dacht hij. 'Ik zal
hem meteen vragen waarom hij hier is.' Hij stelde de vraag en
de sluwe man antwoordde in de vorm van een gedicht:
'Als een grote rivier vol water is
en geen dag met zijn stromen faalt
zo is het met hem naar wie ik kom
goed dat hij met zijn kinderen betaalt.'
Toen Vessantara dit hoorde, was hij opgetogen. Al die jaren hadden
mensen hem van alles gevraagd, dat niet van hem zelf was: voedsel,
kleren, land, sieraden, paarden, olifanten. Hij wilde altijd al
iets weggeven dat helemaal van hemzelf was. Hier was de kans om
dat te doen. Daarom vond hij het goed. 'Maar', zei hij, 'mijn
vrouw is in het bos. Blijf deze dag hier, zodat de kinderen morgen
kunnen vertrekken met de zegen van hun moeder.' Jujaka dacht:
'Dat gaat niet goed' en vroeg om het onmiddellijke vertrek van
de kinderen. Hij zei dat zijn vrouw geen moment kon wachten en
hevig verlangde naar de komst van de kinderen om haar te dienen
in haar huishouding. Toen begreep Vessantara pas dat zijn kinderen
werden weggenomen als slaven. De kinderen begrepen het ook en
vluchtten het bos in. Vessantara vond het verschrikkelijk, maar
wilde niet terugkomen op zijn woord en bood aan om ze te zoeken.
Hij volgde hun voetsporen, vond ze en toen zij hoorden waarom
hij dit alles deed, gaven de onschuldige kinderen toe. 'Laat de
oude man doen met ons wat hij wil', zei Jali. 'Ik zal mijn vader
gehoorzamen.' Kanchana viel huilend aan de voeten van haar vader
en greep zijn enkels vast. De oude man haalde een touw uit zijn
zak, bond de voeten van de prinselijke kinderen aan elkaar en
droeg ze als gevangen zwijntjes weg. De tranen stroomden uit Vessantara's
ogen. Terwijl hij zich beheerste, lukte het hem nog een prijs
te bepalen voor zijn kinderen. Hij zei tegen zijn zoon: 'Jali,
als je je vrij wil kopen, moet je de man duizend goudstukken geven.
Je zuster is een mooie prinses en zij kan alleen worden vrijgekocht
door een koning, niet alleen met goudstukken maar ook met een
kudde olifanten, paarden en slaven.'
Toen de onschuldige kinderen werden geslagen en weggevoerd door
Jujaka, schoten er allerlei gedachten door Vessantara's hoofd.
De eerste was de man achterna te gaan, hem te doden en de kleintjes
terug te brengen. Maar nee, dat zou niet goed zijn; iets geven
en dan terugkrabbelen vanwege het verdriet van de kinderen, was
niet in orde. Toen werd hij filosofisch. Deze pijn, bedacht hij,
wordt veroorzaakt door aanhankelijkheid. Hij moest zich daarom
losmaken van zijn verlangens en kalm worden. Toen dacht hij aan
Maddi. Wat zou ze doen als ze terugkwam en haar kinderen niet
zag? Kon zij de pijn verdragen als zij hoorde dat haar kinderen
waren weggegeven? Toevallig kwam Maddi die avond later terug dangewoonlijk.
Ze was er aan gewend de kinderen op het pad te vinden en toen
ze hen niet zag, begon ze te roepen. Er kwam geen antwoord en
zo bereikte ze Vessantara. Toen ze zag dat hij stil naar haar
keek, vroeg ze wat er met de kinderen gebeurd was. Vessantara
zei niets. Ze zocht overal rond de hut en in de omgeving. Toen
ze terugkwam, zag ze er heel treurig uit, maar Vessantara bleef
stil. Ze vroeg hem nog eens en nog eens waar de kinderen waren,
maar hij antwoordde niet. Ze verlangde naar haar kleintjes en
ging opnieuw zoeken. Pas in de nacht keerde ze terug naar haar
cel met de gedachte dat ze dood waren. Vòòr de zon
opkwam was Maddi terug aan de voeten van haar man en beklaagde
het verlies van de kinderen. Ze viel flauw van verdriet. Hij besprenkelde
haar met water en toen ze weer bij zinnen kwam, vroeg ze: 'Mijn
heer Vessantara, waar zijn de kinderen?' Eindelijk gaf hij antwoord:
'Ik heb ze weggeven aan iemand die ze nodig had.' Maddi's volgende
vraag schokte hem: 'Liefste, als je de kinderen hebt weggegeven,
waarom liet je me dan de hele nacht huilen, zonder een woord te
zeggen?' Toen vertelde Vessantara aan Maddi wat er gebeurd was
en waarom hij de kinderen had weggegeven. Zij bevestigde dat dit
de edelste gift was die iemand kon bedenken en voegde er aan toe:
'Ik verheug me! Een grotere gave met pijn
is niet mogelijk. Bid en laten we kalm zijn.'
