THIS IS THE OFFICIAL HOMEPAGE OF REMCO EKKERS

Observaties (last update 17-8-2019)

EEN HAAS DIE ZICH EEN HOED OPZET // In memoriam Tom van Deel: Er is een romantisch beeld van twee schelphelften. Ze hoorden ooit bij elkaar, maar zijn losgeraakt en door de golven op het strand geworpen. Je raapt een schelphelft op. En o, het geluk als je de andere helft vindt. Ze passen perfect op elkaar. Dit is een embleem geworden van gelieven die elkaar vinden: o, geluk als ze perfect passen! Een variant op de mythe dat mensen ooit als eenheid bestonden, toen gekliefd werden en nu op zoek zijn naar hun wederhelft. Tom van Deel verwerpt deze romantiek. In het gedicht ‘Epithalamion’, dat betekent bruidslied, noemt hij dit ‘verveelde spiegeling’. Twee schelpen wordt er wel gezegd die ooit aaneen ooit van elkaar maar nu ten slotte. Of zou het eigenste, het duplicaat, nu juist geen ring, geen nest of huis, geen woning zijn, alleen verveelde spiegeling. Wat heel niet past maar toch gelijkt, aantrekt, vervoert is waard om goed bezegeld, bestreden en bemind, in eindeloze aandacht beslist omarmd te houden. Twee schelpen ja maar twee in hoogst verrukt onpassen. Het is duidelijk: de weglating (ellips) is zijn geliefde stijlfiguur. Als je de eerste zin aanvult volgens de spreektaal, wordt hij twee keer zo lang en gaat vervelen. Ja, dat weten we wel. De gedachte wordt ook helemaal niet afgemaakt. Dat zou de ideale verhouding zijn! Dan komt meteen een tegenwerping. Nee, zo’n volmaakt bij elkaar passen is vervelend. Mooi dat hier de beelden ‘ring’ en ‘nest’ worden gebruikt, beide rond en besloten, zoals huis en woning, wat ook geldt voor de schelp. Een gewone zin zou zijn: wat helemaal niet past, of in ’t geheel niet; maar er staat: ‘wat heel niet past’. Doet me denken aan de taal van Fritzi ten Harmsen van der Beek; intiem, persoonlijk. De ongelijkheid leidt tot strijd en min. ‘eindeloze’ aandacht lijkt mij een hyperbool, behoorlijk romantisch ook. Een mooie vondst is ‘hoogst verrukt onpassen’. De uitspraak lijkt me niet erg origineel, maar de zegging vergoedt veel. Van Deels stijl is compact. Hij houdt het klein. Dat doet hij per gedicht, per bundel. Zijn oeuvre is ook klein. Zijn vorige bundel is van tien jaar geleden. Toch is hij helemaal niet zo zuinig met woorden: kijk naar het geciteerde gedicht. Zin twee: eigenste, duplicaat, ring, nest, huis, woning. Zin drie: gelijkt, aantrekt, vervoert. Hier zit een climax in. In ‘bezegeld, bestreden / en bemind’ een antithese, bijeengehouden door de assonantie en alliteratie. Van Deel is dus wel heel zorgvuldig. Je vermoedt dat de spaarzaamheid van zijn publicaties veel te maken heeft met het adagium van Boileau: ‘Zet uw werk twintig keer opnieuw op het weefgetouw, herneem het, polijst het zonder ophouden en polijst het dan nog eens.’ ‘Nu het nog licht is’ heet de bundel. Van Deel was een natuurdichter. Begon hij met kleine, zorgvuldige observaties, eerst nog bijna kinderlijk en anekdotisch, later schreef hij steeds meer geconcentreerd op de kern van wat menselijk leven is, hier op deze planeet. Je kunt het aan de titels wel aflezen: ‘Strafwerk’, ‘Recht onder de merels’, ‘Klein diorama’, ‘Achter de waterval’. Daarnaast waren er nog zijn liefde voor het beeld en voor het Griekse landschap. In ‘Strafwerk’ staat het veel gebloemleesde gedicht over Arnold die heel vroeg opstond om de eerste kastanjes te rapen. In deze bundel staat de vraag ‘Is de kastanje wel genoeg bezongen? /../ de glanzende samenvatting van een boom.’ Het titelgedicht (straks is het donker) is prachtig, raadselachtig en helder in zijn verlangen naar de eigen kern, die onbekend is voor anderen en eigenlijk ook voor de man die zelf zo helder kon schrijven over literatuur: een haas met een hoed op. T. van Deel, ‘Nu het nog licht is’, Querido, Amsterdam, 1998. 30 pp.

Stof en geest

Het is een wonderlijk sf-boek, ‘Machines zoals ik’, omdat het speelt in het verleden, de tijd van de Falklandoorlog, die in tegenstelling met de geschiedenis door Engeland wordt verloren. Alan Turing, de geniale wiskundige, leeft nog. Hij is dat jaar 70 geworden. Het speelt dus in 1982, maar dankzij Turing en zijn leerlingen is er een aantal robots gemaakt, Adams en Eva’s die alles lijken te kunnen wat mensen kunnen, maar dan beter en krachtiger en sneller.
Charlie, een dertiger, heeft zo’n robot gekocht van een erfenis. Daardoor is hij in geldnood. Hij verdient geld door te speculeren op de beurs via zijn computer, maar veel levert dat hem niet op. Charlie is verliefd op Miranda, een twintiger, die boven hem woont. Hij weet nog niet goed wat ze van hem vindt, maar hoopt op een huwelijk.

De roman kent verschillende verhaallijnen: 1. de aanschaf van de robot en de gevolgen daarvan; 2. de ontluikende liefde tussen Charlie en Miranda; 3. de adoptie van een jongetje van drie, Mark, dat door zijn verslaafde moeder wordt geslagen; 4. de situatie waarin Engeland verkeert.
De verschillende verhaallijnen worden - dat is Ian McEwan wel toevertrouwd - kunstig met elkaar vervlochten.
Zo is de robot, Adam, onwaarschijnlijk intelligent en schijnbaar gevoelvol. Hij anticipeert op Charlies wensen en doet het huishouden voorbeeldig. ’s Nachts laadt hij zich op en surft op het internet, waardoor hij niet alleen al het werk van Shakespeare kent en in een discussie toepasselijke citaten kan produceren, maar ook voor Charlie speculeert op de beurs met heel wat meer succes dan zijn meester, zodat Charlie rijk wordt en een huis kan kopen voor Miranda en Mark.
Charlie en Miranda krijgen ruzie over de Falklandoorlog, waardoor Miranda boven gaat slapen. Adam gaat achter haar aan en Charlie hoort hoe hij Miranda bevredigt, beter dan hij het ooit zou kunnen. Miranda vraagt de volgende dag waarom Charlie boos is. Zou hij het ook zijn als hij hoorde hoe ze met een vibrator bezig was? (Waarom niet?) Adam is slechts een vibrator op twee benen, beweert ze, maar Adam is duidelijk meer. Adam belooft later dat hij het nooit meer zal doen, maar hij bekent dat hij verliefd is op Miranda en hij schrijft haiku voor haar, ettelijke duizenden.
Veel lezers zullen hier afhaken. Een robot die haiku schrijft is denkbaar, maar een robot die verliefd is en die zich beheerst? Nee.
Adam heeft snel nadat hij is geïnstalleerd en opgeladen Charlie verteld dat Miranda niet is te vertrouwen en dat ze een geheim heeft. Charlie probeert dat te achterhalen.

Nu moet de lezer, die niet wil weten hoe het verhaaltje afloopt, stoppen met het lezen van deze bespreking.

Miranda had een Indiase vriendin die verkracht is door G. Zij heeft daarna zelfmoord gepleegd, omdat zij zich onteerd voelt. Miranda zint op wraak, verleidt de man en klaagt hem aan wegens verkrachting. Zij liegt dus voor de rechter. Nu komt G. vrij en hij heeft tegen een celgenoot gezegd dat hij Miranda zal vermoorden. Met hulp van Adam wordt de man opgezocht. Als hij Miranda wil slaan, is Adam sneller en breekt zijn pols. Zijn bekentenis is opgenomen en Adam regelt een nieuwe aanklacht waardoor G. opnieuw in de gevangenis verdwijnt. Maar, omwille van de rechtvaardigheid heeft Adam ook Miranda aangeklaagd wegens meineed. Zij krijgt een jaar gevangenisstraf en daarom zal de adoptie niet doorgaan. Uiteindelijk wordt voor haar een uitzondering gemaakt. Het verhaal eindigt met de komst van Mark die inmiddels behoorlijk is getraumatiseerd. Er zal hard gewerkt moeten worden door Charlie en zijn echtgenote. Dit in de oude krappe woning, want Adam heeft het verworven kapitaal op eigen gezag geschonken aan goede doelen. Eerder heeft hij Charlies pols gebroken, omdat deze hem wilde uitzetten.
Charlie slaat hem met een hamer kapot; brengt hem later naar Turing, die hem dat kwalijk neemt en zegt dat Charlie in de toekomst zou worden aangeklaagd wegens moord, want wat is het verschil tussen ons en de robot?

Daar gaat de roman natuurlijk eigenlijk over. Wat is het verschil? Is het denkbaar dat wij robots gaan maken die ons overvleugelen en die zelf robots gaan maken die zozeer op ons lijken, dat er geen verschil is. Is Adam een individu? Dat lijkt hij zeker in deze roman. Heeft hij een Zelf? Zijn wij niet allen machines, gemaakt van sterrenstof? Wat is de geest? Is de geest geschapen door de stof of van buiten ingebracht door God? Het theater van de geest wordt gegenereerd door de machinaties van het brein. Organismen ontwikkelen hersenen en geest uit de activiteiten van neuronen, zenuwcellen. Ook de hoogste graad van bewustzijn is het product van miljarden zenuwcellen, die signalen afvuren, samenwerken, steeds complexere verbanden vormen. (Damasio)

Verder is de roman een scherpe analyse van ons voorlopig onvermogen om onze planeet te beschermen. ‘Miljoenen gaan dood aan ziekte die we wel kunnen genezen. Miljoenen leven in armoede terwijl er toch voor iedereen genoeg is. We maken de biosfeer kapot terwijl we weten dat het ons enige thuis is.’
Zou het niet beter zijn als eerlijke en morele machines de macht overnemen?

Ian McEwan, ‘Machines zoals ik’, De Harmonie, Amsterdam 2019
347 bladzijden

=

‘Mijn vader was een bange man’

In ‘Door de schaduwen bestormd; Reflecties op de controverse rond de oorlogsjaren van Lucebert’ gaan vele auteurs in op de vraag hoe we Lucebert nog kunnen lezen na het bekend worden van zijn ‘Hitlergroet’ en zijn anti-joodse opmerkingen. Het boek geeft een zeer genuanceerde kijk op de kwestie. Eén opmerking trof me vooral. Zij kwam van éen van zijn dochters: ‘Mijn vader was een bange man.’
De jonge Bert Swaanswijk, 17, 18, las Nietzsche en Schopenhauer. Hij liet zich in jeugdig enthousiasme en onnozelheid meeslepen in de Groot-Germaanse gedachte, een nieuw Europa voor de Germanen. Het is goed te bedenken dat velen, die heel wat volwassener waren, in Nederland zich konden vinden in dat soort idealisme. Afkeer van de joden was niet zeldzaam. Bert werkte in Apollensdorf, bij de administratie van een springstoffenfabriek, maar wat hij vooral deed was lezen: Goethe, Hölderlin en ook veel Nederlandse dichters, van Vondel tot Van Ostaijen. Hij had geen idee van wat er in Duitsland werkelijk speelde. Hij was vooral bezig met zijn eigen bijzondere opdracht: de schoonheid dienen, een groot dichter worden.
Heeft Bert Swaanswijk Menno ter Braak niet gelezen? In 1940 pleegde Ter Braak zelfmoord. Dat moet de jonge Bert toch ook hebben gehoord? Ter Braak was Duits georiënteerd. In ‘Het nationaal-socialisme als rancuneleer’ (1937) analyseert hij de opkomst van de Nazistische beweging en waarschuwt hij dat de opmars en aanhang van de Nazi’s veel grotere en angstaanjagender vormen aanneemt dan velen denken.
Met Du Perron, dominee Buskes en Jan Romein richtte hij ‘Het comité van waakzaamheid (1936-1939)’ op. In 1939 verschijnt zijn vertaling en bewerking van ‘De nihilistische revolutie. Schijn en werkelijkheid in het Derde Rijk’ van Hermann Rauschning. Vlak voor de oorlog is Ter Braak ook nauw betrokken bij een aantal uit Duitsland afkomstige auteurs, die hun vaderland verlaten uit angst voor de Nazi-terreur. Onder hen is Nobelprijswinnaar Thomas Mann. Zou Bert Swaanswijk dat niet weten? (Het is misschien passend om te bedenken dat een aantal studenten, van 19, 20 jaar, nu als makke schappen achter Baudet aanlopen.)
Waarom vertrok hij vrijwillig naar Apollensdorf? Hij leefde in onmin met zijn vader en pleegmoeder; was gefrustreerd door hun onbegrip voor zijn talenten als schilder, denker, dichter. Wat was het alternatief? Onderduiken bij zijn broer die hij minachtte? Ongetwijfeld was hij ook bang om opgepakt te worden.
Terug in Nederland verstopte hij zich voor de Duitsers. De liefde en bewondering voor het Nazisme was bekoeld. Hij zat op zijn onderduikadres, toch bij zijn broer, al weer vooral te lezen. Vroeger liet hij zich meeslepen door communisme en theosofie; nu was hij overtuigd van de reïncarnatieleer. In zijn Duitse tijd had hij het over het Rode Gevaar. Later sprak hij lovend over hoe de Russen de Duitsers hadden verslagen. Wonderlijk was ook dat de opstandige jongen, die het gezag uitdaagde met zijn lange haren – hij liet zich door militaire superieuren drie maal naar de kapper sturen, want hij liet zijn haar steeds maar niet kort genoeg knippen – ooit toch achter gezag aanliep.
En dan schrijft hij:
‘Ik maak me vaak erg kwaad wanneer ik wat over de Indiëkwestie lees. (..) Ik zou toch zoo graag willen dat de jeugd, ònze jeugd, niet meer ’t hoofd op hol liet maken met allerlei gezwollen praatjes over vaderlandsliefde en soldateneer. Ik geloof dat wij er (…) even slecht aan toe zijn als de Duitsche jeugd na 1933 er slecht aan toe is geweest. We worden bedrogen en opgehitst en dit alleen maar om de geldzak van een groepje welopgevoede bandieten.’
Bert is dan 21 jaar. Hij is volwassen geworden. Hij zorgt er voor dat hij niet naar Indië wordt uitgezonden.
Er was natuurlijk schaamte, maar ook het besef dat hij niemand lichamelijk kwaad had gedaan. Hij had alleen maar geloofd in de zegeningen van het nazisme. Dom, ja. Onnozel ook. Hoewel hij in een persoonlijke correspondentie ‘Heil Hitler’ had geschreven en afschuwelijke dingen had verkondigd over de joden, hij had niemand verraden, niemand aangespoord om hen kwaad te doen. Later verklaarde hij aan iemand die joden beledigde dat hij zelf jood was en liet hem beschaamd vertrekken.
Lucebert wist na de oorlog dat men klaar stond met een bijltje en dat zijn streven naar erkenning als kunstenaar er onder zou lijden als bekend werd dat hij vrijwillig voor de Duitsers had gewerkt. Overigens werd zijn vriend Andreus, die daadwerkelijk had gevochten aan Duitse kant, door een tribunaal in 1947 vrijgesproken van de beschuldiging van actieve steunverlening aan de vijand. Hij zou geronseld zijn. Ook Karel Appel die in de oorlog bleef schilderen en ‘heulde’ met de Duitsers ondervond weinig last van zijn verleden. Lucebert meer, door eigen toedoen, door het geheim houden. Sommigen verweten hem leugenachtigheid.
Wel uitte hij berouw over de hoogdravendheid van zijn eerste gedichten. Lucebert was schuw en verlegen, maar aan de andere kant maakte hij zich schuldig aan grootspraak en zelfbedrog. Hij ging gebukt onder het gebrek aan een artistieke opvoeding. Thuis werd er smalend gesproken over ‘poppetjes tekenen’. Hem werd zijn potverteren verweten. Zelf verklaarde Lucebert dat hij stil, gedienstig, ascetisch en knielzuchtig was (hij liet zich katholiek dopen!), maar ook oproerig, onrechtvaardig, heerszuchtig. ‘Ik houd van sappig vlees én van de zuivere zielsstaat.’ Hij kon uitgelaten vrolijk en dan weer somber en stil zijn.
‘Door de schaduwen bestormd’ is als volgt opgebouwd: na een kettingbrief van literatuurwetenschappers die vragen oproepen over de kwestie en vaak vergelijkingen maken met andere schrijvers die ‘fout’ waren, volgen drie essays onder de kop ‘Terug naar een andere Lucebert’. Vervolgens onderzoeken Piet Gerbrandy, Niels Molenkamp en Siebe Bluys een ‘Nieuwe laag in het werk’. Tenslotte zijn er drie biografiebesprekingen van Cyrille Offermans, Huub Beurskens en Elsbeth Etty en een interview met Wim Hazeu. Elsbeth Etty verwijt Hazeu gegevens achter te houden en verdenkt hem ervan een deal te hebben gesloten met de dochter van Bertus’ vriendin Tiny Koppijn. Wim Hazeu beklaagt zich erover dat veel reacties op zijn biografie alleen maar gingen over de opgedoken brieven van de jonge Bertus.
De bijdrage van Huub Beurskens is verrassend, hoewel het een ingekorte versie is van het leesverslag dat hij eerder in delen op zijn blog ‘Nonnolles’ publiceerde. (In deze bespreking neem ik delen over van mijn eerdere bespreking van Hazeu’s biografie op Tzum.) Hij hield een dagboekje bij van zijn leeservaringen. Hij doet ongeveer een week over het lezen van de biografie en merkt dat hij een toenemende reserve heeft voor het werk van Lucebert. Hij begint met de opmerking dat hij Lucebert veelvuldig heeft gelezen, ‘al vanaf mijn laatste jaren op de middelbare school’ en ‘nog steeds sla ik van tijd tot tijd de ‘Verzamelde gedichten’ open.’ Hij noemt de schrijver/ schilder een opportunist en hypocriet, met jeugdige overmoed, overtuigd van zijn welhaast goddelijke roeping. Hij komt op voor Bertus Aafjes. Hij bekritiseert Luceberts liefde voor het nog fascistische Spanje. Hazeu schrijft dat de militaire putsch in Chili Lucebert ‘beroerde’ en citeert twee strofen uit het gedicht ‘chili-allende’. De eerste is:
‘als een eenzame mier op het asfalt
of als een bij in de nacht
nog onder de helm zonnige herinneringen
stond hij voor de muur’
Beurskens fileert deze strofe en laat zien hoe onzinnig de vergelijking is. Hij stelt ook vele kritische vragen bij de titel van het beroemde gedicht ‘minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’. Tenslotte laat hij zien hoe literatuurwetenschappers zich vertilden aan het kwatrijn ‘telby toech tarra’, terwijl dat toch maar een spelletje was over boekhouden en rekenen, waar Lucebert bang voor was. ‘En toch… Eerder merkte ik al op dat ik me als dichter vaak oplaadde aan de taal van Lucebert.’
Zou dat niet in de toekomst minder gebeuren?

‘Door de schaduwen bestormd; Reflecties op de controverse rond de oorlogsjaren van Lucebert’, onder redactie van Yi Fong Au en Tommy van Avermaete, uitg. Oevers, Zaandam 2019.
316 bladzijden

=

Gangstermethoden en bluf

De wereld laat zich belazeren door gangstermethoden en bluf. Liegen, bedriegen en een grote muil opzetten en pas als wat je hebt aangericht is opgeruimd door de geschiedenis, kruip je met een huilerig rezicht in de beklaagdenbank.
Dat is wat Eric Vuillard laat zien in ‘De orde van de dag’, prachtig vertaald door Liesbeth van Nes. Het gaat over de annexatie van Oostenrijk door Hitler en zijn boevenbende, mede mogelijk gemaakt door de Oostenrijkse bondskanselier Schuschnig, die zich door de nazi’s liet overdonderen, maar die al eerder in Oostenrijk vakbonden en sociaaldemocraten verbood, in navolging van Dolfuss. Hij behoorde tot de Austro-fascisten. Na de oorlog werd hij hoogleraar in Amerika.

‘de wereld zwicht voor bluf. Zelfs de meest gedegen, de meest starre wereld, zelfs de gevestigde orde die nooit zwicht voor de roep om rechtvaardigheid, die nooit buigt voor het volk dat in opstand komt, buigt voor bluf.

‘Daar, op het balkon van Sisi’s paleis, spreekt Hitler, met een vreselijk rare, lyrische, verontrustende stem, en beëindigt zijn toespraak met een rauwe onaangename kreet.’
De menigte op het plein kon toen een paar woorden onderscheiden, ‘oorlog’, ‘Joden’, ‘wereld’. En de menigte brult.
Nu klinken de woorden: ‘Democraten’, ‘fake news’, ‘een muur’ en de menigte brult: ‘Send them back!’

=

Krankzinnige gebeurtenissen
Maja Haderlap heeft met ‘De engel van het vergeten’ een boek geschreven over haar jeugd die ze niet kan vergeten. Het gaat over een meisje, Mic, dat geboren is als kind van een bosboer in Karinthië. Haar grootvader is door de Nazi’s getormenteerd. Hij deserteerde als Wehrmachtsoldaat en vluchtte de bossen in als partizaan. De vader van Mic werd als tienjarig jongetje door de Oostenrijkse politie aan zijn voeten opgehangen om hem te laten bekennen waar zijn vader was. De jongen werd de jongste partizaan en was voorgoed getraumatiseerd. Hij zoekt vergetelheid in hard werken. Alleen als hij dronken is, komen de angstgevoelens en zijn eenzaamheid, het wantrouwen, naar boven. Daardoor wordt zijn huwelijk ook verpest. De moeder van Mic lijdt er onder, maar meent dat ze niet van haar man kan scheiden. Ze raakt verbitterd, maar zorgt er voor dat haar dochter, die naar de vader trekt, naar het gymnasium kan en later theaterwetenschap gaat studeren in Wenen, net als de schrijfster.
Het Land Karinthië is in 1920 ontstaan uit het hoofddeel van het hertogdom Karinthië, een "kroonland" binnen het Oostenrijkse keizerrijk, dat na het verlies van de Eerste Wereldoorlog uiteenviel. Daarbij maakte het nieuwe Koninkrijk van Serven, Kroaten en Slovenen aanspraak op het zuidoosten van Karinthië, waar Slovenen wonen. Bij een volkstelling sprak een kleine 60% van de kiezers zich uit voor aansluiting bij Oostenrijk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen de Slovenen in opstand tegen de Duitse overheersing. Later werd hun dat kwalijk genomen door Duitsgezinden. ‘Karinthië, spreek Duits! En ze doen het allemaal in hun broek, de Duitse taal wordt met oorvijgen en stokslagen in hun vingers en hun hoofd geramd. Ze groeten elkaar tot op de dag van vandaag met: Jij, smeerlap, jij met je stinkende gat, huilebalk, ben je nog steeds bang?’
Kortom, het was in de vorige eeuw altijd ellende in dat gebied.
De grootmoeder van het meisje woont op de boerderij en zij is een ouderwets kruidenvrouwtje met allerlei huishoudelijke taken. Mic is op haar gesteld en zij krijgt te horen over Ravensbrück waar de vrouw was geïnterneerd en wat ze op wonderbaarlijke wijze overleefde, maar de ervaringen hebben ook haar getekend. De latere begrafenis van de vrouw wordt door het meisje nauwkeurig opgetekend, zoals de bidstonden bij de kist en het wegdragen van de gestorvene waarbij de kist ook in de deuropening wordt gezet, zodat het lichaam afscheid kan nemen van het huis en even later van de landerijen.
Er zijn twee ikken in het verhaal: de belevende en de beschouwende. De laatste weet het jonge kind goed te treffen in haar onwetendheid en onschuld. Als de grootmoeder een gerstekorrel aan haar ooglid ‘afbidt’: ‘Ik moet op haar voorbeden ne verujem - ik geloof niet - antwoorden en in de genezing geloven, zegt ze. (…) Omdat ik toegeef dat ik twijfel spreek ik de waarheid en werkt de magie van de woorden, dat verbeeld ik me tenminste, maar zeker weten doe ik het niet.’ Ouder wordend worstelt het kind met eenzelfde probleem als de vader: wat laat ze toe tot het bewustzijn? De werkelijkheid is vaak te erg.
Behoort de volgende uitspraak tot de beleving van het kind of tot de beschouwing van de volwassen verteller? ‘De gebeden kunnen van het papier worden gelezen en worden aangeraakt, maar het is beter om ze uit je hoofd te leren, want de werking schuilt in het gesproken, niet in het geschreven woord.’ De laatste overtuiging past bij de theaterwetenschapster, die ook gedichten schrijft, in het Sloveens. Grootmoeder vertelt dat de Duitsers een Russin hadden doodgeslagen vanwege haar gedichten. Zo gevaarlijk kan taal zijn.
Haar wetenschappelijk werk is in het Duits, zo blijft ze gespleten. In het volgend citaat is de volwassen beschouwster aan het woord: ‘In de tijd dat ik bij het theater in Klagenfurt werk zal de Sloveense taal zich uit mijn teksten terugtrekken. Op een dag zal ik vaststellen dat ze in mijn notities en aantekeningen niet meer aanwezig is, dat ze uit mijn laden is verdwenen, dat ze mijn bureau heeft verlaten en haar mooiste kleren heeft meegenomen.’
Een andere bekende Sloveen is Peter Handke. Hij werd in Karinthië geboren als zoon van een Karinthisch-Sloveense kokkin. Op de Nederlandse uitgave van Haderlaps boek staat: ‘Wat een hartverscheurend verhaal’ - Peter Handke. Natuurlijk, Peter heeft alles herkend. ‘Roman’ staat ook op de voorkant van het boek. Dat lijkt me niet juist. Het is een verslag van een jeugd en ‘een standbeeld voor de vergetenen’.
Maja Haderlap, De engel van het vergeten, Cossee, Amsterdam 2019
300 bladzijden

=

Beredeneerde bewondering

Het filosofisch leesavontuur van Hans Achterhuis over het werk van Coetzee is zeer actueel. Dat betekent dat Achterhuis duidelijk maakt dat het oeuvre van Coetzee ons nu veel heeft te zeggen, maar ook dat zijn leesavontuur actueel is. Het blijkt bijvoorbeeld uit het aanhalen van de kunstbijlage van NRC Handelsblad ‘van het weekend (17-18 februari 2018) waarin ik aan deze tekst werkte’. Het artikel dat Achterhuis naar voren haalt is van Robin van Maagdenberg die in Zwolle de tentoonstelling van Neo Rauch bezocht. Van den Maagdenburg werd begeleid door een kunstenares, een psycholoog, een marketingexpert en een kunstexpert. Er wordt gesteld dat een kunstwerk ‘je direct in het hart moet raken’, ‘je geest moet grijpen zonder dat je het uit kunt leggen’, maar de beschouwers ontdekken ook ‘mooie’ schilderijen.
Het ging Achterhuis om het feit dat esthetische oordelen ‘niet puur individueel en vrijblijvend’ zijn. Het smaakoordeel over grote kunst, bijvoorbeeld het Wohltemperierte Klavier van Bach, overstijgt het individuele ‘zonder objectieve waarheid te kunnen claimen’.
Dit staat in het hoofdstuk over de postmoderne roman. De postmoderniteit begint met Nietzsches perspectivisme. Achterhuis bekritiseert de Vlaamse filosoof Maarten Boudry die denkers als Foucault, Derrida en andere postmoderne filosofen ervan beschuldigt dat zij handelden in ‘alternatieve feiten’ en in ‘feitenvrije’ wetenschap. Dit zou uiteindelijk leiden tot Trumps leugens die verkocht worden als ‘alternatieve feiten’. Achterhuis schrijft dat Boudrys beweringen kant noch wal raken en erger dat zijn claim ‘totaal niet op feiten is gebaseerd’. Het lijkt of Boudry alleen maar verkeerde samenvattingen van de bedoelde filosofen heeft gelezen. Achterhuis: ‘De betekenisvolle waarheid is niet, zoals vaak smalend of serieus wordt aangevoerd, ‘ook maar een mening’, maar ook al wordt ze nooit tot absolute zekerheid, zij dient te worden nagestreefd in wat Kant en Arendt een ‘erweiterte Denkungsart’ noemen.’

Op de kaft van het boek staat een getekend portret van Siegfried Woldhek. Deze kunstenaar weet steeds treffend een interessant mens af te beelden. Hier Coetzee: precieus, achterdochtig, spottend, kwetsbaar, superieur. Subtiel detail: hij houdt zijn rechterarm achter zijn rug van het zwarte of diepblauwe colbert; we zien vier vingers klemmen om de linkerarm. Houvast, maar niet erg gezekerd.

Achterhuis heeft een persoonlijk boek willen schrijven over Coetzee. Als protestant-christelijk jongetje las hij boeken over Zuid-Afrikaanse boeren, toen hij nog geen notie had van koloniserende blanken. Paul Kruger was een vaderlandse held. In hoofdstuk 3 bespreekt Achterhuis ‘De omgang met het koloniale verleden’. Het is een actuele discussie: moeten we straatnamen veranderen, beelden verwijderen, Zwarte Piet in de zak stoppen? Balkenende wilde de oude foute helden juist als voorbeeld stellen. Hij heeft niet dezelfde ontwikkeling doorgemaakt die Achterhuis’ meningen veranderde. Baudet wil juist terug naar Jan Pieterszoon Coen. Hij houdt de zweep nog achter de rug, maar als hij de meerderheid krijgt van het angstige volk, komt die ongetwijfeld naar voren. Hoe moeten we, vraagt Achterhuis met het verleden omgaan? Geen beeldenstorm, maar genuanceerd commentaar. Jammer dat het volk voorlopig niet wil luisteren, maar achter zoet gefluit loopt.
De verschillende boeken van Coetzee en zijn abstracte motieven als dierenleed, geweld, seksualiteit, vluchtgedrag, opoffering, waarheid en differentie en utopie/dystopie krijgen ruime aandacht in Achterhuis’ leesavontuur. Hij nodigt mij uit tot herlezing van Jongensjaren, Wachten op de barbaren, In ongenade, De kinderjaren van Jezus en dwingt me tot het lezen van Mr.Foe en Mrs. Barton, Schemerlanden. Coetzee is een klassiek auteur in de betekenis: van blijvende waarde, zoals Vergilius, Shakespeare, Goethe, Eliot. De biograaf van Coetzee, J.L.Kannemeyer, citeert de schrijver zelf uit zijn lezing ‘What is a Classic?’: een boek is klassiek als het gedurende lange tijd steeds opnieuw wordt ‘gelezen, geïnterpreteerd en gecontextualiseerd. Steeds krijgt het nieuwe betekenissen.’

Achterhuis’ mening is ook veranderd. Zocht hij eerder vooral geëngageerde schrijvers op en meende hij dat Coetzee niet strijdvaardig genoeg was. Het steeds maar plaatsen van vraagtekens was niet activistisch genoeg. Coetzee leerde hem dat hij het ene zwart-witdenken had ingeruild voor het andere. Achterhuis gaat in discussie met Antjie Krog die hij vooral bewondert als voordraagster van haar gedichten, maar die naar zijn smaak zich laat vangen in de keuze voor zwartheid. Coetzee biedt geen oplossingen. De roman biedt geen eenduidige waarheid, maar is steeds ‘dialogisch en polyfoon’.
Na het lezen van In ongenade las en herlas Achterhuis alle boeken van de bewonderde auteur en begreep hij dat literatuur de lezer kan confronteren met steeds diepere lagen van menselijk bewustzijn.

Hans Achterhuis, ‘Coetzee, een filosofisch leesavontuur, Lemniscaat, Rotterdam 2019

=

De mythologie van water

De rivier ligt binnen ons, de zee ligt om ons heen;
De zee is ook waar het land ophoudt, het graniet
Waar hij zijn tanden in zet, en de stranden waar hij zijn
Suggesties opwerpt over eerdere en andere creatie:
De walvisruggegraat, de degenkrab, de zeester;
De poelen waar hij ter bezichtiging
De fijnere algen en zijn maritieme anemonen aan ons presenteert.
Hij werpt naar voren wat wij verloren, het gescheurde sleepnet,
De kapotte kreeftenfuik, de gebroken roeiriem,
Gerei van dode vreemdelingen. De zee heeft vele stemmen,
Vele goden, vele stemmen.

(Uit Four Quartets, The Dry Salvages, T.S.Eliot)

Als met water zelf, met de gedachte spelen,
Spelen dat je ooit en eindelijk
Zult weten wat het is,
Het is regen geweest, een rivier, een zee,
Hier was het, hier heb ik het gezien,
En zie ik water en weet niet wat het is.
Rutger Kopland

Water ziet er steeds weer anders uit. Uitkijkend over de zee bij Skye, kun je dat goed zien. De betekenis van water, filosofisch, psychologisch en zelfs spiritueel is in veel literatuur te vinden. Grote geesten keken al meer dan duizend jaar uit over water en zagen verschijnselen en trokken hun conclusies. Wist u dat wij anders dan andere apen kleine zwemvliezen hebben tussen duim en vingers en dat we daarom naar het water worden getrokken? Mark Harris speelde in ‘Man from Atlantis’ een overlevende van het verloren continent. Harris heeft bovenmenselijke krachten, zo kan hij onder water ademhalen en extreme dieptedruk weerstaan. Veel mensen keken naar de serie omdat de zwemmende man een fascinerende werking had.

Water is goed voor ziel en lichaam.

Wist u dat als een regenboog meer rood heeft, de druppels van de regen groter zijn?

De eilandbewoners van de Pacific konden het water lezen. Ze hadden geen kaarten, geen kompas of sextant, maar ze wisten waar ze naar toe moesten en hoe ze zich moesten gedragen bij tornado’s.
Op de Chinese zee, berucht om zijn stormen, dobbert een beroemde kapitein in een kano. Alleen door een dierenhuid en een paar latjes is hij beschermd tegen het diepe water. Een scheepsbemanning ziet hem en vraagt of hij niet aan boord wil komen, maar de kapitein zegt dat hij dat alleen wil doen als hij zo veel dinars krijgt. Ze besluiten om te betalen. Eenmaal aan boord waarschuwt hij voor een storm. Hij wil wel adviezen geven. Ze moeten hun lading overboord gooien en de grote mast omzagen. Daarna moeten ze de kabel naar het grote anker doorsnijden en het schip laten drijven. Na drie dagen komen ze in een typhoon, die drie dagen en nachten huishoudt. De geringe zwaarte van het schip laat hen drijven op de golven als een kurk. Op de vierde dag wordt het kalm en varen ze verder naar China. Op de weg terug van China, met nieuwe lading, vraagt de kapitein op een bepaalde plek te stoppen, een sloep uit te laten gaan en het verloren anker op te halen. De bemanning is verbijsterd en vraagt de kapitein hoe hij wist waar het anker was en hoe hij de typhoon kon voorspellen. Hij antwoordt dat kennis van de maan, de getijden, de wind en de signalen van het water alles voorspelbaar maakt. Zo kon hij het water lezen. (Tristan Cooley, How to read water)

Bij lage druk is de capilaire werking van bodem en wortels geringer en laat het land water los waardoor het in de bergen allerlei stromen laat lopen, die zich verzamelen tot beekjes, riviertjes en uiteindelijk zie je bijvoorbeeld in de stad Inverness (aan de mond van de Ness) de rivier woest stromen naar zee. Het lijkt op de mensen die uiteindelijk samen komen in de stad, neerdruppelend uit de bergen rondom de stad.

Water is heilzaam. Water reinigt en maakt schoon: zowel intern als extern is water heel belangrijk voor onze gezondheid en ons leven. Het baden in warm water en krachtige bronnen was een algemeen gebruik. Natuurlijke bronnen zijn vaak heilzaam. Sommige bronnen zijn nog steeds bedevaartplaatsen voor de zieken en de zwakken. In Lourdes en in Kyoto.

Psychologisch symboliseren water en andere vloeistoffen vaak emoties, die moeten stromen om spontaan en levenskrachtig te blijven. Bevroren water in de droom kan wijzen op geremde emoties. Tranen kunnen een uiting zijn van de vernieuwing waarmee het terugvinden van het contact met emoties gepaard gaat.

In de oorspronkelijk Hebreeuwse tekst wordt in Genesis de hemel aangeduid met een dualis dat water(en) betekent. De geest gods zweefde over de wateren. God scheidt de hemelse wateren van de aardse wateren, de zeeën.
Chinezen beschouwden water als de woonplaats van de draak: een wijze god.

Bij Thales van Milete is water de oorsprong van alle dingen.
Water is als oerzee in veel scheppingsmythen de bron van alle leven, dat eruit opstijgt; tevens is het het element van oplossing en verdrinking. Dikwijls worden wereldperioden uit de scheppingscyclus door een zondvloed beëindigd, waarbij de goden onwelgevallige levensvormen vernietigen.
Psychologisch is water een symbool van de onbewuste diepere lagen van de persoonlijkheid, waarin geheimzinnige wezens huizen (vissen). Als een van de elementaire symbolen is het ambivalent, omdat het enerzijds leven en vruchtbaarheid schenkt, anderzijds verzinken en ondergang vertegenwoordigt. Elke avond zakt de zon in het water van de westelijke zee, om 's nachts het dodenrijk te verwarmen; daardoor staat het water ook in relatie met het hiernamaals. Dikwijls worden de 'onderaardse wateren' met de chaos van de oertijd geassocieerd, terwijl het uit de hemel vallende regenwater als levenschenkend wordt beschouwd. Draaikolken (spiraal) verbeelden moeilijkheden en ommekeer, rustig voortstormende rivieren het planmatig verlopende leven. Vijvers en poelen van vooral ook bronwateren worden in veel culturen als verblijfplaats van natuurgeesten beschouwd, van nixen en nimfen, van diverse voorspellende (en vaak ook gevaarlijke) waterdemonen. Ook hierin komt de tweeduidige symboliek van het water tot uiting. Een soort dualiteit vormt in het christelijke sacrament het met wijn vermengde water, waarbij het passieve element vermengd wordt met het 'vuur' van de wijn, wat duidt op de twee naturen (God en mens) in de persoon van Jezus. Ook het beeld van de Temperantia (matiging), bijv. op tarotkaarten, vertoont de vermenging van water en wijn. Water speelt in de christelijke iconografie overigens vooral een rol als reinigend element, dat bij de doop de smetten van de zonde afwast. Bekend is het veelvuldige gebruik van wijwater in de katholieke kerk. Het wassen van boeddhistische beelden in het verre Oosten. Men kent zowel het nog niet met zalfolie (chrisma) vermengde wijwater als het op bepaalde hoogtijdagen gezegende 'aqua benedicta', dat gelovigen mee naar huis nemen om er hun wijwaterbakje mee te vullen. Men doopt er de vingers in om het kruisteken te maken, terwijl ook wel druppeltjes van het gewijde water in huis geplengd worden. De volksvroomheid wil dat op aarde gesprenkelde wijwaterdruppeltjes ook de ,arme zielen in het vagevuur' helpen en de gloed van de louterende vlammen verzachten. Een nicht van mij nam water mee uit Lourdes. Als het flesje bijna leeg was, vulde ze het aan met kraanwater. De heilzame kracht bleef immers gespaard.
Vreemd aan het Europese wereldbeeld is de opvatting van het hiernamaals als waterrijk, zoals die, te oordelen naar afbeeldingen op beschilderd aardewerk, vermoedelijk bij de Maya's van Yucatán (MiddenAmerika) bestond. Bij de Azteken heette het paradijs van de regengod Tlaloc 'Tlalócan', een heel wat vrolijker oord dan de onderwereld Mictlán, waar gewone stervelingen na de dood verbleven (hel).

Wijdverbreid is de verering van water dat rechtstreeks uit de aarde opwelt, als een geschenk van de onderaardse goden, vooral als het warm is of veel mineralen bevat (thermische en geneeskrachtige bronnen). Diverse grotten in de Pyreneeën, waar in de IJstijd culten werden onderhouden, bevinden zich in de buurt van zulke bronnen. Ook in de Oudheid werden ze vereerd; votiefgeschenken getuigen hier nog van. Vooral bij de Kelten werden heilige bronnen vereerd, omdat het water ervan afkomstig zou zijn van de schenkende Moeder Aarde (bijv. de godin Sul van de warme bronnen in Bath, Engeland). Het gebruik, munten in bronnen en fonteinen te werpen, zal wel teruggaan op symbolische offers aan watergoden, die wensen zouden kunnen vervullen, volgens de gedachtegang water-aarde-vruchtbaarheid-geluk-rijkdom. Ook nimfen werden bij bronnen vereerd, als verpersoonlijking van goede natuurkrachten; bij de Grieken bijvoorbeeld de Najaden.

De voorstelling dat ritueel gewijd water zegen kan brengen, waarbij de reinigende en bevruchtende werking van het water in een religieuze rite vervat is, beperkt zich niet tot de katholieke eredienst, maar komt ook in culten buiten Europa voort, zoals in het parsisme. In Indonesië worden in trance verkerende dansers met gewijd water bevochtigd, om ze tot de werkelijkheid terug te laten keren. Een symbolisch reinigend werking had water onder mee in de laatantieke Isis-cultus Het christelijke doopwater moet als sacrament alle overgeërfde smetten afwassen en zo een 'wedergeboorte' doen plaatsvinden. In het oude Mexico bestond een soortgelijk wassing van pasgeborenen, waarbij de vroedvrouw de bede uitsprak dat het water alle kwaad dat het kind vanwege de ouders aankleefde, zou wegnemen. Ook rituele baden zijn in veel oude culturen bekend, baden die dus niet alleen als hygiënische handeling dienden, maar ook als symbolische reiniging. Zo waren er de kunstmatige badvijvers in de ruïnestad Mohendsjo-Daro uit de Indusbeschaving, de nog steeds bestaande rituele reiniging van hindoes in de Ganges, de 'lustratiebekkens' in Knossos op Kreta, reinigingsbaden aan het begin van de Eleusinische mysteriën en soortgelijke symbolische handelingen in laatgriekse culten ('voor de vromen is een druppel genoeg, maar zondaars kan ook de oceaan met zijn stromen niet schoonwassen'). Ook in het oude Mexico kende men symbolische reinigingsbaden; de priesterkoning van de heilige stad Tollan placht te middernacht rituele wassingen te verrichten, en de stad Tenochtitlán had drie gewijde badplaatsen. Bij het Xochiquetzal-feest (bloemen) moest heel het volk 's morgens vroeg baden, en wie dit verzuimde, werd met huid- en geslachtsziekten gestraft. Rituele wassingen behoren in de islam tot de religieuze regels; slechts als water ontbreekt (in de woestijn) mag het door zuiver zand vervangen worden.
Stromend water, en vooral zeewater, spoelt boze magie weg. Om chtonische goden (aardgoden) te bezweren, moet men bronwater gebruiken; hemelse wezens roept men daarentegen met regenwater op. De dauw, die op halmen condenseert, is volgens Plinius (23-79 n.C.) een ware artsenij, een hemelse gave voor ogen, zweren en ingewanden'. Dauw ontstaat volgens voorstelling van de Ouden uit de stralen van de maneschijn of de tranen van Eos, de godin van de dageraad. In de christelijke symboliek is de dauw als de uit de hemel neerstromende genadegaven van God. In de alchemie werd 'ros caelestis' (hemeldauw) in doeken verzameld, zoals in het 'stomme boek' (Mutus liber) uit het jaar 1677 wordt vermeld.
Ook in de symboliek van de dieptepsychologie wordt veel belang gehecht aan het element water, dat niet voedt, maar wel een levensnoodzaak is en dat ook leven schenkt (kinderen komen uit plassen of bronnen in de mensenwereld) en behoudt. Het is het grondsymbool van alle onbewuste energie, en dus ook gevaarlijk, als het (bijvoorbeeld in dromen) door overstromingen buiten zijn grenzen treedt. Het is echter een gunstig symbool, als het water (als vijver of rivier, maar ook als meer dat niet buiten zijn oevers treedt) op zijn plaats blijft en daardoor, zoals in veel sprookjes, echt 'levenswater' is.

Een ambivalent symbool dat in vele mythen wordt gezien als oerzee, de bron van alle leven waarin geheimzinnige wezens huizen, maar dat ook het element van oplossing en verdrinking bevat.

Water heeft nog verscheidene andere symbolische betekenissen:
Het leeftijdsloze water is door zijn ondoorgrondelijke diepte een symbool van de chaos of het onbewuste, van die werkelijkheid waarin alles potentieel aanwezig. Het is dan verwant met het Chinese Tao. Een terugkeer naar het water, het onbewuste, geeft alles terug wat verloren is gegaan door de entropische krachten van de tijd en herstelt het vermogen om open te staan voor nieuw leven, nieuwe ideeën en nieuwe relaties. Het onbewuste bevat net als het water het element van het verborgen-zijn, de vervoering en het geheim. Het oerwater, waaruit de aarde als oerheuvel is ontstaan, is ook de plaats van de gedaanteverwisseling ( Proteus) en van de verlossing.
Over het water van de grensrivieren Styx en Acheron worden de doden naar de overkant gebracht. De Lorelei trekt de scheepslieden in de stroom naar beneden in de onderwereld. Het land is een symbool van het bewustzijn. De aanlegsteiger is een schakel tussen aarde en water en een symbool van de zwevende situatie tussen bewustzijn en het onbewuste.
'In het water kijken' betekent naar zichzelf, naar zijn schaduw toegaan.
Geen wonder dus dat in de poëzie water een belangrijk element is. Er is een ontzagwekkend uitgebreide bloemlezing te maken van watergedichten. Zelf bleek ik meer dan 50 watergedichten te hebben geschreven.

Ik begin met Kloos:
Van de Zee

 


De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel, in wezen en verschijning,
Zij is een levend Schoon en kent zichzelve niet.

Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,
En wendt zich altijd om, en keert weer waar zij vliedt;
Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijning
En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.

O Zee, was Ik als Gij in al uw onbewustheid,
Dan zou ik eerst geheel en groot gelukkig zijn;

Dan had ik eerst geen lust naar menschelijke belustheid
Op menschelijke vreugd en menschelijke pijn;

Dan was mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid,
Zou, wijl Zij grooter is dan Gij, nog grooter zijn


Willem Kloos

Kinderrepubliek

In Bemposta, 30 km ten zuiden van Miranda do Douro, richtte een pastoor in 1956 een republiek met zelfbestuur op. De burgers waren twee tot drieduizend kinderen. De president was nauwelijks 12 jaar. Ze sloegen een eigen munt en beheerden een benzinestation. Je vraagt je af waarvoor. Reden ze daar ook in auto’s of kregen ze zo geld van voorbijgangers in de officiële munt van het omringende land. Hoe kwamen ze anders aan geld om dingen te kopen en in te voeren? Een beroemd circus financierde re republiek. Waarom? Hoopten ze zo nieuwe artiesten te kweken? Ze vingen straat- en weeskinderen van elders op. Hoe lang kon dat goed gaan? Natuurlijk werden de kinderen ouder en dan moesten ze vertrekken, maar de nieuwe kinderen zullen vast geen harmonie hebben gebracht. Zelfs als de kinderen een gesloten groep waren, zouden problemen komen. Denk aan Lord of the Flies van William Golding.

=

Vreemde ontroering


Waarom word ik door kerken en kloosters, niet alleen kathedralen of eenvoudige romaanse gebouwen aangetrokken als een magneet? In Frankrijk zijn ze meestal open en vlug ga ik naar binnen, bewonder de architectuur en erger me aan de prots en praal van de beelden, de voorspelbaarheid van de houdingen van de heiligen, de onvermijdelijke Jeanne d’Arc, die niettemin werd verbrand als een heks. In Portugal is de hysterie over het lijden van Christus nog sterker aanwezig. Een lichaam overdekt met wonden van de geseling, een man aan een kruis, hangend, spijkers door handen en voeten, wat helemaal niet kan. Hij zou met touwen moeten worden gezekerd. Overal de met pijlen doorschoten Sebastiaan. Rochus met de pestbuilen en het hondje. De barokke altaren etc. Maar niettemin ga ik naar binnen.
In Guimaraes zag ik in een kerk een doopplechtigheid. Een hele familie was verzameld op het koor. Een priester in een witte superplie, een koorhemd, had een microfoon in de hand en riep van alles in de richting van de dopeling. Dat was een jongetje van een jaar of anderhalf, gekleed in een een broek en colbert. Hij rustte op de armen van zijn vader en leek alles goed op te nemen. De priester lachte naar hem en leek diep weg te denken: misschien kan ik jou in de toekomst ook misbruiken. Op een belangrijk moment schepte hij water met een schelp. De vader bood het kind aan: hoofd naar voren, de beschoende voeten naar achter, in zijn armen. Het water vloeide over zijn hoofdje. De moeder raakte ontroerd, maar veegde onmiddellijk het hoofdje droog. De jongen huilde even en ik moest slikken. Emotie schoot omhoog. Waarom? Het doopsel ontroerde mij. Waarom? Vanwege de emotie van de moeder en de vader en de familieleden? Omdat hij nu deel uitmaakte van de gemeenschap? En daarvoor dan? Waarom zo laat? Als hij ziek was en zou sterven, kwam hij volgens dat krankzinnige geloof in het voorgeborchte. Nu kwam hij in de hemel, als hij onverhoopt zou sterven.
Er kwamen jongetjes die tuiltjes met bloemen uitdeelden aan de peetmoeder en -vader en aan andere familieleden. Ik zal maar niet noteren wat ik dacht bij het zien van de witte jurk van een familielid met een pronte bibs. Een jonge vrouw begon, begeleid door gitaar en klein orgel ‘Ave Maria’ te zingen. Ze deed haar best en de lange uithalen waren vast weer heel ontroerend.
Toen gingen de belangrijkste aanwezigen met de priester naar de sacristie. Anderen gingen gewoon naar de uitgang van de kerk.
Later zagen we de familie buiten, op weg naar een café. De priester had zich inmiddels verkleed tot joviale gezette man met een shirt met korte mouwen. Hij sprak met de moeder en de meter en hij dacht aan de borrel en de sigaar die zouden komen. Hij lachte en het kind werd weggevoerd in een kinderwagen, overstelpt door vreemde indrukken die hij misschien nooit meer zou kunnen terugroepen, maar die diep van binnen opgeslagen werden en er voor zorgden dat hij later, afgezien van de vele foto’s die waren gemaakt door een beroepsfotograaf, ontroerd raakte als hij zag hoe een baby werd gedoopt.

