Gedichten moeten ook iets doen

Een gesprek met Henk van der Waal

De Jury VSB Poëzieprijs 2004 (Ad Zuiderent, voorzitter, Dirk van Bastelaere, Marjolijn Februari, Martin Reints, Thomas Vaessens) zegt over zijn jongste bundel het volgende: "In de intrigerende bundel De aantochtster doet Henk van der Waal iets wat ontelbare dichters hem hebben voorgedaan: als een bezetene jaagt hij het ultieme, ongrijpbare Ding na dat alle verlangen overbodig maakt, de sluitsteen van het bestaan. Van der Waal ontwikkelt zelfs een hele nomenclatuur om de excessieve, maar problematische natuur van deze figuur te belichten. Ze krijgt vreemde, soms lelijke namen als 'onthutsster', 'verklonteraarster' en 'toekomstgeefster', maar ook: 'de vierde persoon enkelvoud', de 'bewoonster van jouw rest'. Diegene dus die buiten onze structuren valt, maar die we enkel vanuit die structuren kunnen benaderen; een wezen dat zich in het buiten bevindt, maar op aanwezigheid aandringt. Dat is een waanzinnige onderneming, en dat is Van der Waals poëzie ook aan te zien. In lange, incantatorische volzinnen, die een uitermate dwingend karakter hebben en doorspekt zijn met neologismen, drijft Van der Waal de taal een gebied in waar ze een onmogelijke opdracht moet vervullen. Zijn strakke, absurde vormpatronen onderstrepen dat alleen maar. Ze vormen een bros laagje vernis op de chaos die in ons woont. Er valt dan ook geregeld een gat in die vorm. Maar het gedicht gaat gewoon door, want dat is het enige waartoe de taal in staat is. In 'De aantochtster' wordt de ratio omgewoeld en jaagt Henk van der Waal de poëzie op een fascinerende manier naar de drempel van onze (en haar) wereld, 'waar een mug geen mug is, en een olifant een roos'".

------

De nieuwe bundel De aantochtster begint met een motto van Rilke, uit zijn tweede elegie, in de vertaling van C.O. Jellema: 'Schrikwekkend is iedere engel. Toch, wee mij, zing ik tot u, bijna dodelijk dreigende vogels der ziel, al ken ik uw wezen.'

Henk van der Waal: Zo'n motto aan het begin van een bundel plaats ik met enige huiver. Aan de ene kant is het een soort eerlijkheid die me daartoe doet besluiten. Ik wil de lezer het kader waarin ik mijn gedichten plaats, niet onthouden. Daarom is dit citaat ook zeker betekenisvol. Aan de andere kant is het ook een gevaarlijk spel dat ik speel, want in zekere zin stuur ik de lezer met zo'n regel een doodlopende weg in, zet ik hem op het verkeerde been. Je kunt er met andere woorden wel iets mee, maar je kunt niet elk gedicht, of elke keer dat er een woord als aantochtster of geluksverstuifster valt, dat terugbrengen tot de engel van Rilke.
Wat mij erg aanspreekt in die engel, is dat zij een tussenwezen is. Ze is het menselijke net ontstegen, maar zit niet opgesloten in de heiligheid van een god. Je zou kunnen zeggen dat de engel, op deze manier gedacht, een soort relatieve religiositeit inaugureert. In mijn vorige bundel, Schuldsanering, heb ik mij nogal gekeerd tegen de absoluutheid en het dogmatische van de god van het christendom waarmee ik ben grootgebracht. De idee van een engel maakt het allemaal lichtvoetiger, het brengt de mogelijkheid van een religie zonder god dichterbij.

Rilke zegt: 'dodelijk dreigende'.
Ik moet daarbij aan Maria Boodschap denken.

Daar zit wat in. Een engel houdt het midden. Dat betekent dat je er twee kanten mee op kunt. In de elegieën van Rilke voert de engel weg naar de verten van een andere wereld. Vandaar dat dodelijk dreigende. In het christendom is de beweging andersom. Daar is de engel altijd een boodschapper en aankondiger. Nogmaals, begrijp de vrouwelijke personages die ik opvoer niet op voorhand als engelen, dat zou ze te veel vastpinnen, maar de titel van de bundel geeft wel aan dat ze naar ons toekomen, dat ze in die zin smekelingen zijn: vragen om de mogelijkheid van aanwezigheid. Dat doen ze alleen wel net zo godloos als bij Rilke. Daar zit misschien ook wel het dreigende in.