De koning der goden volgde in de hemel hun gesprek. Vessantara
kon niet vermoeden dat een laatste test van zijn vrijgevigheid
op hem wachtte.
'Als nu een slecht mens bij Vessantara kwam en om Maddi zelf vroeg,
wat zou hij dan doen?', vroeg Sakka zich af. 'Als hij haar zou
weggeven, zou hij niets meer hebben. Maar als hij het deed, zou
hij de hoogste graad van heiligheid bereikt hebben. Ik zal hem
zelf op de proef stellen.'
Er was een goede reden om zelf te gaan. 'Als hij haar aan mij
geeft, kan hij haar niet aan iemand anders geven en dan geef ik
haar tenslotte terug.'
Sakka vermomde zich als kluizenaar en verscheen voor Vessantara.
Na een kort gesprek, vroeg Vessantara wat hij voor hem kon doen.
Het antwoord was meteen ter zake.'Ik ben oud, maar ik ben hier
gekomen om te vragen om uw vrouw Maddi. Geef haar aan mij.'
Hij verwachtte een antwoord als: 'Gisteren gaf ik mijn kinderen
weg, hoe kan ik u mijn vrouw geven en alleen achterblijven in
het bos.' Maar nee, dat was niet het antwoord. Vessantara nam
snel wat water en goot het over zijn rechterhand, als teken van
een gift, en liet Maddi naar de kluizenaar gaan. Sakka keek naar
Maddi, hoe zij reageerde. Zij sprak luid deze woorden:
'Vanaf mijn jeugd was ik zijn vrouw.
Laat hem doen wat hij wil: ik blijf trouw.'
De test was compleet. De Heer onthulde zijn ware wezen. Hij prees
hen beiden om hun onafhankelijkheid. Zij hadden bewezen dat zij
niet gebonden waren aan de aardse werkelijkheid. Hij gaf haar
terug aan Vessantara en vertrok nadat hij hen tien wensen had
laten doen.
Terwijl Vessantara en Maddi verder leefden in de hut, waren
de kinderen blootgesteld aan de genade van de wrede koopman. Als
zijn slaven moesten ze niet alleen de vuile karweitjes van zijn
vrouw opknappen; ze moesten hun meester ook vergezellen op zijn
reizen. Tijdens één zo'n bezoek kwam hij in het
koninkrijk van Sivi, waar hun grootvader een vreemde droom had.
De droom ging over een man die met twee bloemen naar hem toe kwam
en die, toen hij ze kreeg, met veel liefde tegen zijn borst omhoog
groeiden. De droomuitlegger zei het volgende: 'Er zullen twee
mensen uit uw omgeving, die lang afwezig zijn geweest, terugkeren.'
Een boodschapper van de koning zag in de stad twee kinderen die
wel van goud leken. Ze waren in het gezelschap van een oude man.
De drie werden voor de koning geleid. Onder indruk van de koninklijke
soldaten vertelde Jujaka hoe hij aan de kinderen kwam. Toen een
hoveling een spottende opmerking maakte over Vessantara, die zo
idioot was zijn eigen kinderen als slaven weg te geven, kon de
jongen zich niet langer stilhouden. Hij nam het op voor zijn vader.
'U mag hem niet bespotten! Wat hij gaf is goed gegeven.'
De koning was trots op zijn kleinzoon. Hij zei dat ze bij hem
moesten komen en omarmde ze terwijl zij zich aan zijn borst vlijden.
Maar Jujaka liet ze niet zo maar gaan. De koning moest voor de
kinderen betalen: de prijs die Vessantara had bepaald. Hij deed
het zonder aarzelen en toen droeg hij Jali op zijn heup en Kanchana
kwam bij haar grootmoeder. Jujaka kreeg een koninklijk vertrek
waar hij uit kon rusten op een kostbaar bed en waar hij de heerlijkste
gerechten mocht eten.
De volgende dagen vertelden de kinderen over hun leven in het
bos. Hoewel hun ouders gezond waren, was het leven daar heel moeilijk.