 Wraak 

 
Wat herinner je je van je vader? In ‘Strikken’ van Domenico Starnone is het de manier waarop hij zijn veters strikte, een gewoonte die zijn zoon overnam. 
De titel van de roman heeft te maken met zich verstrikken in echtelijke ontrouw. Aldo wordt als 32-jarige verliefd op de 19-jarige Lidia. Het is een vreugdevolle verhouding, maar hij laat voor haar zijn vrouw Vanda in de steek, samen met zoon Sandro en dochter Anna. Pas na jaren keert hij terug en zijn vrouw neemt gruwelijk wraak door hem te kleineren en te koeioneren. Hij laat dat gebeuren. Als ze tachtig zijn keren ze terug van een weekje vakantie, vol gekibbel en dan blijkt hun appartement overhoop te zijn gehaald door inbrekers, zigeuners wellicht. Alles is kapot, boeken verscheurd, vazen gebroken. De politie wordt er bij gehaald, maar dat levert weinig op. Aldo gaat wanhopig opruimen. Hij vindt de brieven die zijn vrouw schreef en die hij nooit beantwoordde in zijn euforie met Lidia. Hij zoekt de naaktfoto’s van Lidia, die in een geheim vakje van een blauwe kubus zaten en die verdwenen zijn. Hij vermoedt dat de zigeuners hem willen chanteren met de foto’s. Zijn vrouw denkt dat ze losgeld zullen vragen voor de kat.
Het boek bestaat uit drie boeken. In het eerste lezen we de brieven van Vanda. Ze is woedend en terecht, want Aldo laat haar maanden en jaren in de steek en bekommert zich ook weinig om de kinderen. Zij zet hem uit zijn vaderschap. De kinderen groeien op zonder vader en met een zuinige en woedende moeder. Af en toe zoekt hij de kinderen op of vraagt ze te logeren in het huis van een vriend, want hij wil Lidia niet met ze belasten. Hun vader wordt een vreemde. Hoe herinner jij je vader?
In het tweede boek is Aldo aan het woord. Hij legt zichzelf uit wat hem is overkomen en deze lezer denkt: ja, maar je hebt je gezin gruwelijk in de steek gelaten. Nu krijgen we te lezen over de inbraak en over de wraak van zijn vrouw. In boek drie komt de dochter aan het woord, inmiddels een vijftiger. Zij is geestelijk verminkt door de gezinssituatie. Ze heeft ruzie met haar broer. Samen moeten zij de kat verzorgen. Uiteindelijk halen zij het huis overhoop op zoek naar bewijzen van ontrouw van de moeder en neemt zij de kat mee zonder bericht achter te laten.
Er waren twee recensenten die toch nog enige hoop zagen in het hele verhaal. Wat was dat dan? Dat  Anna haar huilende broer troostend omarmt. Daarna gaan ze samen de boel kort en klein slaan en neemt zij zonder bericht de kat mee. De kinderen zijn evenzeer slachtoffer van de ontrouw van hun vader en de wraak van hun moeder.

 

Ach Coïmbra

We gingen niet naar Coïmbra: niet omdat de oude universiteit volgens Rentes de Carvalho ‘bijna verpletterd’ werd door ‘de sombere, plompe gebouwen die Salazar’ er vanaf 1950 naast heeft laten zetten.
Wel omdat de stad 120 km van Porto is verwijderd, een stad die we evenmin bezochten omdat we kozen voor de natuur van Noord-Portugal.
Coïmbra komt van Conûmbriga. De oude Romeinse weg stak de Mondego ver via een stenen brug. In de 6de eeuw waren hier de Westgoten de baas. Ze waren al Christelijk. De stad had een bisschopszetel en een eigen munt. In 716 kwamen de `moren, maar zij lieten de Christenen met rust. In 878 werd de stad niettemin heroverd door de Christenen. In 989 waren de Arabieren terug, plunderend en in 1064 waren ze weer weg.
Inês de Castro werd hier vermoord door de vader van haar minnaar en de Inquisitie had een berucht gerechtshof. Inês was de minnares van de zoon van Alfonso VI. De zoon, D.Pedro I, werd bekend als wreed en onverbiddelijk, want hij was gek van verdriet. Later beweerde hij dat hij haar in Bragança wettig had gehuwd. Zij kreeg een praalgraf bij een koninklijke herbegrafenis. Zijn tombe werd tegenover de hare geplaatst, zodat zij elkaar bij de wederopstanding als eerste zouden zien.

- Verbod en censuur
 
Het Parthenon van boeken op de Friedrichsplatz te Kassel, van Marta Minujin is groot. Haar tempel op de plaats van de boekverbranding destijds bestaat uit glanzende pilaren waartegen de ergens verboden boeken zijn opgesloten in plastic, om ze tegen de regen en beschadiging te beschermen. In een pilaar hangen veel exemplaren van hetzelfde boek. In de andere pilaren komen we ze weer tegen. Zo wordt het een verzameling niet unieke boeken. Dat Het Dagboek van Anne Frank er hangt is duidelijk; de werken van Thomas Mann en zijn familie, de Satansverzen, gedichten van Heine etc., dat begrijpen we. Maar De Kleine Prins? The catcher in the rye, De Ilias, Die Leiden des jungen Werthers, Gullivers reizen, Moby Dick, De Klokkenluider van de Notre Dame?

Misschien dat ergens in een provincie De Kleine Prins is verboden vanwege de zogenaamde zelfmoord van de Prins? De puber van Salinger is misschien op bepaalde scholen verboden? De Ilias? De jonge Werther om pubers te beschermen. De Britse editie van Moby Dick werd ‘sterk gecensureerd, met name wat blasfemische en seksuele passages betrof: zelfs passages over het seksleven van walvissen sneuvelden, terwijl veel blasfemisch opgevatte frasen in feite verwijzingen zijn naar Miltons Paradise Lost. Daarnaast werd alles geschrapt wat maar enigszins als kritiek op de Engelsen kon worden uitgelegd: zo verdween het volledige hoofdstuk 25 over de rol van walvisolie bij de Britse kroningsplechtigheid.’

Walt Disney kon er ook wat van: ‘Vorig jaar, bij de premiËre van De klokkenluider van de Notre-Dame, ontketenden de nabestaanden van Victor Hugo een brede maatschappelijke discussie met een open brief in LibÈration tegen de ‘ordinaire globalisatie’ van de geÎngageerde roman uit 1832 van hun betovergrootvader.’

En Swift? ‘De geschiedenis van dit boek is op zichzelf al een avonturenroman. De censuur verhinderde het drukken van de oorspronkelijke tekst. Pas 178 jaar na het verschijnen van de eerste uitgave werd deze tekst van de onsterfelijke ‘Gulliver’ volledig in Engeland uitgegeven. Waarom maakten de toenmalige autoriteiten zich zo druk om zulk een onschuldig, vrolijk en amusant kinderboek? De reden is dat Gulliver geen kinderboek was voor kinderen, maar voor grote mensen. Men wreekte zich op Swift door kleine moraliserende versierseltjes in te lassen en liet boek zodoende tot een onschuldige fantasie om te toveren.
Tot nog diepere afgronden van misprijzen zonk het boek in Victoriaanse tijden. Macaulay raakte maar niet uitgepreekt over de kwalijke persoonlijkheidsstructuur van Swift, en Thackeray gaat zelfs zover een christelijk mededelijden met deze beklagenswaardige mens ten toon te spreiden. Over Gullivers Travels zelf treft men in die lange, oprecht bewogen tirades overigens weinig aan. Dat het echter een werk van de satan was, stond natuurlijk wel vast.’

-
Kunst en kapitalisme
 
 
Het Giesshaus in Kassel werd gebouwd als een deel van de HENSCHELEY-fabriek in de 19de eeuw. Hier werden locomotieve, wagens en vliegtuigen gebouwd. De Nazi’s maakten dankbaar gebruik van de capaciteiten, met behulp van meer dan 6000 gedwongen arbeiders.
Tijdens documenta 14 wordt dit  ronde bouwwerk mt een bijzondere koepel gebruikt als een filmzaal, voor crossings (2017) van Angela Melitopoulos. Zij maakte films van open mijnbouw in Lavrion en Skouries in Griekenland, waarbij de eeuwenoude watercisterns worden vergiftigd, met rampzalige gevolgen voor bevolking en landbouw van die streken. Ook films over vluchtelingenkampen op Lesbos en Piraeus.
Kapitalisme is roofbouw. Zij is een monster; hoe meer zij gevoed wordt, hoe groter haar honger is. De rijken rijker, de armen armer. Kunst? Kunst moet onthullen. Kunst moet wakker schoppen schreef Louis Paul Boon. Een van zijn figuren ging naar Kassel om een vliegveld te bouwen, maar hij moest schuilen voor een bombardement en kroop in een rioolbuis. Toen hij de volgende morgen wakker werd, en omhoog kroop zag hij Kassel niet meer. Nee, het was Franske Wauters, ‘die in Kassel de brieven voor de vreemde arbeiders moest ronddragen en onder het bombardement in een afvoerbuis voor vuil water gekropen was en, er uitkomende, Kassel niet meer zag…’
Angela Melitopoulos (b. 1961, Munich) maakte video-essays, bijvoorbeeld Passing Drama (1999),  dat gaat over politieke vluchtelingen die werden gedeporteertd van Turkije naar Griekenland rond 1920. Velen van hen werden door de Nazi’s gedwongen te werken. Onder hen ook familie van Angela. Psychologie en geografie worden in de films verbonden. Mensen vertellen kalm en analyserend over de vernietiging van het landschap. Op een naastgelegen scherm zien we grote grijpers en vrachtwagens de grond wegvreten  en afvoeren, omdat er elementen in zitten die we nodig hebben voor onze mobieltjes en laptops, waarop ik dit typ.

 
Maria Lai
 
Hoewel Maria Lai een zwakke gezondheid had, werd ze toch 94 jaar oud. Ze stierf in 2013. Als kind vond ze het moeilijk om lezen en spellen te leren tot een invoelende leraar, de dichter Salvatore Cambosu) haar vertelde dat ze verzen luidop moest lezen en gewoon het ritme van de woorden en stiltes moest volgen. Op het eiland waar ze woonde – SardiniÎ – speelde de orale literatuur een belangrijke rol.
Als kunstenares bleef de articulatie van de taal belangrijk. In 1957 stelde zij inkttekeningen ten toon in de Galleria L’Obelisco in Rome. Haar onderwerp was de Sardenijnse vrouw aan het werk. Later ging ze over op stiksels. Draden hingen los aan de oppervlakte en die leken op betekenisloze schrijfsels. In 1971 liet ze in Galleria Schneider in Rome nieuw werk zien: weefsels en stiksels in canvas. Steeds bleef poÎzie en beeld in haar werk aanwezig. In Kassel zag ik ritmische patronen op doek, ook met houtjes en stokjes, met gespannen draden.
 

Kunst met een verhaaltje
 
Het LWL-Museum in M¸nster heeft een rijke collectie kerkelijke kunst. Als je deze dagen door het museum loopt, kom je na een rondgang in een trappenhuis. Beneden je zie je dan een berg rotzooi op een stenen vloer. Het is na de ingetogen en soms ook heftige kunst van middeleeuwen en renaissance, vanwege alle martelingen en gewelddadigheden die nu eenmaal bij de christelijke cultuur horen, na de zorgvuldig geschilderde taferelen en de gebeeldhouwde figuren, een schok. Is dit de kunst van onze tijd? Michael Dean ensceneerde de rommel. Hij werd geboren in 1977 in Newcastle en woont nu in Londen.
In het LWL-Museum maakte hij in de zogenaamde lichthof een eigen ruimte van dik doorzichtig plastic, dat van de balustrade van de eerste verdieping tot de bodem reikt. In het plastic kijkgaten op de hoogte van de kunstenaar, zijn vrouw en zijn kinderen. We zien hard geworden cement, zand, grote lego-plastic vloerplaten, afvalzakken, papierrommel, plastic afschermlinten. We worden geacht de zaak te betrachten. Tegelijk worden we betracht.
In de installatie zien we een door betonplaten gelede weg in de vorm van de letter f, die Dean steeds in zijn werk opneemt. De vorm van de letter verbeeldt ook een doorgaande abstracte lijn. De andere voorwerpen verwijzen naar de stadsruimte. Buiten heeft Dean ook kleeffiguren aangebracht, net als op de plastic folie in het museum. Zo wil hij laten zien hoe de kunst in het museum overloopt in de stad en andersom. En zo willen de inrichters van de kunstmanifestatie dat wij de kunst begrijpen en waarderen. Zonder verhaaltje gaat het niet.
Maar, bedacht ik: was het in de middeleeuwen anders? Toen moest je toch ook het verhaal van Sebastiaan kennen of de bijbelse verhalen. Het verschil is dat iedereen die verhalen kende. Nu moet je worden voorgelicht. De esthetiek? Ach, een betrekkelijk begrip. We kunnen de Guernica mooi noemen, of mensen die worstelen met en in grote ballonnen, zoals ik in Kassel zag of vroeger in Kassel een video van Zidane die in getekende lijnen over het het veld ging of een zwart gat van Kapoor of een trage video van Bill Viola over mensen die bij elkaar staan en overvallen worden door wilde waterstromen, die ze omver werpen, waarna ze ontredderd tegen de grond liggen in het wegstromende water. Van hem zag ik ook een paar jaar geleden in Tilburg een video over de ontmoeting van drie vrouwen in een Italiaanse setting, naar een schilderij van Carmignano. Maria wordt begroet na de visitatie van de engel door Elisabeth. Een derde vrouw is anoniem. Prachtig!

 
Raadsels
 
Veel kunst in Kassel, maar ook in M¸nster lijkt op flauwekul. Gestapelde rommel, grappen en grollen, rook uit een gebouw, onbegrijpelijke vondsten, kinderachtige bouwsels, cartoons op de muur etc. Soms als je op zoek in en om de stad iets vreemds ziet, denk je: het zal wel kunst zijn, bijvoorbeeld een Brother printmachine in een koelkast, de inktpatronen er nog in.
 

Natuurlijk: de tekst is afgekoeld nog voor hij gedrukt is. De tekst zal ons nooit bereiken.
Of een Rudi van de Wint-achtige schildering, of was het een mislukte foto.

Een baby kijkend naar een kabouter:

Een gele stoel op een geel vierkant, in de gaten gehouden door een video-camera:

Zeven led-installaties in een weiland, overtrokken met groen plastic vanwege de regen gister, onder een dreigende lucht. Het lijkt wel op een geheimzinnige zonnetempel:



Een opdracht: zoek het witte konijn, ga langs de trap omhoog tot de derde verdieping en vind een van de wand gevallen kartonnen konijn:

Wat is dat zwarte rechthoekje rechts achter de boom?

Of de driehoekige stenen vorm?
=
 

Het bolletje van Bervoets

Een jonge vrouw, M, twintiger, loopt naar een uitkijktoren en ziet dat er al iemand op staat. Toch klimt ze met enige moeite naar boven omdat het warm is en haar knie pijn doet, ook al is ze nog jong. Ze heeft haar vriendin vaarwel gezegd en ze is onlangs afgestudeerd, cum laude, maar wat moet ze nu? Een baan aan de universiteit kreeg ze niet en ze is niet eens uitgenodigd om te praten voor een baan als receptioniste.

Boven staat een oudere vrouw, V, hoewel nog maar veertiger, die ook op de aanwijzing van een blauw pluizig pratend bolletje is ingegaan om naar de uitkijktoren te komen. Zij heeft een goede baan, maar ze is op zoek naar een geliefde. Op een company cursus was de vraag ‘waar wil je naartoe?’

M komt boven. ‘HÈ’ klinkt het. Dat is geen jogger, maar een vrouw met een felroze sportjasje. De vrouw praat tegen haar, heeft het over het uitzicht. M maakt een selfie en V vraagt of zij de foto zal maken, ‘Nee hoor’, zegt M, ‘het gaat wel’.

Ze schatten elkaar. V denkt dat M tegen haar opkijkt. Ze vinden elkaar mooi.
Ze raken in gesprek, stellen elkaar de vragen die het pluisje stelde: ‘Wat wilde jij later worden toen je klein was?’ ‘Zijn er kinderfoto’s van jou waarop je lacht, maar dan niet naar de camera, niet omdat iemand dat van je vraagt?’
Ze geven antwoord op de vragen en dan gebeurt het: ‘Vera loopt naar het meisje toe en gaat achter haar staan. Ze kijkt over haar schouder waar zij naar kijkt maar ziet niets nieuws.’ Het meisje praat door. ‘ Heeft Vera hier nagedacht of is dit een instinctieve actie? Ja en daarom klopt het. Vera plaatst haar ene hand naast de hand van het meisje op de reling, terwijl ze haar andere hand op haar achterhoofd legt.’
Maisie laat dat toe. Vera streelt het zwarte haar van Maisie. Maisie blijft praten en de woorden worden 'gespin, geknor, tevreden gegrom.’

In een volgend deel van de vertelling Fuzzie  van Hanna Bervoets is Maisie bij Vera thuis en in haar bed.
Als je met iemand praat en je stelt vragen over zijn of haar jeugd en je luistert met interesse, dan wordt de ander op zijn minst een beetje verliefd. Zelfs als je intensief met iemand praat over de glans van een koperen kandelaar en je voelt wat je zegt, dan raakt de ander ontroerd. Dat leert het bolletje van Bervoets.

=

Waarnemingen: kleuren, geluiden

Jannie Regnerus is een schilder, een dichter en ja, natuurlijk een schrijver.
In ‘Nachtschrijver’ is Hannah de hoofdpersoon. Zij werkt als restaurateur van schilderijen in het Riijksmuseum en zij ziet overal kleur, details, nuances.
ZÛ beleeft zij bijvoorbeeld de kleur van bloed: ‘hoe uit een wond papaverrood bloed vloeit, dat daarna scharlakenrood stolt om in te drogen tot auberginekleurige korst’. Mooi hoe we daar woorden voor hebben.

Hannah beluistert op een keer TsjÍbbe Hettinga, Blindman in deze vertelling, en is zeer onder de indruk. Zij komt zelf van het Friese platteland, zoals haar schepster. Zij verstaat het Fries en alle zintuiglijke indrukken uit haar jeugd worden opgeroepen. Zij leest hoe de moeder van Blindman de sloot is ingelopen en dat daar nooit meer over werd gesproken, maar dat tussen de woorden door het verdriet te beluisteren valt.

Zij hoort dat Blindman weduwnaar is geworden en dat hij zijn vaste leidster is kwijtgeraakt, dat hij nu in zijn eentje moet kamperen op het waddeneiland en dat hij er op vertrouwt andere schouders te vinden  waarop hij zijn hand kan leggen. Hannah gaat naar het eiland en biedt zich aan. Zij vertelt over de schilderijen en Blindman luistert gretig, wil alle details horen. Daarna gaan ze zwemmen. Blindman drijft ver weg in vol vertrouwen. Hannah drijft naast hem. Later betast ze zijn gezicht, nadat ze heeft verteld over een nieuwe liefde, die haar gezicht laat ontstaan onder zijn vingers. Dat wil Blindman ook. Zo betast worden. Verder gaat het niet. Hannah gaat terug naar Amsterdam.

In een epiloog lezen we hoe Blindman wordt begraven. Een zwarte koets met Friese paarden trekt naar de begraafplaats. Hannah droomt soms van hem. Blindman loopt over een dijk en sleept met grote zwarte komma’s. Hij roept iets naar haar, maar ‘de wind snijdt de woorden bij zijn lippen af.’

Dat is het verhaal. De uitgever noemt het een roman. ‘Novelle’ is wellicht een ouderwets woord geworden.

Het verhaal begint met het signeren van zijn dichtbundel: ‘Een beeld van jou in de golven’. Blindman kan haar niet zien, maar hij herinnert zich alle beelden uit zijn jeugd, de kleuren, de vormen. Hij heeft zich een beeld gevormd van Hannah in de golven, die zich naakt nog nooit zo onbespied heeft gevoeld.

De kracht van de vertelling zit in de zintuiglijkheid. Elke zin berust op een nauwkeurige waarneming. Eigenlijk is de vertelling een prozagedicht. Hannah is een dichter, die heel goed begrijpt wat Blindman doet. ‘Als kind heeft Blindman de akkers rond vaders boerderij met verbeelding ingezaaid.’
Dat geldt evenzeer voor Hannah en - durf ik te zeggen - voor Jannie.

Jannie Regnerus, Nachtschrijver, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2017.
110 pagina’s
=

Wraak van de hond
 

Er gebeurt heel weinig in Paterson, al schreef William Carlos Williams er over. Er is een chauffeur van een bus die Paterson heet en gedichten schrijft; liefdesgedichten onder andere voor zijn mooie, artistieke vrouw Laura,  die gordijnen en kleren beschildert in zwarte en witte rondingen en stralen. Zij maakt ook cupcakes, die ze bespuit met witte kringen, zoals alles. Zij verkoopt ze op een boerenmarkt en verdient daarmee een paar honderd dollar, waarna ze haar man trakteert op een griezelfilm. De film Paterson begint in bed van het liefdespaar. Paterson wordt wakker, kijkt op zijn horloge, kust zijn vrouw, ontbijt en loopt naar de garage van zijn bus, waar hij verder schrijft aan een gedicht over lucifers, over meer dimensies, in de stijl van Williams. Een collega vraagt hoe het met hem gaat. Goed, zegt Paterson. De collega somt op wat er met hem allemaal niet goed gaat. Paterson start de bus en rijdt door de stad. Allerlei passagiers vertellen elkaar over wat ze gezien hebben of gelezen, over vrouwen, over anarchisme en zo voort. In de bus zit een oude tweeling. Die ochtend heeft Laura, die overdag droomt over succes als ontwerpster of countryzangeres, gedroomd over een tweeling die zij samen krijgen. Voorlopig is er alleen een hond, een Engelse bulldog, die op een stoel springt als Paterson thuis komt en die hij ’s avonds uitlaat en parkeert bij een cafÈ waar hij een bier drinkt en praat met een cafÈbaas die schaakt tegen zichzelf. Er is ook een man die steeds wordt weggestuurd door zijn vriendin. Op een avond in de week die de film vertelt, trekt hij een neppistool en dreigt te schieten. Paterson werpt hem op de grond. De cafÈbaas laat lachend het propje zien dat uit de loop komt.

Laura staat er op dat Paterson zijn gedichten copieert en de wereld in stuurt. Zij is van mening dat hij een groot dichter is. Op de avond dat zij naar de bioscoop gaan, laat hij zijn notitieblokje liggen op de bank. De toeschouwer van de film voorziet dat het fout gaat, zoals hij gedurende het kijken naar de film vaker denkt dat er iets fataals gaat gebeuren, maar de bus krijgt alleen maar een keer een elektronische storing, waardoor de passagiers moeten uitstappen en Paterson de busonderneming moet bellen met de smartphone van een klein meisje. Hij heeft zelf geen telefoon, omdat het ook zonder kan. Op een dag ontmoet hij een klein meisje dat gedichten schrijft en een gedicht voorleest. Ook in de stijl van Williams.

Als ze uit de bioscoop komen heeft de hond zijn gedichten tot snippers geknauwd. Er is geen copy. Nu denkt de toeschouwer dat Paterson de hond afstraft, maar alleen Laura stuurt de hond naar de garage. Is de hond jaloers op het liefdespaar? Hij blaft steeds als ze elkaar kussen. Hij trekt Paterson voort tijdens het uitlaten. Hij trekt het paaltje van de brievenbus steeds omver. Als Paterson thuis komt van zijn werk, duwt hij het paaltje weer recht. Hij is wellicht boos omdat Paterson hem alleen laat bij het cafÈ, met het gevaar dat hij gestolen wordt. Laura vraagt of hij even alleen wil zijn met zijn verlies, maar hij zegt: ‘Het zijn maar woorden.’ Wel gaat hij een stukje lopen, zonder hond. Hij gaat op een bankje zitten met uitzicht op de rivier en een waterval. Er komt een Japanner uit Osaka. Een klein gesprek komt op gang over Williams. Als de Japanner weggaat, geeft hij Paterson een mooi notitieblok. Paterson pakt zijn pen en begint te schrijven. Einde film? Nee, de volgende maandag wordt Paterson wakker op de gebruikelijke tijd, kust zijn vrouw en gaat naar zijn werk.

=

Autobiografisch schrijven

RenÈ Girard ‘vindt biografische feiten belangrijk, niet om er het werk mee te verklaren, maar andersom: uiteindelijk verheldert het werk het bestaan.’

Er is een tijd geweest dat men bezwaren had tegen het betrekken van biografische feiten op het werk van een auteur. Men noemde het werk autonoom. Onzin. Elke tekst is autobiografisch, ook al is de ik-figuur niet de schrijver maar de buurman. De auteur kan en mag liegen, maar hij of zij doet dat dan altijd vanuit eigen persoonlijkheid, eigen visie op de werkelijkheid, met eigen temperament. Dit valt vooral op als je veel boeken van een schrijver leest. Een schrijver schrijft altijd hetzelfde boek, zelfs iemand als Vestdijk, die toch zoveel verschillende genres beoefende. Steeds gaat het om identificatie en isolement. Bij Thomas Rosenboom gaat het om eenzaamheid, onvermogen om vriendschappen te sluiten of durende liefdes te vinden. Bij Alberts om leven op de rand. Bij Palmen om bewondering en verslaving. Bij Schippers om opgaan in de wereld. Bij Tentije om verloren werelden.

De uitspraak van Girard is interessant. Je kunt het werk niet verklaren vanuit de biografie. Het werk biedt zijn eigen verklaring, maar het werk werpt een steeds helderde licht op de auteur. Wie is zij of hij, hoe en hoe zo geworden?

Zo is bij Alberts in al zijn werk het geÔsoleerd zijn, het eilandgevoel aanwezig. Lezend in zijn verhalen en romans leert men Alberts steeds beter kennen. Dat is niet de bedoeling van de romans, maar wel het effect. De schrijver kan niet anders dan een beeld geven van zich zelf. Hij laat altijd zijn wereld zien, ook in zijn sprookjes, ook als hij een boek schrijft over een land waar hij nooit is geweest of over een tijd die ver achter ons ligt.

Uit interviews blijkt steeds weer dat de schrijver gebruik heeft gemaakt van eigen ervaringen in Harlingen, Apeldoorn of Arnhem. Hij heeft een vriend uit de schooltijd beschreven of twee vrienden door elkaar gehusseld, een zeiltocht meegemaakt in een storm en hij geeft de storm vergroot weer, de rookgewoonten van de ene leraar vermengd met de vraagstelling van een ander. Hij heeft een liefdesgeschiedenis vervalst of zelfs verzonnen, waarbij hij toch aan een bepaalde ontmoeting dacht.

Veel is te herleiden tot opvoeding, gedrag van ouders, maar steeds is het effect dat de lezer meer zich krijgt op de persoon van de schrijver. De bedoeling van de tekst moet achterhaald worden door zorgvuldige en vaak herhaalde lezing. De kennis over de auteur kan daarbij soms helpen.

-----


------
Kermis onder dak
 
Museum Voorlinden is een kermis in een mooie lichte glazen koekdoos. Bij de jongste attractie staat een lange rij mensen te wachten tot ze naar binnen mogen. In een gesloten ruimte, voor de helft gevuld met blauwe ballonnen (Work No. 628 (2007)) moet je je bewegen naar een deur, waarbij ook een suppooste staat, die  er voor zorgt dat met de bezoeker geen ballonnen ontsnappen. Net als bij de Efteling of een ander pretpark laat een suppoost je bij de eerste deur ÈÈn voor ÈÈn naar binnen. Sommige bezoekers verdwalen in de ruimte. Er wordt gewaarschuwd voor een claustrofobische situatie, want binnen in de ruimte zie je niet meer waar je bent. Met voldoende richtinggevoel ben je snel aan de overkant, terwijl je de ballonnen wegduwt. In de begeleidende folder staat: ‘De bewustwording van het eigen lichaam speelt een belangrijke rol in dit werk. Wanneer je er doorheen loopt, laat je het werk bewegen. (…) Meer dan ooit voel je hoe je met je eigen lichaam ruimte inneemt en hoe je je verplaatst door de zaal. De lucht die onzichtbaar is en normaal gesproken als lege ruimte wordt beschouwd, krijgt ineens vorm door het flinterdunne latex jasje van de ballon. Het is het (bijna) volle dat het (bijna) lege pareert.’ En zo komen we (bijna) uit bij Zen. Na een uur of wat zie ik de tweede suppooste slappe ballonnen doorprikken en in een afvalzak stoppen. De ballonnen moeten vol lucht zijn. Elke dag moeten er tweehonderd ballonnen worden vervangen.

 

De tentoonstelling heet SAY CHEESE en ‘nodigt je uit op ontdekkingsreis te gaan in het universum van Martin Creed (1968): een belevingswereld vol humor en zelfspot maar ook met een kritische blik op de maatschappij.’ In zaal 2 staan 39 metronomen een verschillend metrum te tikken. De folder zegt dat het een poging is van Martin om de wereld te ordenen. Martin is dol op reeksen dingen in variabele vorm of grootte. Zo is er een rij potjes met cactussen van klein naar groot. Buiten staan vier verschillende boompjes van klein naar iets groter. Binnen stapelt hij vier tafels op elkaar of hij zet vier auto’s naast elkaar. Grappig is dat je van een suppoost niet tussen de auto’s mag lopen. Ik zag een kampeerauto die me interesseerde, maar ik mocht niet goed naar binnen kijken en zeker geen deur openen. Achterin de auto’s lagen schilderijen met kleurvlakken. Martin, zo zegt de folder, haalde zijn rijbewijs pas op 40-jarige leeftijd. Er is een verzameling brandende lampjes, allemaal verschillend of een verzameling ballen, niet ÈÈn gelijk, maar ze heten allemaal bal.

Er is een lange gang met uitzicht op de grasruimte voor het museum, tot aan een weg waarachter huizen staan; verschillende huizen. Op de weg rijden verschillende auto’s van links naar rechts en van rechts naar links. Soms een fietser. Er lopen ook wel mensen met honden. Ik heb ze gezien omdat ik vrij lang op een prettige bank zat te kijken, terwijl 5 atleten langs kwamen rennen. Sommigen deden heel erg hun best, anderen liepen alleen maar hard. Ze moesten lopen ‘alsof hun leven ervan afhangt’. Uren achter elkaar. Er zijn twee teams, zodat de atleten kunnen rusten. ‘Martin kwam op het idee voor dit werk toen hij de catacomben van een klooster in Palermo bezocht. Hij had nog maar 5 minuten voor sluitingstijd om alles te zien en besloot daarom rennend alles te bezichtigen.’

Buiten staat een tekst in metaal: …verything is going to  be alright’. Ik vertel een suppooste, die zelf kunstenaar is en geld verdient met dit werk, dat ik eens manshoge letters in een weiland wilde zetten met de letters HET GRAS VERGETEN, maar er was geen budget voor de uitvoering. De suppooste is matig geÔnteresseerd en vindt mijn observatie van de auto’s op de weg evenmin erg interessant, want die weg behoort niet tot het museum.


Een boek lenen


“Binnenkort ga ik naar Japan’ zei ik tegen een blond gebaarde jonge man, die me vertelde dat hij met dubbele tong sprak. ‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Het is nog vroeg, of ben je de hele dag al bezig?’ Het antwoord was onduidelijk, hoewel vrolijk. Hij wees op de barman, die ook al zo vrolijk en communicabel was. Ik begreep niet goed wat de barman zei, die mij overigens enigszins verwijtend aankeek, omdat ik niks bestelde. Later maakte ik dat goed door een Leffe blond te vragen. ‘Triple?’ vroeg hij. ‘Ja, doe maar.’ ‘Even kijken wat de schade is’ en hij tikte op een scherm. ‘Vier euro’.

’Naar Japan? Zo!’ zei de aangeschoten man, die meteen daarop vertelde dat hij in IndonesiÎ viool had gespeeld en dat de mensen daar veel van Satie hielden. Overal op de wereld promootte hij het muziekleven. De toreador uit Wilhelm Tell. ‘Wilhelm Tell?’ vroeg ik. ‘Is dat wel goed? Moet dat niet die Spaanse opera zijn? Ach, hoe heet die opera?’ Ik moest aan Vestdijk denken, De Koperen Tuin, maar het hielp niet. ‘Bizet’, zei hij. ‘Carmen; nee, ik bedoel Wilhelm Tell.’ ‘Rossini’ zei ik. Hij begon te zingen en ik meende een melodie uit de Wilhelm Tell te herkennen.

We waren in een literair cafÈ. De wanden bestonden uit boekenkasten vol boeken. Het leven van de Afrikaanse vogels. De I-Tjing. Chinese gedichten. Neerlands Bloed van Freek de Jonge. Ik deed het open en op de eerste bladzijde stond ‘Hiroshima’. Dat was boven, waar een jonge dichteres zou gaan voordragen. In afwachting van haar optreden pakte ik het boek van Freek en las hoe hij op het station in Tokyo een ticket vroeg naar Hiroshima en hoe de lokettist hem niet begreep, omdat hij die naam verkeerd uitsprak. Ik dacht dat ik dat boek verder wilde lezen, in elk geval het deel over Japan.
Ik had een boekje gekocht: ‘Japans voor mummies op reis’. Daarin stonden handige zinnetjes met de uitspraak. Ik oefende ze hardop. Later ontdekte ik een app op mijn iPhone, waarmee je zo’n zinnetje kon laten uitspreken door een Japanse. Het leek niet op mijn uitspraak. Ik begreep de lokettist dus heel goed. Toen Freek naar Hiroshima wou, bestonden zulke aapjes nog niet. Nu kun je zelfs een Nederlandse zin uitspreken en het apparaat produceert een Japanse. Je moet wel oppassen. Geen moeilijke constructies, want dat maakt het programma er iets belachelijks of zelfs beledigends van.

‘Ja, Japan. En moet je horen: ik heb hier een boek gevonden. Ik denk dat ik het meeneem. Er zijn twee exemplaren van. Ik leg het wel terug als ik het uit heb.’
‘De eigenaar van deze zaak’ zei mijn muzikale gesprekspartner, ‘had een tweedehands boekwinkel en toen hij dit cafÈ begon, heeft hij de boeken meegenomen.’

Inmiddels was de dichteres voor in de kleine ruimte gaan staan met haar rug naar het publiek. Zij keek op haar telefoontje. Ik keek naar haar ronde billen in haar zwarte spijkerbroek en vroeg me af of ik ook de contouren van een slipje kon zien. Op het juiste moment draaide zij zich om en werd welkom geheten door een jonge studente die het niet nodig vond om haar geschiedenis of kwaliteiten aan het publiek mee te delen. Dat kon ze immers beter zelf?

.................................................

Ring van Wagner

Wagner schreef de muziek voor de Ring: dat was zijn vak en hij deed het prachtig. Maar waarom meende hij ook te kunnen optreden als tekstdichter, die een verhaal vertelt, geschikt om als libretto te dienen bij geniale muziek?

Wagner heeft een merkwaardig verhaal bij elkaar gerotzooid, waarbij hij elementen uit de Edda’s, het Nibelungenlied en allerlei oude verhalen, sprookjes en legenden samenvoegde. De eerste Edda, een 11de-eeuws gedicht uit IJsland, herinnering aan de voorchristelijke tijd, werd een eeuw later gevolgd door de proza-Edda van Snorri Sturluson.
Het Nibelungenepos verhaalt de strijd van een Bourgondische stam tegen de Hunnen. De Bourgondische aanvoerders Siegfried en Gunther worden verslagen volgens het 13de-eeuws epos.
Wagner maakte van Sigurd en Siegfried ÈÈn held en hij mengde de Noorse goden onder Germaanse namen met de Bourgondische helden, mensen. Hoe kan de kleinzoon van de god Wotan de hal van de Gibichungen aan de Rijn betreden?
Waar komt het Rijngoud vandaan en hoe kunnen drie schattige meisjes die schat bewaken?
Alberich, een onaantrekkelijke Nibelung, een dwerg, wordt verliefd op de nimfen. Zij spelen een wreed spel van aantrekken en afstoten met hem en lachen hem uiteindelijk hard uit. Alberich wil het goud. Hij kan het krijgen, zingen de nimfen, als hij de liefde afzweert. Tot hun verbazing doet hij het. Hij kiest voor rijkdom en macht.
Couperus noemde de goden een armzalige bende. Het Walhalla wordt door de reuzen gebouwd. Wotan is een sukkel en zijn vrouw Fricka een burgertrut, blij met de mooie woning en de huisraad. Zij denkt dat haar man nu wel thuis zal blijven. Wotan blijft echter wandelen en hij heeft de godin Freia beloofd als loon. Zij is echter als Iduna de godin van de eeuwige jeugd door haar appels. De reuzen zijn klaar en eisen hun loon op.

Terug naar Alberich: hij begrijpt wel dat de Rijndochters hem bespotten. Wellgunde zegt dat wie het goud kan omsmelten tot een ring, macht zal hebben over de wereld, maar hij moet de liefde opgeven. Albericht doet dat en ontvreemdt het goud. Dat gaat nogal gemakkelijk. Wie heeft de drie meisjes aangesteld als bewaakster en waar komt dat goud vandaan?
In de volgende scËne droomt Wotan van eeuwige macht. Is Wotan niet de oppergod en wat betekent dat als hij geen eeuwige macht heeft? Hij heeft een burgerlijke en realistische vrouw Fricka, die hem herinnert aan de prijs die hij moest betalen voor zijn machtige burcht. De reuzen hebben Walhalla gebouwd en willen als beloning Freia, godin van de eeuwige jeugd, middels haar appels. De reuzen Fasolt en Fafner komen op en geven een lesje contractleer ten beste. Donner en Froh, broers van Freia kunnen haar niet beschermen. Gelukkig is er nog Loge (de Loki van de Edda, een bedrieger). Hij vertelt over de schat en de ring die Albericht heeft gesmeed. De reuzen willen Freia wel opgeven als zij de schat krijgen. Ze nemen Freia wel mee als gegijzelde. Meteen worden de goden oud en grijs.
Wotan gaat met Loge naar Nibelheim in de volgende scËne. De broer van Alberich is Mime. Hij heeft de Tarnhelm gesmeed, waarmee je van gedaante kunt veranderen. Alberich verandert in een draak als Wotan nadert. Loge zegt dat hij beter een klein dier kan kiezen om te vluchten, maar dat hij dat wel niet zal kunnen. Denk hier even aan de Gelaarsde Kat die de tovenaar, die veranderde in een leeuw, uitdaagde zich te veranderen in een muis. Alberich verandert zich in een pad en wordt door Wotan en Loge gevangen. Vervolgens moet hij het goud afstaan. Het wordt weggedragen door zijn slaven en dan pakt Wotan ook nog eens zijn ring af. Alberich zegt dat zijn diefstal een kleinigheid is vergeleken met het breken van de eeuwige wetten dat Wotan op zijn geweten heeft. Vervolgens vervloekt hij de drager van de ring. Die macht heeft hij dus! De ringdrager zal sterven. Dan komen de reuzen met Freia en eisen de schat op. De reuzen ruiken dus waar de schat nu is. De reuzen eisen ook de ring. Wotan weigert, maar dan komt Erda – het oude liefje van Wotan – uit de aarde omhoog en voorspelt de ondergang van de goden. Het wordt nu wel een heel vreemd jongensboek! Wotan gooit de ring op de hoop goud. Freia is vrij en de goden worden weer jong. De vloek wordt meteen bewaarheid, want Fafner doodt Fasolt in een gevecht om de ring. Donner blaast de benauwde lucht weg en de goden trekken in triomf de burcht binnen, maar Loge merkt op dat ze hun einde tegemoet snellen. De Rijndochters klagen over het verlies van de schat.
Maar het wordt nog gekker.


Spinvis heeft het ook door: metaforen zijn misleidend en dus gevaarlijk.
In de vroege stadia van het leren van een taal  beschouwt het kind het woord als een teken van een concreet object; later krijgt het een abstract karakter en kan het verwijzen naar verschillende (bij)betekenissen.  Dat betekent niet dat eenvoudige woorden als huis en vuur niet ook connotaties hebben, als veiligheid en warmte.  In feite is er eerst een betekenis en daarna pas een uitdrukking voor. Dingen kunnen op elkaar lijken. Een schelp lijkt op een huis. Het huis van een slak is een voor de hand liggende metafoor. Maar metaforiek in de taal leidt vrijwel altijd tot verslakking, verharding, tot het clichÈ. Volgens Nietzsche ontstaat elk begrip door het gelijkstellen van het niet-gelijke. De taal brengt per definitie een generalisatie met zich mee. Hoe gemakkelijk krijgt een individuele, unieke vrouw in de mannelijke waarneming algemeen vrouwelijke trekken.
Dit verschijnsel is door Bertus Aafjes met superieure intuÔtie verwoord in zijn lange gedicht In den Beginne. De dichter heeft een kinderlijke eigenschap behouden: het woord is voor hem iets levends, zintuiglijk waarneembaar, voelbaar, in klank en ritme. De verbinding tussen teken en betekenis is nog aanwezig. Iedereen kent dat nog bij onomatopeeÎn, maar voor een dichter is ook een woord als ‘slak’ verbonden met iets slijmerigs, iets langzaams en een woord als ‘bliksem’ met licht en snelheid. Hij is het niet geheel met De Saussure eens over het arbitraire karakter van het woord.


In CaÔro en Luxor in de jaren 1948/49 schreef Bertus Aafjes zijn dichterlijke visie op het scheppingsverhaal  In den Beginne, waarbij hij gebruik maakte van het kabbalistische en bijbelse idee dat de schepping van de wereld begint met de schepping van de goddelijke taal. In het begin van het gedicht loopt Adam ‘in de nog ongenoemde morgen’.

 God heeft hem genoemd, maar dat gaat, opmerkelijk genoeg, aan het gedicht vooraf. Hij kwam uit de aarde ‘Wentelend als een worm naar de bevrijding, / Opkronkelend uit de eenvormigheid, / Omdat een stem die Licht was Adam riep.’ Adam noemt op zijn beurt, als kleine schepper, de dingen. ‘De Woordgeborene, hij baarde woorden.’ En in het noemen onderwerpt hij de natuur aan zich. Dit is in overeenstemming met het boek Genesis en met de traditionele opvattingen in het midden van de vorige eeuw.  ‘Hij onderwierp de chaos aan zijn woord.’ Hij verlost de dingen uit het ongezegde. Maar ÈÈn woord kent hij niet: het onuitsprekelijke Aanvangswoord: ‘Het scheppend Woord dat hem geschapen had / (...) / Met donderende stem, zonder geluid; / Met klank van bliksemschichten, zonder licht,’. Let op de paradox en de synesthesie. Adam zoekt naar dat Woord en lijdt onder zijn onbegrip. ‘Een blinde gril / Leek hem de wereld. En hij weende luid. / Het lijden was, want voor het eerst geuit.’ Een blinde gril - dat klinkt existentialistisch.
De kern van het gedicht wordt door Aafjes geformuleerd in het begin van de tweede afdeling: ‘Het Onuitsprekelijke maakt ons eenzaam, / Wijl wij het bij de naam niet noemen kunnen; / Het Nameloze maakt ons naamloos droef.’ Wij willen onze oorsprong kennen en vooral de reden van ons bestaan. Wij zijn betekenisdieren. Adam ondervraagt de wereld, maar alles is begrensd en hij zoekt het onbegrensde. Hij ondervraagt zichzelf, vindt geen antwoord, valt in slaap ‘En in zijn lichaam roerde ver en flauw / De vleesgeworden zucht naar antwoord: Vrouw.’ Zo laat Aafjes de vrouw ontstaan, als het verlangen van de man naar inzicht. Zij biedt hem ontferming en schoonheid, maar het wonderlijke is, dat zij volkomen zichzelf is. Zij is oorspronkelijk, zoals zij moet zijn, met niets te vergelijken. Zij is van voor het woord. Aafjes zegt: ‘Woordenloos nog is ‘t kennen in zijn aanvang.’ Woordenloos omhelzen zij elkaar en ervaren de verrukking van herkenning zonder die te benoemen. Na de eerste liefde is ook de taal als nieuw en Adam laat zijn Eva de wereld zien en leert haar de namen. Ieder ding is zichzelf en met niets te vergelijken. Alles is duidelijk, ‘Maar er was ÈÈn ding duister, ‘t lichtste ding.’ Adam piekert en voelt zich gestoord door de aandacht vragende Eva. Zij vraagt wat er is, waarom hij haar niet ziet en hij vertelt over zijn zoeken. Zij begrijpt niet wat hij nog zoekt buiten haar, waarom hij niet genoeg heeft aan haar en wil hem helpen. Zij heeft hem lief om zijn wonderlijk verdriet. En dan gaat zÌj tot actie over. Ze weet van de verboden boom, de boom van kennis. Ze zoekt hem op en de boom spreekt tot haar: ‘Ik ben de goddelijke vergelijking. / Eet van mijn vlees en niets blijft u verborgen.’ Eva neemt het initiatief, zoals in het bijbelverhaal. De man komt tot kennis dankzij de vrouw. Zij bijt ‘zich gulzig vast in ‘t nieuwe weten’ en dan herkent zij in het een het ander, ze kan vergelijken: de metafoor is geboren. Zij herkent God in alle dingen. En zij laat Adam eten.
En inderdaad: nu kent Adam het Aanvangswoord, ‘Want gij zijt overal, in alle dingen,/ (...) ‘gij zijt in heel de wereld / Op blinde doortocht.’ Let op: dit is een revolutionaire uitspraak voor de katholieke Aafjes, de ex-priesterstudent, in 1948/49.
In dronken verrukking loopt Adam rond en vergelijkt alles in een stroom van woorden: de dichter is geboren; in zijn vergelijkingen wordt de wereld opnieuw geschapen. Dan komt de val. Als vanzelf vindt Aafjes klanken die de verwarring symboliseren: rillingen, wingerdranken, breuk, begeren, driftig strelen. Vooral de r lijkt iconisch gebruikt voor het sterven in beelden. Adam beeldt tot in het ‘onverstaanbre’ en dan ziet hij dat ze beiden naakt zijn. In mystieke literatuur is dit de fase van eenzaamheid, verlatenheid, kou, naaktheid.
In de vijfde afdeling wordt Adam toegesproken door ‘een stem die was van voor het noemen.’ Adam wordt schenner en rebel genoemd; zijn hybris wordt hem ingepeperd. ‘Uw spreken / Werd zinneloos van kaalheid. Ga, pluk lover, / Het armetierige lover van de beeldspraak’. De dichter moet voortaan stamelen in wrakke beelden. Hij moet in het zweet des aanschijns zoeken naar ÈÈn korrel goud in ‘harde, onontgonnen stamelvelden’. Eva zal kinderen baren die een glansloze taal spreken. ‘En om een woord zal de een de ander doden.’


Kijk op Gedichten.nl; meer dan 100.000 hits!


O die zee
Ik wil wel weer eens aan land!


De kerken van L¸beck

De torens van L¸beck, daar hebben de gidsen het over, maar de kerken…
Het begint met de Petruskerk, die gebruikt wordt als concertzaal en waar je voor een behoorlijk bedrag de toren kunt beklimmen. De kerk met de meer dan 100 meter hoge toren staat al hoog, op een heuvel waar L¸beck op is gebouwd. Altijd droge voeten en toch dicht bij zee…
In de oorlog is de kerk verwoest en pas laat hersteld met 30 gewelven en 20 slanke zuilen.
Aan de andere kant van de Holstenstraat – met aan het begin de beroemde poort, waarvan de torens behoorlijk scheef zijn – maar omdat ze niet zo hoog zijn en wel heel dik, zullen ze wel niet omvallen – de Mariakerk met de zeer hoge voorgevel, een bergwand van rood baksteen en het hoogste baksteengewelf van de wereld. De torens zijn 125 meter hoog. Binnen kun je gemakkelijk uren bezig zijn met het bekijken van alles. Ik schreef hier al over: de neergestorte klokken, het uurwerk, de ontmoeting van Bach en Buxtehude.
De Jacobikerk werd niet geschonden in de oorlog. De kerk is natuurlijk gewijd aan vissers en zeevaarders. Jakob spoelde immers aan in de buurt van Compostella. Hier zijn ook de orgels gespaard. In de kerk ligt een kapotte sloep als herinnering aan de slachtoffers van de scheepsramp met de Pamir, een soort Titanic-ramp. Het zusterschip, de Passat, die nu in Travem¸nde ligt om bekeken te worden, werd destijds uit de vaart genomen.
Onder die kapel is een colombarium met de as van bijvoorbeeld iemand die in 2016 stierf.
De Dom heeft een indrukwekkend triomfkruis van hout. Maria Magdalena werd uitgesneden naar het model van de Beischl‰ferin van de bisschop die opdracht gaf voor het kunstwerk. Tijdens de oorlog was het domkapittel nazigezind.
In de AegidiÎnkerk heb ik lang gezeten. Het was buiten koud, onder de platanen en linden, maar in de intieme kerk scheen de zon op een stoel. De sfeer is, misschien door de relatief geringe omvang van de kerk, bijzonder. Wonderlijk dat ik me daar zo thuis voel, terwijl ik toch weinig of niets moet hebben van de predikers.