Tremendum et fascinans?

Dat laatste zeker. Dat tremendum is voor mij alleen meer verbonden met het moment waarop je zoiets als een aantochtster op het spoor komt. Dat moment, die toestand, die openstelling is veel belangrijker dan een eventuele materialiteit van een engel of een aantochtster. Het gaat erom wat zo'n idee, of beter nog de evocatie daarvan, dus eigenlijk het gedicht zelf, met iemand doet. Als je het precies wilt zeggen is het gedicht de existentialisatie van de figuren die het evoceert. Mocht het kwartje vallen en mocht gebeuren wat ik ergens noem: 'zij versplintert de ons ten / diepste doordringende bepalingen', dan bestaat zij in die werkzaamheid. Dit is eigenlijk het grote probleem van het geloven en de religie, dat wij altijd naar een oorzaak zoeken van datgene wat ons in een bijzondere geestesgesteldheid brengt. Op het moment dat we die veroorzaker hebben benoemd, gaat die de hoofdrol spelen en krijg je godsdienst met alle nadelen en problemen van dien. Niet voor niets voer ik daarom vele namen op: wat meervoudig is, is niet te omsluiten en draagt vanwege haar verdeeldheid per definitie afwezigheid in zich. In die zin wekt ze die afwezigheid ook in ons en is ze 'de afwezigheidswekster'.

Je zou haar kunnen vergelijken met de muze.

Nou, ik ben daar erg voorzichtig mee. De muze is een nogal klassiek beeld en ook de man-vrouwverdeling die dat oproept, is nogal traditioneel. De vrouw die uit het niets een eenzame getourmenteerde man grootse werken inblaast. Eigenlijk stuit dat me tegen de borst. Als je even doordenkt is dat een pornografische scène en doet die vrouw niets anders dan een kunstenaar opgeilen. En die kunstenaar strijkt vervolgens met de eer. In die zin reflecteert de verhouding kunstenaar-muze gewoon de verhouding tussen man en vrouw in onze maatschappij. Ik maak geen gedichten om die verhouding te reproduceren. Eerder om haar aan de kaak te stellen.
Net als de muze zijn de vrouwelijke namen die ik ten tonele voer wel ongrijpbaar, en ook is er een houding van openstelling en afwachten nodig om ze binnen ons bereik te krijgen. Maar het kunstwerk of het gedicht is niet het resultaat van een influistering, eerder een antwoord op het uitblijven daarvan.

Bij Hadewijch vind je het idee van de verschrikkelijke liefdesbrand. Zij verlangt naar de eenwording met Christus.

Het verbaast je waarschijnlijk niet, maar ik heb wel wat met mystici. Tegelijkertijd kan ik hun teksten vaak maar moeilijk lezen. Je moet je vaak door een hele hoop theologisch geneuzel worstelen om af en toe een pareltje tegen te komen. Het leuke van mystici is dat ze de kerkelijke dogmatiek aan hun laars lappen. Niet voor niets kwamen ze vaak in conflict met de clerus. Dat heeft te maken met wat ik net het grote probleem van het geloven noemde: degene waarin geloofd wordt, gaat de overhand nemen en het geloof zelf in de weg staan. Het lijkt erop dat de mystici dat probleem willen overwinnen. Want wat kan die verschrikkelijke liefdesbrand van Hadewijch zijn? Dat is de eenwording met degene in wie ze gelooft, maar tegelijkertijd haar uitwissing én de zijne. De brand vlakt zowel het verschil tussen subject en object als het verschil tussen subject en gezegde uit. Dat is gigantisch. Probeer dat maar eens in de grammaticale structuren zoals wij die kennen uit te drukken.

Je bundel bestaat uit vier afdelingen. De eerste heet Toebereidselen. In de tweede affdeling wordt er een soort landingsbaan uitgerold om de zij de kans te geven te landen. In de derde afdeling, 'Zo is zij', wordt een poging ondernomen om door het geven van karakteristieken vat op haar te krijgen. Je besluit dan met de cyclus 'Nomenclatura', waarin je de zij met allerlei namen probeert te vangen. Een nogal logische opbouw, lijkt me.