Vooral hun moeder had het zwaar. De koning was boos dat hij om
het volk zijn zin te geven zijn zoon had moeten wegsturen. Wat
had hij aan zijn rijkdommen? Het enige dat hij nu nog wilde, was
de terugkeer van Vessantara, die het koninkrijk weer moest besturen.
Jali begreep heel goed dat zijn vader niet uit zichzelf zou terugkeren.
De enige manier was dat de koning hem zelf moest ophalen, legde
hij uit.
Koning Sanjaya, begeleid door de koningin en de kleinkinderen
maakten alles klaar voor de reis naar de berg Vamka. Onder het
bevel van de generaal werden ze in de dichte bossen voorafgegaan
door het het leger. Jujaka moest de weg wijzen, maar hij stierf
onderweg. Toen moest Jali als gids optreden. Op de zevende dag
bereikten ze hun doel.
Toen Vessantara de olifanten hoorde, was hij eerst bang dat het
leger zijn vader had vermoord en nu op hem afkwam. Maddi stelde
hem gerust. Ze zei dat niemand hem pijn kon doen. Vanaf de heuveltop
zagen zij toen de koning en de koningin naar de hut komen. Ze
waren heel gelukkig toen ze zagen dat hun kinderen daar achteraan
kwamen.
De koning vroeg Vessantara officieel of hij zijn koninklijke plichten
weer op wilde nemen. Vessantara
trok zijn kluizenaarskleed uit. Maddi volgde hem en samen werden
ze opgenomen in de koninklijke tent.
Een paar dagen vierden ze feest in het bos. De koning vroeg de
generaal: 'Is de weg terug vrij voor mijn zoon?' 'Ja heer', antwoordde
hij. 'Het is tijd om te gaan.'
De stad was versierd om de edele prins te verwelkomen. De mensen
waren blij met hun beroemde prins. Hij bestuurde het rijk lange
tijd en na zijn dood werd hij opgenomen in de hemel.
------------------------------------------------------------------------
Hoe kun je op de goden lijken?
Heel lang geleden werd de koning van Varanai gezegend met een zoon. De koninklijke waarzeggers zagen dat hij een wijs man zou worden. Hij werd prins Mahimsasa genoemd. Enige tijd later kreeg de koningin nog een zoon, die de naam Sariputta ontving. Droevig genoeg stierf daarna de koningin. De koning trouwde voor de tweede maal en de nieuwe koningin schonk hem een derde zoon. Hij heette Ananda.
De koning was zo gelukkig met de geboorte van een nieuwe prins
dat hij tegen de jonge koningin zei: 'Ik beloof dat ik zal geven
wat je vraagt, omdat je mij zo'n mooi, sterk kind hebt gegeven.'
Zij antwoordde niet en dacht: 'Ik moet goed nadenken. Ik mag alles
vragen.' Zij wachtte vele jaren. Toen haar zoon een krachtige
jonge man was, ging zei naar de koning en zei: ' Herinner je je
wat je beloofd hebt toen Ananda werd geboren? Nu geef ik antwoord
en ik wil dat hij de volgende koning wordt.'
De koning schrok. Hij zei: 'Onze traditie is dat de troon naar
de oudste zoon gaat. Bovendien: is prins Mahimsasa niet een vuurtoren
van wijsheid? Hij zal een goede koning zijn. Hoe kan ik de troon
dan schenken aan jouw zoon?'
Zij hield vol dat hij haar beloofd had te geven wat zij vroeg.
Elke dag zeurde zij over zijn belofte.
De koning werd bang dat zijn nieuwe vrouw zijn oudere zonen kwaad
zou doen. Hij riep ze bij zich in zijn kamer en gaf hen de raadzich
te verbergen in het woud en pas terug te keren na zijn dood om
de regering op zich te nemen. Dan moest prins Mahimsasa koning
worden. De oude koning kuste zijn zonen terwijl de tranen over
zijn wangen liepen en liet ze gaan in de wildernis.
Wie kwamen de prinsen tegen aan het eind van de paleistuin? Juist,
niemand anders dan hun jongste broer Ananda. Hij was een aardige
jonge man en toen hij hoorde wat er aan de hand was, besloot hij
met hen mee te gaan.
Samen vluchtten zij naar het gebied van de Himalaya. Na een
lange, moeilijke tocht zaten zij uitgeput aan de rand van een
meer. Mahimsasa vroeg zijn jongste broer naar het water te gaan
om hem drinken te geven. Ananda was blij iets te kunnen doen voor
zijn oudste broer.