Offers

Op 14 oktober 1987 verdronk Guido Schwark tijdens de poging van Barendorf door de L¸becker Bucht te zwemmen. Hij was zestien jaar oud. Twee jaar later ging de grens open. Hij zou achttien zijn. En nu zou hij vierenveertig zijn. Hij zou een zoon en een kleinzoon kunnen hebben. Of dochters.
Bij de Priwall stond eerst een houten toren met zoeklichten. In 1969 werd deze vervangen door een ronde betonnen toren van negen meter hoog. In 1985 werd een vierkante toren gebouwd, voorzien van zoeklichten, nachtkijkers, video en radar. De zoeklichten waren goed te zien vanaf Travem¸nde. Priwall was in 1226 aan L¸beck gegeven door keizer Frederik II. In 1508 en 1803 werd dit nog eens bevestigd. Dankzij de Engelsen die L¸beck bevrijdden van de nazi’s, bleef ook Travem¸nde westers. Priwall moest door handjeklap met de Russen bij L¸beck blijven.
Op het smalste stukje begint de grens met Mecklenburg en vanaf 1945 met de DDR. Priwall is volgebouwd en wordt nog voller gebouwd met huizen en vakantie-appartementen. De inwoners kunnen genieten van het natuurgebied dat vroeger bij de DDR hoorde.
Sinds de bouw van de muur in augustus 1961 waagden meer dan 5600 mensen een vlucht over de zeegrens. Meer dan 4500 werden opgepikt en met gevangenis gestraft. 900 mensen slaagden. Minstens 174 kwamen om het leven.


Het verlangen naar onherhaalbaarheid

Zachte riten' is een roman die je twee keer moet lezen. Dat moet je natuurlijk wel vaker doen, vooral als het boek de moeite waard is, maar het kan ook zo zijn dat een boek twee maal gelezen moet worden om het naar waarde te schatten en om te begrijpen waar het over gaat.
Gaat het over plagiaat? Wat is dat eigenlijk als je weet dat verschillende mensen onafhankelijk van elkaar op dezelfde ideeÎn kunnen komen? Over de angst om met een vriend over zijn zogenaamde plagiaat te praten? Over de hoogleraar die bang is voor de reputatie van zijn instituut?
Gaat het over familie, een vader die voor zijn kinderen zorgt als de moeder plotseling verdwijnt? Over een zus (Guusje) die haar broer plotseling moet missen?
Gaat het over liefde? Over vriendschap? Over billen? Gaat het over feminisme, over het verschil tussen mannen en vrouwen? Over dat alles tegelijk?
Gaat het over poÎzie-onderwijs? Over studenten die de poÎzielessen van Guusje volgen? Over universitaire docenten en hun babbels en borrels? Over de verzoening van het alledaagse en het grote, onverdraaglijke? Over het dwalen van de geest?
Gaat het over de dood van een vriendin van wie Guusje houdt?
Gaat het over Virginia Woolf en haar schrijfstijl?

Moet je 'Zachte riten ' van Marja Pruis twee maal lezen of vaker zoals je een gedicht meermalen moet lezen om er in door te dringen?
Er zijn vele terugkerende elementen. De beroemde schrijfster die de ik-figuur Guusje vroeger in New York interviewde, heeft slokdarmkanker. De vriendin van Guusje, later in Amsterdam als ze poÎzielessen geeft aan de universiteit, heeft ook kanker.
De verschillen tussen mannen en vrouwen; de aandacht voor billen of konten en zelfs zoiets gewoons als pompoenen. Tanden poetsen. Kaarsje op de taart. Gewassen of vette haren.
Er is een stroom van gedachten tussen de vertelling door. Antwoord op vragen wordt gegeven na de gedachten van Guusje, die vrij associeert en houdt van juxtapositie, maar dat is natuurlijk de auteur. Je moet als lezer de gang van zaken goed in de gaten houden.
Lucas, haar broer, met wie ze in New York is, heeft het over 'wijvengedoe ' (de kringbijeenkomsten van de beroemde schrijfster) en hij vraagt aan zijn zus: 'En moet jij er dan aan meedoen? ' Guusje laat haar gedachten gaan en een bladzij verder zegt ze: ' Ik moet verder niks. Ik moet haar alleen interviewen. ' En dat doet ze, zoals later blijkt zeer kritisch.
De lobby van het hotel was majestueus, maar het was alleen maar decor, zoals ook het bankje waarop Guusje moet wachten op de schrijfster, decor lijkt.
'Het was een verhaal dat de neiging had alle kanten tegelijk op te groeien maar dat toch in wezen draagbaar bleek. ' (Zoals het verhaal van Marja Pruis.) Dit is een citaat uit 'De Lachvogel ' van Salinger. Lucas heeft het boek met zijn verhalen meegenomen en Guusje ziet een aangestreepte passage, die ze overneemt met Tanden poetsen en al.
'De Lachvogel ' is een waanzinnig verhaal, boordevol onbegrijpelijke maar mooie poÎzie. Niet alleen Salinger klinkt door in het proza van Pruis, ook Sebald en natuurlijk Virginia Woolf en Marilyn French met al haar 'denkmomenten ', en Patricia de Martelaere met haar verlangen naar ontroostbaarheid.
Het is oktober 1999. De Twin Towers zijn er nog. De schrijfster noemt zich een boze vrouw. EÈn van de poÎzie-studenten is Boos Meisje. CÈzanne laat zien dat je tegelijkertijd op twee verschillende manieren naar iets kunt kijken. Er is in de schilderkunst die Lucas en Guusje in New York bekijken veel juxtapositie. 'De beste verhalen zijn niet van a naar b, en zijn in principe plotloos. '
De Nederlandse studente bouwkunde die vol goede moed vertrok naar Mexico, uitgewuifd door haar liefhebbende vader, wordt daar verkracht en vermoord. Guusje denkt aan haar in het zicht van Brooklyn Bridge, een ketting van lichtjes en ze denkt aan haar vader die in de steek is gelaten door haar moeder en die zijn kinderen liefdevol heeft opgevoed. Hij zal net als Guusje Lucas kwijt raken. Verdwenen. Maar nu is Guusje nog gelukkig. Dat geluk, die eenheid, vlak voor de ramp. Er is nog de sfeer van het motto van Nooteboom, in oktober.
De schrijfster heeft het over de zekerheid dat de wereld ten onder zal gaan en aan het feit dat mannen permanent in angst leven. Het boek wordt hier akelig actueel. Studenten die door harde riten heen moeten om man te worden. (Ontgroening) 'Wat je leert als je geboren wordt door een man is angst voor en gehoorzaamheid aan de man die boven je staat. In ruil daarvoor krijg je twee dingen: de mogelijkheid om zelf die man te worden, ooit, en dominantie over de vrouwen in je leven. We weten allemaal dat het bijna niemand lukt om die man aan de top te worden. En ook hun vrouwen doen nooit helemaal wat ze willen. Dus bijna alle mannen leven in angst. '
'Alle terreur die mannen uitoefenen komt voort uit gevoelens van persoonlijke vernedering. Onmacht die zich vertaalt in geweld. ' (Trump)
Guusje schrijft later op het bord: 'Les Een: niet bang zijn. '

De hoogleraar Abraham de Winter, gescheiden, legt zijn secretaresse over een flipperkast en neemt haar onstuimig, vertelt Ellie aan Guusje. Nu zit de hoogleraar keurig gekleed met Guusje in een hip restaurant en hij 'vouwt zijn servet uit en hangt het met ÈÈn punt geklemd tussen nek en kraag als een slab. ' Vreemd om je servet op je rug te dragen!
Guurje moet haar vriend Leon bespioneren om een schandaal over plagiaat te voorkomen. Een nogal idiote verdenking, waar dan ook niets van over blijft, behalve schaamte en angst bij Guusje. Zo vrouwelijk.
Lucas is dood. Steeds weer flitst die gedachte bij Guusje naar binnen en dan naar buiten, naar de lezer toe. Wat is er gebeurd?
'Een goed gedicht legt niks uit. ' Gedichten troosten niet. Hoe zou het kunnen? De dingen gebeuren zonder reden, zonder bedoeling, blind. Een geliefde broer verdwijnt in de woestijn van Afghanistan, een lieve vriendin sterft aan een ongeneeslijke ziekte. Met zachte riten zul je moeten doorleven. De riten van het vrouw zijn. Alle liefdes die je moet doorleven en die nooit overgaan. Bij Guusje is dat haar broer, haar minnaars, Leon, bijna de student Allard.
'Het geheim van bestendige relaties is genoegen te nemen met wat de ander je vertelt of laat zien. '
Guusje is als Anna op zoek in de kamer van Blauwbaard en ze meent iets te vinden, maar ze durft het toch weer niet te zeggen. De poÎzielessen: twee maal zes uur om te leren wat poÎzie is. De studenten moeten opdrachten maken en een verslag schrijven. De docent mag geen cijfer lager dan 6 geven; dat zou niet goed zijn voor het aanzien van de afdeling. Hoe Guusje dat oplost, wordt niet duidelijk. Ook de student die zegt dat 'poÎzie niet zijn ding is ', krijgt wellicht een voldoende. Wel kan de lezer vermoeden dat Guusje ze echt heeft aangeraakt. Er is iets ontwikkeld, ook al gaan ze na de lessen nooit meer bundels kopen. Ze weten voorgoed dat poÎzie iets is van belang.

Het menselijk ras is stervend, denkt Guusje. En: we hebben er een zootje van gemaakt en nu sturen ze voor straf al die mensen op ons af. Guusje zit met Leon in een etablissement. Ze denkt aan een meisje dat vertelde over haar ontsnapping op Ut¯ya. Ze zegt dat ze wil opgaan in de de omgeving, maar dat ze ook iets opmerkelijks wil doen. Ze moet praten over het veronderstelde plagiaat van Leon, maar zegt iets over haar eigen gepluk uit andermans onderzoekjes. Zo vrouwelijk. Guusje houdt van kunst waarin weinig of niets gebeurt. Er komt een beroemde feministe op het instituut die vertelt over haar leunen op het werk van voorgangers. Zij heeft het over een fotografe die de camera gebruikte om zich zelf uit te wissen door achter een boomstam te schuilen. (Denk aan het meisje op Ut¯ya.)
Guusje wil belangeloos van Leon houden, maar hij vindt dat een misvatting. 'Belangeloos liefhebben is ongeÔnteresseerd liefhebben.' Ja, daarover kun je van mening verschillen. Leon zou willen dat Guusje jaloers is op zijn vrouw Door. Hoe lang hou je vast aan je liefde, zoals uit 'Middlemarch ' (van George Eliot) blijkt? Is het trouw aan je zelf?
Leons gastcollege gaat over de verhouding tussen kunst en wetenschap. 'De complexiteit van een gedicht beantwoordt aan het verlangen naar een diepere betekenis, naar raadsels die niet opgelost kunnen worden. '
En passant heeft hij uitgelegd, ook voor Abraham, die aanwezig is, dat we staan op de schouders van onze voorgangers. De beschuldiging van plagiaat wordt ontkracht. Leon viert zijn 50ste verjaardag in Devon. Guusje is mee met het gezin: huisvriendin immers? Guusje loopt alleen met Leon langs de kliffen. 'Het is oktober, de mooiste maand van het jaar'. Leon weet vaak wat Guusje denkt. Zo gaat het tussen geliefden die elkaar langer kennen. 'Wie wat vindt heeft slecht gezocht.' Dat zei Kopland. In de poÎzie zul je nooit het laatste antwoord vinden. Evenmin in de liefde, de dood. We moeten niet bang zijn. We moeten door.

Is 'Zachte riten ' een roman of is het een lang, heel lang prozagedicht? Met een zekere voortgang, dat wel, en een beetje een plot, wat betreft de plagiaatskwestie.


De film Shadow World laat zien hoe verontrustend de corruptie ronde de wapenindustrie en de oorlogvoering is geworden. Dit is echter een al lang bestaand probleem. Basil Zaharoff verkocht in WOI wapens aan beide partijen. Hij onderhandelde als een zakenman met Duitsers en Fransen, maar ook met Engelsen. Het ging niet over politiek; het ging over pure hebzucht. Het ging niet om kleine handelaren, het ging om conglomeraten die de politici in hun macht hadden. De politici werden de verkopers van de grote bedrijven en ook in onze tijd maakten politici als Tony Blaire, Ronald Reagan en ook Hillary Clinton zich schuldig aan het ondersteunen van de wapenproduktie.
In de zestiende eeuw was het gebruik dat de condottieres, bij voorbeeld John Hawkwood, onderhandelden met de strijdende partijen Florence en Sienna. Wat betaal je me als mijn leger jullie stad beschermt? Zo weinig? Florence betaalt meer.


Gedichten als propaganda

Geert Buelens vraagt of er ook sociaaldemocratische dichters bestaan. Zijn er dichters die propaganda maken voor Samson of voor de PvdA? Nee natuurlijk. Er zijn ook geen socialistische dichters meer. Vroeger waren ze er wel: Gorter, HRH, Adama van Scheltema en Abraham van Collem. De PvdA heeft tot voor kort nog HRH's vertaling van de Internationale gezongen. Deze dichters schreven propaganda-liederen. Alleen Adama van Scheltema en Van Collem hadden bij de arbeiders veel succes. Niet dat men HRH niet bewonderde, om haar moed, haar offers. Zij kon ook met haar redevoeringen de arbeiders ontroeren en enthousiasmeren, maar ze bleef toch altijd de stijle dame.
Haar gedichten zijn in het algemeen niet geschikt voor de arbeider. Hij zal ze niet begrijpen en zij zal niet, zoals Margot Vos wel deed, gedichten willen schrijven, die eenvoudige afbeeldingen zijn van de levensomstandigheden van de arbeider. Maar Vos schreef ook andere gedichten, zoals bij HRH fragmenten zijn te vinden die wel degelijk treffende afbeeldingen zijn van arbeidersleed.
Vos is moeilijk te vinden. In de bekende bloemlezingen ontbreekt ze. Komrij geeft een gedicht over storm van haar. In 'Dichters van dezen tijd' van 1929 vond ik het gedicht 'Aan den tweesprong'. De tweede strofe gaat zo: 'Een werker schoof langs 't pad, / Gansch klein en weggebukt: / Een vod zoo vaal en tot / Den draad versleten; / Grauw-zware arbeid hing / In rimpels aan zijn hals, / De lust lag in zijn oogen / Doodgebeten.'
Maar er komt een knaap die een slingerend pad opgaat, een wilde heuvel op, een gang van schone opstandigheid.

De Vijftigers komen wel in opstand, maar hebben weinig fiducie in het bereiken van de arbeiders. Hans van den Waarsenburg in de Zestiger jaren gelooft niet erg meer in het opvoeden van de arbeiders, die hem ook niet zullen lezen.
In 1972 verscheen 'Mijn woord een wapen tot verweer', gedichten uit de arbeidswereld, van Pierre van Vollenhoven en Wim de Vries. Het eerste gedicht is 'Bouwvak' en gaat zo: 'De baksteen mentaliteit / van bazen / doet dwazen / lachen in een tijd / dat ik met spijt / mijn troffel pak / en de steeds lichter / wordende stikkezak / ga haten. / Het einde van de werkdag / verlost mij van een band /die ik niet lang meer / zal kunnen dragen.'
Pierre en Wim zagen hun dichterschap vooral als een poging om uit de wereld van de lichamelijke arbeid weg te breken. Wim schreef: 'Als de dag openbreekt komen / ze uit hun holen en / bezetten straten fabrieken / en werkplaatsen als een / leger mieren ijverig maar / minder georganiseerd // en als de avond de huizen geluidloos inpakt vluchten / zij in koude kamers om bij schaars lamplicht wat / romantiek te zoeken in / de hoofdfilm op het / eerste net.
Machteloze treurnis. Wie heeft nog van Pierre en Wim gelezen?


hoe-word-je-een-beroemd-schrijver?

Mary Kemperink schreef een artikel over de zelfrepresentatie van Frederik van Eeden in de bundel die gemaakt werd ter gelegenheid van het afscheid van Gilles Dorleijn als hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen: Schrijverstypen.
Kemperink sluit aan bij het begrip posture van J.Meizoz. Dit gaat over de zelfrepresentatie van een auteur, die enerzijds wordt gestuurd door de auteur zelf, anderzijds door de cultuur waarbinnen de auteur zich bevindt.
Frederik van Eeden beschouwt zichzelf als profeet. Hij wil de mensheid verbeteren, materieel en moreel als kunstenaar, arts en wereldhervormer. Van Eeden wilde een groot schrijver zijn, liefst een toneelschrijver. Hij spiegelde zich aan Goethe onder andere en aan een profeet als Johannes de Doper.
De tijdgenoten zagen het anders. Zijn moralistische en didactische kwaliteiten botsten met de autonomistische poÎtica van de Tachtigers. Bovendien liet zijn leven een man zien die loog, in de liefde ontrouw was en die schulden maakte. Zijn vermomming als arbeider in Walden, de idealistische gemeenschap op de Veluwe werd doorzien en belachelijk gemaakt, onder andere door Nescio: 'In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen gaan, maar toen we op een zondag erheen waren gelopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer in een boerenkiel op dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofd, in innige aanraking met de natuur, zoals dat toen genoemd werd, en z' n baard vol kruimels. We dorsten niet verder en liepen maar weer naar Amsterdam terug.
Als toneelschrijver werd hij niet erg gewaardeerd; als dichter evenmin. Uiteindelijk bleef alleen 'De Kleine Johannes' een belangrijk werk.
Interessant is het feit dat of iemand beroemd wordt, sterk afhangt van zijn eigen presentatie. Van Eeden was zeer trendgevoelig: hij pikte ideeÎn op en zette ze naar eigen hand. Kemperink noemt de kunstopvatting van Tachtig, hypnotisme, spiritualisme, theosofie, nieuwe mystiek, symbolisme, Gesamtkunst, vegetarisme, utopisme, humanitair socialisme, katholicisme. Hij maakte snel indruk op mensen met zijn doordringende blik en sterke voordracht. Hij was voortdurend in het nieuws. Hij werd een celebrity, ook in het buitenland.


Reizen om te schrijven

Virginie Loveling kwam uit een welgesteld, vrijzinnig, intellectueel milieu. Zij had de mogelijkheid om te reizen, naar ItaliÎ natuurlijk, maar ook naar AustraliÎ. Zij is een van de schrijvers die reizen om er over te schrijven. Veel schrijvers wilden geld verdienen met hun reisverhalen, maar dan moesten ze eerst geld hebben om te reizen. In de zeventiende eeuw reisde Hooft naar ItaliÎ, niet om vreemde natuur te ontdekken, maar om kunst te zien, net als veel schilders. Reizen werd populair toen er treinen kwamen, met als gevolg dat er een begin werd gemaakt met het moderne toerisme, dit tot ergernis van de kunstenaars, die in het buitenland zich afkeerden van landgenoten.
Den Doolaard reisde naar toen nog betrekkelijk onbekende gebieden, waarbij hij zich aansloot bij de autochtone bevolking.
Virginie Loveling was geen avonturierster. Zij behoorde tot een reizigerselite en kon gebruik maken van goede contacten, die haar introduceerden, zodat zij bij vrienden van vrienden kon logeren en natuurlijk in goede hotels. Niettemin kreeg zij zo veel heimwee naar huis dat ze haar bezoek aan AustraliÎ bekortte en met zenuwklachten terugkeerde naar huis, gedurende een lange bootreis. Toen ze rond de vijftig was reisde ze naar Frankrijk en ItaliÎ, waarover zij het boek 'Een winter in het Zuiderland ' schreef.
Het is een reisverslag, maar gefictionaliseerd en tot literatuur gemaakt. De hoofdpersoon is een vrouw met ongeveer haar naam: Livie Lane. De personale vertelwijze wordt soms afgewisseld met de ik-vorm, een ik die boven de vertelde situatie staat. Het lijkt of deze ik de normale vertelinstantie ontsnapt. Het is ook te zien aan het gebruik van de tijd in het verhaal, waarbij opmerkingen achteraf worden gemaakt, dus tijdens het schrijven en niet tijdens het beleven.
Livie Lane bezoekt musea en de schrijfster vraagt zich af waarom zij d‡t schilderij bespreekt en niet het andere.
De schrijfster laat Livie vooral kijken naar andere personen; ze wil graag nieuwe mensen ontmoeten, maar blijft soms hangen op een plek uit vriendentrouw. Zij laat zich kennen als een sympathieke, standbewuste dame.
(Lut Missinne, 'De reizende schrijver in de spiegel '; uit 'Schrijverstypen ', bundel ter ere van het afscheid van Gilles Dorleijn als hoogleraar)


Cultuurpropaganda

Literatuur is een kwestie van pr en beeldvorming geworden. Vroeger noemde men dat cultuurpropaganda, maar die term heeft een ongunstige betekenis gekregen sinds de Duitse propaganda in WO I.
Is er een tijd geweest dat literatuur uitgegeven werd alleen omdat men het nodig vond vanwege de kwaliteit of was het altijd al zo dat uitgevers keken naar de markt en hun auteurs de opdracht gaven te gehoorzamen aan de lezerswens? Ik vermoed van wel, al is het ook zeker waar dat sommige auteurs zich er niets van aantrokken en schreven wat ze moesten schrijven. Er is vast goede literatuur verdwenen, verbrand, vergeten, verstoft, omdat geen uitgever er brood in zag. Iemand beweerde dat alle goede literatuur zijn weg vindt naar de lezer en het probleem is dat je dat nooit kunt weerspreken. Als je wijst op Kafka die zijn werk wilde laten vernietigen, kraait die iemand: dat is juist een bewijs, want het werk werd wel uitgegeven dankzij de verbroken belofte van zijn vriend Max Brod. Maar dan kun je zeggen: 'Voor zover Brod de manuscripten van Kafka voor de oorlog nog in handen wist te krijgen, werd aan Kafka 's laatste wil voldaan door de Gestapo, die begin 1933, na de machtsovername door Hitler, ongeveer 20 dagboeken en 35 brieven in beslag nam in de Berlijnse woning van Dora. Ondanks de actieve bemoeienis van de Tsjechische ambassade in Berlijn, werden deze en andere manuscripten die in handen van de nazi's vielen nooit meer teruggevonden en gelden zij als verloren.'
In WO I was Nederland neutraal. De Duitse propaganda wilde Nederlandse literatuur uitgeven om goede sier te maken bij de intellectuelen die niet bepaald Deutschfreundlich waren. Men zocht naar grote Nederlandse auteurs en men kwam onder andere uit bij Albert Verwey, die in Nederland gold als een groot schrijver en in Duitsland al bekend was door Stefan George. In 1918 verscheen in Leipzig van hem 'Gedichte '.
Had Albert Verwey dan geen problemen met een Duitse uitgave in oorlogstijd? Hij wist toch van de Duitse bloedstromen en verwoesting op de slagvelden? Hij gaf er de voorkeur aan te spreken over zijn 'onzijdige' opstelling en zich met zijn gedichten te verheffen boven de politiek van alledag. Hij meende dat zijn gedichten geen ander doel hadden dan gedicht te zijn .
PoÎzie en Geest hebben hun eigen rijk. Het werd met steun van de Duitse staat een dure uitgave, een groot schrijver waardig. In onze tijd behoort hij met zijn gedichten niet meer tot de canon van de Nederlandse literatuur. ( 'Groot auteur in een Grote Oorlog' , Hubert van den Berg, in 'Schrijverstypen', het gedenkboek bij het afscheid van Gilles Dorleijn als hoogleraar.)


Een voorloper van MacBeth

Een voorloper van MacBeth vinden we in de Latijnse kroniek over de edelman Balderik, getrouwd met Adela, dochter van de machtige graaf Wichman van Hamaland. De tekst is van Alpertus, een geestelijke, een Benedictijnse kroniekschrijver uit de 11e eeuw. Zijn 'De diversitate temporum ', Gebeurtenissen van deze tijd, is een verhaal over allerlei politieke voorvallen rond het jaar 1000 aan de benedenloop van de Rijn, Waal en Maas, met als hoogtepunt een politieke moord. Het hoofdthema is de strijd om de opvolging van de prefect Godfried. Door erfopvolging zou dat zijn oudste zoon zijn, ook een Godfried, door Alpertus omschreven als een 'vadsige domkop' en niet geschikt als prefect. Hij werd geholpen door zijn zwager Wichman die echter zelf het prefectuur wilde verkrijgen, maar deze komt door een sluipmoord om het leven. Balderik moet zich in Nijmegen bij keizer Hendrik verantwoorden wegens de moord.
Adela is een soort Lady MacBeth. Er gebeuren in het verhaal allerlei langdurige belegeringen. Er zijn verraders die de vijand stiekem binnenlaten. Er worden neuzen en oren afgesneden. Er zijn vrouwen die in een belegerde vesting helmen opzetten om de aanvallers te doen geloven dat er veel strijders zijn. De sterke vesting Uplade bij Elten aan de Rijn wordt vernietigd.
Balderik werd door Adela naar koning Hendrik II gestuurd om de prefectuur op te eisen, wat lukte. Wichman liet het er niet bij zitten wat een hardnekkige vete opleverde, die in 1016 eindigde met de al genoemde moord op Wichman, beraamd door Adela en gepleegd door haar handlangers. Balderik wordt moedeloos, maar Adela houdt vol en wekt haar man op. Ze wordt vergeleken met de bijbelse Izabel.


Maria Jo‚o Pires

Zij zoent de klanken, plukt ze van het wit, streelt ze als kinderen en laat ze lachend gaan, kijkt ze met hartzeer na, maakt nieuwe.
Een kleine dame van bijna 72, slank, eenvoudig gekleed zit op het podium van de Oosterpoort en speelt voor een betoverd publiek van bijna 1000 mensen Sonate 32 in c, opus 111. Als je die sonate wilt spelen op professioneel niveau moet je elke dag zes uur studeren, ook al ben je over de 70 en heb je een heel leven van het geven van concerten achter de rug, om precies te zijn 68 jaar!
Een jongeman meldt zich ' s middags als pageturner . Er was echter al een professionele kracht ingehuurd, maar die werd afgebeld omdat Maria zo veel plezier kreeg in de jongeman met zijn wilde haardos, teruggehouden met een zwarte band en natuurlijk vertrouwen in zijn bekwaamheid. Het ging ook goed en zij bedankte hem met een moederlijke lach. Hij keek haar bijna verliefd aan. Zij houdt zich al lang bezig met jonge mensen van verschillende sociale achtergrond en hun muzikale opvoeding. Zij ondersteunt talentvolle pianisten, maar leidt ook een project Equinox waarin jonge kansarme kinderen tussen de 6 en 14 jaar oud de kans krijgen om in een koor te zingen. Ondertussen treedt zij in een jaar op met meer dan tien beroemde orkesten in meer dan tien landen. Haar energie is verbazingwekkend, maar het meest bewonderenswaardig is haar gave om een groot publiek te betoveren.

Variaties op een thema

Noord-Friesland lijkt op Oost-Friesland en vaak op Noord-Groningen en zelfs wel op Noord-Holland. Het is natuurlijk allemaal kustgebied. Stolpboerderijen vind je boven Bergen; wadden vanaf Den Helder. Dijken overal vanaf Harlingen tot Denemarken.\uc0\u8232 Het landschap van Eiderstadt lijkt op Texel. Het wordt de neus van Schleswig-Holstein genoemd; een schiereiland. Het is een land van kerken en zogenaamde Haubargen, grote rietgedekte herenboerderijen.Er staan veertien oude kerken, vanaf de twaalfde eeuw. Ze doen denken aan de vele kerken in Groningen en Oost-Friesland, maar in tegenstelling tot de Groningse kerken zijn ze rijk versierd (Evangelisch-Luthers). Al die kerken zijn weer variaties op een thema. Ongeveer dezelfde altaren en schilderingen en orgels, maar steeds ook even anders. Een schildering betreffende Psalm 119, vers 5.
Waarmede zal de jongeling zijn pad, Door ijdelheen omsingeld, rein bewaren? Gewis, als hij het houdt naar ' t heilig blad. U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren; Laat mij van ' t spoor, in Uw gebo'n vervat, Niet dwalen, HEER, laat mij niet hulp loos varen.
Of 1 Cor 13: En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt. 14 En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.

Van Husum tot Klanxbˆll vind je polders met namen als Elisabeth-Sophien-Koog en Cecilienkoog en Sˆnke-Nissen-Koog. De laatste is genoemd naar een man die in Afrika rijk werd door de vondst van een diamantmijn en zijn geld besteedde aan het inpolderen van een stuk wad bij de Hamburger Hallig. B¸ll betekent niet hoogte , maar komt van oud-Noors ' bu ' = wonen. Er zijn meer dan vijftien dorpen met -b¸ll.

De Cecilienkoog ligt in de gemeente Reudfenkoge. De oppervlakte is 400 ha. Tussen 1903 en 1905 is de polder ingedijkt en genoemd naar de kroonprinses Cecilie. De inpoldering werd betaald door privÈ-personen en de regering. Aan het eind van een smalle weg die doodloopt op de dijk staat een droomwit huis, nummer 13, van vogelliefhebbers. In de tuin een dode boom met kleine vogels die wel puttertjes lijken, maar waarschijnlijk sijsjes zijn. Op de dijk honderden schapen die achter elkaar aanlopen als een smal leger. Plotseling deserteert een schaap en vele andere lopen achter haar aan, de andere kant op. Kwelders met zoutminnend gewas lopen tot aan het water van de Noordzee.
De naam -koog vind je niet alleen in Schiermonnikoog, maar ook in Koog aan de Zaan bijvoorbeeld. Nummer 13 is geen Ferienwohnung, maar verder lijken de meeste huizen dat wel. Overal windmolens, ook weer in verschillende soorten, kleine en groot, van verschillende firma' s of van particulieren. Overal zonnepanelen, soms hele akkers vol. Overal gelegenheden om broodjes garnaal of braadharing te eten. Knapperige broodjes.

Het worden langzamerhand tien eilandjes in het gras, zoals de halligen in de Duitse Waddenzee. De kleuren zijn anders. De halligen zijn groen-grijs, de zee is grauw. De molshopen zijn bruin-zwart, het gras is groen. Ik loop voorzichtig naar een hoop die ontstaat, als een kleine, langzame aardbeving. Ik meen een snuit te zien, een graafpoot. De mol zal mij wel gehoord hebben of geroken, maar hij blijft af en toe aarde omhoog duwen.
De benaming hallig wordt in het algemeen gebruikt voor verhoogde terpen in buitendijkse gebieden.
Vijf van deze eilanden worden permanent bewoond. Om toch droge voeten te houden heeft de mens heuvels opgeworpen, vergelijkbaar met de terpen en wierden aan de Waddenkust, die in Noord-Duitsland Warf, Warft, Wurt, Wurth, Warb, Werf of Werft worden genoemd, afhankelijk van het lokale dialect.
Op de Halligen wordt traditioneel een Noordfries dialect gesproken, het Halligers. Door kleine groep is dit dialect bijna uitgestorven.
Vier van de Halligen zijn verbonden met het vasteland. Vanaf de (onbewoonde) Hamburger Hallig loopt een dam naar het vasteland, waaraan zoveel landwinning heeft plaatsgevonden dat de Hamburger Hallig nu eigenlijk een schiereiland is geworden. Vanaf Langeness en Oland en vanaf Nordstrandischmoor is de kust te bereiken via twee lorrie-spoorbanen. Hooge en Grˆde zijn de enige bewoonde Halligen die geen vaste verbinding hebben met het vasteland.
We gaan naar de Hamburger Hallig met een gehuurde fiets. We hebben tegenwind, maar ook een versnelling en voldoende te kijken. Onderweg is een gebouw van een natuur-organisatie, waar twee dames tijdelijk wonen, die afwisselend maar al te graag informatie geven en kaarten verkopen. We blijken de eerste Nederlanders sinds hun komst, een week geleden. Onder de heuvel ligt een dood schaap. De andere schapen staan er onverschillig bij te grazen. Aan het eind is een restaurant, waarvan we later horen dat het heel goed is. Als wij er komen regent het, maar het is vol. We gaan met wind mee terug, gekleed in plastic. Het schaap ligt er niet meer. De andere schapen zijn ook weg. De mol heeft geen nieuwe hopen gemaakt.


Leven als spel

James Salter begint zijn ' A sport and a pastime ' met een citaat uit de Koran: ' Remember that life of this world is but a sport and a pastime '. Het echte leven begint na de dood. Wat zou Salter bedoelen? Is het spot of ernst? Het is ernst, maar dat wil niet zeggen dat Salter gelooft in een hiernamaals.
Het verhaal begint in september. Het was een mooie zomer. Parijs begint weer vol te lopen. Een ik-figuur trekt juist naar het land, naar Autun, midden-Frankrijk.
Hij vertelt hoe hij de trein instapt, een leeg compartiment zoekt, dat niet vindt en dan maar een lege plaats zoekt. Hij gaat naar binnen, zwaait zijn koffers in het rek, ploft neer en bekijkt zijn medereizigers. Een Fransman slaapt. Hij heeft een blauw jasje en een blauwe broek, maar de blauwen passen niet bij elkaar. Hij kijkt hoe de trein Parijs uitrijdt, langs gewone straten, langs voorsteden, appartementen, tuinen, muren. En dan is Parijs verdwenen en opent het land zich. De ik voelt zich al vrij. Groen, burgerlijk Frankrijk. De boerderijen zijn opgebouwd met steen. Land is de enige rijkdom. Er is een meisje in het compartiment. Hij beschrijft haar nauwkeurig, net als alles wat voorbijtrekt, bomen, tussenstations, groene kanalen, hooiland, voetbalvelden. Het meisje zoekt naar sigaretten. De sluiting van haar handtas is gebroken. Het is warm in de zon. Hij valt in slaap. Het meisje is verdwenen. De trein gaat over een rivier. Ze komen langs een hotel. De trein staat even stil op een station. Bij een kar kun je sandwiches en bier kopen. Een zwanger meisje met een zongebrand gezicht en bleke ogen komt langs en kijkt naar hem als ze passeert. Ze heeft een serene uitdrukking. Mensen worden weer echt, vooral vrouwen. Anders dan in Parijs. In het compartiment is een zwijgzaam meisje gekomen met een vogelgezicht. Het is bewolkt geworden. Het licht is veranderd. Het meisje haalt een toffee uit haar tas. Hij is benieuwd naar haar tanden. Ze draagt een trouwring. Hij kijkt naar buiten. Ze naderen Autun. Hij stapt uit met nog twee, drie passagiers. Het is leeg op het perron. Hij loopt naar een huis bij de Romeinse muur. Hij loopt door een laan met bomen, komt bij een groot plein. Het is stil, een Utrillo-achtige stilte. Hij ziet de kathedraal. Hij komt bij het huis, Wheatland ' house, groot, van steen, het hout verwaarloosd. Hij denkt dat hij de plek kent. Hij ziet een inscriptie 'Vaincre ou mourir ' . Hij is 34.
Waar gaat dit naar toe? Het is duidelijk: deze ik is een nauwkeurig waarnemer. Hij is dan ook fotograaf. Voor vrienden past hij op een groot huis in een blauwe - er is veel blauw in deze vertelling - bewegingloze, niet actieve stad, leeg, existentieel leeg. De ik zegt al gauw dat hij een verhaal vertelt over dingen die nooit bestaan hebben, hoewel zelfs de geringste twijfel eraan alles in duisternis werpt.
In Parijs heeft hij bij een ontvangst Philippe Dean ontmoet. Philippe is mooi en intelligent en onafhankelijk en een uitvreter. Hij liep weg van de universiteit, Yale, omdat hij zich verveelde. De ik is iemand die niet weet wat hij moet zeggen. Hij verlangt naar een meisje, maar hoe moet dat? Dean komt na een maand of twee bij de ik langs met zijn antieke auto, dat wil zeggen zijn geleende auto, onuitgenodigd en hij laat zich verwennen. De ik is jaloers. Hij heeft alles netjes gedaan. Het leven van Dean lijkt echter, sterker, waarachtiger. Hij is aantrekkelijk als een zwart gat. Hij rijdt met hem rond in het echte Frankrijk.
Tot zo ver is dit een verhaal van een ik-verteller, maar nu komt het. De ik-verteller wordt een alwetende verteller, aanwezig bij de intiemste momenten van Dean en zijn vriendin. Hij ziet alles en weet alles, ook wat de vriendin denkt.
Op een avond rijdt Dean met de ik-figuur naar Dijon, naar een nachtclub. Daar ziet de ik, laten we hem John noemen, een meisje van zestien of ouder, tussen Amerikaanse negersoldaten. Ze gaat met hen weg. John fantaseert over wat er met haar gebeurt. Misschien valt het mee. Die soldaten kunnen heel teder zijn. Later zegt Dean dat hij een verrassing heeft. Ze gaan naar the Foy in Autun en daar is het meisje uit Dijon. Salter vertelt de ontmoeting niet. Ze zijn opeens met zijn drieÎn en ze eten oesters. Het meisje heet Anne-Marie. Ze is achttien en ze weet niet hoe ze oesters moet eten. Dean brengt haar naar huis en dan zijn wij, lezers, plotseling getuige van haar kamertje met Dean en het warmen van haar piama en zijn kus en zijn denken dat ze onschuldig is. John wordt de ziener; hij ziet of fantaseert alles. Hij bewondert Dean, omdat hij succesvol is in de liefde. John is dienaar van het leven, Dean de bewoner. Het liefdespaar achtervolgt John is zijn dromen, maar ook overdag. Hij ziet alles wat ze doen: rijden, eten, vrijen. Hij weet dat zij 's morgens een slechte adem heeft. Hij ziet alle seksuele details en hij deelt ze mee. Hoe zij elke morgen zijn pik kust. Hoe ze geniet van alle standjes, ook anaal.
De hele herfst en winter en lente rijden ze rond en vrijen elke nacht en John moet het allemaal zien. Hij weet ook dat Dean af en toe geld moet vinden. Hij verkoopt bijvoorbeeld zijn ticket voor de terugreis naar Amerika. Hij vraagt geld aan zijn vader in Parijs. Hij verdient een beetje als tutor. Uiteindelijk, we zijn door John goed voorbereid, moet Dean vluchten naar Amerika. Hij krijgt het geld voor de reis van John. John krijgt de auto, maar het is een leenauto. Anne-Marie heeft niet veel geleerd, maar ze begrijpt heel goed dat Dean weg wil en dat ze hem nooit meer zal zien. John vertelt haar niet van het geld, maar hij weet zeker dat zij het van zijn gezicht kan aflezen en dat hij alles zal bekennen, hij kan niet liegen, maar Dean zal haar begroeten met een glimlach. Dat is het verschil. John is niet sterk genoeg om haar te beminnen. Men moet zelfzuchtig zijn.
Deze vertelling gaat schijnbaar over de seksuele liefde van Dean en Anne-Marie, maar het gaat eerder over Johns gebrek en over zijn ongelooflijke voorstellingsvermogen.


Wie is de moordenaar?

Vestdijk was dol op intriges en het is dus niet zo vreemd dat hij zich interesseerde voor de geschiedenis van Voltaire en kolonel Siquier die zichzelf ooit had beschuldigd van de moord op Karel XII van Zweden. Siquier zou de sluipmoordenaar zijn die Karel XII een kogel door het hoofd schoot, een musketkogel.
Karel XII (Stockholm, 17 juni 1682 \'96 Halden, 30 november 1718) was van 1697 tot 1718 koning van Zweden. Hij was de derde koning uit het geslacht Wittelsbach en ÈÈn der partijen in de Grote Noordse Oorlog (1700-1721). Het is niet zo vreemd dat de kolonel van de moord verdacht wordt. Misschien wilde hij de koning wel vermoorden. Hij was in dienst van de erfprins. Karel XII was een ramp was voor zijn bevolking, vanwege alle oorlogen die hij voerde.
De eerste met succes. Hij was 15 toen zijn vader stierf. Saksen, Rusland en Denemarken wilden de macht van Zweden breken, maar de jonge Karel begon een oorlog tegen zijn neef en zwager, koning Frederik IV van Denemarken, die hij na een belegering van Kopenhagen tot de vrede van Traventhal dwong (1700). Hij versloeg vervolgens de Russen onder tsaar Peter de Grote en een andere neef, de Saksische koning. Uiteindelijk ging hij ten onder, zoals vele machtigen voor en na hem, door een veldtocht tegen de Russen tot in Moskou.
In Halden, in het uiterste zuiden van Noorwegen, werd hij van dichtbij door het hoofd geschoten. Of de kogel van het belegerde garnizoen afkomstig was of uit zijn eigen gelederen was onduidelijk en het is nooit opgehelderd. Van het Zweedse leger bestaande uit 70.000 man was inmiddels een derde omgekomen van honger, koude en ondervoeding. Hij werd opgevolgd door zijn jongste zuster Ulrike en haar echtgenoot, de latere Frederik I van Zweden.
Arouet, alias Voltaire, wil een boek schrijven over Karel XII en hij wil zich beroepen op betrouwbare getuigen. Als het verhaal begint, wordt Arouet afgetuigd door een aantal huurlingen. Zoiets gebeurde vaker in het Parijs van de achttiende eeuw. Men wilde iemand een lesje leren. Arouet wordt gered van verdere verwondingen door Siquier, die zijn naam niet wil noemen, maar de filosoof weet er achter te komen en regelt vervolgens gesprekken met hem. Gedurende de hele vertelling wordt de lezer door argumenten en tegenargumenten heen weer geslingerd tussen het standpunt dat Siquier inderdaad de moordenaar is of juist niet. Arouet weet het niet. Soms denkt hij en zegt hij dat de kolonel het niet kan hebben gedaan. Hierbij speelt een Zweedse gravin een rol. Zij wil met de kolonel trouwen, maar dan zou hij eigenlijk gezuiverd moeten worden van de verdenking.
Vestdijk verlustigt zich in alle mogelijkheden. Het zou zÛ kunnen zijn, maar ook zÛ. Hoe genuanceerder we kijken naar de werkelijkheid, hoe onduidelijker zij wordt. Het lijkt op zijn overwegingen bij de astrologie: hoe meer je weet, hoe minder je kunt zeggen. Ook zijn beschrijvingen van de fysiognomie van de figuren zijn zeer Vestdijkiaans: 'voor hem stond de dikste vrouw die hij in maanden, misschien wel in jaren had aanschouwd. 'maar daarbij was zij vrij lang van stuk, terwijl het niet onknappe gezicht naast een ietwat kunstmatige welwillendheid een superieure trots uitstraalde, die de wetten der fysiognomiek bij zwaarlijvige mensen niet zouden doen verwachten.'


Wir schaffen das

In de bibliotheek van Leck in Sleeswijk Holstein, waar veel literatuur te vinden is, onder andere van Thomas Mann, zat een Turkse vrouw lang te bellen met haar smartphone, waarschijnlijk vanwege de aanwezige wifi. Haar dochter nam een prentenboek door, schonk zichzelf gratis thee en at een koekje. Af en toe zag je haar oplettend kijken bij het gesprek. Ze keek blij als haar moeder lachte. Haar broertje speelde met een auto op de grond.
Bij een kast stond een medewerkster te praten met een Ethiopische jonge man. Ze vroeg of hij al eigen woonruimte had. Hij zei lachend ' nee, maar dat komt.'
De volgende dag zat er een dikke oude man, uitdrukkingloos aan tafel. Een gastvrouw schonk koffie voor hem. De bibliotheek was een opvangcentrum geworden. Even later zagen we hem in de winkelstraat lopen. Waar naartoe en hoe weer terug?
We zagen in Nieb¸ll een meisje op een fiets, pratend in haar smartphone snel voorbij gaan. Het leek een scËne uit een film.
Op een nabij gelegen kunstmatige heuvel zat een man met een fiets te eten. Hij vertelde dat daar in de verte een tehuis was voor senioren die zorg behoeven, met een afdeling voor ouderen die nog niet zo ver zijn. De zee lag nog 15 km naar het westen. We gingen er naar toe door een dijkgat en in S¸dwesthˆrn zagen we dan eindelijk het water binnen bereik. Er was een trap naar het water waar een meisje half in zee stond te kleumen. Het was haar te koud. Het duurde geruime tijd voor haar vader haar zo ver kreeg dat ze ging zwemmen, maar toen bleef ze er een half uur in. Zo koud was het dus niet.


Paradijs

In St.Malo loopt de Rue de BrocÈliandi rechtstreeks naar de zee. Er is een breed strand, waarlangs een hoge boulevard loopt. Het water komt bij vloed tot de rand. Er is geen hek. Als je hoogtevrees hebt, moet je niet te dicht bij de rand lopen. Op het strand spelen kinderen het oude spel met zand en water. Ver weg bij de zee staan karren met zeilen; wind surfing. Op zee zeilboten. Veel witte zeilen. De huizen die uitkijken op zee zijn hoog en sterk met Bretonse stenen; veel hotels, maar ook woonhuizen, die misschien verhuurd worden. Het is een plek om weg te dromen op een bank.

We wandelen in een berglandschap met een groep van twintig. Na lang lopen vragen we ons af waar we zijn. De leider weet de weg niet meer. We lopen naar beneden, naar een onbekend dal. Iemand probeert via Siri de weg te vragen, maar er is geen bereik. Er loopt een man naar boven, die Nederlands spreekt en hier woont om kaarten te tekenen van het gebied. Hij weet precies waar we zijn. Uiteindelijk komen we in een stad waar een markt is. Er staan tafels met rechtopstaande nummers bij schotels met brood en vlees en vruchten. De koopman legt alles uit, maar wordt lastig gevallen door een grote, witte geit, die hij brood toesteekt, maar de geit bijt in de muis van de hand. Hij heeft scherpe tanden en er is een grote wond met veel bloed. De man knijpt de wond dicht. Iemand geeft hem een zakdoek die onmiddellijk is doordrenkt. Nog een zakdoek. 112 bellen. Hij wordt opgehaald en zegt dat wij het brood en vlees moeten meenemen. Het lijkt nooit meer echt goed te kunnen komen. In de bus naar huis eten we het brood en het vlees op. Onderweg stappen we uit, huren fietsen en verliezen de groep uit het oog, nemen een verkeerde weg en midden in het land, besluiten we met de fiets op de trein te stappen en naar huis te rijden. In onze woonplaats aangekomen, helpt de conducteur ons met de fietsen. De anderen zijn allang gearriveerd.

We staan op van de bank, lopen terug naar de auto en rijden nog even naar de haven, met een fort in het water, maar het is er zo druk dat we nergens kunnen parkeren en de stad uitrijden. We eten wat op het terrein van een universiteit en doen daarna boodschappen in een super waar we broccoli en cider kopen, onder andere. Terug naar de tent rijden we naar een klooster voor Dominicanessen, ver weg teruggetrokken in het land, een droomplek. Een paradijs, zeggen we tegen de non in het Recueuil. Ze ontkent het niet, zegt ook niet dat het echte paradijs niet van deze wereld is. Ik lees in een boek voor kinderen het verhaal van Tobias en de engel, maar ik mis de vis. Tobias gaat wel op pad met geld, krijgt gezelschap van de engel, die de weg wijst, komt aan bij Sara en trouwt met haar. Wel erg snel allemaal. Ik moet het verhaal nog eens opzoeken.
In de tuin zijn vijf nonnen aan het werk met scheppen, zand. Twee nonnen doen iets met lange groente. Een vrouw zit op een motormaaier. Is zij een leek?. In ieder geval ziet de tuin er prachtig uit. Boven het meer zien we de lucht in vele nuances blauw. Of is het de zee? Is het het paradijs weg van deze wereld?


Als God het wil

Nergens voel je je meer Europeaan dan in het Verre Oosten, waar je mensen uit Engeland, Portugal of Oostenrijk herkent als behorend tot wat je gemakshalve je eigen soort noemt.
Zo was het vroeger na het jaar 1000 (het gevreesde jaar waarin de wereld immers zou vergaan) toen de kruistochten zorgden voor de volkswording van Friezen, Hollanders, Gelderlanders en Vlamingen. Onder de kreet 'God wil het' toog men naar het Nabije Oosten.
Lang na de tweede kruistocht van 1147 wezen latere kruisvaarders elkander de palmboom op het graf van de Friese aanvoerder Hendrik Ulvinga in de nabijheid van Lissabon, ook wel Poptetus Ulvinga (letterlijk Wolvenzoon) genoemd, die in 1147 bij de verovering van de stad op de Moren was gesneuveld. Daar begon de strijd dus al. In een kroniek, die een paar eeuwen later geschreven werd, staat: 'Toen het kruisleger zich in Portugal bevond, was er in het het leger een opperste, geheten Poptatus, een oud man, zeer godvruchtig, en geboortig uit Wuite (waarschijnlijk in Oost-Friesland). Deze Poptatus riep met luider stemme, toen zij in de strijd gingen: 'Strijdt Gods strijd met opgewektheid en beschermt het land, want, hetzij wij de strijd winnen, hetzij wij die verliezen, of allen verslagen worden, het eeuwige leven wordt ons zonder twijfel gegeven.' Als hij dit gezegd had, zo werd de hemel geopend en Sint Mauricius met een grote schaar ridders ging in de lucht voor het heir uit en verjoeg de heidenen. Als de strijd gewonnen, de stad ontzet was en Poptatus zich ontwapende, werd hij door een heiden ter neder geschoten, die aan de berg verscholen lag. Zo stierf hij in God Almachtig en is een martelaar Gods geworden, want hij streed voor het Christelijk geloof en op zijn graf wies een zeer schone palmboom. Deze is een teken der overwinning'. Later bleek, 'dat de palmboom gewassen was uit zijn hart, hetwelk zonder twijfel de overwinning en kracht des geloofs aanduidt, die hij in zijn hart had, als hij ten strijde ging. Deze heilige man hebben zij vereerd als een martelaar Gods. De palm droegen zij vooruit in hun heir als een teken van overwinning en even groot geloof hadden zij in de palmboom als de kinderen IsraÎls in Mozes' staf'.
Overigens was er weinig reden om trots te zijn op de kruistochten: velen vochten alleen maar om zich te verrijken. Vaak kwam het leger niet eens aan in Jeruzalem, omdat het onderweg onderling slaags raakte of verrast werd door toesnellende moslims. Wel was het effect groot vanwege de reiservaring, de invloed van het Oosten en het zij-wij-gevoel, waardoor groepen van de noordelijke bevolking zich meer aaneen begonnen te sluiten.