Als je zaken op het spoor wilt komen die zich maar moeilijk op de staart laten trappen omdat ze zo diep verscholen liggen onder je eigen verlangenshuishouding en als je daar dan ook nog veranderingen en bijstellingen in aan wilt brengen dan is het verstandig om het unheimische en chaotische daarvan in een zekere logica te dwingen. Dat maakt het mogelijk een paar stappen te zetten, in plaats van uit te barsten in wild geschreeuw of verbouwereerd stilzwijgen. Vergelijk het met de manier waarop Nietzsche zegt dat de Grieken met het mateloze van het Dionysische hebben kunnen omgaan: door het in te kaderen met het vormprincipe van het Apollinische.

Ik heb je gedichten hardop gelezen en gemerkt dat de 'witte plekken' een functie krijgen. Verbazing, verwondering, stil staan op de plek.

Mooi dat je dat zo zegt, vooral omdat het niet zomaar witte plekken zijn. Het is ook niet gewoon 'functioneel wit', zoals dat heet. Bij het functionele van dat wit heb ik me nooit een voorstelling kunnen maken. In sommige gevallen kun je, door een regel op een bepaald punt af te breken, een dubbele betekeniscreëren of een betekenis rekken of uitstellen. Maar ik denk dat de meeste dichters door opportuniteit worden gedreven op het moment dat ze een afbreking invoegen en dat het wit in veel gedichten er meer is om poëzie te suggereren dan om werkelijk poëzie te maken. Het is een soort misbruik van het wit, een witwaspraktijk.
Bij mij zijn de open plekken anders ontstaan. Het zijn weglatingen. Er gaat tekst onder schuil, die ik uiteindelijk niet prijs heb willen geven. De witte plekken zijn ooit ingevuld geweest. Het interessante is dat die witte plekken alleen zichtbaar worden door de strakke vorm waarin de gedichten gegoten zijn. Zonder die vorm had je de afwezigheid van tekst niet kunnen ontdekken.

De vorm van je gedichten is inderdaad nogal opvallend. Bij de eerste cyclus moest ik denken aan een zandloper.

Soms heb ik het gevoel dat ik me met die vorm in de vingers snijd. Het is voor een aantal mensen een excuus om het niet over de inhoud te hebben. Die vorm is in hoge mate arbitrair. Ik zie mijn gedichten ook niet als vormgedichten. Zo van we gaan een gedicht over wijn schrijven dus maken we de tekst op in de vorm van een wijnglas. Dat soort geintjes ligt mij niet. Alleen in de tweede cyclus heb ik me ertoe laten verleiden om in tekst een landingsbaan neer te leggen. Ik wilde de taal daar zo lang maken en oprekken, zo larmoyant maken, dat de zij die ik evoceer bijna niet meer anders kan dan er op te landen.
In de andere gevallen wil ik eerder de betekenisloosheid van vorm demonstreren dan de betekenisvolheid ervan. Het is nog anders. Door het herhalen van dezelfde vorm ga je als lezer betekenis vermoeden. De herhaling zelf genereert betekenis, precies zoals de taal werkt. Maar tegelijk blijft die betekenis leeg of verscholen en voor begripzoekende lezers die wij zijn, is dat irritant. Maar als je daar doorheen gaat, zul je merken dat die herhaling van betekenisloze vorm gaat werken als een rite, eigenlijk het basisprincipe van de rite is.

Toch kun je niet zeggen dat je teksten het begrip schuwen. Als de lezer zijn best doet kan hij begrijpen wat er staat.

Dit is de lakmoesproef van de moderne, pardon, postmoderne poëzie: Doorgronden we een gedicht via de weg van het begrip of laten we ons meevoeren op een ritme dat we verder niet tot een eenheid proberen samen te voegen. Misschien kun je zeggen dat ik via de weg van het eerste uitkom op het tweede. Bij mij vind je een stapeling van betekenissen die het menselijk vermogen om dat samen te houden in een omspannende interpretatie net te buiten gaat. Juist als je de inspanning levert om te doorgronden wat er staat, stuit je op een, als ik het zo mag zeggen, opwindende ondoorgrondelijkheid.

Kun je zeggen dat jij post-postmodern bent?