Wat zij niet wisten, was dat er een boze geest in het water woonde.
Die boze geest was vroeger een jonge monnik, die vanwege zijn
ongehoorzaamheid en ijdele karakter door zijn meester voor twaalf
jaar was verbannen naar het meer. Zijn ballingschap had hem niet
verbeterd. Integendeel, hij bedreigde iedereen die in het water
kwam. Toen Ananda water schepte, werd hij gegrepen door de boze
geest. Hij zou de prins pas loslaten als hij een goed antwoord
gaf op de volgende vraag: 'Hoe kun je op de goden lijken?'
Ananda was te jong om een goed antwoord te geven en de boze geest
sleude hem naar de bodem van het meer. Dat deed hij met alle mensen
die het water raakten.
Na einige tijd werd Mahimsasa ongerust en hij vroeg de tweede
broer te gaan kijken waar Ananda bleef.
Sariputta had zijn voet nog niet in het water gestoken, op zoek
naar zijn jongste broer, of de boze geest greep hem, stelde dezelfde
vraag en nam Sariputta mee naar de diepte.
Nu ging Mahimsasa zelf op onderzoek. Hij volgde hun voetsporen,
zag dat ze het water in waren gelopen, maar zorgde er zelf voor
op het droge te blijven. Hij voelde dat er een boze geest in het
water was. Hij trok zijn zwaard en wachtte. De boze geest zag
hem staan en begreep dat deze oudste prins niet gepakt kon worden.
Hij verkleedde zich als houthakker en liep naar de prins toe.
'U ziet er moe uit. Waarom neemt u geen bad in het meer? U zult
weer fris worden.
Mahimsasa keek door zijn vermomming heen en vroeg: 'Jij hebt mijn
broers toch gegrepen?'
'Ja' zei de boze geest.
'Waarom?'
'Omdat iedereen die het water raakt van mij is.'
'Iedereen?'
'Nee, als iemand weet hoe je op de goden kunt lijken, laat ik
hem gaan.'
'Dus jij wilt weten hoe je op de goden kunt lijken.'
'Ja, dat wil ik.'
'Ik zal het je vertellen. Luister.'
De wijze prins vroeg de boze geest water te halen, zodat hij
kon drinken en zich wassen. Ook moest hij eten halen en een krans
van lotusbloemen om er mooi uit te zien. Toen hij gegeten en gedronken
had en de krans had omgedaan, ging hij op een verhoging zitten,
met de boze geest aan zijn voeten. Toen begon hij te praten. Wat
Mahimsasa zei, kwam hier op neer: om op de goden te lijken, moet
je geen kwade dingen doen.
De boze geest begreep het hele verhaal en was blij met het antwoord.
'Ik ben onder de indruk van wat u heeft verteld. Daarom geef ik
één van uw broers terug. Welke wilt u?'
'De jongste.'
'Dat is niet wijs. U zou de oudste moeten vragen. Zo hoort dat.'
Mahimsasa legde zijn keuze uit. Het was allemaal begonnen met
hem. Omdat zijn moeder hem op de troon wilde, moesten de ouderen
vluchten in het woud. Maar de jongste broer zelf wilde met hen
mee en liet hen niet in de steek.
'Zou iemand het begrijpen als ik juist hem achter zou laten bij
een boze geest? Daarom wil ik hem bevrijden uit jouw handen.'
De boze geest bewonderde de keuze.
'Wijze man', zei hij. 'U weet niet alleen hoe u op de goden kunt
lijken. U handelt er ook naar. Ik zal beide broers bevrijden.'
Mahimsasa ging niet meteen terug. Hij zei tegen de boze geest:
'Luiister. Je bent nu zoals je bent vanwege je kwade streken uit
het verleden. Je vergroot alleen maar het kwaad door zo door te
gaan. Als je er niet mee stopt, wordt je steeds kwader geboren,
steeds opnieuw en zul je nooit verenigd worden met de goden.'
De boze geest viel voor zijn voeten en vroeg hem te helpen geen
kwaad meer te doen. Hij ging met hem en de broers mee.
Toen de oude koning stierf, gingen ze terug naar Varanai. Mahimsasa
besteeg de troon, Sariputta werd zijn vervanger en Ananda zijn
generaal. De vroegere boze geest kreeg een woning en leefde gelukkig
onder de bescherming van Mahimsasa.