Radegonde

Radegonde was de dochter van Berthaire, koning van T¸ringen. We hebben het over de zesde eeuw. Bij de dood van Basin werd het koninkrijk verdeeld over drie zonen. De vader van Radegonde werd al gauw gedood door zijn broers. Radegonde wordt opgevoed aan het hof van haar oom Hermanfred als zij drie jaar is, maar als zij elf is, wordt zij de gevangene van koning Clotaire. Zij krijgt een religieuze en intellectuele opvoeding door de achtgenote van Clotaire, Ingonde. Na de dood van Ingonde wil Clotaire Radegonde als zijn (vierde) vrouw. Zij wordt dan koningin van Frankrijk, maar zij wil niet en vlucht, wordt achterhaald en gedwongen in het huwelijk, ingezegend door bisschop MÈdard. Inmiddels is zij behoorlijk heilig aan het worden. Zij bidt veel, ook in het huwelijksbed. De macht van haar echtgenoot, zijn praal, wil ze niet en ze verschijnt in simpele kleren bij een staatsbanket. De vrienden van Clotaire zeggen dat hij met een non is getrouwd. Aan tafel blijkt duidelijk hun onenigheid. Radegonde verdeelt het brood onder de armen. Zij dwingt haar man ter dood veroordeelden te bevrijden. Weer vlucht zij en dan is er een roerend verhaal. Haar man achtervolgt haar en zij zegt tegen een boer dat hij moet zeggen dat hij sinds het graan opgroeide geen vrouw heeft gezien. Maar het graan is pas gezaaid! Terwijl Radegonde dat zegt, schiet het op en kan zij zich tussen de halmen verbergen. De koning komt voorbij. De boer zegt wat hij moet zeggen en de koning begrijpt dat hier een wonder is gebeurd en besluit zijn heilige vrouw met rust te laten. Zij sticht kloosters, wordt natuurlijk abdis en heeft grote invloed op haar voormalige echtgenoot en zijn zonen. Zij wordt later de tweede patrones van Frankrijk genoemd.

In Chinon is een Radegonde-impasse, die uitkomt op een stenen trap van 149 treden, die leidt naar een Radegonde-kapel, ÈÈn van de vele in Frankrijk. Achter de kapel is een grot uitgehakt in de krijtrotsen langs het dal van de Loire. In de tweede en derde eeuw was een een paganistisch heiligdom. In de zesde eeuw namen de christenen het, zoals altijd, over en woonde er een heremiet. Diep onder de vloer leidde een stenen trap naar een cisterne met water. Dat water ziet er van boven gezien smerig uit door de kalkresten. Radegonde bezocht de heremiet, omdat hij heilig zou zijn. Het geheel werd een pelgrimsoord en in de twaalfde eeuw hakte men een schip uit in de rots en bouwde met nieuwe stenen nog een schip. Tijdens de Franse revolutie werd de kerk ontheiligd, maar in 1878 werden de resten opgekocht door een rijke Chinonaise ( nee, geen Chinese, maar een inwoonster van Chinon). In 1964 vond men onder een laag kalk een afbeelding van een koninklijke jachtpartij uit de twaalfde eeuw: een knappe tekening van vijf figuren te paard, met waarschijnlijk Henri II van Plantagenet en zijn vrouw Eleanora.
Een klein meisje ontvangt je bij de ingang met de waarschuwing dat verder gaan 3 euro kost. Haar vader is de gids en is bereid langzaam Frans te spreken, omdat zijn Engels onvoldoende is. In strandstoelen liggen twee vrouwen te kijken naar het fresco van de jacht. Ik denk dat zij kenners zijn.


Kussens

Ann Coleman was de dochter van een rijke ijzerbaron. Ze kon trouwen met wie ze wilde, maar ze ging liever rechten studeren. Daar ontmoette ze James Buchanan uit Ierland, een immigrant. Ze werden verliefd, maar Anns vader verbood de relatie. Hij zei dat de jonge man uit was op haar geld. De brieven die James haar stuurde werden achtergehouden en Ann, die zelf vele brieven stuurde, wachtte tevergeefs op antwoord. In feite wilde James carriËre maken en zo haar vader overtuigen van zijn goede bedoelingen. Ann pleegde op 9 december zelfmoord door een overdosis laudanum. James vroeg de begrafenis te mogen bijwonen, maar zijn brief kwam ongeopend terug.
James trouwde nooit. Hij werd de enige ongetrouwde president van de Verenigde Staten. De geest van Ann bleef nog lang kussens klaar leggen voor haar grote liefde.
Een andere Ann Coleman, later, ook Amerikaanse, ook rijk door ijzer en staal, was gelukkiger. Zij ontmoette een rijke Spanjaard, Joachim Carvallo met wie zij trouwde. Samen trokken ze naar Frankrijk en kochten het vervallen kasteel in Villandry, dat ze samen restaureerden en waarvan de tuin zeer beroemd werd.
Hun achterkleinkind Henri is nu de eigenaar en hij zorgt er voor dat kasteel en tuin in perfecte orde blijven. Er is een tuin die de verschillende soorten liefde laat zien: de tragische, de hartstochtelijke, de romantische, de frivole. Er is een tuin die laat zien hoe mooi allerlei groenten zijn: een rij rode kolen bij voorbeeld, of een perk selderie en vele andere soorten. Er is een doolhof die je religieus wil maken. Ann, die van huis uit protestant was, en Joachim die niet veel aan zijn geloof deed, werden later actieve rooms-katholieken en lieten zich ontvangen door de paus. In het kasteel veel religieuze Spaanse schilderijen en veel foto's van de kinderen, tantes, schoondochters en kleinkinderen. Ann bleek een sterke, intelligente vrouw met veel smaak en waardigheid, maar ook een warme moeder en grootmoeder. Ook zij legde kussens klaar, maar in levende lijve.


Kwaad in de politiek

Wat Trump goed vindt, zien de democraten als kwaad, en omgekeerd wordt Hillary Clinton als een crimineel beschouwd. Toch lijkt er objectief juist gedrag te bestaan als Michelle Obama een beroep doet op weldenkendheid. Zeker is dat het recht van de sterkste dat zorgde voor het voortbestaan van de homo sapiens, zich nog steeds doet gelden en dat we moeite moeten doen om empathie en solidariteit met de zwakken, die ook in onze natuur zitten, te laten prevaleren. Het is zo treurig dat de idealen van de Franse revolutie, die wij toch als objectief goed beschouwen, zijn gesmoord in het bloed van dezelfde revolutie. En zelfs deze idealen: vrijheid, gelijkheid en broederschap, worden niet door alle mensen als goed gezien. Zij achten vrijheid gevaarlijk, beschouwen gelijkheid als een leugen en wensen alleen broederschap binnen de eigen clan.
Steeds als een beschaving zichzelf als goed ziet en de anderen als kwaad, gaat het mis en als demagogen een generatie die niet lijfelijk gebukt is gegaan onder nationalisme en groepsdwang met de uitwassen van terreur naar de anderen, oproept tot het sluiten van de grenzen en het verdoemen van wat vreemd is, moeten we weer lijden onder dictatuur en geweld.
Toch wil ik blijven geloven in langzame vooruitgang. Steeds als er twee stappen terug worden gezet, gaan we drie stappen vooruit.


Echternach

Nu landen weer naties worden, grenzen dicht, eigen volk eerst, kijken we naar het voorbeeld: IsraÎl, muren, grenswachten, geweren, gevangenissen voor wanhopigen. Wie worden de nieuwe vijanden? Marie le Pen, Wilders, Trump en Ferage begrijpen dat ze verwant zijn en dat de mensen die verlangen naar Europa, de wereld, de nieuwe vijanden zijn. Zetten we weer twee stappen terug in afwachting van nieuwe drie stappen voorwaarts. We moeten het niet vergeten, want we zullen toch naar een wereldregering moeten, naar de samenleving van planeet aarde.


Theo van Baaren

Het begint vaak met een concreet beeld, iets dat de dichter heeft gezien en dat in zijn verbeelding een vreemde draai krijgt, een surrealistische voorstelling wordt, waarin de dood vaak een rol speelt. Er is bij voorbeeld een stenen beeld van een militair muziekcorps met trommels van marmer en fluiten van graniet. Zij beelden muziek uit, maar er is natuurlijk stilte: een tastbare stilte en die ook koud is. Dit roept een fantasie op die overigens ook kan verwijzen naar een herinneringsbeeld, van een optocht van onbekenden, een dreigende stoet, waarbij uiteindelijk het gedicht verwijst naar soldaten.
De gedichten van Theo van Baaren zijn evocaties van angst en dood, duisternis en brand, ondergrondse gangen met zwaveldamp. De dood is geen verlossing, maar het gruwelijk einde van een verdoemd leven: 'Maaltijd na maaltijd / groeit de nacht als schimmel in ons bloed, / totdat de tong, een zwarte vlag, / gehesen wordt op \'t wrakke vlot van afscheid.'
Ik moet denken aan gedichten van Baudelaire, Hendrik de Vries, verhalen van Edgar Allan Poe, schilderijen van James Ensor, Edvard Munch. Veel voorkomende woorden zijn: wolken, moeras, veen, angst, schreeuw, slang, bloed, schaduw, spiegel, scherven, gebeente, botten, skelet, nevel, vijver, masker. Toch is er ook het leven dat uit de dood opstaat, zoals de graankorrel moet sterven om vrucht te dragen. Van Baaren kende de chtonische mythen van de landbouwculturen.


Strijd

Dr. Jan ten Brink begint zijn loflied op Schaepman, priester,dichter,staatsman, met een bladzijde lange zin, waarin hij de drie kwaliteiten uitwerkt en ook nog eens wijst op zijn 'koperen kop' en 'koperen stem'.
Herman Schaepman werd geboren in Tubbergen, waar zijn vader burgemeester was. Zijn vader hielp als luitenant van de schutterij mee met het binnenhalen van Koning Willem I. De kleine Herman vond zijn verhalen prachtig en luisterde vol belangstelling naar patriottische liederen van Schiller. Via zijn moeder las hij Racine, Corneille, MoliËre en Lafontaine. De kleine Herman, tien jaar oud, luisterde naar haar voordracht van de Franse dichters. Men zei dat zo'n kleine jongen dat toch niet begreep, maar ze antwoordde dat hij zo iets in zijn hoofd kreeg, dat hij later begrijpen kon.
Op school leerde hij Frans en Duits. Hij wilde graag dienst nemen, naar zee gaan en strijden voor de Nederlandse vlag, maar zijn ogen waren te zwak. Vader wilde hem laten strijden voor de kerk, als priester. Toen hij 13 was, ging hij naar het gymnasium in Oldenzaal, waar hij ook Engels leerde beheersen.
Herman was dol op dichters die de roem van Nederland bezongen: Helmers en de zangen over Van Schaffelaer, de Prins van Oranje bij Quatre Bras. Al gauw vertrok hij naar het seminarium in Kuilenburg, later naar het groot-seminarie in Rijsenburg bij Driebergen. Al op 22-jarige leeftijd kwam zijn eerste gedicht, anoniem, uit: 'De Paus'. Alberdingk Thijm beval het gedicht aan en hoorde er Bilderdijk in, en Da Costa. Wij zouden zeggen: dat is geen aanbeveling, maar toen was het anders. Het gedicht was geschreven in statige, epische alexandrijnen. 'Zijn achttien honderd jaar! / Nog klinkt van oord tot oord, / Van wereldgrens tot grens, des Meesters heilig woord:\ Gij Simon, Jona's zoon, zijt Petrus, rots der kerke, Die \ 'k als mijn bruid begroet. Het gedicht is ÈÈn lofzang op de pausen. Natuurlijk laat hij de schandelijke geschiedenissen achterwege. Wist hij het niet? Was hij zo geÔndoctrineerd door de katholieke verhalen, dat hij niet twijfelde of hoorde het bij zijn steile overtuigingen, dat je niet mag twijfelen aan de 'waarheid' van de partijdige geschiedenis. Geheel naar de mode van die tijd krijgen de Joden er weer van langs. Zij hebben immers gekozen voor Barabas en tegen Jezus: 'Het leven der Hebreeuwen is dood \ hun volksbestaan is ballingschap, het bloed des schuldeloozen, des verworpnen wordt geboet.'


Pius IX en Schaepman en redelijkheid

Schaepman houdt een doorlopend pleidooi voor Pius IX. Hij noemt hem de waarachtige koning van zijn eeuw. Deze paus was natuurlijk tegen de revolutie van 1847. In 1854 kondigde Pius IX het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria af. Dit betekende dat Maria al in de schoot van haar moeder van de erfzonde was gevrijwaard. Het klinkt als een sprookje van vroeger, maar er zijn nog miljoenen mensen die dit geloven. Er zit wel een soort logica achter. Hoe zou een lichaam de zoon van god kunnen ontvangen als het niet zuiver was? Nu ja, de vraag stellen, klinkt al belachelijk. Een nog verder gaande consequentie was dat zij niet zou sterven, want de dood was de straf van de erfzonde. Zij zou dus met lichaam en ziel opvliegen naar de hemel. Het graf van Maria was dus ook nooit gevonden!
Als hoofd van de Kerk riep Pius het Vaticaans Concilie (1869-1870) bijeen, waarop de onfeilbaarheid van de paus als dogma werd goedgekeurd. Alle uitspraken ex cathedra zouden van God afkomstig zijn! Je kunt zulke dogma's toch moeilijk serieus nemen.
In 2000 werd Pius door paus Johannes Paulus II zalig verklaard, ondanks het feit, en misschien wel dankzij, dat Pius IX het volgende heeft verklaard: 'De Joden waren eens kinderen in het Huis van God geweest, maar dankzij hun hardnekkigheid en weigering om te geloven waren het honden geworden. Vandaag de dag hebben we in Rome jammer genoeg te veel van deze honden en we horen ze in alle straten blaffen, terwijl ze overal om zich heen mensen molesteren. '
De Joden moesten leven in het getto. Onder druk van de Joodse bankiersfamilie Rothschild, die aan het Vaticaan de benodigde leningen verschafte waarmee het investeringen en buitenlandse bescherming kon betalen, bleek Pius bereid enige concessies te doen. Sommige Joodse families mochten nu buiten het getto wonen, bijvoorbeeld de families die door overstromingen van de Tiber onbewoonbare huizen hadden.
Edgardo Mortara werd gescheiden van zijn Joodse familie omdat een katholieke dienstbode hem in het geheim had gedoopt, wat ze later bekende. En, zo was de logica, een katholieke jongen kon niet worden opgevoed door Joden. Bovendien wilde de jongen - die toen zes jaar was - dat zelf niet! De paus liet hem opvoeden tot priester. De ouders konden hun zoon terugkrijgen als ze zelf katholiek zouden worden.
Pius was van mening dat de Joden samen met geheimzinnige sekten ' troepen verzamelden tegen de Kerk van Christus '
Het boek 'De jood: judaÔsme en de judaÔsering van christenvolken ' van de Franse schrijver Roger Gougenot des Mousseaux werd door Pius IX geprezen. In het boek werd de beschuldiging van rituele moorden door Joden bevestigd.
Schaepman was het met dit alles van harte eens. Redelijkheid? Hij schreef: 'Des menschen rede schuwt de banden van 't gelooven, / En streeft op eigen wiek, arm vogelijn, naar boven,\ Naar boven, waar de stroom der zuivre ether vloeit\ En in ondoofbaar licht de hoogste waarheid gloeit;\ Naar boven, naar de zon! om straks met matte vlerken\ Te rusten in de schauw der laagste rozenperken,\ Reeds hijgende naar rust.'
En denk maar niet dat 'de zuivre ether' voor Schaepman een metafoor is.


Feest van de rede?

14 juli, maar het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent. Chateaubriand, van oude hoge adel, wist er alles van. Zijn familie werd vernederd, hun bezittingen vervielen aan de staat. Kerken werden tot tempels van de rede verklaard, maar in werkelijkheid werden het veestallen of legerplaatsen. Sarcastischer kon de revolutie haar gezicht niet laten zien.
Chateaubriands vader wist met handel een fortuin terug te verdienen en liet het kasteel in Combourg herstellen en uitbouwen. Het staat er nu in alle pracht en praal bij en we kunnen het bezichtigen tegen een behoorlijke vergoeding. FranÁois RenÈe Chateaubriand was de jongste zoon en beleefde uiteraard een onrustige jeugd. Hij studeerde onder andere te Dol en te Rennes, maar kwam onregelmatig terug naar het kasteel te Combourg. De adel wist door ontwikkeling en onderlinge hulp weer een aanzienlijke positie te verwerven. FranÁois RenÈe aarzelde lang tussen zijn priesterroeping en een carriËre op zee (die in de lijn van de familie lag). Uiteindelijk gaf hij toe aan de eerste en ging hij studeren aan het college van Dinan. Toch besefte hij al vlug dat dit niet zijn ware roeping was en keerde hij terug naar het familiedomein, waar zijn romantisch schrijversschap begon. Hij fantaseerde vaak met zijn zus Lucile over geÎxalteerde dromen in een verlaten landschap. Hij hield meer van de herfst dan van de zomer.
Uiteindelijk ging Chateaubriand het leger in. Hij verliet Combourg in 1786 als tweede luitenant. Zijn militaire carriËre werd onderbroken door lange periodes van verlof die hem in staat stelden verscheidene literaire salons te frequenteren of zelfs het hof te bezoeken. Hij was contra-revolutionair van geboorte en werd door Napoleon in allerlei functies geplaatst. Ook het herstel van het huis van Bourbon leverde hem diplomatieke posten op in Berlijn , Londen en Zweden. Nog voor de dood van de koning onder de guillotine had hij al Amerika bezocht, waar hij niet de positie van de Indianen verdedigde, maar die van het christendom. Een tijd lang was hij een 'verlichte', maar de dood van zijn moeder en broer bracht hem weer terug in de schoot van de moederkerk. Zijn romantisch schrijversschap werd beÔnvloed door Goethe, Ossian en Rousseau. Het belangrijkste werk zijn ze nagelaten MÈmoires d'outre-tombe. Ironisch genoeg werd zijn naam het meest bekend door een vleesgerecht dat zijn kok uitvond.


Achterlijk

'Want duister is het om ons heen, waar henen wy ons ook wenden. Alles over geheel Europa is in een staat van verwarring, van spanning, of van gisting. De oude beginselen zijn overal in haat en verachting gebracht, en al wat op dezelve gebouwd is, is voor een groot gedeelte reeds afgebroken, en wordt het ieder dag verder.' Da Costa (1823) Deze woorden lijken merkwaardig aan te sluiten bij onze tijd, maar Da Costa was een joods-christelijke aartsconservatief die fulmineerde tegen Voltaire en de Verlichting. Het was de Verlichting die uiteindelijk leidde tot de Universele Verklaring van de rechten van de mens. Artikel 1: 'Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.'
Broederschap impliceert zusterschap? Niet voor iedereen. De verklaring werd ontworpen door de VN Commissie voor Mensenrechten en gepropageerd door met name Eleanor Roosevelt (1884-1962), de weduwe van de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt. De verklaring werd aangenomen door de leden van de VN op 10 december 1948, zonder tegenstemmen maar met 8 onthoudingen (waaronder van de Sovjet-Unie, Saudi-ArabiÎ en Zuid-Afrika).
De grootste obstakels voor aanvaarding zijn opgeworpen door de communisten en de rooms-katholieken. De laatsten deden dat meer verhuld dan de eersten, maar met veel meer resultaat.' (J.Humphrey)
In China was het tot de vorige eeuw gewoon om de voeten van vrouwen te verminken, omdat mannen dat erotisch zouden vinden en omdat het de vrouw belette zelfstandig van huis te gaan. Vrouwen werden zo geÔndoctrineerd dat ze het zelf zouden willen. Zeg nu niet 's Lands wijs 's lands eer , of: in andere culturen gelden andere normen en wetten; dat is wel zo, maar er zijn gebruiken die misschien ooit wijs of verstandig waren, maar die later inhumaan genoemd moeten worden. In tribale en patriarchale culturen bestaan ze nog. Deze culturen zijn achtergebleven. Dit geldt ook voor de sharia.
In India werden weduwen levend verbrand met het lijk van hun man. Sommige vrouwen sprongen zelf in het vuur, anderen moesten geduwd worden. Nog in onze eeuw kwam dit voor in achtergebleven (!) streken. Genitale verminking: In 2007 overleed een 12-jarig meisje in Egypte na een besnijdenis op de operatietafel.
Vrouwen willen dit en komen in opstand in streken waar de wet het wil verbieden. In Egypte is bijna iedere vrouw besneden. Waarom? Het zou haar minder vatbaar maken voor overspel. Een vrouw is bezit van een man. Hij kan haar nemen wanneer hij wil.


Geheimen

Bij Trehorenteuc zagen we een meisje met een grote geit. Het donkere meisje leek Keltisch en alleen omdat ze geen spitse oren had, bleek ze geen fee. Ze had niets te maken met 14 juli; ze leek tijdloos, net als de bomen, het woud BrocÈliande, de meren. Nu ja, overal liepen moderne mensen. Veel families zaten of lagen aan de kant te eten en te drinken, urenlang soms, want toen we terugkwamen van een stevige klim naar L'arbre d' or zaten ze er nog.
In Paimpont sprak de burgemeester een publiek toe, zijn vrouw en misschien enkele wethouders en gemeenteleden. Hij stond voor een monument van gevallenen in beide wereldoorlogen. Op vier hoeken stonden oude mannen met een nationalistisch vaandel, gestoken in een leren houder die bij de heupen werd vastgesnoerd. Na afloop van de toespraak, waarin, begrepen we, gewaarschuwd werd tegen nieuw barbarisme, werd er zwak geapplaudisseerd en liepen de bevlagde mannen in een soort optochtje naar het gemeentehuis, waarin het kleine publiek iets te drinken werd aangeboden.
Op straat stond een rijtje mensen te wachten tot ze aan de beurt waren voor een gegrilde worst, die in een crËpe werd gewikkeld.
Bij het toeristenbureau werden veel boekjes getoond over Merlyn, Arthur, Viviane, Morgane etc. Opvallende waren de tekeningen van halfnaakte feeÎn en boze dwergen met dikke neuzen. In de ernaast gelegen abdijkerk kon je ook weer boekjes en kaarten en snuisterijen kopen, maar ook kaarsen om te branden voor Maria van Paimpont.
In Trehorenteuc begon een klim naar de VallÈe sans retour met de plek waar Merlyn door Viviane werd vastgehouden. Hij had haar zijn laatste geheim verklaard, wel bewust van het feit dat ze hem dan niet meer liet gaan. Geen terugkeer dus naar het hof van Arthur.
In de zogenaamde graalkerk zag ik een glas-in-lood-afbeelding van een konijn. Een begeleidende tekst legde uit dat het konijn net als de maan 's nachts verscheen en overdag verdween. Konijn is symbool van vlugge komst en vertrek; hij is een tussenfiguur tussen boven- en onderwereld, drager van geheime boodschappen. Plotseling begreep ik de rol van het witte konijn in Alice in Wonderland beter. Hij draagt daar ook nog een groot horloge en wijst voortdurend op het voortschrijden van de tijd.


een-dappere-man-een-dappere-vrouw

Eduard Douwes Dekker vertelt over een executie in 1825. In de Javaanse oorlog werd een spion gevangen, een Inlander. Zo iemand moet meteen worden doodgeschoten. Men bond hem aan een boom en gaf een soldaat opdracht hem neer te knallen. Normaal, in vredestijd, wordt een peloton gebruikt waarbij slechts ÈÈn soldaat een kogel heeft, zodat niemand wordt belast met het besef iemand in koelen bloede te hebben gedood, maar in de oorlog is daarvoor geen tijd, of is zo ' n inlander het niet waard. De aangewezen soldaat nam geen risico, dacht hij. Hij zette het geweer tegen de borst van de man, op de plaats waar hij het hart dacht. Hij zei: ' De kogel hoeft geen licht te zien. ' De inlander keek hem spottend aan en zei dat hij de loop iets meer naar links moest plaatsen. De soldaat vloekte, omdat zijn slachtoffer niet bang leek. Hij haalde de haan over, maar het geweer ketste. De spion lachte hem uit. De Christensoldaat werd boos, draaide het geweer en sloeg zijn weerloze gevangene, de lachende Mohammedaan met de kolf de hersens in.

Een ander verhaal. In 1837 is hij in Holland. Het stormde. Hij moest een sluis over, een smal houten pad met maar aan ÈÈn kant een railing. Er was een vrouw met een kind. Hij vroeg: ' Vrouwtje, zal ik je kind dragen? ' en zij antwoordde: ' Dank je, jongeheer, ik ben mans genoeg geweest om het kind ter wereld te brengen, ik ben mans genoeg om het te dragen ook. ' Ze droeg het kind naar de overkant en gaf het daar de borst.


liefde-maar-niet-te-gek

Toen Dirc Potter nog jong was, werd hij met een geheime zending naar Rome gestuurd. Hoe jong? We weten dat hij geboren werd rond 1370 en op zijn vijftiende of zestiende al klerk werd aan het hof van de graven van Holland. In Rome had hij heimwee naar Holland en ging wandelen langs een rivier. In zijn verbeelding ontmoet hij vrouw Venus die hem opdraagt een lied te schrijven zodat de lezers ' ridders, edele vrouwen en schildknapen ' leren wat liefde is. Pas veel later heeft hij dat werk voltooid: ' Der Minnen Loop ' . Het zijn nuchtere adviezen. Hij vertelt dat hij meer last dan lust heeft gekend van de liefde: ' wat hij jaagde, bleef ongevangen ' .
In India werden weduwen levend verbrand met het lijk van hun man. Sommige vrouw sprongen zelf in het vuur, anderen moesten geduwd worden. Potter is in de vijftiende eeuw van mening dat er nog eerbare goede vrouwen zijn die voor haar man zouden willen sterven, maar het is ook zo dat vrouwen wel eens ' nee ' zeggen als zij ' ja ' bedoelen. De vrouw moet heer zijn en de man knecht, maar dat geldt alleen vÛÛr het huwelijk. Daarna moet de man de baas zijn. Huwelijkse liefde is het best en hartstocht is gevaarlijk: dat is ' gecke minne ' , zoals die van Medea, Dido, Ariadne.
Potter kent zijn klassieken. Hij moet een ijverig man geweest zijn. Waar las hij al die boeken? In de koets op weg naar Rome, Parijs, Berlijn, Londen? Hij was een een soort diplomaat voor Jacoba van Beieren. Als dank kreeg hij een buiten bij Den Haag, een soort Hofwijck, zoals later Huygens, en zijn zoon kreeg zelfs nog een aantal ' morgen ' land als eerbetoon aan zijn vader.
Het ontroerende verhaal van Hero en Leander: zij springt met het aangespoelde lijk van van haar geliefde in zee. Potter vindt het mooi, maar toch was het beter het eigen lijf te sparen. Liefde is goed, maar het moet niet te gek worden. Vrouwen die te heet lopen krijgen als advies: wees voorzichtig in de keus van uw minnaar: kookt uw spek in goed rivierwater! Een minnaar kan gebruik maken van een vriend, maar hij moet uitkijken dat de vriend geen medeminnaar wordt, die ' de potage met de spek naar zich toehaalt ' .
Mannen en vrouwen gelijk stellen op het punt van echtbreuk, geeft geen pas. De eer van de man lijdt er niet onder als hij een minnares heeft, zelfs niet als hij kinderen heeft buiten zijn huwelijk. Bij de vrouw is dat anders. Een vrouw mag geen minnaar hebben. Een man kan veel vrouwen hebben, maar een vrouw twee mannen? Nooit. Het is een verschil van dag en nacht, aldus Potter.


ik-ben-zo-bang-dat-je-strakjes-verdwijnt

In 1326 voltooide Lodewijk van Velthem 'Het boek van koning Arthur', vertaling uit het Frans. Hierin lezen we over de verliefdheid van Merlijn, de machtige tovenaar. Hij wordt verliefd op de fee Viviane. Zij vraagt hem haar alle toverkunsten te leren en hij gehoorzaamt. We moeten hier denken aan Simson en Delila. Hij vertelt waar zijn kracht schuilt en zij knipt zijn haar af. Symbool van ontmanning en waarschuwing aan alle mannen: vertel je geliefde niet je laatste geheimen.
Viviane heeft tenslotte nog ÈÈn wens: hoe moet ik een man opsluiten in een magische cirkel, zodat hij er nooit uit kan, niemand behalve ik bij hem kan komen. (Het liedje: 'Ik zou je het liefste in een doosje willen doen.' Daar is het een man die zijn geliefde wil opsluiten.)
Niet lang daarna vermaakten zij zich in het woud van Broceliande. Zij kwamen bij een mooie haag van haagdoorns. Samen gingen zij in de schaduw van de struiken zitten. Merlijn legde zijn hoofd in haar schoot en zij begon hem te strelen zodat hij in slaap viel. Zij stond op en ontglipte hem, pakte haar sluier en liep om die plaats heen. Zij maakte een cirkel om Merlijn heen en begon in praktijk te brengen wat hij haar geleerd had: zij maakte haar tekens daar negenmaal en ging in de rondte. Daarna ging zij weer zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. Dit deed zij allemaal stiekem. Hij schrok wakker en meende dat hij vastzat in de stevigste toren ter aarde, bovenop een ontoegankelijke rots. Merlijn zei tegen haar: 'U heeft mij bedrogen, mooie jonkvrouw, omdat u niet altijd bij mij wilt zijn wanneer ik naar u verlang, niemand anders dan u kan deze toverij ongedaan maken.' Zij antwoordde: 'Liefste, ik zal vaak genoeg naar u toe komen en dan zult u mij in uw armen nemen en uw begeerte bevredigen.'
Merlijn verliet de plaats waar zijn geliefde hem opsloot nooit meer, noch kon er iemand bij hem komen, terwijl zij erin en eruit ging, wanneer zij maar wilde.
Velthem schrijft dan: 'Wat mach men daer meer af secgen dan? Negeen dinc, so help mi God, Dan dat hi was een fijn sot; Al heet hi vroet ende conde vele. Nochtan heeften een wijf bij haren spele Datsi hem toende menechfoude, Bracht in 't nette daer si woude.'


arnold-werumeus-buning

Buning werd in Uithuizen geboren (1846), opgevoed door vader notaris en zijn oudere zuster. Zijn grootvader was zeeofficier, die zijn avonturen had genoteerd. De jonge Arnold werd al op zijn veertiende jaar tot adelborst der derde klasse bevorderd, waarna hij naar Nieuwediep (Den Helder) vertrok om zijn opleiding te voltooien op het wachtschip De Kortenaar. Op zijn achttiende kwam hij in actieve dienst en vertrok op de Prins Maurits der Nederlanden naar Java, via BraziliÎ. In de Indische Archipel ging hij op zeerovers jagen. Later heeft hij in een serieuze strijd met opstandelingen een matroos gered, onder een kogelregen, samen met twee andere luitenants. In 1869 ging hij op verlof naar Nederland. In Parijs volgde hij toneellessen. Terug in dienst moest hij onder tropisch licht terreinverkenningen en kaarten maken aan de westkust van Borneo, wat hem ernstige oogkwalen bezorgde. Na genezing in het vaderland, voer hij naar West- IndiÎ, maar een keelziekte, zwakke ogen en doofheid beletten hem het scheepsvolk te commanderen. Hij moest pensioen aanvragen, nog maar dertig jaar oud. Gelukkig kreeg hij de opdracht een gids voor reizigers naar IndiÎ samen te stellen. Een jaar later werd hij benoemd tot Directeur van de Modelkamer en de Bibliotheek bij het Departement van de marine. Hij kreeg typhus en later nog meer ziekten, waardoor hij ontslag moest nemen. In 1883 werd hij benoemd tot directeur van het maritiem museum in Rotterdam.
Na zijn ooglijden ontwikkelde hij zijn letterkundige bekwaamheden, waarbij hij zich vooral richtte op het houden van voordrachten. Hij schreef verhalen over wat hij had meegemaakt of gehoord, vooral om ze te kunnen voordragen. In die zin is hij een voorganger van de jonge dichters, die zich vooral toeleggen op 'slam'

Maar er is nog een Werumeus Buning. Johan Willem Frederik Werumeus Buning (Velp, 4 mei 1891) Hij studeerde voor notaris, maar brak die opleiding af om kunstredacteur te worden van De Telegraaf. Aangemoedigd door zijn vriend Adriaan Roland Holst ging hij gedichten schrijven. In 1921 verscheen zijn eerste dichtbundel 'In memoriam', over de dood van zijn geliefde. Daarop volgde 'Hemel en Aarde' (1927) waarin Werumeus Buning de stijlvorm van de ballade uitprobeerde. In die vorm dichtte hij zijn grootste succes: Maria LÈcina (1932), dat tijdens de Tweede Wereldoorlog door Kees Stip werd geparodieerd als Dieuwertje Diekema, gevolgd door Drie balladen (1935), waarvan de 'Ballade van den boer' de bekendste is ('Maar de boer, hij ploegde voort').

Kees Stip maakte: 'Dieuwertje Diekema staat te draaien'
In de oorlog werd Werumeus Buning lid van de Kultuurkamer. Kees Stip zat in het verzet.
Ik ken Buning vooral van zijn stukjes over koken. Nooit heb ik zijn bereiding van inktvis vergeten.


chickens-come-home-to-roost

Uiteindelijk vraagt Anton Esther om vergeving omdat hij haar vier jaar geleden zo honds heeft behandeld, nadat hij met haar naar de opera Tosca is geweest, drama van verraad en ontrouw, om haar te bedanken dat zij een gedicht van hem heeft opgestuurd, dat is geaccepteerd en dat dus de erkenning inhoudt van zijn dichterschap. Hij heeft haar verteld dat hij graag vijf minuten een vrouw zou willen zijn om te weten hoe dat voelt, dat hij dat wil omdat hij medicus is. Nee, zegt Esther, dat wil de dichter in jou en zij heeft gelijk.

Maar wat is dan toch ook weer gebeurd? Hoe heeft hij haar zo honds behandeld en waarom? Dat heb ik toch gelezen? En meer dan ÈÈn keer, al was het de eerste keer vijftig jaar geleden. Het stond in 'De vrije vogel en zijn kooien' en ik moet terug naar dat boek. Nee, het stond in het deel dat daar aan vooraf ging, in 'De beker van de min'. Hij ging met haar broer naar het concertgebouw, Mahler en Schubert en daar was Esther ook en op de muziek van Schubert werd hij verliefd op haar. Ze was heel mooi. Hij schreef haar en wandelde met haar en dan gaat hij plots terug na Lahringen en ontmoet het nichtje van mevrouw Hagoort met wie hij zich verlooft en hij schrijft Esther een briefje vol smoesjes, dat hij het druk heeft voor zijn examen en daarna laat hij niets meer horen en ontwijkt haar. Die verloving is een rare mislukking. Hij slaat zijn verloofde omdat ze iets lelijks zegt over Esther en daarna, niet meteen daarna, maakt zij het uit en Anton gaat rotzooien met Fietje en haar zus en met andere meiden. Zij, Esther, is altijd van Anton blijven houden en ze heeft rimpels gekregen, denkt Anton, vanwege hem.
Na vier jaar ontmoet hij haar in de bibliotheek. Eerst vlucht hij weg, maar ze spreekt hem aan en nodigt hem uit. Ze blijkt jarig en haar broer is er, haar verloofde en een oude leraar wiskunde van Anton. Hij vertelt over zijn gedichten en de meisjes vragen een gedicht. Hij schrijft het op en zij sturen het naar een tijdschrift.
Op de bekende Anton-manier heeft hij allerlei overwegingen en heroverwegingen, speelt Ina Damman, zoals altijd, haar rol, dat wil zeggen de Ina van Anton, maar uiteindelijk gaat hij naar haar toe, omdat hij niet kan slapen, en bekent zijn liefde en begrijpt dat zij al die tijd van hem gehouden heeft. Ze zoenen en beleven extatische 'pneumatische' liefdesmomenten, maar als Anton lichamelijker wil worden, zegt ze eenvoudig 'nee, nee'.
Hij studeert nu hard voor zijn doctoraal examen, ook bij haar. Hij heeft bekend dat hij nooit zal trouwen, omdat het huwelijk een kooi is en dat geeft ook niet, want zij is toch verloofd met Arie Mossel. Hij dwingt haar de belofte af dat ze na het examen met elkaar naar bed gaan. Later bedenkt hij dat hij haar niet aan die belofte zal houden. Natuurlijk slaagt hij voor zijn examen, bijna cum laude en dan is hij moe en wil slapen, maar er komt damesbezoek op zijn kamer, met witte bloemen. Een zeer Vestdijkiaanse wending. Een klap op het hoofd van de lezer. Het is Hetie, de zus van Arie Mossel, die alles weet van Esther. De bloemen zijn van Esther en er is een brief: ze zal altijd van Anton houden, breekt haar belofte en verbreekt de verloving, heeft haar baan opgezegd en is al naar Groningen vertrokken. Hetie maakt duidelijk dat het niet willen trouwen en de burgerlijke moraal het haar onmogelijk maken zich te geven. De lezer denkt: ach, net als Nol uit 'De Koperen Tuin' die Trix op het moment suprËme uit burgerlijkheid alleen laat.

Maar wat is dat dan, wat Anton voor Esther voelt? Na de afscheidsbrief van Esther laat hij zich snel troosten door Hetie, haar vriendin, die alles weet en als Hetie weg is, heeft hij Esther al bijna vergeten en gaat op jacht naar verpleegsters tijdens zijn co-schappen.
Maar wat was dat dan met Esther? De muziek? Haar koelte, dat wil zeggen in de beleving van Anton, want Esther is helemaal niet koel. Zij houdt van Anton, maar is niet geil. En dan is er nog Antons schuldgevoel, omdat hij haar zo honds behandeld heeft . Hij heeft het over haar rimpels, waarvoor hij zich verantwoordelijk voelt.
Hoe gaat het verder met Esther in Groningen? Rare vraag, want het gaat hier om een roman. Maar er is toch ook Lies Koning, model van Ina Damman, reÎel genoeg? Zo is er toch ook iemand die model heeft gestaan voor Esther. Waar is zij gebleven? Is er ooit iets verschenen in de Vestdijkkroniek over haar model?
In de biografie van Wim Hazeu vind ik wel allerlei historische figuren die als model dienden, maar geen model voor Esther Ornstein. Is zij geheel verzonnen? Nu ja, nooit geheel, maar dan toch grotendeels? En verklaart dat dat Anton haar snel vergeet?
Anne Wadman schrijft echter (in ' Handdruk en handgemeen ' ): ' De enige van al deze vrouwenfiguren die volkomen met het bestaan en het denken van Anton Wachter is verweven, die de indruk van volmaakte authenticiteit wekt en die daardoor de gelijkwaardige wordt van de jeugdliefde Ina Damman, is de zo grandioos in haar vrouwelijke wezen getekende Esther Ornstein, het Joodse meisje met haar Joods masochisme.'
Overigens, de wijze waarop Anton over Jodinnetjes spreekt is sterk gekleurd door de tijd en zou nu ongepast zijn.
' Ik ben het ' schreef Maarten ' t Hart, ' na herlezing van De rimpels van Esther Ornstein, geheel eens met Wadman en Veenstra. Vanaf pagina 109, als Esther opeens opduikt in de bibliotheek, vaart er een kracht en warmte in het boek die je voordien miste in deze tweede serie delen over Anton Wachter. Dit is Vestdijk op zijn best, dit is de Vestdijk die ik onvoorwaardelijk bewonder, de Vestdijk die als geen ander in staat was om de aanvangsfasen van een grote liefde te beschrijven, dat schemergebied tussen verliefdheid en echte liefde, die fase waarin eventueel al wel gezoend, maar nog niet geneukt wordt. Hier krijgt bovendien die beschrijving van dat schemergebied een extra dimensie omdat Antons gevoelens verhevigd worden door schuldgevoel en deernis, vanwege al datgene wat al eerder voorviel met betrekking tot Esther Ornstein. Bovendien speelt daar nog doorheen dat Esther joods is en Vestdijk heeft Anton Wachters reactie daarop hier uiterst subtiel geanalyseerd. '
Er vaart natuurlijk kracht en warmte in de lezer Maarten wanneer Esther opduikt in de bibliotheek!


Esther Ornstein

'Dat zij veel van hem gehouden had, betwijfelde hij niet; maar zelfs voor trouwe personen brak de tijd aan, dat de liefde haar omwenteling had voltooid en met kunst en vliegwerk vernieuwd zou moeten worden.' (uit 'De rimpels van Esther Ornstein', Simon Vestdijk)
Dit gaat over Fietje, zijn jonge hospita, met wie Anton geruime tijd de divan deelt, of het Vondelpark of een scharrelhotel.
Ondertussen laat Vestdijk de lezer wachten op een nieuwe ontmoeting met Esther. Hij heeft haar bijna vier geleden honds behandeld, maar de titel van het boek belooft een opvlammen van de liefde. Ruim drie jaar heeft Anton gerotzooid met meiden. Hij heeft een grote lust voor vrouwen. Sommige lezers zullen hem oversexed noemen, anderen zullen zeggen dat hij een gezond seksueel verlangen heeft. In ieder geval wordt hij gemakkelijk verliefd en hij weet ook hoe hij de koe bij de horens moet vatten. Deze dierlijke uitspraak zou hem zelf niet vreemd voorkomen. Dat met Ina Damman is iets heel anders.
Maar goed, we zijn al op de helft van de roman: Anton is stevig aan het studeren in de bibliotheek, al aarzelt hij vaak tussen poÎzie en medische literatuur, als hij plotseling Esther ziet. Vestdijk begint het betreffende hoofdstuk met de zin: 'Op een middag zat hij in de cataloguskamer'
Ah, denkt de lezer: nu gaat het gebeuren, maar zoals altijd bij Vestdijk; hij houdt de spanning vast. Bladzijden lang andere overwegingen en irritatie over juristen die met elkaar fluisteren en dan plotseling maakt een jurist vrij hard een opmerking over een mooie meid. Weer allerlei overwegingen en dan, eindelijk, ziet Anton Esther zitten en hij weet niet hoe hij weg moet duiken, uit schaamte over zijn gedrag destijds. Hij weet ongemerkt weg te komen en vermijdt voortaan de cataloguskamer. Hij ziet haar niet meer. Dan komt er een intermezzo: er zit een vreemd meisje, dat hij aanspreekt. Na enige tijd met haar gewandeld te hebben, krijgt hij haar naam, Augusta Seidl. Ze komt uit Wenen, spreekt goed Nederlands en heeft van haar vader geleerd wat ze moet doen als mannen haar onheus benaderen. Anton probeert te achterhalen wat zij doet.
'0 'ze zou zelf een fotografe kunnen zijn, of in de leer daarvoor: met haar springerige loop, alsof ze ieder moment ergens een driepoot kon neerzetten, met die scherpe ogen onder de bontmuts, waarmee ze iedereen opnam.'
Uiteindelijk weet Anton haar naar zijn kamer te loodsen. Daar blijkt ze niet ongenegen, na een speelse bokswedstrijd, tot een zoen. Anton trekt haar muts weg en dan ziet hij een vreemd voorhoofd met een richel.
Hij ziet haar niet meer terug, ja, een keer op straat, maar dan verstopt hij zich achter een boom. En dan zijn we nog niet bij Esther Ornstein.


Maar wat is dat dan, wat Anton voor Esther voelt? Na de afscheidsbrief van Esther laat hij zich snel troosten door Hetie, haar vriendin, die alles weet en als Hetie weg is, heeft hij Esther al bijna vergeten en gaat op jacht naar verpleegsters tijdens zijn co-schappen.

Maar wat was dat dan met Esther? De muziek? Haar koelte, dat wil zeggen in de beleving van Anton, want Esther is helemaal niet koel. Zij houdt van Anton, maar is niet geil. En dan is er nog Antons schuldgevoel, omdat hij haar 'zo honds behandeld heeft'.
Hij heeft het over haar rimpels, waarvoor hij zich verantwoordelijk voelt.
Hoe gaat het verder met Esther in Groningen? Rare vraag, want het gaat hier om een roman. Maar er is toch ook Lies Koning, model van Ina Damman, reÎel genoeg? Zo is er toch ook iemand die model heeft gestaan voor Esther. Waar is zij gebleven? Is er ooit iets verschenen in de Vestdijkkroniek over haar model?
In de biografie van Wim Hazeu vind ik wel allerlei historische figuren die als model dienden, maar geen model voor Esther Ornstein. Is zij geheel verzonnen? Nu ja, nooit geheel, maar dan toch grotendeels? En verklaart dat dat Anton haar snel vergeet?
Anne Wadman schrijft echter (in 'Handdruk en handgemeen'): 'De enige van al deze vrouwenfiguren die volkomen met het bestaan en het denken van Anton Wachter is verweven, die de indruk van volmaakte authenticiteit wekt en die daardoor de gelijkwaardige wordt van de jeugdliefde Ina Damman, is de zo grandioos in haar vrouwelijke wezen getekende Esther Ornstein, het Joodse meisje met haar Joods masochisme.'
Overigens, de wijze waarop Anton over Jodinnetjes spreekt is sterk gekleurd door de tijd en zou nu ongepast zijn.
'Ik ben het ' schreef Maarten 't Hart, 'na herlezing van De rimpels van Esther Ornstein, geheel eens met Wadman en Veenstra. Vanaf pagina 109, als Esther opeens opduikt in de bibliotheek, vaart er een kracht en warmte in het boek die je voordien miste in deze tweede serie delen over Anton Wachter. Dit is Vestdijk op zijn best, dit is de Vestdijk die ik onvoorwaardelijk bewonder, de Vestdijk die als geen ander in staat was om de aanvangsfasen van een grote liefde te beschrijven, dat schemergebied tussen verliefdheid en echte liefde, die fase waarin eventueel al wel gezoend, maar nog niet geneukt wordt. Hier krijgt bovendien die beschrijving van dat schemergebied een extra dimensie omdat Antons gevoelens verhevigd worden door schuldgevoel en deernis, vanwege al datgene wat al eerder voorviel met betrekking tot Esther Ornstein. Bovendien speelt daar nog doorheen dat Esther joods is en Vestdijk heeft Anton Wachters reactie daarop hier uiterst subtiel geanalyseerd. '
Er vaart natuurlijk kracht en warmte in de lezer Maarten wanneer Esther opduikt in de bibliotheek!

Uiteindelijk vraagt Anton Esther om vergeving omdat hij haar vier jaar geleden zo honds heeft behandeld, nadat hij met haar naar de opera Tosca is geweest, drama van verraad en ontrouw, om haar te bedanken dat zij een gedicht van hem heeft opgestuurd, dat is geaccepteerd en dat dus de erkenning inhoudt van zijn dichterschap. Hij heeft haar verteld dat hij graag vijf minuten een vrouw zou willen zijn om te weten hoe dat voelt, dat hij dat wil omdat hij medicus is. Nee, zegt Esther, dat wil de dichter in jou en zij heeft gelijk.
Maar wat is dan toch ook weer gebeurd? Hoe heeft hij haar zo honds behandeld en waarom? Dat heb ik toch gelezen? En meer dan ÈÈn keer, al was het de eerste keer vijftig jaar geleden. Het stond in 'De vrije vogel en zijn kooien' en ik moet terug naar dat boek. Nee, het stond in het deel dat daar aan vooraf ging, in 'De beker van de min '.
Hij ging met haar broer naar het concertgebouw, Mahler en Schubert en daar was Esther ook en op de muziek van Schubert werd hij verliefd op haar. Ze was heel mooi. Hij schreef haar en wandelde met haar en dan gaat hij plots terug na Lahringen en ontmoet het nichtje van mevrouw Hagoort met wie hij zich verlooft en hij schrijft Esther een briefje vol smoesjes, dat hij het druk heeft voor zijn examen en daarna laat hij niets meer horen en ontwijkt haar. Die verloving is een rare mislukking. Hij slaat zijn verloofde omdat ze iets lelijks zegt over Esther en daarna, niet meteen daarna, maakt zij het uit en Anton gaat rotzooien met Fietje en haar zus en met andere meiden.
Zij, Esther, is altijd van Anton blijven houden en ze heeft rimpels gekregen, denkt Anton, vanwege hem. Na vier jaar ontmoet hij haar in de bibliotheek. Eerst vlucht hij weg, maar ze spreekt hem aan en nodigt hem uit. Ze blijkt jarig en haar broer is er, haar verloofde en een oude leraar wiskunde van Anton. Hij vertelt over zijn gedichten en de meisjes vragen een gedicht. Hij schrijft het op en zij sturen het naar een tijdschrift.
Op de bekende Anton-manier heeft hij allerlei overwegingen en heroverwegingen, speelt Ina Damman, zoals altijd, haar rol, dat wil zeggen de Ina van Anton, maar uiteindelijk gaat hij naar haar toe, omdat hij niet kan slapen, en bekent zijn liefde en begrijpt dat zij al die tijd van hem gehouden heeft. Ze zoenen en beleven extatische 'pneumatische' liefdesmomenten, maar als Anton lichamelijker wil worden, zegt ze eenvoudig 'nee, nee'.
Hij studeert nu hard voor zijn doctoraal examen, ook bij haar. Hij heeft bekend dat hij nooit zal trouwen, omdat het huwelijk een kooi is en dat geeft ook niet, want zij is toch verloofd met Arie Mossel. Hij dwingt haar de belofte af dat ze na het examen met elkaar naar bed gaan. Later bedenkt hij dat hij haar niet aan die belofte zal houden. Natuurlijk slaagt hij voor zijn examen, bijna cum laude en dan is hij moe en wil slapen, maar er komt damesbezoek op zijn kamer, met witte bloemen. Een zeer Vestdijkiaanse wending. Een klap op het hoofd van de lezer. Het is Hetie, de zus van Arie Mossel, die alles weet van Esther. De bloemen zijn van Esther en er is een brief: ze zal altijd van Anton houden, breekt haar belofte en verbreekt de verloving, heeft haar baan opgezegd en is al naar Groningen vertrokken. Hetie maakt duidelijk dat het niet willen trouwen en de burgerlijke moraal het haar onmogelijk maken zich te geven. De lezer denkt: ach, net als Nol uit 'De Koperen Tuin' die Trix op het moment suprËme uit burgerlijkheid alleen laat.