Het grote gevaar van het postmodernisme is de vrijblijvendheid ervan. Monteren, sampelen, knippen, plakken: die uit de film- en computerwereld overgewaaide technieken zijn de hoofdrol gaan spelen in plaats van de bijrol. Het effect daarvan is willekeur, wat op termijn weer leidt tot onverschilligheid. Dat zijn allemaaldingen die het postmodernisme aan zijn gaan kleven toen het zijn tentakels ging uitstrekken van de filosofie naar de literatuur en de architectuur. In mijn bundel keer ik mij vrij expliciet tegen die onverschilligheid.
Het postmodernisme is oorspronkelijk een gevolg van een enorme verlegenheid van het denken. Door allerlei ontwikkelingen lukte het niet meer het zaakje bij elkaar te houden. Wie door dacht stuitte op paradoxen en innerlijke tegenstellingen. Ideologieën bleken de vijanden van zichzelf. Men stond met lege handen. De kunst en de poëzie hebben van de grote nood die daaruit sprak, heel snel een deugd gemaakt. In plaats van uit te komen op chaos en desintegratie vertrok men vrolijk bij chaos en desintegratie. Dat is een gevaarlijke ontwikkeling. Biologisch en neurologisch kan de mens dat helemaal niet aan. Onze hersenen willen van veelheid eenheid maken en hebben daar allemaal strategieën voor ontwikkeld. Daar kun je niet ongestraft tegen in gaan. Het is niet de bedoeling om chaos met chaos te beantwoorden. Chaos, okay, maar als je die wilt ervaren, moet je er een vorm tegenover zetten. Dat doet de kunst. Dat probeer ik.
Als dat lukt, kun je bij vlagen over de rand van ons aangeharkte bestaan kijken en voor een moment loskomen van de kaders die je kluisteren aan traditioneel machtsvertoon. Maar dat kan alleen door de taal die je hebt te gebruiken en de betekenissen daarvan op te rekken tot het niet meer gaat en je als vanzelf over die rand wordt gedrukt. Niet om daar te verzinken in chaos, maar om uit die chaos nieuwe mogelijkheden op te diepen. Dat is misschien wel post-postmodern.

Op zoek naar een nieuwe waarheid?

Waarheid, dat is een belast woord. Sinds Nietzsche zeg je op hetzelfde moment dat je waarheid zegt, ook onwaarheid. Ik ben wel bezig met het zoeken van openingen naar iets dat niet zomaar te bevatten is. Ik vind dat je een soort opdracht hebt om suggesties te doen over wat jij vindt dat je te wachten staat. Die suggesties hebben niet direct de status van waarheden. Een waarheid is een suggestie waarvan je vergeten bent dat het een suggestie is.

In De windsels van de sfinx schrijf je over de geboorte van een kind: 'Hup, daar trekken we je de / wijde wereld in. Hopla, daar ben / je verdreven uit je verzonken stad/ / Hou daarom je binnenwereld nog maar even vast / met de lichtblauwe wijsheid van je vorsende blik, / want uiteindelijk zal hij toch met veel omhaal / van woorden van je af worden gepakt.'

Ja, dat fascineerde me nogal. Alsof het hele jonge kind, als het tenminste zijn natje en droogje heeft gehad en niet geplaagd wordt door darmkrampen, zichzelf nog weet vast te houden op de grens. Je ziet dan een mengeling van concentratie en ervaring die intenser lijkt dan waar wij, volwassenen, toe in staat zijn. Mij stemde dat jaloers en triest tegelijk. Zowel de natuur als de cultuur staat niet toe dat dat kind blijft zwelgen in die ongearticuleerde wijsheid. Het groeit en moet zich leren handhaven in onze maatschappij. Om dat voor elkaar te krijgen moet het kind die aanvankelijke toestand vaarwel zeggen. Met elk woord dat het leert, gebeurt dat. Je ziet dan ook dat de serieusheid van het begin, wordt uitgewist om plaats te maken voor de naïviteit die kinderen doorgaans eigen is. Later, nadat iemand steeds meer verstrikt is geraakt in zijn eigen geschiedenis, zal hij of zij die toestand van vlak na de geboorte slechts met heel veel moeite terug kunnen vinden. Maar dat neemt niet weg dat je er naar mijn idee wel 'de coördinaten van in je uitgelijnd' hebt gekregen, zoals staat in het openingsgedicht van De aantochtster.

Verderop in dat gedicht gaat het over zeer aardse dingen: zweet, erotische aantrekking, liefde. In de tweede strofe stel je dan voor om 'lieve' te vervangen door 'hooggeëerd'. Je besluit het gedicht dan met drie zinnen, waarvan er een luidt:'je / wilt toch / // aankomen in het niemandsland van je eigen hersenloosheid'. Is dat het niemandsland waar het kind uit vertrok en waar het vlak na de geboorte nog besef van heeft?