Is-dit-poÎzie ?

Een week na de bruiloft staat hij op de uitvaart, met een exacte kopie van het bruidsboeket naast de witte kist met daarin zijn vrouw.'(Mickelle Haest)

Een week na de bruiloft
staat hij op de uitvaart
met een exacte kopie
van het bruidsboeket
naast de witte kist
met daarin zijn vrouw.

Ja, omdat de tekst emotioneert zonder sentimenteel te zijn (omdat de 'hij' zonder uitleg wordt geÔntroduceerd, omdat er 'zakelijk' wordt meegedeeld wat er gebeurt, omdat 'bruidsboeket' en 'witte kist' botsen, omdat het een harde constatering is dat zijn vrouw in de kist ligt: met daarin zijn vrouw, het lijk van zijn vrouw, omdat er zo'n korte tijd is tussen bruiloft en dood), omdat er een minimum aan redundantie, een maximum aan informatie is, omdat de klank goed is (de herhaling van de ui en de i), omdat de tekst ritmisch goed is (hamerend, staccato).


Liefde en nicotine

'Eigenlijk kan een decadent individu zoals ik niet goed liefhebben. Met de oprechtheid die ik in dit boek nastreef, zeg ik het en beken het. Ik heb voor jou een duurzame en gelijkblijvende genegenheid, die uit ik weet niet wat bestaat en die naar mijn mening voortvloeit uit jouw zuiverheid en jouw goedheid. Maar ik geloof niet dat een maand en een week na onze verloving de zaak op deze manier juist gesteld is. Dat verdriet me dermate dat ik er niet meer over wil schrijven.'
Deze tekst is te vinden in 'Dagboek voor mijn verloofde' van Italo Svevo. Pas in 1962 werd het dagboek voor publicatie vrijgegeven. Het belang ervan wordt niet ontleend aan zijn onthullend karakter of grote literaire waarde, nee, het dagboek is vooral interessant voor de liefhebbers van Svevo's roman 'Bekentenissen van Zeno'. Dit komt omdat de hoofdpersoon van de roman sprekend lijkt op de jonge Svevo (die eigenlijk Ettore Schmitz heette; zijn pseudoniem betekent de Italiaanse Duitser) en dat is des te boeiender omdat er bijna 30 jaar ligt tussen de verloofde en de schrijver van de roman.
Het dagboek hield hij bij op verzoek van zijn toekomstige echtgenote Livia. Hij schrijft in januari, februari en een deel van maart 1896 bijna elke dag een klein stukje over zijn gevoelens. Als je dan weet dat hij op 30 juli van dat jaar trouwt, dan begrijp je dat het houden van beloftes niet Schmitz' sterkste kant was. Ook op een andere wijze breekt hij (evenals Zeno) voortdurend zijn belofte: hij is verslaafd aan sigaretten. Als hij op zijn 66e een auto ongeluk krijgt, bezwijkt zijn hart vooral door het dagelijkse kwantum van 60 sigaretten. Het zou lachwekkend zijn als het niet zo treurig was. In de bijna drie maanden van het dagboek belooft S. ettelijke malen dat hij ophoudt met roken, dat hij zijn laatste sigaret nu gaat opsteken. Hij verbindt dit onmenselijke offer met zijn liefde voor Livia en dat maakt het breken van de belofte (waar overigens nooit over wordt geschreven) tot een schrijnende affaire. Hij schrijft bijvoorbeeld op 12 januari: 'Maar dat het mijn oprechte verlangen is je niet te kwetsen wordt al bewezen door het feit dat ik voor jou (werkelijk voor jou) afstand wil doen of zou willen doen van de sigaret die ik waagde tegenover je te stellen.' Let op de ingebouwde reserve.
Op 24 januari: 'Wat ik niet uit liefde deed, zal ik doen om van de jaloezie te genezen. Ik wil niet meer roken om minder prikkelbaar te zijn.'
Op 30 januari: 'Ik wil het recht veroveren op de opoffering van jou slechte gewoonten. Ik zal niet roken zolang jij niet weer flirt.'
Op 21 februari, 6.00 uur namiddag: 'Ik heb van vanmorgen af als een schoorsteen gerookt, maar wanneer ik je deze woorden laten lezen en je zou kunnen verzekeren dat ik sindsdien mijn belofte steeds gestand heb gedaan, zul je me vergeven, niet waar mijn lieve blondine? Liefdeskus'
Op 25 februari, middernacht: 'Om nog vollediger van mijn Livia te zijn heb ik op dit ogenblik afstand gedaan van de dierbaarste mijne verslavingen.'
Hier verbindt hij liefde wel heel sterk met nicotine. Precies een etmaal later schrijft hij: 'Een der meest wilskrachtige daden in deze eeuw in de kuststreek volbracht, en wel op 26 februari 1896, 12.00 uur voormiddag of liever een uur eerder. '
Het aantrekkelijke van dit dagboek is dat S., hoewel verliefd en behalve met jaloezie behebt met alle gevoelens waardoor verliefden altijd wat belachelijk aandoen, dit alles nogal nuchter genoteerd, met spot en met koel inzicht in zijn eigen ridiculiteit. Hij beleeft het en hij observeert het. Hij is op zijn hoede voor grote woorden. Dat maakt zijn toon zo modern. Stel je maar even de geschriften van onze Tachtigers voor uit dezelfde tijd! De argwaan tegen frasen, de ironie tegenover zijn eigen emoties die in het dagboek te vinden zijn, keren in een superieure vorm terug in de roman. Zelfbedrog en zelfkennis naast elkaar, soms in een zin verenigd, maken de 'Bekentenissen van Zeno' tot een verrassend psychologisch avontuur. Zeno streeft naar geestelijke en lichamelijke gezondheid en hij strijdt dus voortdurend tegen de bezoedeling in de vorm van jaloezie, ontrouw, ziekte en verslaving. Hij verliest daarbij steeds, biecht zijn tekorten op, provocerend, met genoegen bijna en strijdt verder.
De hypocrisie die de lezer aantreft in de talloze laatste sigaretten van de verloofde, vindt hij ook in het liefdesleven van de gehuwde Zeno. Zeno heeft een maÔtresse, Carla, en, legt hij uit, dat is heel nuttig voor mij en voor mijn echtgenote, want ik ben bemin mijn vrouw sinds Carla meer dan ooit. Dat zou ze niet begrijpen, dus moet ik wel ' tegen mijn aard ' liegen. Dat doet hij dan ook, zo vernuftig, systematisch en met zoveel liefdevolle toewijding, dat hij het hart van de lezer steelt en in ieder geval dezelfde toegeeflijkheid weet te bewerkstelligen die S. verwachtte van Livia met betrekking tot zijn eeuwige laatste sigaret.


Varen naar Duitsland

Bij het oorlogsmonument in Borkum zat een konijn, heel rustig. Ik liep naar hem toe, voorzichtig. Hij bleef zitten, maar keek me wel nauwlettend aan. Het bleek dat hij een hol had gegraven tussen de geraniums, misschien wel tot onder het monument, waar de jongens van 14-18 en van 39-45 werden herdacht. Velen waren vermist. Een generatie weggerukt van Borkum, gelovig of niet.
Het konijn liep naar de rand van het parkje en ging onder een heg zitten. Later verdween hij in een aanpalend bosje.
Op de boot naar Borkum een zeer dikke, mooie vrouw met een baby. Ze was verliefd op het kind. Ik dacht eerst dat ze misschien de oma was, maar de jonge man tegenover haar was duidelijk een geliefde. Ze kusten elkaar op de mond. Terug naar de Eemshaven zaten ze ongeveer op dezelfde plek. De baby zou wel moe zijn, maar zijn oma keek en handelde nog even verliefd.
Een klein meisje in de trein naar de boot was verliefd op haar vader. Ze plaagde hem met speelgoedbeesten op zijn gezicht, langs zijn blote benen omhoog. Ze keek als een volwassen vrouw naar haar minnaar, wijs wetend wat zijn zwakke plekken waren. Lachend, haar ogen oplichtend, zogenaamd boos kijkend en dan weer verrukt, blij en tegelijk onderzoekend of haar minnaar wel op de juiste wijze reageerde. Ze had kleine scherpe tanden, een er van ontbrak. Haar jongere broertje had ook kleine scherpe tanden. Hij speelde het spelletje wel mee, maar zonder overtuiging en veel kalmer. De vader moest het meisje af en toe tot de orde roepen door kneepjes in haar zij, die zij verzaligd onderging, maar de uitdrukkingen op haar gezicht verraadden de volwassen vrouw.
Een kleine jongen bij de haven bestuurde zijn vader, wees naar de trein, naar de richting van de reis en wilde uiteindelijk worden opgetild. Kinderen op de boulevard liepen rond als complete mensen, kijkend, waarderend, wensend.
Op een zandbank lagen vele zeehonden en robben. Ze lieten de wind en vlagen zon langs trekken. Op het zeer brede strand sjeesden driewielige wagens, getrokken door de wind. Vliegers ging wild heen en weer. Twee fazanten riepen een alarmroep naar elkaar. Misschien was er tussen hen een nest.
In een bakkerswinkel, waar mensen gebak aten en thee of koffie dronken, zat een oud echtpaar uit Frankfurt am Main. De man vertelde dat hij juist tachtig was geworden en dat zijn vrouw die hij had ontmoet in Frankfurt na de oorlog, hem die ochtend had verwend met rijk ontbijt op bed, een krant en veel liefde. Alte Liebe rost nicht. Dezelfde oorlog had hem als kind verdreven uit Bremen en naar het zuiden vervoerd. Hij was te jong geweest om soldaat te worden.


Feest

A&O zijn samen 140 geworden. Zij geven een groot feest in de tuin van hun verbouwde boerderij, in een prachtig landschap met uitzicht op een bosrand. De Engelsen noemen het 'borrowed landscape'. Je krijgt zoiets cadeau, maar je hebt het allicht ook zo uitgezocht. Gelukkig is het mooi weer.
Hun dochter, die activiteitenbegeleidster is, is spreekstalmeester. Zij zorgt er voor dat alles vlot verloopt. Er is een goede cateraar ingehuurd, die Italiaanse hapjes en later een complete Italiaanse maaltijd verzorgt. DaarvÛÛr koffie of thee met gebak en toe allerlei soorten ijs.
Ze hebben voor hun gasten ook een muzikale verrassing: barokmuziek vertolkt door een professionele zangeres en luitiste. Er is muziek van Frescobaldi en Monteverdi, maar er wordt speciale aandacht gevraagd voor Barbara Strozzi, die optrad in een Venetiaanse salon. Zij was de enige vrouw van haar tijd wier muziek vaak gedrukt werd. We horen van haar 'Amante Segreto '. Wonderlijk lied bij zo'n blijde verjaardag, en ook een beetje bruiloft. Een jeugdliefde, ze waren 17 of 18 toen ze elkaar ontmoetten als student.
Wat schrijft Strozzi? 'Ik wil dood, liever nog wil ik sterven dan mijn ellende tonen. O beroerde narigheid! Hoe vaker ik in deze mooie ogen zie, hoe vast mijn mond zich sluit om mijn verlangen geheim te houden. Etc.'
Maar de bruidegom zingt voor zijn oude bruid en het publiek: 'O sole mio ... Het is toch zo mooi, een zonnige dag Een zacht briesje na een storm De lucht is zo fris dat het bijna een feest lijkt Het is toch zo mooi, een zonnige dag Maar er is geen andere zon Mooier dan deze Oh mijn zon Ze schijnt in jouw gezicht.
De zang van de bruidegom is niet professioneel, maar wel gemeend en zijn bruid bedankt hem met een kus.


Het verhalende gedicht - niets nieuws

FranÁois Pauwels was er in 1913 van overtuigd dat een her-popularisering van de Nederlandse verskunst alleen mogelijk was door het verhalend gedicht. Men heeft genoeg van het innerlijk gevoelsleven van een dichter, dat te veel is uitgeplozen en daardoor onbelangrijk werd. Evenmin verwachtte hij heil van filosofisch redenerende verzen of sociale kritiek. Men houdt niet meer van poÎzie. Het helpt niet als je met dichterlijk dÈdain de publieke opinie terzijde schuift. Het eenzaam lijden van de dichter wordt al gauw een belachelijke pose. Men kan zich een genie wanen, maar als niemand je uitgestoken hand grijpt, leidt het nergens toe.
Pauwels meent dat vroeger de poÎzie leefde 'dicht aan het hart des volks en de groote massa koesterde haar met liefde. Nu terwijl er een uitgebreid, zich ontwikkelend proletariaat is en een weinig talrijke, meest in afzondering levende aristocratie, wordt de poÎzie verstooten of hoogstens als mode-artikel geduld.'
Vroeger was de poÎzie democratisch, tegenwoordig aristocratisch. Wat zou Pauwels nu zeggen?
Hoe kunnen we, vraagt hij, de poÎzie weer populair maken? Door weer verhalende poÎzie te schrijven: epos, ballade, romance, legende, fabel. In elk geval poÎzie die het algemeen gevoelen verwoord en niet het stemmings-gedicht dat alleen te volgen is door een toevallige gelijk gestemde enkeling. Het gaat niet om individuen, het gaat om de gemeenschap!
Pauwels wil geen berijmd verhaal, 'maar een verhaal dat met de poÎtische aanschouwing van den dichter, door de innerlijke bewogenheid van zijn wezen heen, tot een geheel nieuw en hecht organisme versmolten is.'


Boemerang

In feite zijn de rechtse populisten verantwoordelijk voor de toename van het aantal jihadisten. Door alle moslims af te wijzen, worden ook de gematigden of de geÔntegreerden teruggeworpen op hun achtergrond. Zij worden aangesproken door geloofsgenoten: 'Voel jij je niet beledigd, aangevallen in je identiteit? '
In feite beginnen veel jihadisten als aangepaste burgers, maar als ze gediscrimineerd worden door politie, werkgevers, eigen-volk-eerst-burgers, radicaliseren zij. Zij gaan beantwoorden aan het vijandbeeld dat hun wordt opgelegd.
Autochtone burgers die onzeker raken door een neo-liberale politiek, waarbij rijken rijker en armen armer worden, kruipen terug in eng nationalisme en versterken daarmee het onveiligheidsgevoel van de allochtonen.
Ook sommige Polen zullen denken: o, als je ons definieert als uitbuiters en boeven, dan zullen we onze situatie wel op die wijze verbeteren.


Klein beetje democratie

In de 15de en 16de eeuw werden oude ridderromans opnieuw verteld in prozavorm. Wat opvalt is een toenemende democratisering en de durf om de adel tegen te spreken. Zo verzoekt een gravin de baljuw om Margrieta van Limborch gevangen te nemen en als heks te verbranden. In de ridderroman is de baljuw verbaasd omdat hij niets dan goed over Margrieta weet, maar hij zal zonder dralen gehoorzamen.
Waarom moet het meisje verband worden? Omdat haar zoon Echites verliefd op haar is. Dat mag niet omdat zij maar een koopmansdochter is. Echites heeft al tegen zijn vader gezegd: 'Lieve vader, wat maakt het uit wat haar afkomst is? Zij is eerlijk, deugdzaam en eerzaam van wezen, zeden en manieren. Zijn wij niet allen kinderen van Adam, al is de een rijker dan de ander. Moet ik vanwege mijn adel haar loslaten, het meisje dat ik heb gekozen en daardoor mijn levenslust verliezen? Nee, vader, u heeft ongelijk, want uw redenering is in strijd met de natuur. Waar twee mensen het met elkaar eens zijn, daar is de liefde die je niet kunt kopen.'
Zijn moeder gaat dus een stap verder dan de vader gezien haar bevel aan de baljuw, maar deze zegt in het volksboek: 'Genadige vrouw, volgens de wetten van dit land moet ik eerst weten welke misdaad zij begaan heeft, eer ik haar ter dood kan veroordelen. Als zij onschuldig is, is het zonde als men haar zou ombrengen.'
Toen zei de gravin: ' Ik sta boven het recht. Ik wil haar dood. Ik ken redenen genoeg om haar te doden. '
'U heeft ongelijk', zei de rechter.
'Ongelijk of niet', zei de gravin: 'ik beveel u bij de eed die u voor mij heeft afgelegd, dat u Margrieta zult vangen en haar levend aan een staak zal verbranden.'
De rechter zei: 'Ik zal het niet doen, want het is tegen de wet en in strijd met Gods gebod.'
Dan dreigt de gravin hem te ontslaan en hij geeft toe. Jammer, maar in de oude ridderroman was het ondenkbaar dat de rechter zich zo lang zou verzetten. De schrijver van het volksboek wil zijn lezers zijn sympathie voor de rechter laten voelen.
De gravin: 'Nog zeg ik dit: de duivel houdt de kaars, Dat mijn kind zo verslingerd is op dat zieltje Margrieta van Limborch. Ik zal barsten van spijt als ik moet zien hoe mijn zoon een koopmansdochter bemint. Ik zwel op als pad door gif van kwaadheid, als ik deze teef, die mij zo veel leed berokkent, niet van kant maak.'


PoÎzie is fout

In een leerboek voor vluchtelingen staan oefeningen.
Hanna staat in de keuken.
Zij wil warme melk drinken.
Zij zet de melk op het fornuis.
Dan gaat de telefoon.
Het is haar zus.
Hanna praat lang met haar.
Het stinkt in de keuken.
Het fornuis is vies.
De pan is zwart etc.

Daarna komen allerlei vragen, onder andere 'Wat is goed?'
Hanna vergeet de melk. Hanna vergeet haar neus.

Of, bij een ander verhaaltje: Hij pakt zijn oog. Hij pakt zijn tas. Hij ruikt de vis. Hij ruikt de tas. Kees leest in zijn boek. Het boek speelt in de tas.
Fout waren ook: Ik stoep in de bus. Hij slaapt op de weg. Pas op voor de pen. Hij rent op bed. Zij zit in de boos. Ik ga 's nachts naar school. De auto stapt uit. De school is thuis. Hij is moe. Hij wil werken.
Daarom is het lezen van Nederlandse gedichten voor vluchtelingen zo moeilijk. Ook gedichten voor kinderen zijn te moeilijk. Bij voorbeeld:
Zielig
De muizen bij ons in de kelder
hebben waarschijnlijk een mobieltje. (Muizen hebben geen mobieltje.)
Ze roepen 's nachts om half een: (Muizen roepen niet.)

'Hier moet je komen, De Gast 61
daar liggen heerlijke korrels.
Ze zien er een beetje eng uit
maar ze smaken beter dan spek.'

Arme muizen, te vroeg geluisterd
te veel gegeten. Ze zijn nu weg.
Hun mobieltje werkloos onder de vloer. (Een mobieltje is niet werkloos.)


Geld

Laten we onderzoeken wat de rol van de banken is in het geldstelsel. Kunnen we zonder schade de kredietmarkten vrij maken? Kunnen we de centrale rentesturing afschaffen? Kunnen we de staatssteun aan financiÎle instellingen afschaffen? Zo'n onderzoek zou de VVD toch moeten toejuichen? Maar nee, de woordvoerder in de Tweede Kamer, Harbers, stemde tegen. Waartegen? Tegen een onderzoek.
Stichting Ons Geld stuurde hem een brief, maar er kwam geen antwoord. De Stichting maakte duidelijk dat zij de kredietverlening niet wil weghalen bij commerciÎle banken en dat zij niet streeft naar een overheidsbank. Zij wil de geldmarkt liberaliseren. Waarom wil de VVD dat niet? Omdat ze de partij is van rijke bankjongens?


Ver voor Cruijff

Stroomafwaarts was gemakkelijk, omdat je je dan kon laten drijven: maar de vaart werd daarbij wel wat wilder, het schip ging dwarsliggen en je moest vermoeiend roei- en stuurwerk verrichten om het op de goede koers te houden, niet te hoog en niet te laag. Zo werden in het leven de voordelen altijd door nadelen ingeperkt en de nadelen door voordelen goedgemaakt, wat zuiver rekenkundig gezien in twee keer niets resulteerde, maar in de praktijk in een wijs evenwicht en in de volmaaktheid van het midden, ten aanzien waarvan noch juichen noch kwaad worden, maar slechts tevredenheid op zijn plaats was. Want perfectie bestond niet in een eenzijdige opeenstapeling van profijt, terwijl het leven anderzijds geheel onmogelijk zou worden als het alleen uit verliesposten zou zijn samengesteld. Het bestond uit een tweevoudige opheffing van winst en verlies tot een niets dat 'tevredenheid ' heette.
(uit Thomas Mann. 'Jozef en zijn broers' )


De Protestante letterkunde in de 17de eeuw

Prof. Dr. G.A. van Es beschrijft de protestantse letterkunde in de eerste helft van de 17e eeuw. De protestantse letterkunde is anders dan de humanistische en anders dan de roomse door een andere levenshouding en daardoor een andere geestelijke inhoud. Zij is meer ideÎel dan visueel, meer ethisch en intellectueel dan zinnelijk. Zij biedt een levenshouding, meer dan een levensbeeld. Zij heeft geen behoefte aan toneelstukken. Het ene realistische stuk van Huygens is een uitzondering. Revius schreef ÈÈn drama, maar het is meer lyrisch dan dramatisch.
Zij wil liever een geestelijk epos scheppen: de verlossende komst van Christus op aarde en de strijd van de kerk in de wereld. Herschepping van Bijbelse gegevens is nog steeds geliefd, maar in deze periode richt zij zich meer op de wereld. De calvinist, zegt van Es, is een wereldveroveraar. Alle calvinistische literatuur is didactisch met het doel geestelijk te vormen en zedelijk op te voeden.
Het individuele element is in deze periode sterker geworden; het gaat om reflexie van persoonlijk beleefde spanningen in het geloofsleven, met de strijd om de bevrijding uit de greep der zonden Het vleselijke strijdt met het geestelijke; de cultuur strijdt met de godsdienst. Uiteindelijk is het de strijd tussen tijd en eeuwigheid. Dit is moeilijk in de 17e eeuw, omdat de renaissance op cultureel terrein doorbreekt, omdat het moderne kritisch-wetenschappelijk denken ontwaakt en omdat de rationele filosofie uit de Oudheid herleeft. De mens wordt middelpunt, wat de calvinist onaanvaardbaar acht. Wat te doen met wereldse wijsheid en materiÎle welvaart? Mag de calvinist niet ook genieten van de volheid van het tijdelijke leven?
Ondanks het feit dat de ethische functie van literatuur belangrijker wordt gevonden dan de esthetische, gaan de protestante dichters 'mooier' schrijven. De Franse dichters met hun renaissancistische navolging krijgen meer invloed.


Heersers en kritiek

In den beginne was er niets, geen licht, geen geluid. Er waren wel goden, die zich eenzaam voelden. Zij besloten eerst een ruimte, licht en geluid te scheppen, eenvoudig door ze te benoemen. Vervolgens wilden zij andere wezens maken. Ze begonnen met klei en planten en water, vervolgens maakten zij van klei figuren, maar die vielen uit elkaar. Toen maakten ze figuren van hout, maar dat leverde wezens op zonder begrip. Later werden dat apen. Pas toen ze wezens van maÔs maakten ontstonden mensen met gedachten en taal.
De mensen die deze verhalen vertelden, in Guatemala, leefden van maÔs, die zij verbouwden in het regenwoud. Zij brandden een stuk bos plat, de as maakte de grond vruchtbaar en dan konden ze twee jaar lang maÔs verbouwen. Ze lieten die grond twaalf jaar braak liggen en zochten een nieuwe plek. Van de maÔs maakten zij broden en drank. De boeren woonden verspreid in het land, vaak in de buurt van een rivier of meer, zodat er voldoende water was, want het water dat in de lente uit de hemel stroomde, zonk snel weg in de kalkrijke bodem. Ze legden cisternen aan, vingen water op, dat ze het hele jaar konden gebruiken. Ze organiseerden zich in kleine steden. Een elite kwam bovendrijven, die de gemeenschap beschermde in ruil voor de producten van de bevolking. Er kwamen stadstaten en koningen, die elkaar bevochten en door huwelijken hun gebied uitbreidden. Zij werden steeds rijker en machtiger en zij bouwden paleizen en grafheuvels. De bevolking had er baat bij, net als bij ons in de middeleeuwen en eerder, maar er waren natuurlijk ook slechte heersers, die misbruik maakten van hun macht. Overal op onze aarde vind je zulke heersers en onderdanen. Als de heersers ten onder gaan in decadentie, is de bevolking daar het slachtoffer van.
Bij de Maya's waren dwergen aan het hof te vinden, net als in Egypte in de tijd van de farao's. Ze waren een soort narren, die de heerser een spiegel voorhield. Vaak dacht men dat dwergen helderziende gaven hadden.
Slechte heersers dulden geen kritiek. Zij elimineren de narren en zelfs de journalisten die proberen een juiste beschrijving te geven van de stand van zaken in het rijk. Zie Erdogan en ook Poetin.


Populair

Bodyguards hebben popsterren nodig en helaas ook blonde politici. Dat het eerste niet alleen in onze tijd speelt, blijkt uit het feit dat de jonge Mozart tijdens zijn eerste ItaliÎreis beschermd moet worden. Hij speelt a prima vista, bij voorbeeld in Roverto, waar het volk stormloopt. Een paar sterke kerels moet hem vrije doorgang verlenen tot het koor van de kerk voor zijn orgelconcert. Ze, vader Leopold en zoon, deden er zeven minuten over om bij het koor te komen. Bij de kloosterkerk in Verona kunnen ze nauwelijks de koets uitkomen, zo worden ze omstuwd. De paters moeten Mozart helpen om in de kerk te komen.
Overigens waren de verdiensten niet navenant.. Zeer populair, maar weinig inkomsten. Veelal zijn concerten gratis en de adel sponsort zonder honorarium te geven. Leopold krijgt geschenken, meestal geen geld, maar hij moet wel reis- en verblijfkosten betalen.
Kon hij vermoeden dat de muziek van zijn zoon later miljarden zou opbrengen, maar dat ook nu de uitvoerders moeten leven van een schamel inkomen, in tegenstelling tot de platenbazen en bankiers. En in tegenstelling tot de popsterren van nu.

In ItaliÎ is het in die tijd rond de theaters net zo'n chaos als Kees \'t Hart schetst in zijn Teatro Olympico. Afspraken komt men niet na. Steeds krijg je te maken met nieuwe zegslieden. Men liegt en bedriegt. Plotseling gaat een voorstelling niet door, omdat een of andere belangrijke persoon voorgaat. Plotseling zijn er andere acteurs of zangers en men bemoeit zich eigenwijs met de vormgeving. (Met dank aan Yves Knockaert)


Optimus mundi

Waarom leven wij eigenlijk en waarom is het zo'n zooitje? Omdat het niet anders kan. Elke denkbare wereld is per definitie niet volmaakt. De volmaakte schepping is geen wereld, is niets. We moeten er maar het beste van maken. Ook al denken we dat ons huwelijk een mislukking is, dat onze man of vrouw zo tegenvalt en dat zij of hij vroeger toen we verliefd waren geweldig leek, maar nu allerlei irritante eigenschappen blijkt te hebben, toch zouden we haar of hem niet kunnen missen, dat is de boodschap van 'De Liefdesmachine' van Wouter Godijn (boodschap? kom op; doen we in boodschappen? We schrijven gewoon een boek en dat mag best spannend zijn. Al lezend moeten we ons afvragen hoe het gaat aflopen en we weten heel goed dat alles een constructie is van de schrijver en die mag best zijn vraagtekens zetten en verdwalen in zijgedachten. Dat maakt het juist spannend. De schrijver vertraagt de gebeurtenissen door zijn overwegingen en hij laat zien hoe weinig we werkelijk weten over wat we doen en willen, hoe we een raadsel zijn voor ons zelf en voor de anderen.)
Liefde en dood, dood en liefde en dat op de meest vlezige wijze. Deel 2 van het boek, boek ja, want de 'roman' beschrijft weergaloos langzaam en uitstellerig de dood van de vader van de hoofdpersoon Alexander Lodewijk van Putten. Wat een lullige naam, die overigens prima past bij de vijftigplusser van deel 3. Vijftig lijkt mij behoorlijk jong, maar dat heeft natuurlijk met mijn eigen leeftijd te maken. De verteller lijkt geobsedeerd door jeugd en jeugdige schoonheid. Hij heeft een afkeer van zijn vrouw Wilmie gekregen. Hij ziet haar naakt in de badkamer, van hem afgewend. 'Onwillekeurig gaat mijn blik naar de plaats waar ooit die verrukkelijke tweelingheuvels glooiden en waar nu die bolvormige drildingen zijn.' Als ze zich omdraait ziet hij 'voorgevelvlezigheden, zo groot en soepel dat je ze als een soort warme sjaal om je nek en het onderste deel van je hoofd zou kunnen wikkelen.' Ja, in hyperbolen wordt gegrossierd in dit boek.

Van Putten is over zijn eigen lichaam minstens zo grappig negatief: 'rimpelig hangbuikzwijn van vijftig plus'. Hij sloft 'badkamerwaarts om enkele branderige drupjes urine uit mijn blaas te persen (ja, ja, ik zou eens naar de dokter moeten)'. Ook de medemens is niet in zijn voordeel veranderd: 'gewone Nederlanders (...) zien er allemaal zo onvoorstelbaar dom uit, allemaal hebben ze van die wezenloze zult en blubberhoofden'.
Nee, dan vroeger! 'Of ergens waar vroeger zo'n terras was, waar ik met vrienden die ik nu nooit meer zie verrukkelijk dronken werd, terwijl we haast van onze stoelen rolden van het lachen.'
Dat heb ik nooit gedaan; heb ik daarom weinig begrip voor zo'n nostalgie?
Alexander Lodewijk is psychotherapeut, dat wil zeggen, in zijn eigen belevenis, dat hij kletspraat verkoopt tegen een aardig tarief, dat patiÎnten soms lijkt te helpen. De praktijk gaat niet zo goed en om Wilmie te bedotten houdt hij er spookpatiÎnten op na, die betalen vanuit de erfenis van zijn vader, een behoorlijke erfenis, want hij kan er tien jaar lang een heleboel niet bestaande patiÎnten aan hun verplichtingen laten voldoen. (Heeft Wilmie dan geen inzicht in de bankrekening waar de overigens tegenvallende erfenis op staat, omdat pa te veel geld gaf aan 'bedreigde diersoorten en zielige Amazonegebiedbewoners (per slot van rekening was ik ÛÛk een bedreigde diersoort.'
In het derde deel gebeuren de meest fantastische dingen. In de spreekkamer van de psychotherapeut blijkt plotseling een hippie-achtige man, Walter L¸ckwell, nomen est omen, te zitten, die doet of ze een afspraak hebben. VAN PUTTEN WEET NERGENS VAN maar hij speelt zijn rol en luistert. Walters' probleem is dat hij gelukkig is. (Als iemand nu gaat zeuren dat ik niet moet vertellen hoe het allemaal afloopt, dan zeg ik, dat het daarom niet gaat. Het gaat om de manier waarop alles wordt verteld.) (Al die haakjes 'en wie het niet bevalt , die gaat wat mij betreft maar iets anders lezen.' Hier lijkt Alex sterk op Wouter.) Alex gaat achter hem aan, stapt op de tram, achtervolgt hem tot aan zijn huis, met gevaar betrapt te worden, kijkt zelfs in de woonkamer en beschrijft nauwkeurig het interieur, waar hij een mooi meisje ziet dat Walter omhelst (o, daarom is hij zo gelukkig! Alex is jaloers, want hij krijgt hem al lang niet meer omhoog bij zijn vette zeekoe) en gaat zelfs als voyeur spelen voor het slaapkamerraam waar hij ziet hoe het meisje de lul van Walter met haar tong beroert. (Alex is ouderwets jaloers op de omvang van Walters lul. Hij weet niet dat de lengte of dikte geen donder uitmaakt. Het is de stijheid, stupid!) (Hoe besmettelijk zijn Wouters haakjes.)
Nu ja, kort en goed: Walter beweert dat hij met behulp van quantum-fysica een programma heeft gemaakt waarmee hij iedereen gelukkig kan maken. Dat is de liefdesmachine. Alex moet komen kijken en beleeft een wonderlijke ervaring. Eerder heeft hij filosofische gedachten over het leven. Hij is nogal zelfreflexief (zelfreflexief? Is reflexief niet voldoende?) Alex is voortdurend in gesprek met zichzelf. Hij heeft gezond ('wat een dodelijk vermoeiend, zelfingenomen gebral kan daar toch uitkomen!') en ongezond verstand. Het laatste heeft meestal gelijk. (Wie bepaalt dat nu weer?)
Maar goed, het leven wordt ons van hogerhand opgedrongen, denkt Alex. Bomen leven, maar er gaat niets in ze om. 'Daarom benijd ik ze juist.' Alex wil weg van het bewustzijn. Slapen maakt ook zo gelukkig, of liggen op de buik van het mooie meisje en dan het hoofd nooit meer hoeven optillen. Dat is geluk. Later blijkt er iets mis te gaan met het computerprogramma; het moet worden uitgezet, met de kans dat de uitzetter wordt vernietst. De Bommel-lectuur van Alex heeft zijn invloed! Uiteindelijk keert Alex terug naar huis. Wilmie en de irritante of in elk geval eigenwijze dochters zijn weg, maar er ligt een lief briefje en Alex bedenkt dat hij toch veel van ze houdt. Dat is de boodschap.


De kleine jongen, hij is vijf jaar, staat met een ernstig gezicht te kijken naar een wetenschapper die een vis bekijkt. We staan bij de uiterwaarden van de IJssel, een zijriviertje uit Voorst, met een behoorlijke sterke stroming. In het water is een net gespannen en de vissers hebben een visserspak aan met laarzen en een hoge broek.
Het is een kleine marene. De kleine marene (Coregonus albula) is een soort houting uit de orde van zalmachtigen (Salmoniformes). De vis kan maximaal 45 cm lang en 1000 gram zwaar worden. De hoogst geregistreerde leeftijd is 10 jaar.
De kleine marene komt zowel in zoet als zout water voor. Het verspreidingsgebied beperkt zich tot het Oostzeegebied, ScandinaviÎ, Baltische staten, het noordwesten van Rusland tot onder Nova Zembla en vroeger ook (op kleine schaal) in het Rijnstroomgebied.
Houtingen (marenen) worden soms ook in de Nederlandse benedenrivieren gevangen. Soortdeterminatie is echter lastig. Redeke (1941) meldde vangsten door visserijdeskundigen van de kleine marene uit 1888 (Nieuwe Merwede), 1919 (Hollands Diep) en 1927 (de Waal). (info uit Wikepedia).
Hij is dus heel zeldzaam in Nederland en de wetenschapper legt uit dat het heel bijzonder is dat de kleine jongen hem ziet. Hij zwemt in een glazen bak en de vrouw van een fotograaf houdt haar hand in het water en richt de vis zo dat haar man de vis kan fotograferen. Het is alsof ze de vis liefkoost. Haar man maakt tientallen foto's. Thuis zal hij kiezen welke opname de beste is.
De kleine jongen kijkt er naar en hij luistert naar de wetenschapper. Hij vindt het vooral interessant dat de wetenschapper een schubje in een glazen kokertje doet. Hij zal thuis het dna van de vis bepalen, maar hij doet meer. Hij injecteert een heel kleine chip, zodat de vis gevolgd kan worden bij een zogenaamde vistrap om te zien hoe vaak hij de vistrap passeert. De wetenschapper kijkt naar de kleine jongen en zegt: 'Misschien is hier een zaadje geplant en wordt hij later ook een onderzoeker.'
Misschien gaat hij onderzoeken hoe het komt dat hier de ooievaars uitgroeien tot een plaag. Of hoe we moeten omgaan met de aalscholvers die alle vis wegvangen of hoe het komt dat de reiger veel kikkers uitspuugt, omdat ze barsten in zijn slokdarm en vies smaken en misschien slecht zijn voor de reigers. Hoe het komt dat de zwaluwen en de kieviten hier verdwenen zijn, weten we al. Het komt door de gifstoffen die de boeren spuiten op de mais en andere landbouwgewassen.
We lopen door het bos terug naar Voorst en de kleine jongen ziet een kleine boskikker.


Kustwerk

De kust is niet meer eenvoudig een dijk aan de zee, maar een kunstlandschap van rotsen, honderd meter breed, met inhammen en kleine waterpartijen. Er loopt een glooiend pad van beton naar zee. Zwemmers lopen via een lange tunnel van touw naar het water. Die tunnel is er om ze te beschermen bij vloed, zodat ze niet kunnen wegspoelen. Aan het begin van het pad is een loods waar je je kunt omkleden. Ik ga daar zwemmen. Het water is koud en wild. Verderop in het water drijven drie houten huizen in vrolijke kleuren, die bij eb op het zand staan. Lopend langs de rotsformatie - ik moet denken aan Bretagne - kom ik bij een houten theater waar een toneelstuk wordt opgevoerd. Tot mijn verbazing zie ik Maud Vanhauwaert onder de spelers. De huizen die vroeger langs de dijk stonden zijn weggebroken Er staan nu desolate brokstukken zoals in Palmyra nadat IS is weggebombardeerd. Over een brug rijdt een auto naar de andere kant van het kanaal. Op het aangewaaide zand liggen stalen rijplaten.


Waarheid en leugen

In de column van Tonnus Oosterhoff, in de PoÎziekrant van maart 2016 staat een kort gedicht van Neeltje Maria Min. Tonnus schrijft dat ze negen regels lang een machientje laat snorren, maar dat ze aan het slot een stok in het wiel steekt.
Het gedicht gaat zo: 'Maak rustig gewag van een mug\ op de rug van gebogen rabarber,\ zeg liever ik zag een karbouw\u8232 of een vliegende tamme kastanje,\u8232 maak melding desnoods van de ziel\ van een uitgestorven reptiel\ of de helft van een dubbele vrouw\ maar zeg nooit of te nimmer\ dat er een aap op het kippenhok zat\ want dan houden ze niet meer van je.
Tonnus vraagt zich af hoe Min aan het gedicht gewerkt heeft. 'Is ze met de slotregel begonnen, aanvoelend dat die eruit zou knallen na goede voorbereiding?'
Dichters zijn volgens Tonnus bezig met het peuteren aan woordjes. 'Normale dichters zijn niet bezig met verwoorden van een betekenis of het aanbrengen van een strekking. De dichter bedoelt niks.'
Meestal heeft Tonnus gelijk, maar hier wil Neeltje Maria Min toch echt iets beweren, namelijk dat je van alles kunt beweren als kind, maar dat je als je de waarheid vertelt, hoe onwaarschijnlijk ook, dat je dan voor leugenaar wordt uitgemaakt.
De dichteres zegt er het volgende over: 'Ik was drie toen dat gebeurde. Ik beweerde een keer dat ik een aap had gezien toen ik uit het bijkeukenraam keek en dat kon niet. Ik werd voor leugenaar gehouden, maar ik wist zeker dat ik een aap had gezien. Ik herinnerde me die geschiedenis. (\'85) Een week daarna stond er in een krantje, De Duinstreek, dat er een aap ontsnapt was. Dus ik had gelijk. Ik was geen leugenaar.'


Brainwash

De dochter van Pia de Jong, Charlotte, woont nu vier jaar in Amerika. Op school kreeg ze de opdracht een poster te maken over succes in je leven. Wat tekent ze? Wat de meeste kinderen uit de klas tekenden: geld, een mooi huis, een hond, een auto en een medaille met een grote 1. Daarna moesten de kinderen van de geschiedenisleraar de vraag beantwoorden hoe ze al dat moois zouden bereiken. Nu moesten de ouders meedenken. Succes, zo zagen ze op de computer, hangt niet af van intelligentie of talent. Je moet alleen maar doorzetten en hard werken. Je moet geen sprintje trekken; je moet een marathon lopen.
Charlotte vraagt haar moeder hoe ze succesvol moet worden en haar moeder zegt: 'Je bent het al.', maar, zegt Charlotte: 'Dat vindt mijn leraar geen goed antwoord.'
En dan zegt Pia niet: 'Jammer voor die leraar, maar zo is het', nee, want ze wil haar dochter niet isoleren. Zou ze misschien toch de opvoeding van school wat moeten corrigeren door haar dochter te wijzen op eigen waarde en originaliteit?
Ze probeert het nog even: 'Het gaat niet alleen om het resultaat. De weg erheen doet er ook toe.' Maar Charlotte vindt dat te Nederlands: 'Als je maar gelukkig bent. Geen ouder zegt dat hier. Ze zeggen dat je moet streven de beste te worden.'
Luister Charlotte: We kunnen niet allemaal de beste zijn. En wat is het ideaal? Geld, huis, auto, een eigen paard? Ik vroeg vaak aan kinderen in de klas of ze beroemd wilden worden. De meesten zeiden gretig Ja. En wat wil je dan? Filmster, voetballer, rijk. Er waren altijd enkelingen die niet beroemd wilden worden. Dan las ik mijn gedicht 'Hoe word je beroemd' voor over een draaimolen-bestuurder, die veertig jaar lang zijn werk met plezier deed. Toen ging hij dood en zijn foto kwam in de krant. Ik zou die kinderen nog wel eens willen spreken.


In de put

Thomas Mann schreef 'Jozef en zijn broers'. Het gaat over het bijbelverhaal van de uitverkoren Jozef en zijn jaloerse halfbroers.
Thomas Mann heeft met een ongelooflijk invoelingsvermogen zich verplaatst in de tijd en omstandigheden. Jozef heeft moeite met het zich voorstellen wat zijn broers voelen en denken.
'Jozef deed niet de geringste moeite om hun bedoelingen te doorzien. Dat nu was het onvergeeflijke! Onverschilligheid voor wat de mensen vanbinnen bezighoudt en onwetendheid daaromtrent leiden tot een totaal scheve verhouding tot de werkelijkheid; ze maken blind. Sinds de dagen van Adam en Eva, sinds uit ÈÈn twee zijn geworden, kon niemand leven die zich niet in zijn naaste verplaatsen wilde en kon niemand zijn ware situatie goed inschatten als hij er niet ook met vreemde ogen naar probeerde te kijken. Verbeeldingskracht en de vaardigheid om de gevoelens van anderen te raden, meegevoel dus, is niet alleen een loffelijke eigenschap in zoverre ze de beperkingen van het ik doorbreekt, het is ook een onontbeerlijk middel tot zelfbehoud. Maar van deze regels wist Jozef niets.'

In zijn diepste ellende, als hij in de put is geworpen, geboeid, zonder eten of drinken, gewond door de nagels en tanden en vuisten van zijn broers, die hij razend heeft gemaakt met zijn uitverkoren positie, zoon van de geliefde Rachel, wier prachtige bruidskleed door de broers is verscheurd, afgescheurd, in die diepste ellende komt Jozef tot inzicht en begrijpt hij wat hij zijn broers heeft aangedaan. Hij moest afdalen in de put om wijs te worden.
Vondel heeft in zijn toneelstuk 'Jozef in Dothan', in de eerste rey de engelen laten zeggen hoe deze Jozef de grondslag legt voor de overwinning op de dood.

Waer van ghy, eedle spruit, het wercktuigh strecken moet,\En leggen d'eersten steen en grontsteen, aen den voet\Van 't stamhuis, 't welck, eerst laegh van top en naeuw besloten,\en leste met zijn hooft, de starren komt te stooten,\En ruickende voorby den op- en ondergangk,\Het aerdrijck en den doodt en afgront houdt in dwangk\

Hij laat een boze droom uit de put opstijgen: de dromenjongen heeft weer een voorspellende droom. Zijn moeder waarschuwt hem vanuit de put, waar hij even later in zal liggen.
Vondel heeft net als Mann een zeer groot inlevingsvermogen als hij het landschap van Dothan, de omgeving van de put beschrijft. Hij hoort als het ware het vee van de broers in de verte blaten en loeien.


Wildwaterbaan

Nooit tegen de stroom inzwemmen. Je vecht tegen de stroom tot je het moet opgeven en dodelijk vermoeid wordt weggevoerd, waarbij je de kracht mist om je hoofd boven water te houden. Dat kreeg hij vaak te horen, maar nu, in de veilige omgeving van een zwembad, kon hij het ervaren. Nietsvermoedend klom hij het metalen trapje af en voor hij het wist werd hij meegesleurd door de stroom, verloor zijn duikbril, kreeg water binnen, hapte naar adem. Maar hier kwam hij veilig min of meer tot stilstand tegen een betegelde wand. Zou hij zijn bril nog kunnen vinden? Het water was maar 1.40 meter diep en helder. De rimpelingen maakten het niettemin moeilijk om te zien of er iets op de bodem lag. Hij liet zich een ronde meevoeren, snorkel in de hand. Toen ging hij op zoek. De bril lag min of meer stil bij de betegelde wand. Met zijn tenen viste hij hem omhoog en zette hem op; snorkel in de mond en toen kon hij genieten van de snelheid van het water. Hij schoot vooruit en bedacht: zo moet het dus. Je laat je meevoeren, maakt zelfs zwembewegingen. Hier zwem je een rondje, maar in een snelstromende rivier moet je proberen in een bocht naar de kant te geraken. Hij had het wel eens gezien in ItaliÎ waar mannen in waterpakken zich lieten meesleuren, maar verderop stond een makker die het touw waaraan ze vastzaten in de handen had en die ze op het droge of achter een ronde steenformatie kon trekken. Maar hoe moest het bij een zeestroming? Niet vechten, je laten meedrijven. Uiteindelijk is er een stroom terug naar de kust. Je moest dan niet in al te koud water drijven, anders verkilde je zo, dat je bewusteloos raakte en alsnog verdronk. Hij klom ook nog even omhoog naar waar een waterglijbaan begon. Tot zijn verbazing schoot hij met de snelheid van een bobslee, dacht hij, naar beneden, via allerlei bochten. Hij was zelfs bang dat hij uit de bocht zou vliegen en voor de uiteindelijke landing in een niet al te diep waterbassin. Maar nee, de bochten waren goed gekeurd en de landing was relatief zacht. Nog een keer?


Vluchten en bedrog

De moeder van Jakob, Rebecca, bedriegt haar man en oudste zoon Esau. Jakob laat het gebeuren, maar zijn naam betekent 'hij die een ander beet neemt'. Dat deed hij al bij zijn geboorte, omdat hij de hiel van Esau vasthield. Jakob krijgt onterecht de zegen van zijn vader Isaak: hij liegt dat hij Esau is. Hij is bang voor de vervloeking als zijn blinde vader hem ontmaskert, maar Rebecca, zuster van Laban, neemt bij voorbaat de vloek op zich. Esau is razend en wil zijn broer doden, maar Rebecca laat hem vluchten naar Laban. Isaak zegt dat hij een dochter van Laban moet trouwen en belooft hem dat de God van Abraham hem voorspoed zal geven. Tijdens de vlucht droomt Jakob over een trap die tot de hemel reikt. Boven aan de trap staat de God van Abraham en hij herhaalt de belofte van Isaak. In de buurt van Haran staan herders bij een put te wachten op de kudde van Rachel. Jakob huilt van ontroering als hij zijn mooie nicht ziet. Laban vraagt welk loon hij wil hebben voor al zijn werk. Hij begrijpt dat Jakob door zijn zegen hem voorspoed brengt. Zeven jaar werkt hij voor zijn oom en maakt hem rijk doordat hij een waterput slaat, zodat Laban gerst en tarwe en groenten en vruchten kan verbouwen, terwijl Jakob zorgt voor de kudden die zich snel vermeerderen door zijn kundige werkwijze. Na het zevende jaar bedriegt Laban hem door zijn oudste dochter gesluierd in het donker naar het bruidsbed te brengen. De volgende morgen ziet Jakob pas dat hij met Lea, de lelijke dochter,heeft gevreeÎn. Hij is woedend, maar Laban wijst fijntjes op zijn eigen bedrog, zijn vlucht en dat hij hem heeft ontvangen ondanks het feit dat hij totaal berooid was. Jakob moet nog eens zeven jaar voor hem werken. Hij krijgt vast zijn geliefde Rachel. En wat gebeurt? Lea krijgt de ene lelijke zoon na de ander, terwijl Rachel met wie hij meestal slaapt, onvruchtbaar blijkt.
Thomas Mann vertelt deze verhalen in zijn weergaloze boek 'Jozef en zijn broers', waarbij hij ruim aandacht besteedt aan de zogenaamde valse goden. Hij laat zien hoe de ene mythe de andere gaat overheersen. Hoe wordt Jozef geboren? Op een dag vindt de oudste zoon van Lea, Ruben, een alruinwortel, een kostbaar en toverachtig kruid. Rachel smeekt haar zuster om de wortel, waarvan zij weet dat deze haar vruchtbaar zal maken. Lea weigert, maar dan zegt Rachel dat ze die avond met Jakob mag slapen en de arme Lea, die heel goed weet dat Jakob altijd de voorkeur geeft aan Rachel, geeft de wortel aan haar zus, die overigens pas veel later zwanger wordt van Josef, wiens naam betekent: hij heeft weggenomen, hij heeft toegevoegd, maar Jacob noemt hem Dumuzi, dat wil zeggen: echte zoon. De zonen van Lea leren al vroeg Joseph te haten. Zo heeft de God van Abraham het gewild.
Lea wordt de afgetroggelde nacht zwanger van Isachar ('de beloning zal komen'. Jakob vlucht weg van Laban, terug naar Esau. Rachel steelt de godenbeeldjes van haar vader en bedriegt hem door te zeggen dat ze niet kan opstaan van het kamelenzadel waar zij de beeldjes in had verborgen, omdat ze ongesteld was.


Beloningsgevoeligheid

Nicolaas Fonteyn, een deftige heer uit de zeventiende eeuw, schrijft in de opdracht van zijn 'Esther' aan het echtpaar Pecreau: 'Mijn Heer en waarde Juffrou, ben na lang wachten besproit met 't heilige Hypocrene'.
De Hippocrene (paardenbron) was een bron op de Helikon in BoeotiÎ die heilig was voor de Muzen en Apollo. Deze bron bracht hen en dichters in het algemeen in dichterlijke vervoering en is daarom de bron van dichterlijke inspiratie. De Hippocrene ontstond volgens de legende door een stamp van de hoef van Pegasus, die de Muzen tot stilte wilde manen op bevel van Poseidon.
In zin gedicht 'Ode to a Nightingale' verwijst John Keats naar de Hippocrene: ' for a beaker full of the warm South\ Full of the true, the blushful Hippocrene,\ With beaded bubbles winking at the brim,\ And purple-stained mouth;\ That I might drink, and leave the world unseen,\ And with thee fade away into the forest dim: '(Wikipedia)
Nicolaas of Klaas was nogal overtuigd van zichzelf, maar Tengnagel, een collega, berucht om zijn scabreuze en beledigende poÎzie, schreef over hem: 'Klaus dee my zo vaakmael zwijmen, / Als ik in zijn huys moest tre'en / Door het lezen van zijn rijmen; / Was ik niet, hy was te vre'en.
Zelf schreef Tengnagel, die als jongeman niet wilde deugen en onder curatele werd gesteld: 'Spits, wat dochtje van die billen. /Is het niet goed tijd-verdrijf? / 'K wou haer alsoo lief eens drillen, (opvrijen) /Als het schaep in No. vijf. / Niet dat ick daer mee wil seggen, /Dat die van de slag niet weet: / Neen, sy kan wel onder leggen,\'T wasser, seytze, anders leet. (zou anders stromen) // Maer dat sy z'al gaet te boven, / Dieder zijn in deese stad, /Dat en kan ik niet geloven; / Want ik weet een hippelgat, (huppelkut) / Met haer geel-gekrulde lokken: / 'K meen men haers gelijk niet vint; / Maer se wil met niemand jokken (stoeien), / Als met griet, en ysbrants kind.'

Madelon van Hemel deed onderzoek naar beloningsgevoeligheid van drugsverslaafden. Zij bleken sterker te reageren op beloningen. Wie reageert niet met instemming op beloningen? Het gaat er om hoeveel weerstand men kan bieden aan zogenaamd verkeerde beloningen, zoals het aangename gevoel na de opname van nicotine of heroÔne. Zou het zo zijn dat de leden van deze groep uit zijn op snellere bevrediging dan mensen met een hogere opleiding? Het bleek namelijk ook bij het onderzoek van Madelon van Hemel dat er een correlatie was tussen opleiding en onmiddellijke behoeftebevrediging. Bekend is het onderzoek onder jonge kinderen: je mag 2 minuten spelen als je niet wacht of tien minuten als je twee minuten wacht, of iets dergelijks. Intelligente kinderen bleken te wachten. Zij hadden de beheersing om de beloning uit te stellen. Of zou het iets met gebrek aan wilskracht te maken hebben of met een geringere neiging tot onafhankelijkheid. En is er een correlatie tussen wilskracht, onafhankelijkheid en intelligentie? Je moet je natuurlijk goed realiseren dat 'intelligentie' een containerbegrip is. Er zijn zo veel soorten intelligentie.


Natuur en kunst

Franciscus Martinius vertelt in de 17de eeuw over een Veluwse bruiloft. Voor het ochtend maal hadden de boeren al vijf tonnen bier leeggedronken. Helaas vertelt hij niet hoeveel boeren er waren.
Er werd destijds veel gedronken en gegeten. Dat lijkt ook af te leiden te zijn van de stillevens: hammen, blanke haringen, glanzende oesters, allerlei gevogelte, groenten, fruit, brood, hoge glazen met schuimend bier, groene roemers met Rijnwijn.
Schilderijen van geslacht vee, varkens op de ladder, manden met allerlei soorten brood. De taferelen van Brouwer, Ostade, Jan Steen, zijn duidelijk genoeg. Er werd woest geleefd.
De klachten laten zien hoe grof men met elkaar omging, ook in de vergadering van de provinciale Staten. Hierbij vergeleken is Wilders een beheerste jongen. Een zekere Hartevelt dreigde in de vergadering een zekere Ploos de kop stuk te slaan, waar op Ploos zei dat hij de beul op hem af zou sturen als moordenaar.
Van der Horst schold Zuylesteyn 'voor eenen ouden rabaut ende leugenaar'
In de kluchten gaat het vaak onzedelijk toe en de toeschouwers vinden het leuk: 'Siet de Juffers nou eens in haer vuysje griene'
Maria Heyns was 26 jaar en gaf een boekje uit: Bloemhof van doorluchtige voorbeelden. Het is een pleidooi voor kuisheid, maar ze geeft allerlei voorbeelden van ontucht, ongeoorloofde en onnatuurlijke liefde. Uit de behandeling van allerlei ondeugden blijkt dat er niet veel veranderd is: stelende verzorgsters, kattenmeppers, dierenbeulen, dronkenlappen, bedriegende advocaten en procureurs, profijtelijke dokters, valse molenaars, gierige mannen, roddelende vrijsters.
Bredero, Huygens, Cats, beschrijven het met veel plezier.

Ramsey Nasr is een goede acteur, een goede dichter en voordrager, doordesemd van cultuur en hij zegt: 'Op de Noordpool is geen cultuur. Dat is fijn.'
Ik herken het. Ik was er ook en ik schreef 'Pinksterbloemen in september' een lang gedicht waarin ik mijn verhouding tot de koude schoonheid probeerde duidelijk te maken.
Ik zou het woord 'fijn' niet gebruiken.
Wat is het wat we losgelaten in de poolkou, in de sneeuw, de wind, het ijzige water, de doodstille bergen herkennen en ook mooi vinden? Het besef dat je niet veel voorstelt, dat alleen basale behoeften nog gelden: eten, drinken, slaap. Zelfverlies is geluk?
Het is niet alleen zo op de noordpool. Ik herinner me nu dat een bekende criticus me schreef vanaf een Grieks eiland in de zomer: 'het leven is hier basaal. Ik lees niet meer. Ik eet en drink en haal adem. Zelfs de gedichten van Faverey blijven ongelezen op tafel liggen.


Bowie - fenomeen

Het is al lang aan de orde: musea functioneren nu anders dan in de vorige eeuw. Nu moeten musea commercieel werken: er zijn dus spraakmakende exposities, zoals over 'de zelfportretten van Rembrandt ('selfies') in Amsterdam en nu David Bowie in het Groninger Museum, het merkwaardige bouwsel, waarvan ik bij de opening dacht dat het niet lang zou meegaan, omdat men het onderhoud nooit zou kunnen betalen, en dat ook te veel aandacht vraagt voor de buitenkant, postmodern baksel, blijkt zeer geschikt voor deze informatieve tentoonstelling met vele videofragmenten. Je krijgt bij de ingang een koptelefoon die vanzelf de juiste geluiden laat horen bij de beelden die je ziet. Bowie vertegenwoordigt een tijdsbeeld; hij is een icoon, hij wordt een mythe.
Dat David Bowie een belangrijke kunstenaar is, valt moeilijk te ontkennen. Hij is zeer creatief: zingt, ontwerpt clips, schrijft muziek, tekent, schildert, speelt toneel, werkt mee aan films, ontwerpt kleding. Zijn grootste talent is wellicht dat hij aanvoelt welke transitie er aan komt. Is men net gewend aan zijn androgyne gedrag, dan schept hij een nieuwe mannelijke figuur en bezingt hij de bijzondere kwaliteiten van het mannelijke. Of is het grootste talent de vaardigheid om zijn kunstenaarschap te promoten en om precies de goede medewerkers uit te kiezen? Al toen hij zestien was, besteedde hij veel aandacht aan posters en wist hij hoe het publiek geprikkeld moest worden. Toch blijft hij trouw aan zijn eigen opvattingen. Hij volgt niet de massa, de massa volgt hem. Telkens vindt hij nieuwe wegen in de muziek en de presentatie ervan.
In het paviljoen van Coop Himmelblau is een concert te zien met een enorme mensenmassa, door Bowie bespeeld met de steeds herhaalde kreet 'We could be heroes, just for one day' en dan zie je duizenden mensen met hun armen omhoog, zwaaien. Ik blijf dat eng vinden. Een opgezweepte massa. Het is een positief lied, geschreven met het zicht op de muur in Berlijn in de koude oorlog, maar daar zit een zoenend stel. Ze hebben elkaar even, de rest maakt niets uit. Het is dus ook een onnozel lied, maar we zijn graag onnozel.
Ergens in de tentoonstelling ligt een papieren zakdoekje met de lipstiftafdruk van Bowie. Hoe onnozel kan idolatie zijn? Een puber die de lipafdruk van zijn vriendinnetje bewaart. Bowie scoorde hits en kreeg gillende meiden achter zich aan, maar ook oude dames die zijn originaliteit bewonderden.
Nu zorgt Bowie voor zijn gezin en is trots op zijn zoon, de filmregisseur. Waarom zou hij naar Groningen komen? Hij kent alles al; alleen nog niet dat vreemde gebouw.
Hij kan niet komen, want hij is dood.


Oosterse verhalen

Omstreeks 1160 schreef Robert d'Orbigny in het Frans de Floire et Blancefloer, waarin hij zowel het chanson de geste als de klassieke roman op de hak nam. De stof ontleende hij aan Arabieren en Byzantijnen. Hier geen oorlogen en veldslagen maar liefde en listen.
Er was een Spaanse koning, een Saraceen, moslim dus, die een christen vrouw die in verwachting was, roofde. De zoon van de koning en de dochter van de gevangen vrouw worden op dezelfde dag geboren. De gevangen vrouw mag de kinderen samen opvoeden, al mag de jongen niet bij haar drinken. Daarvoor wordt een moslim voedster gevonden. Maar de kinderen slapen in ÈÈn wieg. Ze dragen beiden bloemennamen: Floris en Blancefloer, de rode roos en de witte roos, vurige en kuise liefde. Zij lijken op elkaar en lijken steeds meer op elkaar en willen al gauw niet meer zonder elkaar.
Als Floris onderwijs moet krijgen, wil hij niet zonder zijn vriendin in de schoolbanken zitten. Ze leren samen Latijn en hebben aldus een geheime liefdestaal. Ze lezen ook Ovidius, de Arte Amandi. Hij krijgt dus zijn zin, maar als hun wederzijdse sympathie een erotisch karakter krijgt, gaat de vader bezwaren maken en stuurt zijn zoon naar een ander adres. De jongen wordt ziek van eenzaamheid. Hij slaapt niet meer en wordt broodmager. De koning verwijt het Branchefleur en wil haar onthoofden, maar zijn vrouw vindt dat zonde en stelt voor haar naar de markt in Nice te brengen. Het meisje wordt verkocht aan een emir, en als Floris terugkomt, vertellen zijn ouders hem dat zij gestorven is. Zij hebben zelfs een prachtig grafmonument voor haar laten maken. Nu dreigt de jongen te sterven van liefdesverdriet en ten einde raad krijgt hij de waarheid te horen. Inmiddels is Blancefloer opgesloten in een toren, waar ze wordt voorbereid om de nieuwe bruid van de emir te worden. De vorige bruiden werden allen na een jaar gedood. Floris weet listig bij haar binnen te dringen, via een schaakspel met de bewaker en dankzij een omhoog gehesen bloemenmand. Ze worden betrapt in bed, maar hun wederzijdse liefde en opofferingsgezindheid ontroert de emir. Floris en Blancefloer bieden hun hals aan en willen als eerste sterven. Tenslotte worden zij beiden vrijgelaten. Het slot is natuurlijk dat ze terugkeren naar het koninkrijk in Spanje en dat Floris christelijk wordt en met hem de hele bevolking.
Er zijn uit de Byzantijnse Middeleeuwen enkele lange epische verhalen in dichtvorm overgeleverd. Een er van gaat over een held wiens moeder ooit geschaakt is door een emir. Hij doet hetzelfde en bouwt voor zijn vrouw een kasteel. Een belangrijk verschil is dat deze held overspel pleegt en uiteindelijk sterft aan een venerische ziekte.
Zijn geliefde sterft van verdriet in zijn armen voordat hij zelf sterft. Met pracht en praal wordt het paar op een heuvel begraven.
Diederik van Assenede, de schrijver van onze Floris ende Blancefloer, volgt een Frans voorbeeld, zonder zwaardvechten, maar met pracht en praal en veel aandacht voor taal, cultuur en onderwijs. Zijn held en heldin blijven elkaar allicht trouw.


Rachel

Rachel is de lievelingsbruid van Jakob die onder vreselijke pijnen Jozef baarde toen zij 32 jaar was. Negen jaar later raakte ze weer in verwachting, maar toen vluchtte Jakob met zijn vrouwen, kinderen en vee weg van Laban. Die zwangerschap overleefde zij niet en Jacob moest haar aan de kant van de weg begraven. Zijn geliefde was 41. Hoe jong, zeggen wij. Thomas Mann legt uit dat men in die dagen niet zo telde als wij dat doen. Als je aan Rachel had gevraagd hoe oud ze was, zou ze lang moeten nadenken. Wij, zegt Mann, leven in een berekenende en tellende economie. Jacob telde natuurlijk zijn schapen en berekende zijn winst in de tijd, maar wij zijn ons dagelijks bewust van onze leeftijd en vergelijken die met de gestorvenen om ons heen. Ach, zes jaar jonger, en nu al gestorven. Maar een ander is 20 jaar ouder en leeft nog. Voor Jacob, zegt Mann, bleef Rachel het mooie meisje dat hem bij de put tegemoet kwam, open en stralend en die zich liet kussen en die zeven jaar op hem wachtte en die hij 'de tranen van ongeduld van de oogleden moest kussen' Zij sterft dapper en dankbaar voor het feit dat zij haar geliefde nog een kind mocht baren. Jacob blijft zitten met haar hoofd in zijn armen tot zijn volgelingen een graf hebben uitgehouwen langs de weg en dan leggen zij haar in het fijnste linnen en begraven haar daar en daarna trekt de stoet weer verder.
Hoe weet Mann dit alles? De feiten staan in de oude boeken, maar de dialogen en dat wat gevoeld en gedacht wordt, weet hij met zijn bijzondere intuÔtie van kunstenaar op te roepen.
Dezelfde Rachel, aartsmoeder, vinden we terug bij Vondel als hij schrijft over de kinderen die in opdracht van Herodes worden vermoord, omdat deze bang is voor de toekomstige koning der Joden. 'Hy pooght d'onnoosle te vernielen,\Door 't moorden van onnoosle zielen,\En weckt een stad en landgeschrey,\In Bethlehem en op den acker,\En maeckt den geest van Rachel wacker.\Die waeren gaet door beemd en wey.\Dan na het westen, dan na'et oosten.\Wie zal die droeve moeder troosten,\Nu zy haer lieve kinders derft?\Nu zy die ziet in 't bloed versmooren,\Aleerze naulix zijn geboren,\En zoo veel zwaerden rood geverft?\Zy ziet de melleck op de tippen\Van die bestorve en bleecke lippen,\Geruckt noch versch van moeders borst.\Zy ziet de teere traentjes hangen,\Als dauw, aen druppels op de wangen:\Zy zietze vuil van bloed bemorst. '

Extremofiel

Mondo Cane is een Italiaanse documentaire uit 1962 geregisseerd door Paolo Cavara en Gualtiero Jacopetti. De film bestaat uit gruwelijke beelden die bedoeld zijn om de kijkers te choqueren en verrassen. Alhoewel de makers beweerden dat alle scËnes echt waren, bleek later dat een aantal taferelen via trucage was gerealiseerd.
Tonnus Oosterhoff doet iets soortgelijks in zijn nieuwe boek, roman zou ik het niet noemen,'Op de rok van het universum'. Anders dan Lucebert die met zijn Credo-gedicht onze geringe betekenis wilde benadrukken, maar desondanks een raadselachtige verhouding met de metafysica wilde veronderstellen, is Oosterhoff overtuigd van de volstrekte zinloze chaos en absurditeit van het bestaan of misschien beter: is het voor hem een compleet waanzinnig raadsel. Oosterhoff maakt dat vooral duidelijk aan talloze weetjes omtrent het dieren- en plantenrijk.
'Vleesvliegen en graafwespen hebben een dodelijk verbond: de vrouwtjesvleesvliegen leggen eieren in graafwespen, die de larfjes tot voedsel zullen dienen. Ze lokken de graafwespen naar zich toe door hen het kleine mannetje, dat hen bevrucht heeft, als voedsel aan te bieden. Veel insectencopulaties zijn man-man terwijl de partners toch niet homoseksueel zijn: maar nadat een man seks heeft gehad met een vrouwtje heeft hij haar lokstof op zijn lichaam en wordt dientengevolge herhaaldelijk verkracht door andere mannetjes. Ook de mensen beleven en veroorzaken allerlei gruwelijke en komische situaties: 'Een geitenbok krijgt altijd een erectie als zijn baas een meisje dat het erf opkomt er leuk vindt uitzien.'
Alleen al de opsomming, bladzijden lang, van vreemde plantennamen werkt hilarisch en vervreemdend.
De schrijver lijkt een extremofiel. Een extremofiel is een organisme dat in extreme omstandigheden leeft. Het leeft bij zeer hoge of lage temperaturen; onder hoge druk, in een zwavelzuurbad etc. Dat geldt voor Oosterhoff natuurlijk niet, maar hij heeft een grote interesse en misschien wel liefde voor extreme situaties. Wat dat betreft lijkt hij op de vrieskelderarbeider uit 'Menuet' van Louis Paul Boon, die een gepassioneerde verhouding probeert te realiseren met het jonge dienstmeisje van zijn vrouw.
Het boek is verdeeld in verschillende 'hoofdstukken' met kenmerkende titels; kenmerkend voor de inhoud van het boek, want overigens is de inhoud van de hoofdstukken niet zo verschillend van elkaar, met uitzondering misschien van 'Voor de vorm', want daarin gaat het vooral over de idiote situatie van de moderne kunst. Een titel als 'Rossig buiskussen' verwijst naar een merkwaardige schimmelvorm, lijkend op sommige paddestoelen, maar de levensvorm bestaat echt, net als allerlei andere krankzinnige 'schepselen'. Schepselen? Resultaten van een niet planmatige evolutie, vol wonderen, maar ook vol weerzinwekkendheden. Ezels kunnen wreed zijn, net als mensen, maar ook empathisch. Natuurlijke vijanden als poes en jonge rat kunnen zeer lief met elkaar omgaan. Een opgevoed leeuwenjong speelt lang met zijn opvoeder, maar bijt hem plotseling dood. Een lieve echtgenoot verandert in een beest door een hersentumor. Als hij wordt geopereerd, wordt hij weer de lieve huisvader, maar een andere patiÎnt blijft juist wreed.
Er is een soort hoofdpersoon met vrienden en vriendinnen, die af en toe opduikt. Hij is een dierenarts die te veel rookt en zal sterven aan longkanker, maar voor het zo ver is, komen er metastasen in zijn hoofd en kan hij niet meer gecoˆrdineerd spreken. Hij besluit zichzelf een dodelijke injectie toe te dienen als zijn vriendin boodschappen doet. Bij de begrafenis praten de vrienden en kennissen zoals dat gaat bij een begrafenis, vrolijk en roddelend.
Dit boek is geen roman, evenmin een moeilijke hermetische tekst. Het is een geslaagde verhandeling over de absurditeit van ons leven aan de hand van bestaande en verzonnen feiten en gebeurtenissen, waarbij de grens tussen dromen en waken soms heel dun lijkt en ook de grens tussen zogenaamd normaal leven en leven onder invloed van hallucinogene middelen.


Floris ende Blancefloer

Omstreeks 1160 schreef Robert d'Orbigny in het Frans de Floire et Blancefloer, waarin hij zowel het chanson de geste als de klassieke roman op de hak nam. De stof ontleende hij aan Arabieren en Byzantijnen. Hier geen oorlogen en veldslagen maar liefde en listen.
Er was een Spaanse koning, een Saraceen, moslim dus, die een christen vrouw die in verwachting was, roofde. De zoon van de koning en de dochter van de gevangen vrouw worden op dezelfde dag geboren. De gevangen vrouw mag de kinderen samen opvoeden, al mag de jongen niet bij haar drinken. Daarvoor wordt een moslim voedster gevonden. Maar de kinderen slapen in ÈÈn wieg. Ze dragen beiden bloemennamen: Floris en Blancefloer, de rode roos en de witte roos, vurige en kuise liefde. Zij lijken op elkaar en lijken steeds meer op elkaar en willen al gauw niet meer zonder elkaar.
Als Floris onderwijs moet krijgen, wil hij niet zonder zijn vriendin in de schoolbanken zitten. Ze leren samen Latijn en hebben aldus een geheime liefdestaal. Ze lezen ook Ovidius, de Arte Amandi. Hij krijgt dus zijn zin, maar als hun wederzijdse sympathie een erotisch karakter krijgt, gaat de vader bezwaren maken en stuurt zijn zoon naar een ander adres. De jongen wordt ziek van eenzaamheid. Hij slaapt niet meer en wordt broodmager. De koning verwijt het Branchefleur en wil haar onthoofden, maar zijn vrouw vindt dat zonde en stelt voor haar naar de markt in Nice te brengen. Het meisje wordt verkocht aan een emir, en als Floris terugkomt, vertellen zijn ouders hem dat zij gestorven is. Zij hebben zelfs een prachtig grafmonument voor haar laten maken. Nu dreigt de jongen te sterven van liefdesverdriet en ten einde raad krijgt hij de waarheid te horen. Inmiddels is Blancefloer opgesloten in een toren, waar ze wordt voorbereid om de nieuwe bruid van de emir te worden. De vorige bruiden werden allen na een jaar gedood. Floris weet listig bij haar binnen te dringen, via een schaakspel met de bewaker en dankzij een omhoog gehesen bloemenmand. Ze worden betrapt in bed, maar hun wederzijdse liefde en opofferingsgezindheid ontroert de emir. Floris en Blancefloer bieden hun hals aan en willen als eerste sterven. Tenslotte worden zij beiden vrijgelaten. Het slot is natuurlijk dat ze terugkeren naar het koninkrijk in Spanje en dat Floris christelijk wordt en met hem de hele bevolking.
Er zijn uit de Byzantijnse Middeleeuwen enkele lange epische verhalen in dichtvorm overgeleverd. Een er van gaat over een held wiens moeder ooit geschaakt is door een emir. Hij doet hetzelfde en bouwt voor zijn vrouw een kasteel. Een belangrijk verschil is dat deze held overspel pleegt en uiteindelijk sterft aan een venerische ziekte. Zijn geliefde sterft van verdriet in zijn armen voordat hij zelf sterft. Met pracht en praal wordt het paar op een heuvel begraven.
Diederik van Assenede, de schrijver van onze Floris ende Blancefloer, volgt een Frans voorbeeld, zonder zwaardvechten, maar met pracht en praal en veel aandacht voor taal, cultuur en onderwijs. Zijn held en heldin blijven elkaar allicht trouw.


Rare veranderingen

Je moet nu meemaken dat we Zwarte Piet verbannen. Ik begrijp wel dat hij voortkomt uit een discriminerende cultuur, maar die kunnen we nu eenmaal niet ontkennen. 'Want al ben ik zwart als roet, ik meen het heus goed.' Welke mensen zijn er eigenlijk zwart? Er zijn bruine mensen en vreemd genoeg willen we dat in de zomer ook worden. Overigens zal het kinderen een zorg zijn: een witte of gekleurde knecht, bediende, hulp van sinterklaas, als ze maar negerzoenen of jodenkoeken krijgen, o nee: schuimzoen en platte koek. Zigeunersaus. Moorkop. Hij ziet eruit als een Turk.
Het is geschiedvervalsing als we een schilderij van een rijke dame met een negerinnenbediende niet meer zo mogen noemen, omdat het kwetsend zou zijn. Natuurlijk is het kwetsend, maar zo waren we! We kunnen de Jodensteeg wel omdopen, maar feit was dat we joden liever in armoe zagen. 'Eskimo', mag je ook niet meer zeggen, want het betekent 'rauwvleeseter'. Zij noemden zichzelf 'inuit', dat wil zeggen 'echte mensen'; in tegenstelling tot de witte uit Europa. Hu. ze discrimineren!
Kaaskop, doubledutch, iets met de franse slag doen, kaffer, dikkertje, poolse landdag, brillenjood, , zigeunersaus , blanke vla', zo kun je nog wel even doorgaan met alle talen en tijden.
Een debiel werd geestelijk gehandicapt.
Een grappige variant is interieurverzorgster in plaats van werkster. Milieumedewerker in plaats van vuilnisman. Vleesbezorger in plaats van slager. Broodmaker in plaats van bakker. Verloskundige in plaats van vroedvrouw. Erotisch medewerkster in plaats van hoer. En vreemd: het mooie woord voor 'meester' werd 'onderwijzer' en toen 'docent.


Een otter in het bolwerk

Otto Badius preekte tegen het spelen op Kosters Akademie in Amsterdam, de voorloper van de Schouwburg.
Hij was verliefd op de dochter van Jan Willemze Bogaert, oudschepen van Amsterdam, die wegens politieke problemen naar Haarlem was getrokken. Otto wilde bij hem in het gevlij komen en fulmineerde tegen de bespotters van de calvinistische predikanten.
Vondel bespot hem in het gedicht 'Een otter in het bolwerk'; dat wil zeggen: gevaar, want een otter ondergraaft de verdediging van een stad. 'Wel hoe is Otjes hart zo groen?' : groen is vurig, wellustig.
'Ons Otje is geen stomme hond / hij woekert met zijn meesters pongt (punt=lans) / Het kwijl dat loopt hem uit zijn mond' zo hard scheldt hij, doet hij zijn best. En dat preken klinkt tot Haarlem. Men vreest hem als Jan Spelle, een booswicht, die veel mensen om hals bracht. De dochter vuurt hem aan, op weg naar de bruiloft. Laat dan dokter Koster thuis, al is hij de neef van de bruid.
In 1630 werd de Ifigenie van Koster opgevoerd in de Academie, waarin blootlegde wat de valse streken van de contra-remonstrantse predikanten waren. Zij hitsten het volk op de huizen van de remonstranten te plunderen. (Zie ook Vestdijks 'Vuuraanbidders') Het volk werd nieuwsgierig door alle gekrakeel en kwam in massa naar het stuk kijken en dat kwam weer ten goede aan het weeshuis en en het oudemannenhuis die aandelen hadden. De predikanten waren er vroeger in geslaagd om Vondels 'Lucifer' te laten verbieden en er was dus wel wrok, maar toch houdt hij zijn spot tegen Otto Badius luchtig.

Naar het Heilige Land

In 1525 maakte Meester Arent Willemsz, barbier te Delft een bedevaart naar het zogenaamde Heilige Land. Hoe deed de barbier dat? Hoe reisde hij en wat gebeurde er allemaal onderweg en hoe kwam hij aan het geld om de lange reis te betalen?
Vanaf VenetiÎ ging hij met het schip de Dolfijn naar Jaffa, maar hoe kwam hij in ItaliÎ? In Delft stond hij 's morgens op 26 april op, ging naar de mis en ontbeet daarna. Om 6 uur ging hij op reis met Meester Gherbrant, priester van Haarlem, Willem uit Haarlem en Adriaen uit Alkmaar. Ze reisden twee mijl naar Rotterdam en drie mijl naar Dordrecht. Hoe? Hij vertelt het niet. Te voet of met een koets? In Dordrecht gingen ze 's avonds om 6 uur op een schip. Toen reisde ook Jan Govertz van Gorcum mee. Ze gingen 5 mijl naar Oudenbosch en daarna met een wagen naar Rosendaal. Daar zagen ze 'snaphanen', mannen met een vuursteengeweer, maar het reisgezelschap was ook gewapend en de rovers dropen af. De volgende morgen kwamen ze in Bergen (op Zoom?) Ze hoorden daar de mis en gingen lekker eten in 'De drie haringen' 's Middags met een schip naar Antwerpen, waar ze 's avonds om 9 uur aankwamen. In 'De soepketel' werd gegeten en gedronken 'sonder myn en ghinck gheen vroechde over dat hert ende was al qualiken ghestelt.' De volgende morgen stonden ze vroeg op, gingen naar de mis en daarna naar de bank om geld te wisselen, maar de bankier vroeg te veel geld, 41 stuiver voor een ducaat. Die dag bleven ze binnen. Op 29 april weer vroeg opstaan, mis gehoord en weggereden naar Diest. Daar kwamen nog drie mannen zich bij het gezelschap voegen, zodat ze met acht waren. Ze reden naar Lier en Diest. Meester Arent kende daar een neef, die pater van de Cathhuysers was. Hij werd daar goed ontvangen en getrakteerd, samen met Jan Govertz. De volgende zondag, de laatste dag van april, na mis en ontbijt, naar Hasselt, waar ze het middagmaal genoten in 'De Valk' en toen naar Maastricht. Ze logeerden in 'De gulden rinck' vlakbij de Sint Servaes-kerk, die gedekt is met lood. Op 1 mei naar de kerk en daar zagen ze veel schone relikwieÎn. 'Inden eersten sijn wij gecomen op dat hooge choor in een camer staende neffens den hoghen outaer, aldaer ons vertoent wert eenen wonderliken slotel, seer vreemt gefaetzioneert, alsoe dat gheen cunstenaer ter aerden en kan beghrijpen van wat materien hij ghemaeckt is. alsmen ons seide soe is dit den slotel die den heiligen bischop sinte servatius ghebracht is gheweest na sinte pieters doot. Item ons werden vertoont sijnen bischop staff Ende sijnen palster daer hij te iherusalem mede gheweest Ende is wt der aerden ghespronghen een schoen fonteyn mits dat sinte servatius gheslaghen heeft mitte voerscreven stave inder aerden. Item Noch soe werden ons vertoont die coppe daer sinte servaes wt plach te drincken, wt welke coppe veel menschen wt ghesontheit vercreghen hebben ende wij droncken wt desen cop. Item Voorts wederomme gedescendeert vanden hoghen chore in een ander Cappelle In welke Cappelle nyemant sonder oorlof in en moet ghaen van die doom heren, alsoe dat wij van eenen doom here daer inghebracht worden, Die contifeor deo celi las in manieren of hij te misse gegaen soude hebben Ende in deser manieren soe werden ons dese naghescreven reliquien ghetoent. Item Inden eersten dat hooft van sinte servatius, vercyert mit veel costeliker gesteenten, bijsonder enen zmaragdt daer maximianus den keyser doen hij leefde voer (vacat) drie dusent guldens. Item Noch soe werden ons vertoent sijn daghelickse kelcke ende heilichdaeghse kelcke daer hij misse mede plach te doen, mer waren van seer cleyne prijse. Item Noch saghen wij den outaersteen daer hij op plach misse te lesen als hij yeverts reysde. Item Noch ghesyen enen schonen arcke die ghevonden is gheweest inder aerden aldaer in besloten laghen sinte servaes cleyderen mit sijn bischop staff palster outaersteen kelcken etc. welken arck inder aerden verburghen hadde ghelegen drie hondert jaren ende men en vertoent dese cleyderen niet dan om te seven jaren eens, ende waren in een secrete plaetse besloten alsoe dat wijse niet syen en muchten. Item Noch soe saghen wij ons lyef vrouwen melck Ende een stuck van ons heren rock. Nota. Een monstrantie vercyert mit ons lief vrouwen haer ende sinte iohan evangelist Een stuck vanden arck noe Een stuck van sinte maria magdalenen hoeft Ende den gheheelen arm van sinte thomas te weten den rechteren arm daer hij die wonden ons heren mede tasten op den berch van syon ende meer ander reliquien die ic niet en schrijff. Item Mits desen sijn wij voorts ghereden wt die stadt van maestricht dese meydach ende aten rijpe kersen.'
Voort ging het naar Aken, maar eerst moesten ze op de Gulpenberg afrekenen met nieuwe snaphanen. Ze hadden voor weinig penningen een strijdmacht van 30 man meegenomen. Ook in Aken bezochten ze heilige plaatsen en een hete bron, die wel uit de hel moest komen. Ze wilden nog naar Keulen en werden weer belaagd door struikrovers. Ze moesten weer beschermers kopen en het was nog heel spannend of ze voor het sluiten van de poorten in Keulen konden komen, maar met Gods hulp lukte dat. Nu zijn ze nog maar in Keulen. Hoe moet dat verder naar VenetiÎ?

-

Wilders beheerst

Franciscus Martinius vertelt in de 17de eeuw over een Veluwse bruiloft. Voor het ochtend maal hadden de boeren al vijf tonnen bier leeggedronken. Helaas vertelt hij niet hoeveel boeren er waren. Er werd destijds veel gedronken en gegeten. Dat lijkt ook af te leiden te zijn van de stillevens: hammen, blanke haringen, glanzende oesters, allerlei gevogelte, groenten, fruit, brood, hoge glazen met schuimend bier, groene roemers met Rijnwijn. Schilderijen van geslacht vee, varkens op de ladder, manden met allerlei soorten brood. De taferelen van Brouwer, Ostade, Jan Steen, zijn duidelijk genoeg. Er werd woest geleefd.
De klachten laten zien hoe grof men met elkaar omging, ook in de vergadering van de provinciale Staten. Hierbij vergeleken is Wilders een beheerste jongen. Een zekere Hartevelt dreigde in de vergadering een zekere Ploos de kop stuk te slaan, waar op Ploos zei dat hij de beul op hem af zou sturen als moordenaar.
Van der Horst schold Zuylesteyn 'voor eenen ouden rabaut ende leugenaar'.
In de kluchten gaat het vaak onzedelijk toe en de toeschouwers vinden het leuk: 'Siet de Juffers nou eens in haer vuysje griene'.
Maria Heyns was 26 jaar en gaf een boekje uit: 'Bloemhof van doorluchtige voorbeelden'. Het is een pleidooi voor kuisheid, maar ze geeft allerlei voorbeelden van ontucht, ongeoorloofde en onnatuurlijke liefde.
Uit de behandeling van allerlei ondeugden blijkt dat er niet veel veranderd is: stelende verzorgsters, kattenmeppers, dierenbeulen, dronkenlappen, bedriegende advocaten en procureurs, profijtelijke dokters, valse molenaars, gierige mannen, roddelende vrijsters.
Bredero, Huygens, Cats, beschrijven het met veel plezier.


Basaal

Ramsey Nasr is een goede acteur, een goede dichter en voordrager, doordesemd van cultuur en hij zegt: 'Op de Noordpool is geen cultuur. Dat is fijn.'
Ik herken het. Ik was er ook en ik schreef 'Pinksterbloemen in september', een lang gedicht waarin ik mijn verhouding tot de koude schoonheid probeerde duidelijk te maken.
Ik zou het woord 'fijn' niet gebruiken. Wat is het wat we losgelaten in de poolkou, in de sneeuw, de wind, het ijzige water, de doodstille bergen herkennen en ook mooi vinden? Het besef dat je niet veel voorstelt, dat alleen basale behoeften nog gelden: eten, drinken, slaap. Zelfverlies is geluk?

Het is niet alleen zo op de noordpool. Ik herinner me nu dat een bekende criticus me schreef vanaf een Grieks eiland in de zomer: 'het leven is hier basaal. Ik lees niet meer. Ik eet en drink en haal adem. Zelfs de gedichten van Faverey blijven ongelezen op tafel liggen.'


Dichten

'Ach jongen', zei Bernlef eens tegen mij, 'we zijn een sekte.'

Patrick Conrad zegt in PK 2015-6: 'poÎzie heeft nooit een vanzelfsprekende positie in de maatschappij gehad. Toen niet en nu niet. Het is altijd het koppige, stille, geduldige werk geweest van enkele bezeten zonderlingen.'
Je kunt je maar verbazen over het feit dat nog steeds met iets van eerbied wordt gepraat over dichters. Ook met verachting of onverschilligheid, maar een soort bewondering, afgunst of respect komt toch vaker voor. Of is dat wensdenken? Of gezichtsbedrog?
Hoe ziet een zinkende emmer eruit? Hij is bijvoorbeeld lek en loopt langzaam vol en zakt naar beneden, uit het zicht als het water diep genoeg is. Of niet lek- hij kantelt, neemt water op, te veel om te blijven drijven en zakt, nog een beetje schuddend, naar de bodem. Als een dichter zegt, schrijft: 'wij verdrinken / in elkaar als/ een zinkende emmer' is dan de spreker de emmer en de aangesprokene het water? Twee metaforen. Misschien maakt het niet uit. De dichter concludeert: 'wat er ook gebeurt / het gebeurt altijd / met ons samen'. Wij verdrinken in elkaar. Dat is wat gebeurt in de liefde. En nu komt de verrassing: de titel van het gedicht van Jan Willem Dijk, is: 'Brief aan de ideale lezer' en inderdaad: de ideale lezer is de geliefde, zoals ook de ideale dichter een geliefde is voor de lezer. Zij verdrinken in elkaar. Zij hebben ook aan elkaar genoeg. Het gaat niet om aantallen, het gaat om kwaliteit.

Erik-Jan Hummel

Het onbegrijpelijke wonder van geboorte; de geur van dood en geboorte en het raadsel van de aantrekkingskracht, de liefde en het onvermogen om de eigen eenzaamheid op te heffen, dat zijn de motieven in de poÎzie van Erik Jan Hummel.
Je geeft poÎzieles aan de Schrijvers school en je merkt al gauw: de talentvollen trekken zich weinig aan van je opdrachten. Misschien worden ze even op een spoor gezet, maar al gauw trekken ze hun eigen spoor. Ook merk je dat iemand met talent niet veel van je hoeft te leren. Hij of zij kan al schrijven, weet al waar hij het over wil hebben. Hoogstens is het zo dat de discipline van het naar school gaan, het moeten leveren van een gedicht, dat iets te maken heeft met de opdracht, vruchtbaar is, zoals elke professionele dichter weet. Je krijgt een verzoek of opdracht en de associatiemachine achter in je hoofd gaat draaien, ook als je slaapt en naarmate de datum van inlevering dichterbij komt, wordt de druk groter, en verdomd, daar komt het gedicht.
Frank Starik zei vorige week tegen mij: 'Stel, je moet een gedicht schrijven over vanillevla. Nooit heb je ook maar enige belangstelling voor vanillevla gehad, maar nu focust je aandacht op dat gele goedje en verdomd, daar komt het gedicht.'
Riekus Waskowsky schreef: 'poÎzie is net als koken / je pleurt wat in de pan / als je koken kan.'
Waarom zou je naar de schrijversschool gaan? Omdat je leert praten over gedichten, om te ervaren waar je zelf staat, om met kritiek te leren omgaan, om misschien nieuwe mogelijkheden te exploreren.
Erik-Jan schreef een apokoinou: 'hoe het werkt voor ik er aan dacht: / van alle mensen houden omdat ze zijn / als ik droom, droomt iedereen als ik'
Wist hij wat een apokoinou was? Misschien. Wist hij dat hij hier een apokoinou ging gebruiken of hanteren? Waarschijnlijk niet. Wel voelde hij dat het vers zÛ moest zijn.
Terug naar het gedicht: 'bang ben, is iedereen bang, als ik / bang ben, is iedereen bang, als ik / zijn alle anderen, en dan te houden / van alleen en allereerst mezelf // want al ben ik als alle anderen, als / ik een ander geven wil, moet ik niet / alleen willen ontvangen, en dan, dan // dan houd ik van iedereen tot ik hem / of haar zie of hoor, ruik, voel of gebruik'


TV

Marja Pruis zit tegenover Joost de Vries in een werkruimte van De Groene. Samen schrijven ze een stuk over televisie bijvoorbeeld. Marja moederlijk en intelligent relativerend, maar ook unverfroren; Joost studentikoos, intelligent en eigenwijs. Hoe werken ze samen? Maakt Joost een opzetje en corrigeert en vult Marja dat aan? Of is het andersom: Joost verzamelt gegevens met Marja en laat haar schrijven en geeft dan zijn commentaar?
Nu over televisie, Dat jammerlijk mislukte medium. Wat had het niet mooi kunnen zijn? Een medium om ons allemaal iets te leren, ons te vermaken, ons te betrekken bij de wereld. En wat is het geworden? Al lang geleden. Een kijkdoos met stompzinnige kletspraat, primitieve humor, ergerlijk geroddel, een gemeenschap van BN'ers die elkaar de bal toe spelen en een massa kijkers die dat laat gebeuren en kijken, kijken, kijken. Of de hele dag het apparaat laten aanstaan, schetteren, af en toe kijken, maar hoe dan?
Hans Beerekamp kijkt van 7.00 uur 's avonds tot 8.00 uur 's ochtends. Ik kan me dat niet voorstellen: 13.00 uur lang? En dan schrijft hij een stukje voor lezers die niet gekeken hebben, maar die willen weten wat er getoond is. Daarna gaat hij naar bed. Komt er, dat neem ik aan, 's middags weer uit voor enig sociaal contact, en gaat om 8.00 uur weer voor zijn tv zitten. Ik stel me voor dat zoiets een hel moet zijn, maar hij kan het aan en schrijft er ook nog goed over. Ik ben al lang opgehouden met kijken, met een enkele uitzondering. Mijn vrouw raadpleegt de programmagids en waarschuwt als ik toch echt even moet kijken. Ik volg haar advies voor de helft ongeveer op. Van het gesprek met drie tv-recensenten leer ik dat televisie een vertekenend medium is, een vergrotende lach- en huilspiegel. Ik begrijp ook dat Marja en Joost hebben opgetekend wat de heren zeiden, maar wie schreef de opzet van het artikel en wie gaf de finishing touch?


Brooddichter

Toen Alva kwam, vluchtte de adellijke Jan van der Noot van Brecht bij Antwerpen naar Engeland. Hij had zich bij de opstandspartij aangesloten en bespotte en beschimpte de katholieke kerk op de heftigste wijze. Haar dienaars noemde hij 'beestelijke ezels, buikbisschoppen en valse profeten van de satan, bedrieger, wolven, met alle winden waaiende Judassen, leugenaars, afgodendienaars enzovoort.' 'Sy houden nu wederomme hunne duyvelse feesten, processien, ommeganghen ende kermissen, men drinckter, mem clinckter, men braster, men hoereerter, men vechter, men steckter ende ketster'. Dol op assonanties! Hij verkoos de ballingschap, beroofd van staat en goed. Elf jaar zwierf hij rond en omdat hij berooid was, zocht hij een nieuwe bron van inkomsten in het schrijven van lofdichten. Hij schreef een nederige Ode aan aartshertog Matthias. Men beweert dat hij zelfs Philips II met lofdichten overlaadde, waarvoor hij betaald werd door de koningsgezinde partij. Zijn poÎtica ontleende hij aan Petrarca en Du Bellay. Afgezien van geldelijke beloning volgde hij zijn en Petrarca's overtuiging dat het de macht van de dichter was de bezongenen onsterfelijkheid te verlenen.
Du Bellay, leerling van Ronsard, had ook betoogd hoe verstandig vorsten handelden als zij dichters opdroegen hun naam te vereeuwigen. 'Hoe seer ontallyc veel vorsten synder vergeten,\Deur dat sy noyt iets goedts en deden den PoÎten!\ Die de vrome alleen, deur heur godlyck wel schrijven,\In eender t'alder tyt bekendt kunnen doen blijven.'
Voor Peter Daems schreef hij een huwelijkszang en hij voegt er aan toe: 'Daems, voor het geld, dat de menschen aan pracht of genot besteden, krijgen zij slechts vergankelijken lof; maar het geld, dat vrome menschen aan goede poÎten schenken, doet hen eeuwig leven.'
Zijn tijdgenoten eerden hem als een groot dichter, met lauwerkrans, maar G.Kalff vindt hem slechts 'verdienstelijk'.
Ik vraag me af: waar is de jonge man gebleven die schrijft over met alle winden waaiende Judassen? Hoe kon hij zich laten betalen om Philips II lof toe te zwaaien? Hoe durfde hij zich te vergelijken met Petrarca, Ronsard, Du Bellay?


De nacht voor het feest

F¸rstenfelde in Brandenburg bestaat niet, net zo min als het dorp onder het melkwoud, van Dylan Thomas. Niet en wel dus. Sasja Stanisalic komt uit de Balkan (Visigrad); zijn moeder was Bosnische, zijn vader Servisch. Hij kwam in Noord Duitsland terecht, in wat sinds 1945 DDR heette tot 1989.
F¸rstenfelde is een dorp met boeren, een smid, een kunstenares, de beheerster van het heemkundig museum, een gehavende ex-junk, een voormalige postbode die brieven opende, maar waarschijnlijk niet voor de Stasi werkte, een varkenshouder, een veerman, maar die is dood, een ex-kolonel. Zij beleven verhalen en hebben weemoedige herinneringen. Ze beleven wonderlijke zaken in het verlengde van mythische vertellingen en dorpskronieken uit de 16e eeuw. De Dertigjarige Oorlog: vluchten, verbrand worden of gemarteld.
Sasja is van 1978 en emigreerde als puber met zijn ouders naar Noord Duitsland. Die Zeit noemde de roman een 'patchwork-provincieroman'. Je kunt het boek ook vergelijken met een caleidoscoop; draaien maar en je ziet steeds nieuwe variaties op oude thema's: samenleven, drinken, slapen, werken.
De heer Schramm, de ex-kolonel, die wil praten over luchtafweer, een beroemde skispringer en vleermuizen, werkt zwart in een garage. Hij heeft er genoeg van en wil er met zijn pistool een einde aan maken, maar eerst nog een sigaret roken. Het lukt niet. Hij beschiet de automaat, maar dan komt Anna, een meisje met astma, die niettemin hardloopt en buiten adem valt. De heer Schramm pikt haar op met zijn auto en en zij bevraagt hem over zijn voornemen. Laat hem niet meer los. Even later staan ze voor een andere dorps bewoonster, die behoorlijk in de war is, ook met een pistool, maar dat druipt van het water. Ze bedreigen elkaar, maar het slaat nergens op. Later rijdt hij met een landbouwwerktuig tegen de sigarettenautomaat, net zo lang tot deze loslaat, maar dan wordt hij boven genodigd door een vrouw die er een met hem wil opsteken. Anna gaat naar huis.
De verteller is een wij uit het dorp. Hij ziet en weet alles en hij houdt van zijn dorpelingen, ook als ze lelijk doen tegen een zwerver. Ze maken zich allen op voor het feest van een vroegere Anna. Ons Annafeest. Wat we vieren weet niemand precies. Niets jubileert, niets eindigt of is precies op deze dag begonnen. De Heilige Anna is ergens in de zomer, bovendien zijn de heiligen niet meer heilig voor ons. Misschien vieren we gewoon dat het bestaat: F¸rstenfelde. En wat we elkaar daarover vertellen. Het is de nacht voor het feest.

Paradijs-in-de-bergen

Het Singermuseum in Laren heeft veel geleend van het museum in Davos, waar Kirchner in de bergen werkte aan zijn imago, zijn vrouwen, zijn beelden. Kirchner werd beroemd als expressionist met zijn wonderlijke kleuren, veel paars en gifgroen. Hij was beÔnvloed door Munch/Van Gogh en door Gauguin en de zuidzeekunst. Zijn schilderijen lijken primitief, heel vlak, met hoekige lijnen. De voorstellingen zijn naief: plaatjes van bergen, hutten, oude vrouwtjes, koeien, jonge naakte vrouwen. Alles figuratief, maar met wonderlijke felle kleuren.
Op de tentoonstelling hangen grote naaktfoto's van wel en niet poserende vrouwen.
Hij wordt voorlopig ontslagen uit de dienst in 1915 wegens psychische ongeschiktheid. Hij is dan al drugsgebruiker. In 1905 haalde hij zijn diploma als bouwkundige, maar hij tekent liever naar de natuur. Hij volgt enkele lessen bij particulieren; houdt dat niet lang vol. In Dresden is hij medeoprichter van Die Br¸cke en vertrekt naar Berlijn. De groep van Die Br¸cke valt uiteen; de collega's storen zich aan Kirchners eerzucht. Hij antedateerde schilderijen om als voorloper te kunnen gelden. Kirchner heeft moeite met het verder ontwikkelen van zijn eigen stijl.

In Laren hangen tekeningen die in de prullenmand zouden belanden als ze niet van Kirchner waren. Hij lijdt aan achtervolgingswaan en verlammingsverschijnselen. In Kˆnigsberg wordt hij behandeld door de neuroloog Oskar Kohnstamm. Hij weigert te eten zo lang de doem van opnieuw in dienst moeten boven hem hangt. Als hij te horen krijgt dat hij voorgoed is afgekeurd, wordt hij weer actief. Hij vestigt zich in het alpendorp Frauenkirch bij Davos, waar vele kunstenaars en 'groupies' samenkomen. Onder andere de Nederlander Jan Wiegers, van wie ook werk hangt in het Singermuseum, werk dat soms nauwelijks van dat van Kirchner is te onderscheiden, maar dat ook meer indruk maakt door een minder schematische expressiviteit. Jan Wiegers neemt zijn indrukken mee naar Groningen en heeft daarbij veel invloed op de andere leden van De Ploeg, zodat we in het Groninger Museum de vreemde kleuren van Kirchner terugvinden.
In een poging aansluiting te vinden op de Franse kunstmarkt neemt hij stijlkenmerken over van Picasso en Braque. Hij neemt zelfs een Franse naam aan: de Marsalle. In Laren hangen enkele doeken in de Picasso-stijl. Na‰perij.
Het loopt slecht af met Kirchner: zijn vrouw is ernstig ziek en de nazi's maken hem en zijn werk belachelijk. 700 van zijn werken - wat heeft hij hard gewerkt en gepromoot - worden in beslag genomen. In 1938 maakt hij een eind aan zijn leven.