Het is een wat lange brug, maar zeker geen brug te ver. Als je goed naar dit gedicht kijkt, zie je dat er een wending in wordt gemaakt, een wending die wil afrekenen met onze consumptieve manier van leven. Het rücksichtslos nalopen van het eigen verlangen wordt verruild voor een verlangen daarvan los te komen. Pas als dat lukt, kan dat besef van het kind weer de kop opsteken. Het is op het Boeddhistische af.
Zolang je bent opgenomen in de machtsstructuren van deze samenleving, krijg je daar naar mijn idee nauwelijks zicht op. En ik weet met de al genoemde Nietzsche hoezeer wij bepaald zijn door de drang om onze verlangens te bevredigen en onze macht te vermeerderen. Mijn project is in die zin tegendraads, bijna tegennatuurlijk. Misschien is dat het charmante ervan.

Je bent nogal gefascineerd geweest door Faverey.

Een enkele criticus zag bij het verschijnen van mijn eerste bundel de invloed van Faverey. Later is me dat gelukkig niet meer aangewreven. Mijn gedichten zijn heel anders van opbouw en van taalgebruik en ook wat ik over het voetlicht wil brengen, is anders. Dat neemt niet weg dat ik erg onder de indruk was van zijn gedichten. De combinatie van humor, diepgang en rijkdom van uitdrukking is ongeëvenaard in het Nederlandse taalgebied. Reden waarom ik hem begin jaren negentig, samen met Joke Hermsen, vertaald heb naar het Frans.
In Schuldsanering staat een gedicht 'voor hans f.' Ik probeer daarin aan te geven hoezeer hij focust op de manier waarop de mens en de dingen zijn wat ze zijn. Hij is er een meester in om open deuren in te trappen. Neem de regel 'de vis - die is in de zee'. Als lezer kun je niet anders dan dat beamen en zeggen, 'ja, zo is het'. Ik relateer hem altijd aan Heidegger. In Heideggers terminologie kun je hem een dichter van het zijn noemen. Ik vind dat heel mooi, maar het beperkt hem ook.
Aan de andere kant van het spectrum staat Celan. Die tast af of er nog iets over is van een verdwenen ander en leunt daardoor veel meer op een filosoof als Emmanuel Levinas. Bij mij zie je de invloed van beiden. Er is de aantochtster waar je geen vat op kunt krijgen en die vanuit onbekend gebied komt aangewaaid. Ze heeft, om met Levinas te spreken, 'de hoogte' of is 'het oneindige' in de ander, datgene wat je ertoe brengt om 'hooggeëerd' te zeggen in plaats van 'lieve'.
Aan de andere kant zoek ik naar een houding die je ontvankelijk maakt voor dat andere in de ander. Die vind ik in aandacht, verzaking, wachten, gelatenheid, woorden die meer in het vocabulaire van Heidegger en iemand als Blanchot passen.

Je bent niet een dichter die rondloopt en geïnspireerd raakt. Je bent een denkende dichter.

Wat heet. Ik ga in ieder geval wel de anekdotiek uit de weg. Soms hoor je dichters die gaan voordragen en beginnen met: 'Ik kwam dat en dat tegen en toen heb ik dit gedicht geschreven.' Dat kan en wil ik niet. Een gedicht is voor mij niet een mooi verpakt verhaaltje. Een gedicht moet niet over een gebeurtenis gaan, maar moet zelf een gebeurtenis zijn. En die gebeurtenis kan denkend zijn, als dat denken ten minste niet helemaal de kant van de ratio wordt opgeduwd.

Lucas Hüsgen zegt in zijn essay 'Overleeft uw kruisafneming' (in: Nee, maar het gebeurt, Van Tilt 2003): 'Het gaat Van der Waal om een theoretische, of vriendelijker uitgedrukt, een algemene vorm van schuld: wij die onontkoombaar als talige wezens door het leven gaan, plegen zo noodzakelijkerwijs verraad aan het kinderparadijs, aan de tijd van schuldeloze eenheid.'