Stilte-en-chaos

Kees Wieringa, directeur Kranenburgh, schreef: 'Ik weet nog hoe wij met Joost spraken over de tentoonstelling en na afloop verbijsterd achter bleven, vol van al zijn ideeÎn, vlammende betogen en emoties.' 'Inmiddels is Joost naast Lucebert begraven maar leeft zijn gedachtegoed krachtig voort.'
Wat is er met Joost gebeurd? Het antwoord is opgesloten in de stilte en het rumoer van de tentoonstelling. Joost wilde dat bezoekers met slofjes door de zalen zouden schuifelen. Toen ik er was, leek de drukte op die van het Gronings museum tijdens de Bowie-tentoonstelling. Daar kreeg je een koptelefoon, waardoor het in de zaal zonder koptelefoon merkwaardig stil was.
Zwagermans bewondering voor Lucebert werd niet alleen bepaald door de vriendschap met zijn zoon. Een belangrijke rol speelde de roem van de grote dichter en schilder, maar zeker ook zijn revolutionaire kunstopvattingen en zijn paradoxale liefde voor rumoer, chaos Ën zijn hang naar mystiek. Joost heeft die liefde herkend.
Vreemd genoeg is de benummering van de kunstwerken een chaos geworden. Het wordt de bezoeker niet gemakkelijk gemaakt de gegevens over de makers op te zoeken. Een vriendelijke vrijwilligster van het museum waarschuwde me al en ik vroeg me af of het zo moeilijk was de nummering op de juiste manier aan te brengen. Deze chaos is niet gewenst, maar wellicht heeft zij zich onontkoombaar opgedrongen en gehandhaafd.
Chaos is in de Griekse mythologie het Niets waaruit de eerste goden ontstonden. Chaos wordt wel voorgesteld als een bodemloze leegte waar alles eindeloos 'valt'; niet naar beneden, want er is geen enkele oriÎntatie mogelijk, maar alle kanten op. Uit de wanorde ontstond Nacht, Duisternis, Aantrekkingskracht, Onderwereld en Aarde.
Ook dat moet Joost Zwagerman herkend hebben, zelf levend op een chaotische manier, verlangend naar stilte en rust, verlangend naar het terugzinken in het eeuwige Niets. Dat verlangen werd op een fataal moment onontkoombaar.

-

 

Stilte-uit-rumoer

Joost Zwagerman maakte voor museum Kranenburgh in Bergen een tentoonstelling met een Engelse titel 'Silence out loud'.
Hoe zou je dat moeten vertalen? Stilte uit herrie of rumoer? Dat laatste geeft wel aardig aan hoe het met Joost is gegaan. Hij begon als Maximaal met luide stem, met 'blaf in de bek' dingen te roepen tegen de poÎzie van Faverey en Kouwenaar. Die poÎzie werd verstild genoemd en saai, knutselwerk van keurige heren, wat natuurlijk onzin was. Maar ja, je wilt wat als aanstormende generatie. Zet je maar af tegen wat de heersende mode is. De nieuwe poÎzie moest van de straat zijn, wild en bezopen of high. De Maximalen durfden vooral wat zij epigonen noemden van de 'deftige' heren aan te vallen. Zo was er een polemiek met Marc Reugebrink, toen nog dichter.
Zwagerman en de zijnen trokken rond met mandjes rotte vis en slaande trommel. Hun eigen werk was poÎtisch niet erg interessant, maar dat donderde niet. Het werd welkom geheten in kleine zalen met publiek dat meteen wilde begrijpen waar het over ging. Het proza van Zwagerman ging over de hippe kunstwereld, over leugenachtigheid, over gimmicks, 'Chaos en rumoer' en het sloeg aan. De gedichten bekritiseerden de 'oude' poÎzie (Langs de doofpot) en toonden een nieuwe leefstijl (Bekentenissen van de pseudomaan en Roeshoofd hemelt).
In DWDD was Zwagerman net zo hectisch als zijn gastheer, maar hij had altijd twee kanten: de rumoerige herrieschopper en de onzekere stille lezer en schrijver.
De verstilling werd steeds prominenter en ziehier zijn keuze uit de moderne beeldende kunst.


>Kwaad?

Een jongen van 10 en zijn zus van 12 kochten levende krabben, soorten die elkaar bevochten. Ze noemden ze tijgerkrabben en lieten ze groeien in verschillende aquaria.
Toen ze volwassen waren zetten de jongen en zijn zus ze bij elkaar en keken nieuwsgierig toe hoe ze elkaar afmaakten, hoe ze met hun scharen niet alleen de poten en de ogen van de ander afknepen, maar ook het rugpantser kraakten. Toen de resten stil lagen, keken de kinderen elkaar met een glimlach aan.
Ze besloten hun experimenten uit te breiden. Ze vroegen hun ouders twee vechthonden te kopen die ze in verschillende kooien voederden met rauw vlees. Toen ze sterk genoeg waren lieten ze de honden los in de garage en gingen zelf op de trap naar een vliering zitten. De honden vlogen elkaar meteen aan. De grootste hond zette zijn kaken op de hals van de andere hond, die weinig meer kon doen. Het was gauw afgelopen, maar tot hun verbazing scheurde de winnaar lappen vel los van de ander en begon het rauwe vlees te eten.
De jongen vroeg: 'Durf jij naar beneden? Hoe krijgen we die hond weer in zijn kooi?'


Geloof en oorlog

De katholieken beschouwden in de zestiende eeuw het nieuwe leven op wetenschappelijk gebied met een achterdochtig oog. Zij wantrouwden de lust tot onderzoek van de Oudheid en van de Bijbel, ook van het eigen hart. Zij wilden niet gewekt worden uit de zoete rust van zelfvoldaanheid.
In een Antwerps Zinnespel van 1561 zegt een allegorisch personage tot een ander: 'Begeerte om weten maect onrust dach en nacht'.
Het komt allemaal door roemzucht!
Nu herinner ik me dat mijn moeder zei, naar aanleiding van mijn geloofsvragen: 'Je hoeft niet alles te weten en te begrijpen.' Dat is meer dan vierhonderd jaar later!
Er was in de zestiende eeuw een geweldige strijd tussen zucht naar vrijheid en zelfstandigheid aan de ene en heerszucht aan de andere kant. Zucht naar macht, geld en gehechtheid aan oude privileges. De katholieke vorst meende met geweld het volk in de schoot van de Moederkerk terug te kunnen brengen. De Bloedraad vonniste onophoudelijk en onverbiddelijk. Wie deelgenomen hadden aan de beeldenstorm, wie hun eigen predikers wilden volgen, eindigden hun leven aan de galg. De aanhangers van de nieuwe leer meenden dat in vervulling ging wat Jezus had voorspeld: 'Het uur komt dat ieder die u zal doden, meent God te dienen.'
Wie denkt vandaag niet aan IS, mutatis mutandis?
In de martelaarsboeken van de zestiende eeuw lezen we verhalen over mensen die op de pijnbank zouden komen en als ze volhardden verbrand werden, onthoofd, waarbij hun hoofden op spiesen werden gezet ter afschrikking. Men riep op tot strijd en hekelde de angst tot verzet. 'Jullie hebben het zwaard in de schede gelaten, waar het is vastgeroest.' Kom in opstand.' Wij worden opgejaagd en uit onze ambten gezet. Onze dochters worden verkracht. De vijand eigent zich onze goederen toe, neemt onze kerken in bezit, vernielt de kunstschatten.
Beide kampen, de katholieken en de protestanten maakten zich schuldig aan onderdrukking en moordpartijen. De dienaren van de koning vingen de gelovigen die hun vrijheid in de bossen wilden vieren, zetten ze gebonden op karren. Onderweg vingen ze nog een vrouw die tot de gevangenen riep: 'God beware u' Zij moest ook op de wagen klimmen, op weg naar het schavot. (Met dank aan G.Kalff)

Maagdenroof en provinciestrijd

In 1508 werd de dertienjarige Catharina de Grebber, dochter van een aanzienlijke Leidenaar door de edelman Gerrit van Raephorst geschaakt uit de wagen , waarin zij met haar ouders reed. Dit vertelt Jonkheer van Sypesteyn in zijn boek over Holland in vroeger dagen. Hij vertelt niet of het meisje op de hoogte was, misschien zelfs toestemming had gegeven. Toch zal Gerrit niet zo maar haar uit de koets van haar ouders hebben getrokken. Hij vertelt ook niet hoe het afliep met het meisje, wel dat de ouders vele pogingen deden haar te verlossen uit de handen van haar schaker. Gerrit werd verbannen uit Holland, Zeeland en Friesland, maar de controle aan de grenzen van de provincies of bij de stadspoorten was niet zo efficiÎnt. Hij kwam later te paard Leiden binnen hollen. Voor de zekerheid had hij zijn boog geladen en gespannen. Hij stapte af bij het huis van zijn overleden moeder, begon knielend te bidden en reed weer weg. Waar was het meisje toen?
We krijgen het niet te lezen.
Holland, Zeeland en Friesland konden het hier met elkaar vinden, maar Noord- en Zuidnederlanders waren heel verschillend. Brabanders, Hollanders, Zeeuwen, Geldersen, Friezen: zij woonden eigenlijk in verschillende landen. Wat over de grens gebeurde was vreemd en vijandig. Friezen en Groningers bestreden elkaar hardnekkig en zochten zelfs hulp bij vreemdelingen om de gehate tegenpartij schade toe te brengen. De Vlamingen en Brabanders beschouwden de Hollanders als boeren.
Erasmus vertelt over een drenkeling die zich zeer bijgelovig gedroeg. Een toehoorder uit Brabant roept: 'Wat een domkop! Zeker een Hollander?' 'Nee', zegt de verteller, 'het was een Zeeuw.'
Twee vrouwen uit een Antwerps toneelstuk kleden zich sierlijk: 'Loop nu eens voort, laat uw kleed golven, neem een deftige houding aan.'
'Doe ik het zo goed?', vraagt de ander. 'Nee, je loopt als een Hollandse meid.'
Heeft Gerrit het jonge meisje dat hij schaakte, zien lopen?


Geloof in onsterfelijkheid

In ÈÈn van de belangrijkste christelijke dagbladen van Noord-Amerika, aldus Czczesny, mag het woord 'dood' niet afgedrukt worden. Men blijft immers, zo is de gedachte, aanwezig, voorlopig onbereikbaar, maar na het Laatste Oordeel, zullen lichaam en ziel herenigd worden en zullen we onze geliefden weer ontmoeten.
Met het karakter dat men heeft? Met de goede en kwade eigenschappen? Zo niet, wat betekent dan de individualiteit? Is er dan nog ontwikkeling? Zo niet: wat is die bevroren toestand dan waard?
'Bij de hemelpoort zal ik op je wachten, met ons dochtertje op mijn arm', dit zegt zij, denkt haar man, tegen hem in zijn dromen. Gelooft hij dat echt? Het is in elk geval ontroerend als je beseft dat hij verdriet heeft van het feit dat zijn dochtertje van drie is gestorven, en nu ook zijn vrouw. Hoe stelt hij het zich voor? Een poort boven de wolken waar miljarden moeders staan met miljarden kinderen op hun arm? Of is hij niet zo onnozel? Maar hoe dan?
'In Jezus' armen' staat in een rouwadvertentie. Is dat een metafoor? Biedt deze troost? Ongetwijfeld is troost een reden om te geloven, maar het blijft vreemd, die troost. Waarom moest het kind sterven? Dat weet je niet. Waarom moest het geboren worden? Het is een ondoorgrondelijk raadsbesluit. Is het niet troostrijker te beseffen dat zulke dingen nu eenmaal gebeuren, zonder dat er Iemand voor verantwoordelijk is?


Ontroering

Hij had zijn jas al aan en greep naar zijn sjaal. Ze vroeg of zij even met hem mocht praten en het werd hem duidelijk dat dit voor haar belangrijk was. 'Goed', zei hij en hing zijn jas weer aan een haak. Ze wees naar de tafel en ging op een stoel zitten. Hij trok een andere stoel bij en wachtte. Haar ogen vulden zich met tranen. 'Ik weet niet hoe ik moet beginnen, maar u heeft me ontroerd.' Nu begon ze geluidloos te huilen.
Hij zei na even gewacht te hebben: 'Dat was ook mijn bedoeling. Ik zei dat ik emoties wil doorgeven' en hij dacht: al hoef je er niet om te huilen. Hij wachtte weer. Met lange, gekleurde nagels raakte zij een ooglid in een poging het stromen tegen te gaan. Er stond water op de tafel. 'Wil je wat drinken?' Ze schudde nee.
'Wat kan ik doen?' 'U heeft dingen gezegd die me raakten, ook dingen die ik niet wist.'
Later dacht hij: ik had natuurlijk moeten vragen wat dat voor dingen waren of welke gedichten haar hadden ontroerd.
Ze keek naar twee mannen die met elkaar spraken in dezelfde ruimte en ging op een andere stoel zitten, zodat ze haar niet meer in het gezicht konden zien.
Hij dacht: ik zal haar maar niet omhelzen.
Het bleef stil en het leek of ze de tranen nu onder bedwang had.
'Schrijf je zelf gedichten? Wil je ze laten lezen?'
Ze vertelde dat ze op een schrijversschool zat, nee een schrijversacademie, maar ze volgde proza.
'Van wie?'
Ze noemde een naam die hem vaag bekend voorkwam. 'Hij schrijft literaire thrillers, maar ik wil ook poÎzie volgen.'
Ze bleef weer stil en plotseling begonnen de tranen weer te stromen.
'Ik weet niet wat ik moet zeggen.' 'Hoe oud ben je?' 'TweeÎndertig.'
Achter het raam van de ruimte waar ze zaten verscheen een lange, knappe man. Ze maakte hem duidelijk dat het nog wel even zou duren en hij vertrok.
'Is dat je vriend?'
Ze knikte.
'Hoe heet je?'
Ze noemde een naam die hij niet goed kon verstaan. Hij haalde een stuk papier uit zijn borstzak, gaf haar een pen. 'Wil je hem opschrijven?'
Het was een Turkse naam.
'Wil je een kind?'
Ze keek verbaasd en zei dat ze het nog niet wist. Ze vertelde dat er een uitgever was die belangstelling had getoond voor haar gedichten. Ze noemde een naam, maar die kende hij niet.
'Ik zal je mijn adres geven. Dan kun je wat opsturen als je dat wilt en ik zal schrijven wat ik er van vind. Je moet er wel even bijschrijven wat voor oordeel je wilt: hard of zacht.'
Hij raakte haar wolbekousde dij en zei: 'Nu moet ik naar mijn trein' en stond op. Ze ging ook staan, veegde een traan weg. Hij trok zijn jas aan, deed zijn sjaal om en zag dat ze in de ruimte naar een tafel liep om wat op te ruimen.
Toen hij door de bibliotheek liep, zag hij de lange man zitten, die hem vriendelijk begroette. Hij maakte een gebaar waar hij misschien uit zou kunnen opmaken dat ze er zo zou aankomen.

Verkeerd begrepen

Joost Zwagerman kon niet alleen goed kijken, hij kon ook interessante informatie verzamelen; zo over de 19e-eeuwse Engelse afkeer van Duitse schilderkunst. In de 20e eeuw heeft men daar spijt van. Welke aankopen allemaal niet gedaan! Welke schenkingen van de hand gewezen! Maar nu werd het goed gemaakt: D¸rer, Cranach de Jonge en Oudere, Holbein, Gr¸newald, maar vreemd genoeg ook een Vlaming en wel Jan van Eyck en zijn portret van Arnolfini en zijn vrouw.
Joost Zwagerman loodst ons langs het schilderij en verleidt ons te vertrekken naar de National Gallery. Hij wijst op de onwaarschijnlijk kleine miniaturen op de spiegelrand, maar dan ook op de stilte. Deze geliefden hoeven niet te babbelen, lawaaiig duidelijk te maken hoeveel ze van elkaar houden en wat ze verwachten van het komende kind. Zij legt haar open hand in de zijne. Hij ontvangt de hand, de ander in een zegenend gebaar. Haar andere hand op haar buik. Gebenedijde stilte. Joost moet jaloers geweest zijn op deze onuitgesproken intimiteit, dit afzien van drukte en lawaai.
Er zijn in zijn boek 'de stilte van het licht' vele aanwijzingen te vinden die verwijzen naar een ultieme ervaring. Zo natuurlijk bij Rothko waar hij het heeft over 'het grootste, het sacraalste, het subliemste. En tegelijk is er het besef dat we worden omhuld door het teerste, warmste, ijlste, stilste. Zijn dit grote woorden? Dat moet dan maar.'
Daarvoor bespot hij enigszins alle grote woorden van kunstbeschouwers, maar schrijft dan: 'de werken die bestaan uit die lumineuze, overweldigende, serene en bovenzinnelijke kleurvelden, - oeh, daar vlieg ook ik weg op vleugels van ademloze euforie over het allerijlste, dat bij Rothko tegelijk het aller universeelste is. -'
Via William Blake wordt het verbonden met de dood: 'crimson joy: / and his dark secret love / Does thy live destroy.'
Rothko koppelde zijn 'bovenzinnelijk diepe rood\ aan de toenemende verbittering, radeloosheid en uiteindelijke zelfdestructie'. Hij beroofde zich van het leven 'geplaagd door gevoelens van verbittering en miskenning.'
Miskenning? Rothko werd bewonderd! Maar, vond hij, ook vaak verkeerd begrepen. Hij had ook het gevoel gefaald te hebben. Wij kunnen ons daar over verbazen, maar wat weten wij van de tomeloze ambitie van de kunstenaar?


vergeefs-tragisch

Joost Zwagerman is in Sevilla in het museum van schone kunsten. Hij heeft bij Kees Fens gelezen over de heilige Bruno en zijn bezoek aan paus Urbanus II, de man van de stilte en de krijgsheer die verlammende preken hield tegen de moslims in Jeruzalem. De schilder Francisco de Zurbar‡n portretteerde het bezoek. Fens schreef dat hij nog nooit 'een mens zo intens zijn omgeving stil had zien maken'.
Joost wilde dat ook zien en hij weet als kenner dat een reproductie die ervaring niet kan geven, dus hij toog naar Sevilla. Op de benedenverdieping van het museum was het druk vanwege Murillo, maar in zaal 10 op de eerste verdieping was hij alleen. De bezoekers hadden kennelijk weinig affiniteit met de mystiek en 'de donkere stilte van God', maar, zegt hij, 'misschien heb ik het verkeerd. Misschien heerste onder de museumbezoekers in Sevilla de onuitgesproken afspraak dat het geen pas geeft om met meer dan ÈÈn tegelijk dit werk onder ogen te komen.'
Hiermee zet hij humoristisch de waarneming op scherp. Zubar‡n schilderde 'Stilleven met vier kruiken'. De kruiken staan eenvoudig naast elkaar op een tafel. Ze zijn heel verschillend, maar er is geen hiÎrarchie. Twee kruiken staan op een tinnen bord. Het doek laat leegte ervaren, en zegt Zwagerman: 'die leegte stemt overeen met de 'donkere stilte' in het hart waarvan God door ons wordt uitgevonden, telkens weer, en telkens tevergeefs. Bij Zurbar‡n wordt deze stilte tot beeld: vergeefs, tragisch.
Hetzelfde gebeurde kennelijk met Zwagerman. De kruiken en hun stilte doen denken aan Morandi. Zwagerman kende eerst de dichtbundel van Campert en daarna pas de schilderijen van Morandi. Hij fantaseert over een werkelijk bestaand hotel Morandi en vraagt zich af hoe het daar zou zijn. Je zou bijvoorbeeld op bed liggend niet naar de tv kijken, maar naar een tafel of bureau met drie of vier kannen of kruiken, die de aandacht naar zich toe zuigen en waarin je zou willen verdwijnen.
'Bij Morandi stollen de dingen tot een eeuwig moment, met in het hart van dit moment het nog nauwelijks waarneembaar verdwijnpunt. Onze blik laat zich lokken naar dat verdwijnpunt.'


Kritiek

Als je in Saoedi- ArabiÎ kritiek hebt op de overheid, kun je worden geÎxecuteerd. Niet omdat je shi'iet bent, maar omdat de ultraconservatieve soennitische elite niet houdt van zogenaamd afvallige moslims. Iran boos.
Als je in Iran kritiek hebt op de overheid, kun je gevangen en gemarteld worden, niet omdat de sji'ieten niet houden van niet-moslims, maar omdat ayatollah Ali Khamenei bang is voor mondige onderdanen.
Als je in Turkije kritiek hebt op de president, word je monddood gemaakt, niet omdat je christen bent, maar omdat de president vindt dat je de staatsinrichting in gevaar brengt.
Als je in Polen kritiek hebt op de regeringspartij Recht en Gerechtigheid, word je ontslagen, niet omdat je socialist bent, maar omdat je het programma van de partij dwarsboomt. Het constitutionele hof wordt aangevuld met partijgangers die de democratische rechtsorde willen ondermijnen.
Als je in Rusland lelijke dingen over Poetin zegt, word je in elkaar geslagen of gevangen genomen, waar je kans maakt op een dodelijke ziekte.
Als je in het Amerika van Trump schrijft dat hij groepen van de bevolking vernedert of wil verbannen, wordt je krant onder het roepen van 'vuiligheid' in het publiek gegooid.
Als je pleit voor wapenverbod in het huidige Amerika, loop je kans doodgeschoten te worden, net zoals wanneer je een verkrachte vrouw wil steunen in een door haar gewenste abortus.
Als je in Nederland zegt dat een partijleider niet mag zeggen dat het gekozen parlement, waar hij deel van uitmaakt, een nepparlement is, word je uitgescholden als iemand die de vrije meningsuiting belemmert. Ergere maatregelen komen later als het volk in de val is gelokt.


Jan van der Noot

Toen Alva kwam, vluchtte de adellijke Jan van der Noot van Brecht bij Antwerpen naar Engeland. Hij had zich bij de opstandspartij aangesloten en bespotte en beschimpte de katholieke kerk op de heftigste wijze. Haar dienaars noemde hij 'beestelijke ezels, buikbisschoppen en valse profeten van de satan, bedrieger, wolven, met alle winden waaiende Judassen, leugenaars, afgodendienaars enzovoort.' 'Sy houden nu wederomme hunne duyvelse feesten, processien, ommeganghen ende kermissen, men drinckter, mem clinckter, men braster, men hoereerter, men vechter, men\ steckter ende ketster'
Dol op assonanties! Hij verkoos de ballingschap, beroofd van staat en goed. Elf jaar zwierf hij rond en omdat hij berooid was, zocht hij een nieuwe bron van inkomsten in het schrijven van lofdichten. Hij schreef een nederige Ode aan aartshertog Matthias. Men beweert dat hij zelfs Philips II met lofdichten overlaadde, waarvoor hij betaald werd door de koningsgezinde partij.
Zijn poÎtica ontleende hij aan Petrarca en Du Bellay. Afgezien van geldelijke beloning volgde hij zijn en Petrarca's overtuiging dat het de macht van de dichter was de bezongenen onsterfelijkheid te verlenen. Du Bellay, leerling van Ronsard, had ook betoogd hoe verstandig vorsten handelden als zij dichters opdroegen hun naam te vereeuwigen.
' Hoe seer ontallyc veel vorsten synder vergeten, Deur dat sy noyt iets goedts en deden den PoÎten! Die de vrome alleen, deur heur godlyck wel schrijven, In eender t'alder tyt bekendt kunnen doen blijven.'
Voor Peter Daems schreef hij een huwelijkszang en hij voegt er aan toe: 'Daems, voor het geld, dat de menschen aan pracht of genot besteden, krijgen zij slechts vergankelijken lof; maar het geld, dat vrome menschen aan goede poÎten schenken, doet hen eeuwig leven.'
Zijn tijdgenoten eerden hem als een groot dichter, met lauwerkrans, maar G.Kalff vindt hem slechts 'verdienstelijk'.
Ik vraag me af: waar is de jonge man gebleven die schrijft over met alle winden waaiende Judassen? Hoe kon hij zich laten betalen om Philips II lof toe te zwaaien? Hoe durfde hij zich te vergelijken met Petrarca, Ronsard, Du Bellay?


Geloofsstrijd

De katholieken beschouwden in de zestiende eeuw het nieuwe leven op wetenschappelijk gebied met een achterdochtig oog. Zij wantrouwden de lust tot onderzoek van de Oudheid en van de Bijbel, ook van het eigen hart. Zij wilden niet gewekt worden uit de zoete rust van zelfvoldaanheid.

In een Antwerps Zinnespel van 1561 zegt een allegorisch personage tot een ander: 'Begeerte om weten maect onrust dach en nacht'. Het komt allemaal door roemzucht!
Nu herinner ik me dat mijn moeder zei, naar aanleiding van mijn geloofsvragen: 'Je hoeft niet alles te weten en te begrijpen.' Dat is meer dan vierhonderd jaar later!
Er was in de zestiende eeuw een geweldige strijd tussen zucht naar vrijheid en zelfstandigheid aan de ene en heerszucht aan de andere kant. Zucht naar macht, geld en gehechtheid aan oude privileges. De katholieke vorst meende met geweld het volk in de schoot van de Moederkerk terug te kunnen brengen. De Bloedraad vonniste onophoudelijk en onverbiddelijk. Wie deelgenomen had aan de beeldenstorm, wie zijn eigen predikers wilden volgen, eindigden hun leven aan de galg. De aanhangers van de nieuwe leer meenden dat in vervulling ging wat Jezus had voorspeld: 'Het uur komt dat ieder die u zal doden, meent God te dienen.'
Wie denkt vandaag niet aan IS, mutatis mutandis? In de martelaarsboeken van de zestiende eeuw lezen we verhalen over mensen die op de pijnbank zouden komen en als ze volhardden verbrand werden, onthoofd, waarbij hun hoofden op spiesen werden gezet ter afschrikking. Men riep op tot strijd en hekelde de angst tot verzet.
'Jullie hebben het zwaard in de schede gelaten, waar het is vastgeroest.' Kom in opstand.' Wij worden opgejaagd en uit onze ambten gezet. Onze dochters worden verkracht. De vijand eigent zich onze goederen toe, neemt onze kerken in bezit, vernielt de kunstschatten. Beide kampen, de katholieken en de protestanten maakten zich schuldig aan onderdrukking en moordpartijen. De dienaren van de koning vingen de gelovigen die hun vrijheid in de bossen wilden vieren, zetten ze gebonden op karren. Onderweg vingen ze nog een vrouw die tot de gevangenen riep: 'God beware u!' Zij moest ook op de wagen klimmen, op weg naar het schavot. (Met dank aan G.Kalff


Troost

EÈn van de belangrijkste christelijke dagbladen van Noord-Amerika, aldus Czczesny, mag het woord 'dood' niet afgedrukt worden. Men blijft immers, zo is de gedachte, aanwezig, voorlopig onbereikbaar, maar na het Laatste Oordeel, zullen lichaam en ziel herenigd worden en zullen we onze geliefden weer ontmoeten.
Met het karakter dat men heeft? Met de goede en kwade eigenschappen? Zo niet, wat betekent dan de individualiteit? Is er dan nog ontwikkeling? Zo niet: wat is die bevroren toestand dan waard?
'Bij de hemelpoort zal ik op je wachten, met ons dochtertje op mijn arm', dit zegt zij, denkt haar man, tegen hem in zijn dromen. Gelooft hij dat echt? Het is in elk geval ontroerend als je beseft dat hij verdriet heeft van het feit dat zijn dochtertje van drie is gestorven, en nu ook zijn vrouw. Hoe stelt hij het zich voor? Een poort boven de wolken waar miljarden moeders staan met miljarden kinderen op hun arm? Of is hij niet zo onnozel? Maar hoe dan? ' In Jezus ' armen ' staat in een rouwadvertentie. Is dat een metafoor? Biedt deze troost? Ongetwijfeld is troost een reden om te geloven, maar het blijft vreemd, die troost. Waarom moest het kind sterven? Dat weet je niet. Waarom moest het geboren worden? Het is een ondoorgrondelijk raadsbesluit. Is het niet troostrijker te beseffen dat zulke dingen nu eenmaal gebeuren, zonder dat er Iemand voor verantwoordelijk is?


Andere landen

In 1508 werd de dertienjarige Catharina de Grebber, dochter van een aanzienlijke Leidenaar door de edelman Gerrit van Raephorst geschaakt uit de wagen , waarin zij met haar ouders reed. Dit vertelt Jonkheer van Sypesteyn in zijn boek over Holland in vroeger dagen. Hij vertelt niet of het meisje op de hoogte was, misschien zelfs toestemming had gegeven. Toch zal Gerrit niet zo maar haar uit de koets van haar ouders hebben getrokken. Hij vertelt ook niet hoe het afliep met het meisje, wel dat de ouders vele pogingen deden haar te verlossen uit de handen van haar schaker. Gerrit werd verbannen uit Holland, Zeeland en Friesland, maar de controle aan de grenzen van de provincies of bij de stadspoorten was niet zo efficiÎnt. Hij kwam later te paard Leiden binnen hollen. Voor de zekerheid had hij zijn boog geladen en gespannen. Hij stapte af bij het huis van zijn overleden moeder, begon knielend te bidden en reed weer weg. Waar was het meisje toen?
We krijgen het niet te lezen. Holland, Zeeland en Friesland konden het hier met elkaar vinden, maar Noord- en Zuidnederlanders waren heel verschillend. Brabanders, Hollanders, Zeeuwen, Geldersen, Friezen: zij woonden eigenlijk in verschillende landen. Wat over de grens gebeurde was vreemd en vijandig. Friezen en Groningers bestreden elkaar hardnekkig en zochten zelfs hulp bij vreemdelingen om de gehate tegenpartij schade toe te brengen. De Vlamingen en Brabanders beschouwden de Hollanders als boeren. Erasmus vertelt over een drenkeling die zich zeer bijgelovig gedroeg. Een toehoorder uit Brabant roept: 'Wat een domkop! Zeker een Hollander?' 'Nee\', zegt de verteller, 'het was een Zeeuw.'
Twee vrouwen uit een Antwerps toneelstuk kleden zich sierlijk: 'Loop nu eens voort, laat uw kleed golven, neem een deftige houding aan.' 'Doe ik het zo goed?', vraagt de ander. 'Nee, je loopt als een Hollandse meid.'
Heeft Gerrit het jonge meisje dat hij schaakte, zien lopen?


Wreedheid

Een jongen van 10 en zijn zus van 12 kochten levende krabben, soorten die elkaar bevochten. Ze noemden ze tijgerkrabben en lieten ze groeien in verschillende aquaria. Toen ze volwassen waren zetten de jongen en zijn zus ze bij elkaar en keken nieuwsgierig toe hoe ze elkaar afmaakten, hoe ze met hun scharen niet alleen de poten en de ogen van de ander afknepen, maar ook het rugpantser kraakten. Toen de resten stil lagen, keken de kinderen elkaar met een glimlach aan. Ze besloten hun experimenten uit te breiden. Ze vroegen hun ouders twee vechthonden te kopen die ze in verschillende kooien voederden met rauw vlees. Toen ze sterk genoeg waren lieten ze de honden los in de garage en gingen zelf op de trap naar een vliering zitten. De honden vlogen elkaar meteen aan. De grootste hond zette zijn kaken op de hals van de andere hond, die weinig meer kon doen. Het was gauw afgelopen, maar tot hun verbazing scheurde de winnaar lappen vel los van de ander en begon het rauwe vlees te eten. De jongen vroeg: 'Durf jij naar beneden? Hoe krijgen we die hond weer in zijn kooi?'


Zin en waarde

Dr. Jan Key zegt: wees blij dat het leven zin heeft. Zo leest hij Levinas. Ik heb niet kunnen vinden dat Levinas (slachtoffer van de jodenvervolging) dat zegt. Wel zegt hij dat we moeten leven voor de Ander.
Jaap van Heerden beweert niet alleen dat het leven geen zin heeft, hij is er blij mee, om de volgende redenen: 1. de gedachte dat het leven zin heeft, heeft een slechte reputatie. Denk aan godsdienstoorlogen, vernietiging van culturen (Taliban, die mensen laten weten dat de Koran bewijst dat het leven zinvol is). Zingeving en besluiten tot barbaars optreden zijn altijd hand in hand gegaan. 2. Men zegt wel dat als het leven geen zin heeft, wij vervallen van kwaad tot erger. Alles lijkt dan immers toegestaan. Maar uit de aanvaarding van de zinloosheid volgt niet dat wij geen initiatieven moeten nemen om het bestaan wat aardiger in te richten. Het fatsoen vraagt niet om beloningen. Men doet goed om zich zelfs wil. Als we alleen maar goed doen om in een hemel te komen, of uit angst voor een hel, is het egoÔstisch, profijtelijk winstbejag. We hebben als mens de mogelijkheid om te werken aan een betere wereld, zonder honger, angst, ziekte. Die kans moeten we benutten. 3. Als het leven wel zin had en wij zouden die zin kennen, zou elke beweging belemmerd worden. Het leven zou tot stilstand komen. (Deze vind ik moeilijk te vatten.)
Ik voeg er een vierde overweging aan toe: als het leven zin heeft, is er een Zingever, die verantwoordelijk is voor alle ellende, voor het feit dat zijn schepselen moeten lijden onder alle kwaad. Als een kind overlijdt aan bloedkanker, kunnen we toch moeilijk de ouders ter verantwoording roepen? Niet voor niets gaf de verschrikkelijke aardbeving in Lissabon van 1755 de stoot tot het nieuwe rationalisme. Levinas probeert met zijn filosofie het leven wat aardiger te maken. Key zou beter kunnen zeggen: wees blij dat je het leven zin kunt geven.

Mark Rowlands ( 'De Filosoof en de Wolf') Stel dat het leven zin heeft, dan krijg je de vraag waarom er lijden is. Een van de moeilijkste opgave waarvoor we ons gesteld zien, is niet alleen vaststellen dat het leven geen zin heeft, maar ook de gedachte dat dat leven zin heeft, of zin moet hebben, ons afhoudt van wat werkelijk belangrijk is. Het leven heeft wel waarde. Je moet niet achter gevoelens aanzitten. We zijn het gelukkigst als we eenvoudig existeren, als we doen wat we moeten doen.


Het-kwaad-en-de-buil-op-je-hoofd

Bestaat het kwaad, of moet ik eerst vragen: wat is het kwaad? Het optreden van SS-ers bij de treinen; de filmpjes van IS; de handelingen van een pedofiel. De daders zullen het ontkennen: ze zullen zeggen dat het goed is om joden als ongedierte te zien, om het germaanse ras zuiver te houden; dat het goed is om de profeet te volgen; dat het goed is om de liefde te beleven. Wij kunnen dat onzin noemen. Dit noemen we het morele kwaad.
En een aardbeving, een tsunami, een blikseminslag? Kun je dat kwaad noemen? Natuurlijk kwaad? Bloedkanker of een andere afschuwelijke ziekte, waarvoor geen mens verantwoordelijk is? Als we denken dat de wereld om ons draait, dat wij bepalen wat goed of kwaad is, dan kun je bovengenoemde voorbeelden kwaad noemen. Schopenhauer zegt dat goed en kwaad relatieve begrippen zijn. Wat in bepaalde culturen of tijden kwaad is, is in andere culturen/tijden goed. Incest in Egyptische dynastieÎn of onder bepaalde omstandigheden: Noach en zijn dochters. Koppensnellen. Aanslag op Hitler. Het stenigen van overspelige vrouwen zien wij als kwaad, maar er zijn vele gelovigen die het goed vinden.
Galileo beweerde dat de aarde om de zon draait; dat was een juiste en dus goede opvatting, maar de kerk noemde haar een belediging en dus kwaad.
Wat kwaad is voor de mier, is goed voor de miereneter. Een aardbeving is een gevolg van het verschuiven van aardplaten. De aardplaten hebben niet 'bedoeld' mensen te doden. De bliksem is niet op jacht naar een onschuldige wandelaar op de heide, al wordt hij er misschien wel toe aangetrokken. De kankercel is er niet op uit mijn lichaam te verwoesten: hij weet eenvoudig nergens van, is in den blinde op zoek naar vermenigvuldiging.
Het insect dat een ei legt in het lichaam van een ander dier wil niet dat dier pijn doen, maar 'wil' eenvoudig voortleven. ' Niet lachen, niet jammeren of vervloeken, maar begrijpen,' zegt Spinoza.
Het kwaad is geen onafhankelijke macht, maar een gebrek in onze beleving. Een gebrek aan rede.

In feite is de mens onbekend met de aard der dingen en daardoor is de mens ervan overtuigd dat er een natuurlijke orde heerst. Dat is onze verbeelding aan het werk. Volgens Spinoza is er in het universum geen kwaad. De natuur is zoals zij is. Dat mag een filosofische waarheid zijn, maar als je getroffen bent door moreel of natuurlijk kwaad, heb je daar weinig aan, of je moet wel zeer losgezongen zijn van je ik, hoe illusoir dat dan ook is. Je weet dat een tafel meer leeg is dan vol, natuurkundig gesproken, maar als je je kop stoot, heb je wel een buil.


Portret van een dame

In hoofdstuk 49 vind een soort demasquÈ plaats. Nadat we een gesprek tussen Isabel en Madame Merle hebben gevolgd, waarbij de laatste unverfroren heeft laten blijken hoe zeer Isabel het slachtoffer is geworden van haar intriges met betrekking tot haar huwelijk. Het lijkt wel of Osmond haar heeft betaald voor haar diensten. Nu, in 49, doet James iets, dat hij niet eerder heeft gedaan: hij laat ons lezen hoe Osmond en Madame Merle met elkaar praten. Osmond blijkt een perfide schurk en Madame Merle veracht zichzelf om haar hand- en spandiensten. Ondertussen is de afwezige Isabelle verbijsterd.
Omdat de arme meneer Rosier, die zijn kunstverzameling heeft verkocht om rijk genoeg te zijn voor een huwelijk met Pansy, contact heeft gemaakt met de zus van Osmond, gravin Gemini, om bij haar te pleiten voor dat huwelijk, heeft Osmond besloten haar weer in het klooster te zetten, om haar te laten nadenken over haar vaders wil en om haar te onttrekken aan de invloed van Isabel en nu ook van zijn zus. Deze vindt zijn redenering belachelijk. Zij vraagt waarom hij niet gewoon zegt dat hij haar weg wil hebben van zijn zus, waarop Osmond, die me vaak doet denken aan de perfide Vicomte de Valmont uit 'Les liaisons dangereuses' zegt dat het eenvoudiger zou zijn haar te verbannen.
Het zou niet voldoende zijn, want dan was Isabel er nog. Dan krijgt Isabel bericht dat haar neef op sterven ligt. Hij wil haar nog zien. Ze moet komen. Ze deelt het Osmond mee, die zich verzet. Ze krijgt verrassenderwijs steun van haar schoonzus, die haar vertelt dat Pansy het kind is van Madame Merle en Osmond. Isabel is maar van ÈÈn ding overtuigd: ze moet Ralph zien 'met een verreikend, oneindig verdriet.'

Natuurlijk vertrekt Isabelle naar Engeland. Dat is in die tijd een schandaal. Een vrouw moet haar man gehoorzamen. Hij heeft de beschikking over het geld. Het is dan ook de vraag hoe Isabel in staat is om naar Engeland te reizen. James licht dat niet toe. Als ze daar is, kan ze opnieuw aan geld komen, maar uit het feit dat Ralph haar niets nalaat, moeten we begrijpen dat ze toch zelf de beschikking heeft over haar vermogen. Madame Merle maakt ook een opmerking waaruit blijkt dat Isabel zelf geld heeft. Ze neemt afscheid van Pansy die in het klooster gevangen zit en haar situatie heel goed doorheeft. Toch wil ze haar vader gehoorzamen. Madame Merle is ook in het klooster om Pansy, die haar haat, te bezoeken. Zij begrijpt dat Isabel op de hoogte is van haar bedrog. Ze vertrekt naar Amerika.
In het volgende hoofdstuk zit Isabel aan Ralphs sterfbed. Ze zwijgen lang, ook omdat Ralph niet meer de kracht heeft om te spreken, maar als hij zijn laatste reserves aanspreekt, blijkt dat hij al die tijd heeft geweten hoe ongelukkig Isabel was en is. Hun liefde is groot en ze zijn ondanks het verdriet even zeer gelukkig.
Het spook van het huis, waarvan hij heeft gezegd dat het pas mensen bezoekt, als ze veel hebben geleden, manifesteert zich als de geest van Ralph. Isabel is wakker gebleven en daardoor getuige van zijn sterven. Hij wist ook dat de rijke erfenis haar fataal is geworden. Osmond trouwde haar geld, al was hij aanvankelijk verliefd op haar.
In Gardencourt, het enige huis dat geen gesloten ramen had, waardoor het huis vanzelfsprekend toegang gaf tot het park, nemen de oude minnaars, nu ja, de mannen die haar wilden trouwen afscheid van haar. Lord Warburton als eerste. Hij heeft besloten te trouwen, maar het is duidelijk: hij houdt van Isabel. Stof voor een volgende tragedie? Het is treurig, maar hij neemt waardig afscheid, ook als Isabel hem duidelijk maakt dat zij niet naar zijn woning komt om afscheid te nemen van zijn zussen.
Isabel heeft Pansy beloofd terug te komen. Zij aarzelt nog steeds, maar de lezer weet al dat ze terug zal keren naar Rome. Ze zal zich overgeven aan de wraak van Osmond, maar Ralph heeft op zijn sterfbed gezegd dat haar vergissing haar niet erg lang kan kwetsen. Ze is nog jong en sterk en zal er overheen komen.
Wie er niet overheen komt is Goodwood, haar eerste minnaar uit Amerika. Hij doet een laatste poging, zegt dat hij alles weet en dat hij haar kan beschermen. In het park overweldigt hij haar, maar ze vlucht weg. Hij zoekt haar de volgende dag weer op, nu in Londen, maar ze is al op weg naar Rome.
Einde verhaal. Wat zal Isabel in Rome aantreffen? Hoe loopt het af met Pansy en meneer Rosier? De lezer mag er naar raden.
James heeft een scherp getekend portret gegeven van een mooie, jonge, intelligente en rijke vrouw, slachtoffer van haar trots en standsmoraal.


Jeugd

Hoe kunnen oude mensen jeugdig blijven? Door creatief te zijn, door emotie toe te laten en te uiten. Wat betekent dat voor Fred Ballinger, componist in ruste. Is hij nog creatief? Hij is met pensioen en hij hecht aan zijn rust; wil niet meer optreden als dirigent, zelfs niet als de koningin van Engeland hem dat vraagt, via een zenuwachtige bemiddelaar. Hij wil niet meer aan verplichtingen voldoen. Zelfs niet als het om een opvoering van een eigen compositie gaat, waar de koningin dol op is. Ook niet als er wordt gezongen door een zeer beroemde vocaliste. Later krijgen we te horen dat hij het niet wil omdat zijn vrouw niet meer kan zingen en voor haar heeft hij de compositie ooit gemaakt. Zijn vrouw heeft hij al jaren niet meer opgezocht. Ze wordt verpleegd in een Venetiaanse kliniek. Pas na de gekozen dood van zijn vriend, de filmregisseur, en het verwijt van zijn dochter dat er altijd alleen maar de muziek was, brengt hij haar bloemen, maar ze is niet in staat om te reageren. Is Fred nog creatief? Hij maakt muziek met een bonbonwikkel: krachtige ritmische muziek en er is in de film van Sorrentino een niet realistische scËne, waarin hij een alpenwei met koeiengezang, koebellen en vogels dirigeert. Sorrentino maakt er een compleet muziekstukje van.
Tenslotte dirigeert hij toch zijn muziek voor de koningin en haar echtgenoot en een dankbaar publiek. Hij dirigeert op de wijze die past bij zijn handelingen en gesprekken: beheerst, ingehouden, laconiek.
Sorrentino regisseert de acteur zoals hij Toni Servillo regisseerde in 'La Grande Belezza', zodat ze op elkaar lijken.
Ik zwijg over de banale, kitscherige aspecten van de film. Indruk maken twee kinderen in de film: een kleine violist die de melodie van de compositie speelt in een kamer van het luxe berghotel. Fred zegt dat hij de componist is en de jongen stelt ongelovige vragen. Een meisje spreekt hem wijs -te wijs?- toe.
In elk geval is duidelijk uit de film dat het enig dat telt, is de emotie die je voelt en het doorgeven ervan.


Osmond-portret-van-een-dame

Pas in hoofdstuk 43 krijgen we, achteraf dus, een psychologische analyse van de mislukking van het huwelijk. Osmond had verwacht dat zijn vrouw een verlengstuk van hem zou worden, 'een tuintje grenzend aan zijn hertenkamp, waar hij af en toe een tuiltje bloemen zou plukken', maar Isabel is onafhankelijk en daarom is hij haar gaan haten.
We zijn het vergeten, of we hebben het nooit echt geweten, hoe de adel of de gegoede stand in de 19e eeuw nog een totaal andere moraal had inzake het huwelijk en hoe dochters en vrouwen ondergeschikt waren aan vaders en echtgenoten.
Pansy moet trouwen met Lord Warburton, maar ze houdt van meneer Rosier. Ze blijft liever ongetrouwd om altijd te kunnen denken aan meneer Rosier. Haar stiefmoeder durft niet eerlijk met haar te praten uit trouw aan haar echtgenoot, die haar ongelukkig maakt.
Gelukkig voor Pansy begrijpt Warburton dat zij hem alleen maar aardig vindt en en gelukkig voor hem begrijpt hij dat hij niet op haar verliefd is, maar nog steeds op Isabel. Deze staat niet toe dat hij zich uitspreekt. Warburton terug naar Engeland. Osmond denkt dat zijn vrouw een geraffineerd spel heeft gespeeld. Ze ontkent het; misschien weet ze niet precies wat ze deed.
Isabelle bekent alleen aan HenriÎtte Stackpole, schrijfster en oude vriendin, dat ze ongelukkig is, maar dat ze het eerloos vindt haar huwelijk op te breken. Ze gaat nog liever dood.
Osmond heeft een hekel aan al Isabels vrienden. Alleen met Caspar Goodwood, de Amerikaan, kan hij sigaren roken en babbelen. Ondertussen ligt Ralph, de neef, op sterven in een hotel; 'herberg', zegt Isabel. Hij is gekomen met Warburton en hij zal terug gaan met HenriÎtte.


Wat denkt Pansy?

Bas Heijne noemt 'Portret van een dame' van Henry James een meesterwerk en ik ben het met hem eens.
De schrijver/verteller geeft ons inzicht in het denken, de beweegredenen van het het handelen van Isabel Archer. Zij heeft tot ieders verbazing een machtige en sympathieke edelman, Lord Warburton, afgewezen, verder een Amerikaanse aanbidder en een Italiaan. Ze wil onafhankelijk blijven, maar dan trouwt ze tegen het advies van haar liefhebbende neef met Osmond, een Amerikaanse Italiaan met een dochter, een lieflijk meisje, dat net uit een klooster komt waar ze is opgevoed om te gehoorzamen: Pansy.
Waarom? De schrijver vertelt het niet, zo min als hij vertelt over de eerste jaren van hun huwelijk en al helemaal niet over de seksualiteit, ook niet in de meest neutrale bewoordingen. Isabel krijgt een zoontje, dat jong sterft. Dat weten we alleen omdat het feit ons achteraf wordt medegedeeld.
En dan, na drie jaar huwelijk, komt Warburton naar haar donderdagse salon in Rome en wordt verliefd op Pansy. Haar vader wil graag dat zij met hem trouwt en Isabel moet dat aanmoedigen. We krijgen te lezen dat het echtpaar weinig met elkaar praat, dat Osmond zijn vrouw vaak vernedert, dat Isabel niet wil toegeven dat haar huwelijk niet geslaagd is. Wat speelt zich tussen hen beiden af? Hebben zij nog een seksuele relatie? Waarschijnlijk niet. We krijgen het niet te lezen.
James regisseert zijn verhaal. Een jonge Engelsman, Edward Rosier is verliefd op Pansy en zij bekent dat ze hem ook graag ziet. Edward bezoekt, zo lang hij wordt toegelaten, dat is niet lang, Isabels salon. Pansy zet thee met veel zorg en Edward kijkt naar haar. James vertelt: 'Als we nu door zijn ogen naar haar kijken, zullen we aanvankelijk niet veel zien dat ons herinnert aan het gehoorzame meisje dat drie jaar daarvoor in Florence werd weggestuurd om korte wandelingetjes te maken in de Cascine, terwijl haar vader en juffrouw Archer met elkaar spraken over grotemensenzaken.'
Verderop schrijft James over Pansy met een verrassende precisie: 'Ze was dus vindingrijk passief en haast fantasie volgzaam; ze was er zelfs op bedacht haar enthousiasme te temperen, waarmee ze instemde met Isabels voorstellen en waarmee ze kon hebben geÔmpliceerd dat ze er misschien anders over dacht.'
Krijgen we in het vervolg nog te horen wat Pansy denkt? Zal ze Edward loslaten en Lord Warburton toelaten? Ik ben benieuwd.


De ziel textiel

Ja, zo kan het ook. Het was de gewoonte gedichten te schrijven waarbij elke regel met een hoofdletter begon. Zo deed men het in Engeland. Er waren gedichten met hoofdletters en punten aan het eind van een zin. Komma's waren uiteraard ook aanwezig. De zin hoefde niet te eindigen bij het eind van de regel. Soms leverde dat een fraai enjambement op. Toen kwam de mode geen hoofdletters te schrijven, geen punten, geen komma's. Je moest als lezer maar uitzoeken hoe de zin liep of wat er aan grammatica was weggelaten.
Geert van Istendael begint zijn bundel 'Het was wat was' met een tekst die er uitziet als een gedicht. De regellengte wordt niet bepaald door de zetter, maar door de dichter. Wel hoofdletters, geen interpunctie. De hoofdletters geven het begin van de zin aan. Je weet dat de zin klaar is doordat je een volgende hoofdletter tegenkomt.
Dat gaat zo: 'Mijn erf verkilt Het eerste vlies op plassen / Wind trekt aan De wolken scheuren Vlagen / hagel duiken Zwart in tegenlicht valt / op straat en struiken wit Van welke heks / zou dit het teken zijn?'
Het wordt donker rond het huis. Winter. 'Wij kameraden stoken ketters vuur'. Binnen is het goed. 'Zo is het goed Zo is het'.
Ik denk: het is zoals het is. Vraag je om de zin, om bedoelingen? Om een God die zegt: 'Ik ben die ben'? Hoeft niet. Het is zoals het is.
Het varken doet het voor. Hoe moet je leven? Lekker eten, luieren. Je weet dat het mes komt en dat je zwoerd wordt. Of lap. Maar wie jou eet 'zal zijn lippen likken', zoals jij, varken, dat deed. Maar, zegt het varken: 'Nog niet. Nu duurt. Ik ben die ben. De dikke.'
De lezer ziet: daar zijn de punten en de komma's weer.
Het porseleinen kapstokje wordt gepersonifieerd. 'Hij loert, meer dan een eeuw al, naar dit huis. / Oog. Neus. Oog. En op die neus textiel / dat hangt. Ziedaar zijn ziel. Geen commentaar.'
Het kapstokje geeft geen commentaar, maar de dichter verklaart de ziel tot textiel. Zo is het. Waarom nog commentaar?
De eerste afdeling beschrijft de dingen in en om huis, in een langdurige waardigheid. De tweede gaat over bomen, met evenveel aandacht en liefde waargenomen en neergeschreven. Dan komen de mensen die zelf hun mededelingen doen in Brabantse tongval. Alledaagse mededelingen, nuchter, sympathiek en gevoelig.
De laatste afdeling is venijnig: Van Istendael geeft een poÎtisch boos commentaar op de wereld van het grote geld, zoals Joris Luyendijk inzicht bood van achter de beursschermen. De bankiers zijn een soort geile bokken. Al met al is het een tragedie.
Al met al schreef Van Istendael een heldere en stevige bundel gedichten.