Over de wijsheid van het kind en de manier waarop ouders hun kinderen daar door het leren van de taal noodzakelijkerwijs van vervreemden, hadden we het al even. Hüsgen heeft dat goed gezien. Het thema van de schuld wordt in Schuldsanering echter ook heel anders behandeld. Schuld komt van alle kanten op je af, of je het nu gedaan hebt of niet. Dat is ook het thema van wat ik zelf de belangrijkste cyclus van die bundel vind, 'Rasterwerk': Hoe het leed en de schuld van de grootste collectieve misdaad in de geschiedenis van de mensheid ook op onze generatie, ook op mij drukt, hoewel ik van na de Tweede Wereldoorlog ben en ook nog eens geen Duitser maar een Nederlander. Leed maakt geen onderscheid in leeftijd of nationaliteit of het feit of je het wel of niet hebt gedaan. Leed doet een algemene aanspraak op jou en je menselijkheid, en schuift je daarom ook schuld toe. Ik heb geprobeerd om daar een verhouding toe te vinden.
In een andere cyclus, 'Kruisingen', gaat het om de schuld die je genereert als je je losmaakt van je ouders en van de taboes waarmee zij je hebben grootgebracht.

Bertus Aafjes heeft daar een gedicht over geschreven: 'In den beginne' en daarin noemt hij Adam de eerste dichter. Door het geven van namen worden de dingen verbonden met hun connotaties. Maar het houdt geen stand, het verbrokkelt.
Wat is de schuld van Adam en Eva? Ze kozen voor kennis. Ze hadden het lef in opstand te komen tegen het goddelijk gezag. Kinderen moeten zelfstandig worden . Ze mogen geen poppen blijven. Kinderen moeten leren nee te zeggen tegen hun ouders. Hoe is die ongehoorzaamheid verbonden met seksualiteit? Een vrouw maakt een man wakker. Hoe is de relatie tussen bewustwording en seksualiteit?

Dat ouder worden en zelfstandig worden is een complex proces. Ouders laten je een beetje vrij, trekken de teugels weer aan, geven je weer wat ruimte. In onze cultuur heeft dat aardig wat tijd nodig, zeker als het om seksuele zelfstandigheid gaat. De verhouding tussen man en vrouw structureert de maatschappij tot op grote hoogte en de seksualiteit is daar de motor van. Als daar teveel in gerommeld wordt, treden er fricties op in de machinerie. Om die reden is seksualiteit tot op de dag van vandaag overladen met regels, geboden en verboden, dus ook met schuld. Dat komt ook omdat seksualiteit en de roes die het verschaft, al is het maar voor even, de neiging heeft alle wetten en regels aan zijn laars te lappen. Het is een gekooide tijger die een kans om te ontsnappen nooit zal laten lopen. Seksualiteit is in zich revolutionair en dus ook een act van bevrijding. Met name van degenen die jouw seksualiteit aan banden leggen, omdat ze nu een keer de taak hebben om je tot een jaar of veertien, vijftien, zestien te beschermen tegen iedereen die je wil belagen.
Maar op een gegeven moment ga je ook op dat vlak je zelfstandigheid opeisen. Als je merkt dat anderen je verlangen wekken, besef je dat je subject kunt zijn temidden van leeftijdgenoten. Je ontdekt dat jij je binnen die categorie te manifesteren hebt. Om dat werkelijk te kunnen zul je alleen wel een breuk moeten forceren met je ouders, met degenen die jou beperkingen oplegden. En die breuk impliceert schuld. Mij is het nog steeds niet gelukt het koppel schuld en seksualiteit uit elkaar te drijven.

Is dat de taak van de aantochtster?

Ach, als dat zou kunnen.
Weet je wat het grote probleem is? Onze subjectiviteit. Die is in de loop der tijd hard geworden als graniet. Op een oorspronkelijk zachte ondergrond heeft zich zoveel geschiedenis afgezet, bedreiging, persoonlijkheid, schuld, geweld, eergevoel, krenking, dat die zachte ondergrond nauwelijks meer is terug te vinden. Vrijwel iedereen heeft zich teruggetrokken onder een steeds dikker wordende schaal en is vervolgens van zichzelf gaan denken dat hij of zij die schaal is. Mijn vrouwelijke figuren voer ik op om die schaal open te breken, om toegangen te forceren naar wat inmiddels een heus terra incognita is geworden, maar waar de mogelijkheden liggen opgeslagen voor openstelling, ervaring, gemeenschap. Gedichten zijn er niet alleen maar om te plezieren, ze moeten ook iets doen.

---------