Geert van Istendael, 'Het was wat was', uitg. Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen 2015, 56 pp.


Ontroering

Hij had zijn jas al aan en greep naar zijn sjaal. Ze vroeg of zij even met hem mocht praten en het werd hem duidelijk dat dit voor haar belangrijk was.
'Goed', zei hij en hing zijn jas weer aan een haak. Ze wees naar de tafel en ging op een stoel zitten. Hij trok een andere stoel bij en wachtte. Haar ogen vulden zich met tranen.
'Ik weet niet hoe ik moet beginnen, maar u heeft me ontroerd'.
Nu begon ze geluidloos te huilen.
Hij zei na even gewacht te hebben: 'Dat was ook mijn bedoeling. Ik zei dat ik emoties wil doorgeven' en hij dacht: al hoef je er niet om te huilen. Hij wachtte weer. Met lange, gekleurde nagels raakte zij een ooglid in een poging het stromen tegen te gaan. Er stond water op de tafel.
'Wil je wat drinken?'
Ze schudde nee.
'Wat kan ik doen?'
'U heeft dingen gezegd die me raakten, ook dingen die ik niet wist.'
Later dacht hij: ik had natuurlijk moeten vragen wat dat voor dingen waren of welke gedichten haar hadden ontroerd. Ze keek naar twee mannen die met elkaar spraken in dezelfde ruimte en ging op een andere stoel zitten, zodat ze haar niet meer in het gezicht konden zien.
Hij dacht: ik zal haar maar niet omhelzen.
Het bleef stil en het leek of ze de tranen nu onder bedwang had.
'Schrijf je zelf gedichten? Wil je ze laten lezen?'
Ze vertelde dat ze op een schrijversschool zat, nee een schrijversacademie, maar ze volgde proza.
'Van wie?' Ze noemde een naam die hem vaag bekend voorkwam.
'Hij schrijft literaire thrillers, maar ik wil ook poÎzie volgen.'
Ze bleef weer stil en plotseling begonnen de tranen weer te stromen.
'Ik weet niet wat ik moet zeggen. '
'Hoe oud ben je?'
'TweeÎndertig.'
Achter het raam van de ruimte waar ze zaten, verscheen een lange, knappe man. Ze maakte hem duidelijk dat het nog wel even zou duren en hij vertrok.
'Is dat je vriend?'
Ze knikte.
'Hoe heet je?'
Ze noemde een naam die hij niet goed kon verstaan. Hij haalde een stuk papier uit zijn borstzak, gaf haar een pen.
'Wil je hem opschrijven?'
Het was een Turkse naam.
'Wil je een kind?'
Ze keek verbaasd en zei dat ze het nog niet wist. Ze vertelde dat er een uitgever was die belangstelling had getoond voor haar gedichten. Ze noemde een naam, maar die kende hij niet.
'Ik zal je mijn adres geven. Dan kun je wat opsturen als je dat wilt en ik zal schrijven wat ik er van vind. Je moet er wel even bijschrijven wat voor oordeel je wilt: hard of zacht.'
Hij raakte haar wolbekousde dij en zei: 'Nu moet ik naar mijn trein' en stond op. Ze ging ook staan, veegde een traan weg. Hij trok zijn jas aan, deed zijn sjaal om en zag dat ze in de ruimte naar een tafel liep om wat op te ruimen.
Toen hij door de bibliotheek liep, zag hij de lange man zitten, die hem vriendelijk begroette. Hij maakte een gebaar waar hij misschien uit zou kunnen opmaken dat ze er zo zou aankomen.


Bank-vrouw-man-fietsen

Het gaat over e-bikes, maar zij zit jong en lachend op een bank in de natuur, haar hand op de knie, of het bovenbeen van haar vriend, haar reisgezel. Hij heeft dat been met die knie over het andere been geslagen.
Heeft hij zojuist iets treffends of geestigs gezegd? Moet zij daar om lachen, met wijd open mond, omhoog kijkend?
Is zijn blik, met de bijna gesloten ogen, de mond een beetje open, zelfbewust, trots, blij om zijn opmerking, om haar reactie?
De fietsen staan naast de bank: e-bikes. De fiets van het meisje heet Stella en is rood. Zijn fiets is bijna buiten beeld.
Wat opvalt is dat hij een lange broek draagt en zij een kort jurkje, zonder mouwen. Zij zit dus met blote armen en blote benen op de bank. Haar bibs op het hout. Zij zit op haar slipje. Hij zit op zijn lange broek. Zij heeft lang haar, dat in een golf op haar rechter schouder hangt en reikt tot haar bovenarm, dezelfde arm die eindigt in de hand op zijn knie. De andere hand op haar buik. De pols van die hand draagt een groot horloge. Zijn linkerarm en hand zijn onzichtbaar. Zijn rechterarm ook, maar zijn rechterhand is even te zien onder het linkerbeen, bijna op de blote knie van het meisje.
De e-bikes staan geduldig te wachten.


Vuur van verlangen.

Verlangen naar eenheid. Geen regressief verlangen naar de moederschoot, wel een verlangen naar totale geborgenheid, opgenomen te zijn in een bovenaardse schoonheid, goedheid, gerechtigheid. Een pyrotechnisch vuur: zorgvuldig opgebouwd uit elementen, met verstand en inzicht geconstrueerd. Ook met duivels plezier. Tot vuur moet je afstand houden, Maar het is ook aantrekkelijk, fascinerend. Vuur is gevaarlijk. Militair vuur heeft macht en je voelt je onmachtig, onderworpen. In de gevaarlijke omstandigheden kun je alleen maar angstig wegduiken.
Er zijn weinig mogelijkheden om naar buiten te treden, als je daar al behoefte aan had. Je moet je zien te vermaken met behulp van je eigen fantasie. Veel heb je niet nodig: een tafel, papier, schrijfmaterialen.
Het vuur voedt het verlangen naar warmte dat je even kunt vinden bij een ander, steeds weer opnieuw: seksueel vuur. Dit heeft wel iets te maken met het aanvankelijke verlangen, maar dat diepe verlangen gaat veel verder, is blijvend, terwijl het seksuele verlangen al gauw wordt geblust. Vuur wijst ook op enthousiasme, op de vurige wens deel uit te maken van de omgeving, de cultuur, de wereld en dat staat dan weer haaks op de behoefte aan een schuilplaats, bescherming, rust. Vuur kan leiden tot waanzin, de angst tot diepe depressie. Rondom je lijkt het of de wereld instort, of je loopt langs een begroeide rechterkant, waarachter alleen maar diep duister heerst, peilloze diepte. Aan de andere kant hoge hekken die in brand staan als je ze aanraakt. Je kunt niet doorsteken naar een veilige plek. Je moet langs het hek blijven lopen, kronkelend, en je weet niet waar je uitkomt.


Opkoper

Na de dood van mijn vader stond het huis drie maanden leeg, dat wil zeggen er was geen leven in. Alle spullen stonden er nog. Wij wonen niet in de buurt en bovendien zijn we niet erg mobiel. We hadden ervoor gezorgd dat er nog enige verwarming was en 's avonds ging een lampje in de gang en in de kamer vanzelf aan en 's morgens weer uit. Dat had vader zo gewild, hoewel hij er zelf niets van kon zien. De staande klok trok hij elke morgen op de tast op. Dat was het prerogatief van de man, zei hij en hij lachte een beetje bitter, want hij was maar alleen.
Op een morgen lag hij in de slaapkamer. Was hij gevallen op zijn achterhoofd of was het een hartaanval, een hersenbloeding? Het werd niet uitgezocht. Hij was toch al zeer gehandicapt en misschien was hem, zeiden de kennissen, veel leed bespaard.
Maar dat huis! We belden een opkoper ter plaatse en maakten een afspraak. Hij keek naar de klok.
'Nee', zeiden we, 'dat is een familiestuk, maar de rest kunt u meenemen.'
Hij keek naar de grote computer.
'Die is geschikt voor blinden', zeiden we.
'Dat zal wel, maar hij is verouderd.'
Hij keek naar de meubels, de boekenkast.
'Ik neem alles mee voor 600.'
Het viel ons tegen, maar wat moesten we?
We zagen alles in de grote vrachtauto verdwijnen: de tafel, de bedden, maar ook de boeken, het serviesgoed, de keukenapparatuur.
'Boter bij de vis', zeiden we.
'Dat is goed' , zei de opkoper en hij stak zijn handen in zijn zakken.
Wij wachtten even. Hij keek ons aan.
'Ja?'
'Heeft u geen geld bij u?'
'Geld?' zei hij. 'Ik wacht op uw zeshonderd.'
Eindelijk begrepen wij het.
'Moeten wij betalen?'
'Ja, zeshonderd, dat heb ik gezegd.'
'Nou ja', zei mijn man. 'Laad het dan maar weer uit.
'Dat wordt dan twaalf honderd', zei hij langzaam.
Ik trok mijn man aan zijn arm. 'Betaal nu maar. Ik wil geen gedoe. Wees blij dat het huis echt leeg is.'
'U mag wel pinnen hoor. De meeste mensen hebben niet zo veel geld meer op zak. '


Theophilus

Heer Lucifer gelooft er niks van als een jood Theofilus bij hem brengt met het verzoek tot eerherstel tegen elke prijs. Hij moet God en Maria verloochenen. Lucifer vertrouwt het niet.
'Als ik je geholpen heb, krabbel je weer terug naar God. Zo zijn de christenen.' Hij eist een schriftelijke verklaring, dat Theofilus voortaan de satan toebehoort, een brief, verzegeld met zijn ring. Theofilus kust de voeten van de duivel. Vreemd dat hij zijn naam niet hoeft te veranderen.

Hoe kon hij zo diep vallen? De geleerde, de ootmoedige, die al om werd geprezen om zijn levenswandel, zijn geleerdheid, bescheidenheid. Hij kreeg het ambt van bisschop aangeboden, maar weigerde omdat hij zondig was. Uiteindelijk werd een ander bisschop en hij ondergeschikt. Dat beviel hem niet. De mensen eerden hem niet meer en daarom zocht hij de jood op, ja, zo ging het in de middeleeuwen, om hulp aan de duivel te vragen.
Theofilus was blind van eerzucht, maar al gauw begrijpt hij wat hij heeft gedaan. Hoe moet hij dit herstellen? Veertig dagen ligt hij te bidden voor het beeld van de moeder Gods. Maria zal hem helpen. Haar zoon kan haar niets weigeren. Maar Theofilus heeft zijn ziel en zijn leven aan Lucifer gegeven. Maria zegt dat hij zelf aan God vergeving moet vragen. Hij heeft oprecht berouw en na drie dagen van vasten en bidden komt Maria terug met de boodschap dat God hem vergeven heeft.
Maar de brief met het zegel!? Weer gaat hij drie dagen en nachten vasten en bidden tot hij bewusteloos ligt.

Als si daer quam, dat hi van hare\ Niet en twint en wert gheware.\ Si ginc tote hem, aldaer hi lach;\ MAER ALS SINE SLAPEN SACH,\ SINE WILDE HEM WECKEN NIET;\ Ghemackelicke dat si liet\ Den brief vallen op sine berste\

Ja, dat is een goede moeder! Hoe ze aan de brief komt, vertelt het verhaal niet. Lucifer kan dan wel zekerheid vragen met zegel en al, het helpt hem niet. Maria is nu eenmaal machtiger.


Ganzenhoedster

In 1963 werd Betsie Wessel gekozen als mooiste ganzenhoedster van Coevorden. Misschien is Betsie nu ruim in de zeventig. Het was daar traditie dat jonge vrouwen, meisjes ganzen hoedden naar de markt in Coevorden, de tweede maandag in november. De vetste ganzen werden verscheept naar Engeland om te dienen bij de kerstmaaltijd.
De meisjes hadden dunne twijgen waarmee ze de ganzen bij elkaar hielden. Dat was niet moeilijk, want de ganzen liepen trouw achter de eerste aan.

In Assen is de tentoonstelling van de Glasgow boys, impressionistische schilders. Vooraan in de expositieruimte hangt een groot doek van een ganzenhoedster. Zeven ganzen en een klein meisje. Ze laat de ganzen grazen en brengt ze naar nieuwe plekken met gras.
Ganzen zijn het grootste deel van de dag bezig met eten. Afhankelijk van de soort graast een gans zeven tot twaalf uur per dag. In deze tijd wordt een halve tot ÈÈn kilo gras naar binnen gewerkt. Ganzenhoedsters weidden de ganzen (voor ei, vlees, dons en veer).
Ze worden bij honderden, als schapen, gehoed door herders. In Enter en andere plaatsen van Twente hield men grote troepen van deze beesten die op de beroemde markten van Zwolle en Deventer verschenen. Te voet werden ze daar naar toe gedreven. Utrecht had ook zijn ganzenmarkt. De bewoners van Goes hebben een gans in hun stadswapen.

Er is het sprookje van de ganzenhoedster, die eigenlijk een prinses is. Zij wordt door haar moeder, koningin-weduwe, naar een ver land gestuurd om een prins te trouwen. Ze krijgt een zakdoek mee met drie druppels bloed die haar macht moeten geven. Met haar gaat een kamenierster mee om haar op gepaste wijze te dienen, maar de kamenierster is vals en weigert de prinses water te geven als ze dorst heeft. De prinses bukt dan maar zelf bij de rivier en verliest het doekje met druppels. Zij is nu haar macht kwijt en de kamenierster eist haar sprekend paard Falada op en de mooie kleding van de prinses.
Aangekomen bij de prins denkt deze natuurlijk dat de kamenierster de prinses is en zal met haar trouwen. De echte prinses wordt ganzenhoedster. De valse laat het paard doden, omdat zij bang is dat het haar zal verraden. De prinses komt onder de poort waar het hoofd van het paard is opgehangen en zij beklaagt zijn lot. De kleine ganzenhoeder klaagt bij de koning dat hij niet meer met het meisje uit hoeden wil, want zij laat steeds zijn hoedje wegblazen door de wind. De koning vraagt wat er met haar aan de hand is, maar zij is door een afgedwongen eed gebonden en mag niemand iets vertellen. Vertel het dan maar aan de kachel. De koning luistert bij de kachelpijp, herstelt het meisje in haar eer en vraagt bij een vrolijk maal aan de kamenierster hoe iemand gestraft moet worden die zijn meesteres heeft bedrogen.

Toen zei de valse bruid: 'Zij is niets beters waard dan spiernaakt in een vat gestopt te worden dat van binnen met spijkers is beslagen, twee witte paarden moeten ervoor gespannen worden, die haar straat in straat uit in de dood moeten slepen. '
'U bent het,' zei de koning, 'en u hebt uw eigen vonnis uitgesproken, en zo zal het met u gebeuren.' En toen het recht voltrokken was, trouwde de jonge koning met zijn echte bruid, en samen heersten ze over het rijk in vrede en geluk.


Monarchvlinders en hun wonderen

Waar overwinteren de monarchvlinders en hoe vinden ze hun weg heen en terug? In het Canadese Toronto zijn deze vlinders in het moeras te vinden, waar zij leven van de inheemse zijdeplanten.

Fred Uerquhart keek als kind naar deze oranje-zwarte vlinders en hij vroeg zich af waar ze 's winters naar toe gingen. Niemand wist het.
Later studeerde hij zoˆlogie. Hij werd hoogleraar en was getrouwd met Norah Patterson, ook een vlindergek.
Ze maakten heel kleine plakkertjes, met een identificatienummer en de boodschap dat de vinder het dier naar de universiteit van Toronto moest sturen. Eerst moesten ze andere vlinderfanaten vinden en toen dat was gelukt, zagen ze dat dit vlinders naar het zuiden vlogen. Maar hoe ver?

Een man uit Mexico vond het antwoord. Hij vond miljoenen monarchen in naaldbomen bij een open plek in de bergen van de Sierra Madre-bergketen in Midden-Mexico.
Fred en zijn vrouw, boven de 60 inmiddels, klommen naar boven en vonden geen vlinders. Doodmoe daalden ze af en, ja wel, daar zagen ze op een open plek massa's vlinders, monarchen. De bodem was oranje-zwart gekleurd. Ze vonden ook de kleine plakkertjes terug.
De vlinders hadden meer dan 3000 km gevlogen. Ze passeerden woestijnen, prairies en bergen en koele rivierdalen tussen Eagle Pass en Del Rio in Texas, een moeilijke doorgang voor vlinders.

De vlinders leven niet lang genoeg voor de heen- en terug-reis. Onderweg planten zij zich voort. De vlinders die in Toronto terugkeren, zijn de kleinkinderen van de monarchen die het najaar daarvoor uit Canada vertrokken. Hoe kan dat?
Ze maken gebruik van diverse zintuigen: ogen, 'neus', maar ook hebben ze een zonnekompas dat de wisselende positie van de zon overdag kan compenseren door middel van zijn biologische of circadische klok, een wonderlijk vermogen, dat bij vlinders gevonden is in de voelsprieten. Met die voelsprieten nemen de vlinders luchtdruk waar en zelfs zwaartekracht.
Hoe kan een lichtpigment een onzichtbaar magnetisch veld bespeuren? Hier blijken quantum-biologische wetten te gelden, waardoor alles nog wonderlijker wordt.

(Bron: 'Hoe leven ontstaat', Jim Al-Khalili & Johnjoe McFadden)


Han-G-Hoekstra-museum

De deur van het Han G.Hoekstra-museum was onbereikbaar door een dicht web van spinnewebben, zo dik dat het wel leek of een plastic vangnet de opening naar de deur afsloot. Gelukkig hing er een aanwijzing dat genodigden door een zij-ingang naar binnen konden. Het was een ruim, licht en wit gebouw. Er stonden tafels met drank en hapjes. Ik was niet gemakkelijk gekleed. Een dikke witte deken omhulde mijn naakte onderlijf. Er was geen knoop in de deken. Ik moest de omslag wegstoppen zoals je doet als je een handdoek om je blote lijf slaat. De voorzitter van het ontvangstcomitÈ probeerde neutraal te kijken toen hij mij de hand reikte.
Ik liep langs de vitrines met foto's en handschriften en het verwonderde me we weer hoeveel hij had geschreven. Ik kende hem vooral van een gedicht voor kinderen: 'Leo is ziek'. 'Op straat scheen de zon, een draaiorgel maakte muziek. maar ik dacht alleen maar: Leo, Leo is ziek.'
En natuurlijk van: 'De ceder Ik heb een ceder in mijn tuin geplant, gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen. Een binnenplaats meesmuilt ge, sintels, schillen, en schimmel die een blinde muur aanrandt, er is geen boom, alleen een grauwe wand. Hij is er, zeg ik en mijn stem gaat trillen, Ik heb een ceder in mijn tuin geplant, gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen. '

Ik wist niet dat Hoekstra zo rijk was geworden, dat hij middels een legaat dit museum kon laten bouwen. Dat was ongetwijfeld onzin. Hij stierf in 1988. Joop den Uyl kende 'De Ceder' uit zijn hoofd, maar dat was vast geen reden om een museum aan hem te wijden.
In een verder gelegen ruimte waren veel mensen aanwezig voor een symposium waar ik niet bij hoorde. Ik liep terug naar de voorzitter die aanstalten maakte om een programma te openen over de dichter van het museum. De andere mensen keken verwonderd naar mijn kleding. Misschien dachten ze dat het een soort klederdracht was.


Religie beleven

Op zondag is er om 09.00 uur een mis voor drie heren in de Duomo. Helaas voor de priester die het evangelie voorleest via de microfoon en galmende luidsprekers is er in de grote kerk een handjevol gelovigen. We kijken buiten even naar het beeld van Plinius de Jongere, die achter glas beschermd wordt tegen weersinvloeden en smog. Het gebouw is van buiten blinkend schoon en indrukwekkend. Op de piazza lopen al veel toeristen en bewoners met honden die ze met elkaar laten spelen. Plinius heeft gewoond aan het plein.
In Como is vlakbij de kathedraal ook een Roemeens-orthodoxe kerk, San Provino, waar een uur later een plechtigheid begint met een priester in een lichtblauw gekleurd kazuivel, geassisteerd door in het zwart geklede diakenen. Een vrouwenkoor zingt met mooie lichte stemmen. Het talrijk aanwezige volk valt in en slaat voortdurend kruizen en gaat door de knieÎn om de grond aan te raken. De vrouwen links met hoofddoekjes zoals mijn moeder vroeger had in de katholieke kerk. De mannen staan en knielen rechts, hoewel daar ook een enkele vrouw staat. Kinderen lopen onbekommerd heen en weer en worden steeds aangehaald door de vrouwen. De kinderen hebben snoep en schuilen af en toe bij een moeder die ze optilt, kust en toespreekt. Achterin staat een schaal met gebak en je kunt bij de vrouw die daar staat ook dunne bijenwaskaarsen kopen waar veel gebruik van wordt gemaakt.
De rituelen maken tegelijk een een ietwat belachelijke en warme indruk. Hier zijn de gelovigen thuis. Ze ontmoeten elkaar en kunnen hun nationaliteit beleven. Wij beleven een ontroering die we ooit ook meemaakten in Jena, waar we binnen liepen in een Lutherse kerk, waar mooi gezongen werd door een man vlak voor ons, die na de dienst zich omdraaide, ons een hand gaf. L., die weinig religieus talent heeft, raakte ontroerd. Ze heeft het vaak nog over die man en wil ooit terug naar die kerk.
In deze kerk komen nog steeds mensen binnen die knielen en kruizen slaan, naar voren lopen met kinderen, buigen voor een ikoon, neem ik aan, en dan weer teruglopen om aan te schuiven in een kerkbank.


Plinius de Jongere

Als je van de Porta Torre in Como loopt naar de domo, de kathedraal, zie je na geloop in kleine middeleeuwse straten, rechtsaf, linksaf, al gauw de witte dunne gevel, waarvan je denkt: o, als die valt, zijn er veel mensen dood op het Piazza del Duomo. En daarna lees je dat de gevel in 1933 nog eens grondig is gerestaureerd, toen de 'overhang' op het plein dreigde neer te storten. 'Later dreigden de twee beelden van Plinio il Vecchio en Plinio il Giovane bij de deur kapot te gaan en zijn deze twee beelden voorzien van glas om ze zo te beschermen tegen de smog en andere onzuiverheden. Ook zijn enkele stukken marmer vervangen. Overigens is het een fabel dat kathedralen ooit spierwit waren.'
Plinius de Oude en Jonge zijn geboren in Como. Zij waren natuuronderzoekers en de Jongere is vooral bekend geworden door een brief aan Tacitus over de dood van zijn oom, die stikte in de zwaveldamp van de Vesuvius: 'Mijn oom was te Misenum en hij voerde ter plaatse het commando over een vloot. Vierentwintig Augustus, ongeveer het zevende uur rond een uur 's middags, wees mijn moeder hem erop dat er een wolk verscheen met en een zeer ongewone grootte en aanblik. Nadat hij in de zon gelegen had, vervolgens een koud bad genomen had, had hij liggend een lichte maaltijd genomen en hij was aan het studeren; hij eiste zijn sandalen, klom naar de plaats van waar dat vreemd verschijnsel het best bekeken kon worden. Een wolk ontstond - het was voor diegenen die van ver toekeken onzeker uit welke berg (later vernam men dat het de Vesuvius geweest was). Hiervan zou de gelijkenis en de vorm door geen andere boom meer dan door een pijnboom kunnen worden weergegeven. Want ze verspreidde zich met een soort van takken als het ware opstijgend in de hoogte met een zeer lange stam. Ik geloof, omdat ze door een krachtige luchtstroom gestuwd werd, vervolgens is die luchtstroom zwakker geworden en is de wolk tot stilstand gekomen of zelfs omdat ze overwonnen door haar gewicht zich oploste in de breedte. Soms was ze stralend wit, soms vuil en vol vlekken, naargelang ze aarde of asse omhooggebracht had.'


Freiburg T-hotel

In Freiburg is een grote Sportanlage met tennisbanen, voetbalvelden en gebouwen met ruimtes voor volleybal, zaalvoetbal, vechtsporten en een grote hal met een gladde vloer voor rolschaatsers. Ik keek er naar drie jonge meisjes die onder leiding van een iets ouder meisje les kregen in draaien, achterwaarts rijden en sierlijk, met de armen vooruit, met in de handen een gekleurde stok zwaaiend vooruitgaan. Ze waren niet gepantserd, hadden zelfs geen enkele bescherming, met uitzondering van ÈÈn die polsbeschermers had. Na enige tijd viel een meisje, maar het deerde haar niet. Ze bleef zelfs even, genietend leek het, liggen en kwam soepel overeind, waarbij ze wonderlijk snel weer op de rolschaatsen stond. Ik verbaasde me over de slanke heupen van de twee anderen. Hoe jong waren ze? Tien? Twaalf? Misschien toch dertien. Niettemin was het negen uur 's avonds.
In een andere hal waren jongens en jonge mannen aan het volleyballen, dat wil zeggen dat ze in tweetallen opslagen oefenden, waarbij de partner de bal moest terugslaan, zodat de eerste weer een opzet kon geven. Zo lang mogelijk de bal in de lucht houden, leek het spel. Ik stond achter een deur met glas, maar ik kon bij wijze van overdrijving het zweet ruiken. De jongens maakten weinig geluid.
Langs een voetbalveld buiten holde, beter sjokte een groep mensen onder de lampen. Achter het veld rees een heuvel met bomen op
In kasten op de gangen stonden zilveren bekers, bijvoorbeeld van een judoclub.
In het restaurant dat bij het complex hoorde werden eenvoudige maar smakelijke schotels geserveerd door al weer jonge meisjes, maar deze waren achttien of twintig, zeer vriendelijk en zonder maniertjes. Op weg naar onze slaapruimte kwamen we nog een zwembad en een sauna tegen. De lift was klein en niet blinkend, morsig zelfs, maar hij kwam zonder problemen aan op onze verdieping.


Schildersgeluk

Het was de laatste keer dat hij exposeerde, had hij tegen zichzelf gezegd. Zijn schilderijen waren kleine doeken en ze hingen niet erg opvallend in een buitengalerie. Het licht was genadeloos. Een goed schilderij reageerde op het licht. Hij had het vaak gedemonstreerd door in huis het licht aan en uit te doen of te dimmen, maar dit heldere buitenlicht maakte de voorstelling artificieeel. Tegen de natuur kon je toch al nooit op. In een museum met grote glazen ramen, die uitzicht boden op een landschap, bleef hij langer naar buiten kijken. Als dichter weigerde hij om buiten gedichten te lezen voor publiek.
De bezoekers trokken snel langs. Hij kon ze geen ongelijk geven.

Plotseling had hij een ingeving. Hij liep naar de schuur waarin allerlei schildersattributen te koop waren en koos twee grote geprepareerde doeken. Hij opende zijn schildersdoos, kneep tubes verf uit op een palet en greep grote en kleine penselen. Met een vanzelfsprekend gemak begon hij te schilderen. Het werd geen afbeelding van de natuur om hem heen, evenmin een herkenbare voorstelling, maar de kleuren pasten bij elkaar, vormden op de een of andere manier interessante configuraties. Hij hoefde niet te denken, schilderde alsof hij precies wist wat er op het linnen en waar komen moest. Bezoekers bleven stil staan en keken naar zijn werk. Ze hinderden hem niet. Hij leek te dansen met de kwasten en de kleur. Het resultaat beviel hem steeds meer. Toen hij dacht dat ÈÈn doek klaar was, begon hij aan het andere. Iemand vroeg of hij dit schilderij kon kopen. Hij schudde zijn hoofd. Later misschien. Nu niet. Eerst wilde hij zien of het andere doek er bij hoorde. De potentiÎle koper bleef staan en keek naar zijn handelingen. Toen het andere doek klaar leek, zei de koper: 'Ik wil ze alle twee.' Hij antwoordde dat hij aan de galeriehouder moest vragen welke prijs de doeken hadden. Duizelig liep hij terug naar de schuur.


Do-re-mi

Jurgen De Pillecyn schrijft in 'Neerlandia 3, 2015' onder de titel 'Do re mi of a b c? Over letters en syllabes in Nederland en Vlaanderen'.
In de inleiding vraagt een docent in een Vlaams conservatorium om een si en dan staat er dat de Belgische en Franse studenten 'zowat onmiddellijk treffen', dat wil zeggen dat zij een noot zingen op de goede toonhoogte.
Nu heb ik geleerd dat do re mi fa sol la si do een relatieve toonladder is, dat wil zeggen dat de afstanden tussen de noten vaststaat, maar dat de begintoon willekeurig is. Een docent kan dus geen si vragen. De Nederlandse student in het gezelschap zegt tegen een Duitse collega, in het Engels grappig genoeg: 'He means a B', 'waarna beiden tot hun ontzetting een schrille dissonant produceren'. Hoezo? Als de Nederlander een b geeft van het zogenaamde ÈÈngestreept octaaf - het octaaf op de piano waar je meestal begint - en de Duitser doet dat ook, dan klinkt er geen dissonant, aangenomen dat ze beiden een absoluut gehoor hebben.
De a heeft sinds 1939 440 trillingen per seconde. Als je een stemvork aanslaat hoor je die a. Een toon hoger is de b. De docent uit de inleiding vroeg waarschijnlijk zo'n b.

In het Muziekwoordenboek van Bernard Nelleke staat bij 'do' 'Italiaanse en Franse benaming voor de toon c'. Dan is 'si' inderdaad b.
Er is een scheiding tussen Latijnse en Germaanse landen, maar dus ook tussen Vlaanderen (dat het Franse systeem volgt) en Nederland.

Hoe komen we aan do re mi ofwel ut re mi? Guido van Arezzo (ca 1026) haalde deze lettergrepen uit een hymne gewijd aan de heilige Johannes, waar elke syllabe van de eerste zes verzen telkens een toontrap hoger begint. De tekst luidde: 'Ut queant laxis resonare fibris mira gestorum famuli tuorum solver polluti labii reatum sancte Joannes' (Zodat uw knechten met welluidende stemmen, de wonderen van uw daden laten weerklinken, de schuld van onze gekleurde lippen wassen, O Saint John.)

De 'ut' is vervangen door 'do' omdat die lettergreep beter zingbaar is. De si werd pas in de zestiende eeuw toegevoegd door Anselmus van Vlaanderen.

Hammerstein van 'The sound of music' leert de kinderen zingen via do re mi: 'Doe, a deer, a female deer Ray, a drop of golden sun Me, a name I call myself Far, a long long way to run Sew, a needle pulling thread La, a note to follow sew Tea, I drink with jam and bread That will bring us back to do...oh oh oh
De si wordt vervangen door ti, omdat dat beter zou zingen.


Bidden

Paul Johnson vindt het buitengewoon belangrijk tot God te bidden. Hij ziet God als een persoon, die hoort wat wij te zeggen hebben. Hij is beter bereikbaar dan bijvoorbeeld een minister-president. Wij hebben allen een privÈ-lijn met God. We kunnen altijd met God spreken, ook al antwoordt hij niet altijd of is zijn antwoord onbegrijpelijk of dubbelzinnig of raadselachtig (zoals bij de oude orakels). God leest alle briefjes die de joden in de muur stoppen.
Johnson: " Als iemand zegt: ik geloof niet in God, hoe kan ik dan tot hem bidden? Dan is mijn antwoord: misschien geloof je niet in God, maar God gelooft wel in jou! Je kunt bidden om geloof te krijgen. En het is wel degelijk effectvol. Hoe lang heb ik niet gebeden om de bekering van Rusland. Uiteindelijk viel de Sovjet-Unie en werden de kerken weer machtig. En als je zegt: de Sovjet unie zou sowieso falen, Dan zeg ik: dat weten we niet."


Schapen nu!

Plotseling waren er meer dan honderd schapen verzameld op een schuine helling voor de stadsmuren van Bergamo. Schapen met lange oren en fijnwollige vachten - ik zou ze Bergamaske schapen willen noemen - die genoten van het nog malse gras, waar ze elke avond volgens een voorbijgangster naar toe werden geleid om de groei van een dag te scheren.
Op straat keken de schaapherder en zijn hond naar de kudde. Op een gegeven moment gaf de herder een teken en de meute bewoog zich in drommen naar boven, naar een nauwe doorgang. Ze leken te weten dat de hond in actie zou komen als ze niet gingen of afdwaalden. Voor de zekerheid klom de schaapherder even op een muurtje. Pas toen alle schapen naar boven waren vertrokken, gingen hij en de hond er achteraan.
Even later was de helling alleen nog maar weer gras. De zon was al onder en de maan in zijn eerste kwartier verlichtte de omgeving. De voorbijgangster liep naar de onderliggende straten, nadat zij ons verzekerde dat het weer prachtig was geweest. Bellisimo en romantico. Ze zou er de tranen van in de ogen krijgen.
Wat is het toch dat we dit mooi vinden? En het silhouet van de oude stad in de nog enigszins lichte avondlucht. Waarom hebben we dat verloren in de benedenstad met zijn auto's, lantaren, industrie en de oplichtende reclame?

Natuurlijk kunnen we de mensenmassa's niet meer voeden met een paar schaapskudden en wat grasvelden, zoals we niet meer kunnen geloven in de idealen van de bont versierde kerken waarin een priester voor een handjevol gelovigen oude verhalen vertelt. Alle andere mensen zitten voor de tv en kijken naar zogenaamd opgewekte programma's, afgewisseld door treurig militair nieuws en economische ellende van andere volkeren.


Geloven tegen beter weten in

Het is verleidelijk te menen dat we naar de sodemieter gaan, niet door een meteoriet of een andere buitenaardse catastrofe, maar door ons eigen falen met betrekking tot vervuiling en verspilling. We worden slachtoffer van ons eigen succes als homo sapiens. Te veel mensen die gevoed moeten worden, die dezelfde welvaart willen die westerlingen (voor een deel) kennen.
Extremisten maken de welvaart kapot. De wereldmachten blijven elkaar aanvallen, maar beschikken in toenemende mate over apocalyptische wapens. Religieuze gekken zoeken de chaos vanwege een vermeende eindstrijd die de martelaren naar de hemel brengt.

Toch kan ik niet geloven- maar het is irrationeel - in een ondergang. Nieuwe ontwikkelingen: nanotechnologie, kwantumfysica, computerkunde zullen zorgen voor alternatieve energiebronnen, voldoende voedsel en gezonde leefpatronen. We zullen volwassen worden. Hoop ik.


Jong talent

Hij was pas 16 jaar oud, Giovanni Battista Martini, toen hij zijn beloften deed als Franciscaan. Hij had al een gedegen muzikale opleiding achter de rug, gegeven door zijn vader die vioool speelde. Hij was nog maar negentien toen hij kapelmeester werd van de Basilica van San Francesco in Bologna. Zijn composities waren al bekend en hij ging les geven in componeren. Martini was een bezeten verzamelaar van muziekliteratuur en hij bezat een enorme muzikale bibliotheek van 17.000 delen. Hoe kwam hij daaraan? Geld had hij niet. Hij liet zich waarschijnlijk betalen door leerlingen in boeken en manuscripten. Ook bewonderaars stuurden hem boeken. Nu is de rijke verzameling te vinden in de Internationale Muziekbibliotheek van Bologna in het prestigieuse Palazzo Sanguinetti.
Leopold Mozart vroeg zijn advies met betrekking tot zijn zoon Wolfgang Amadeus.
Mozart en zijn vader bezochten Bologna twee maal. Zij werden hartelijk welkom geheten door de hertog in Villa Pallavicini. Zij bleven drie maanden en zochten aansluiting bij de artiesten en wetenschappers van Bologna. De jonge Mozart was veertien jaar. Martini moet zijn jeugdig talent hebben herkend. Mozart deed een moeilijk examen in de Accademia Filarmonica en werd geaccepteerd als nieuw lid, hoewel men eigenlijk twintig moest zijn. Is hij door Martini geholpen? Zelfs met het examen? Er is enige mysterie rond de vereiste composities. Er zijn drie versies met nogal wat verschillen. Vader Leopold moest in de bibliotheek wachten tot zijn zoon na vele uren naar buiten kwam
Het zou Wolfgangs enige examen blijven.


Hoe lang nog?

In de Santa Maria dei Servi zaten maar negen mensen toen de priester naar voren schuifelde, maar hij droeg het evangelie voor met opvallende voordrachtskunst, stembuigingen en dynamische verschillen en ook de consecratie werd met de nodige dramatiek gebracht. Wat zou het leuk zijn om een flash mob te organiseren, zodat de kerk uitpuilde van jonge mensen die met veel enthousiasme de mis volgden, de priester gehoorzaam antwoordden en de gewenste liederen zongen. Wat zou die priester opkijken! Zou hij nog meer zijn best doen?
Na de mis kwam hij in min of meer gewonen kleding het ijzeren hek voor het altaar sluiten. Hij maakte een praatje met een bezoeker en leek daarbij zeer empathisch.
Bij de offerande kwam een man langs, die we eerst voor een bedelaar hielden, met een rieten mandje, afgedekt met een blauwe stof die een opening vrij hield waardoor je ongezien geld kon werpen. Hij droeg een soort campingbroek die hij steeds moest ophalen.
Achter de Oratorio di Santa Cecilia zagen we een lange rij mensen staan voor een smalle doorgang. Even verderop kwamen ze naar buiten met een plastic bord met eten. Christelijke charitas.
In het Oratorio zagen we hoe Cecilia werd onthoofd: eerst zat haar hoofd nog vast aan haar lichaam en keek ze moedig omhoog, even later - ja er wordt geschilderd als in een film - ligt haar hoofd met een vertrokken mond op de grond. Het bloed spuit uit de hals. Op een volgend fresco brengt men haar naar een tombe. Haar hoofd lijkt er met moeite weer opgeplakt.
Maar nee, we zagen het helemaal fout: op het fresco werden twee mannen onthoofd. Niks film. De eerste is haar bedoelde bruidegom, Valerian, die zich na de mededeling van Cecilia dat ze maagd wilde blijven, bekeerde tot het christendom en bij het zoeken van lichamelijke resten van martelaren, die begraven moesten worden, opgepakt werd door Romeinse soldaten (3de eeuw). Hij en zijn vriend Tiburtius werden onthoofd. De beul slaat met veel kracht en vakmanschap zijn zwaard. Pas later werd Cecilia gedood, eerst door hitte, maar dat lukte niet, later door haar hoofd af te snijden. Dat lukte ook niet zo goed. Uiteindelijk bloedde ze dood. Gedurende al die tijd zong ze. Vandaar patrones van de muziek, denkt men.


Onthoofdingen

Heb je net allerlei grote en mooie kerken in Bologna gezien, kom je in de Santa Maria Maggiore in Bergamo en die overtreft alles.
Maar nu over allerlei onthoofdingen. Tekeningen van Lotto van het Oude Testament zijn verwerkt tot grote afbeeldingen met houten inlegwerk En daar zien we inderdaad een stripverhaal. Rechts komt de kleine David aangelopen met krijgslieden om zich heen. Hij daagt de reus Goliath uit en werpt even verderop een steen die precies op zijn voorhoofd komt. De reus valt en even verder snijdt David zijn hoofd van zijn lichaam.
Op een andere plaat zien we hoe Judith het hoofd van Holofernes afsnijdt.\u8232 \u8232 En dan is er nog een houten beeldhouwwerk van de vijftiende eeuw (anoniem), dat laat zien hoe Santa Grata een hoofd op haar arm draagt. Het hoofd is van Alexander, een Romeinse soldaat die gevangen werd genomen in Bergamo wegens zijn christelijk geloof. Hij ontsnapte en vluchtte naar Milaan, maar daar werd hij herkend en opgepakt. Hij vluchtte opnieuw, nu naar Como, maar het hielp niet. Hij werd teruggebracht naar Milaan en zou onthoofd worden. De arm van de beul verstijfde echter in de lucht en hij belandde met hoofd in de gevangenis. Weer wist hij te ontsnappen, kwam weer in Bergamo en vond bescherming bij een hoge heer, die zei dat hij binnen moest blijven, maar Alexander ging de straat op om te preken. Natuurlijk werd hij weer opgepakt en nu lukte de onthoofding wel. Waarom? Had God er genoeg van of vond hij dat nu wel duidelijk was dat Alexander een heilige was en rechtstreeks naar de hemel mocht? De IS-strijders vandaag hebben genoeg aan ÈÈn welgemikte kogel of een bom of raket. De beloning is dezelfde, al spreekt het christendom niet over hoeri's.
Maar wie is die Santa Grata en waarom draagt zij zijn hoofd? Zij was een soort niet-commerciÎle begrafenisondernemer in dienst van de christenen. Zij verzamelde de resten van martelaren voor een ordentelijke begrafenis.
Wat is er gebeurd met de hoofden van Goliath en Holofernes?


>Variaties

Er zijn tientallen clavecimbels, clavichordia en merkwaardige instrumenten als organo da tavola, portativo, organo e regale. Al die instrumenten lijken op elkaar, maar er zijn evenveel variaties, net als kerken op elkaar lijken, maar een eindeloze variatie vertonen. Gothiek, barok, omvang, zijaltaren, meubilair, schilderijen; je vindt overal een Sebastiaan, een Rochus en natuurlijk vele Maria's met kind, maar altijd net even anders.
Ook de Italiaanse steden zijn gelijk en verschillend, dezelfde rommel, schoongemaakte centra, winkels, eetgelegenheden, pizza's, pasta's, beelden van militairen of heiligen, boekhandels, ijswinkels, bedelaars. In Bologna veel studenten, veelal morsig, allemaal met smartphones. Ze lopen kijkend en bellend door de straten. Op de Piazza Verdi veel zittende groepen, rokend, drinkend. Sommigen wonderlijk uitgedost omdat ze een graad gehaald hebben, verkleed als engelen of nimfen. Soms een bord voor en achter waarop staat dat ze geslaagd zijn. Ze worden soms meegesleept door vrienden of studiegenoten, werpen hun vleugels af omdat ze te dronken zijn. De meisjes hebben vaak spijkerbroeken met gaten. Enkele meisjes zijn mooi en duurgekleed.

Dominic Guzman kwam in januari 1218 in Bolgna. Hij werd getroffen door de vitaliteit van de stad en begreep het belang van de universiteitsstad voor zijn evangelische missie. Hij bouwde een kerk, later een grotere en schreef de eerste hoofdstukken van zijn orde. Hij werd in 1221 begraven achter het altaar van de San NicolÛ. Zijn Dominicanen maakten de kerk weer groter en dat werd de basiliek van de heilige Dominic. Zijn resten verhuisden naar een zijvleugel, maar er kwamen zo veel pelgrims dat het geheel werd uitgebouwd gedurende vijf eeuwen. De beroemde kunstenaar Pisano maakte beelden die zijn leven uitbeeldden. In de achttiende eeuw kreeg de kerk zijn barokke karakter, betaald door de Dominicaanse paus Benedictus XIII. Er zijn beelden te zien van onder andere Michelangelo en Filippino Lipi. De jonge Mozart speelde orgel in de rozenkapel tijdens zijn bezoek aan Martini.
Voor de kerk staat een beeld van de heilige op een hoge zuil. Aan de zijkant Maria op een zuil met rozenkrans, die Dominic invoerde. ( Een zelfde verhaal kun je vertellen over de San Francesco in Bologna, met natuurlijk de nodige variaties. )

De-schrijver-geeft-commentaar

We zijn al in het tweede deel van de roman 'Portret van een dame' van Henry James en we hebben Isabel leren kennen als een intelligente jonge vrouw uit Amerika die door haar tante naar Engeland is gebracht en die aan het eind van het eerste deel via Florence in Rome is aangekomen. Zij ontmoet daar een rijke Lord met een ontzagwekkende reputatie, die uit liefdesverdriet een lange reis heeft gemaakt en nu op de terugreis is naar Engeland. In Rome blijf je niet enkele dagen. Hij heeft Isabel in Engeland ten huwelijk gevraagd, wat nogal opmerkelijk is, omdat zij een onbemiddeld meisje was, maar zij heeft hem afgewezen, omdat ze voorlopig onafhankelijk wil zijn. Wel bewondert ze hem en is hij haar sympathiek. Inmiddels is ze schatrijk geworden door een onverwachte erfenis. Een Amerikaan die haar is gevolgd naar Engeland, ondanks het feit dat zij hem min of meer is ontvlucht, houdt eveneens vol. En dan is er nog een Amerikaan in Florence, Osmond, die haar het hof maakt.
Wij hebben Isabel leren kennen, ook haar binnenwereld. De schrijver heeft weliswaar een auctorieel standpunt ingenomen, maar zijn focus is vooral gericht op de mooie jonge vrouw.
Het tweede deel begint als Lord Warburton hoort dat ze naar een opera is gegaan en besluit haar te zoeken. De scËne speelt zich af in een tweederangs theater. 'Nadat hij enkele rijen loges had afgespeurd zag hij in een van de grootste van deze bakken een dame die hij moeiteloos herkende. Juffrouw Archer (dat is Isabel) zat met haar gezicht naar het podium en gedeeltelijk verborgen achter het gordijn van de loge; en naast haar, achterover geleund in zijn stoel, zat meneer Gilbert Osmond (uit Florence).' Dat moet pijnlijk voor hem zijn. Uiteindelijk besteedt Isabelle minder aandacht aan hem en hij vertrekt, teleurgesteld en boos: 'en liep huiswaarts, zonder de weg te weten, door de kronkelende, tragische straten van Rome, waar groter leed dan het zijne was gedragen onder de sterren.' Daarna krijgen wij de discussie tussen Isabel en Osmond te lezen. De gesprekken zijn intelligent en het verhaal is nooit redundant.
De schrijver mengt zich vaak expliciet in zijn verhaal. Op de tweede dag na het bezoek aan de opera ontmoet Isabel haar Lord opnieuw in het museum van het Capitool. Hij neemt bedroefd afscheid van haar.
'Ze ging ten midden van deze figuren zitten, terwijl ze hen vaag bekeek en haar ogen liet rusten op hun mooie lege gezichten; en ze luisterde als het ware naar hun eeuwige stilte. Het is onmogelijk, tenminste in Rome, om een groot gezelschap Griekse beelden lang te bekijken zonder te worden aangedaan door hun nobele rust, die, als bij het sluiten van een hoge deur voor een plechtigheid, de grote witte mantel van vrede langzaam op de ziel neerlaat. Ik zeg vooral in Rome, omdat de Romeinse lucht een exquis medium is voor zulke indrukken.'


Vaderlandsliefde

De patriot J.H.Swildens schreef in 1783 'Aan de Amsterdamsche burgers op hoop van vrede', waarin Amerika aan de Republiek ten voorbeeld wordt gesteld: 'O, zie Amerika!... en zou een Burger vraagen, / Zo 't nog de vrijheid geldt, wat ieder nog moet waagen? / Daar ieder sneven durft, wordt niemand overheerd.'

Mr. Johan Hendrik Swildens, was Limburger van geboorte, maar studeerde aan de Groningse hoogeschool. Hij ging naar Petersburg om daar carriËre te maken, maar dat lukte niet. Op zijn terugreis komt hij in Berlijn en verblijft daar enige tijd. Hij beweegt zich in kringen van vrijmetselaars. Hij zet zich in voor volksopvoeding door volksonderwijs. Hij schrijft boekjes voor het leesonderwijs van kinderen in de hoop dat zij op den duur begrijpen 'dat 's Lands onderhoud en defensie de eerste en gewigtigste zaaken zijn'.
Hij werd benoemd tot hoogleeraar te Franeker. In 1779 verscheen 'Bardietjes'. Swildens zegt in het Voorbericht, dat hij in Berlijn een vertaling van Anacreon in handen kreeg en dat hij werd getroffen door 'eene eenvoudigheid en schoonheid, waarvan wij in onze taal naauwlijks eenig voorbeeld hebben'. Overigens had hij bezwaar tegen de luchtige, ontuchtige en ironische inhoud van de gedichten. Daarom maakte hij gedichten in eenvoudige taal, maar met als onderwerp vaderlandsliefde en volksopvoeding.


Rijmelarij

Rijmelarij van Olivier Porjeeri (1736-1818) rustend predikant van Alkmaar: 'o Tuinsalaadje! / Beur 't Kruintje in top; / o Lindenblaadje! / Zwel uit uw Knop; / o Boerenboontje! / Kruip, Kievits zoontje / Kruip uit den dop.'

DaarvoÛr Jacob Cats: ' OP een soete Meye-nacht\ Daphins op sijn Liefje dacht; Al was heel de cudd' in rust, Slapens hadd'hy geenen lust. Opte wegh was gheen gheril, Vee en honden laghen stil, En de voghels al-te-mael; Maer alleen de Nachtegael,

Jan Kal (1946-heden): 'O Spaarnestad, denk niet dat ik je slijm, / omdat ik er nu eenmaal ben geboren. / Als ik de damiaatjes aan moet horen, / val ik van pure wanhoop haast in zwijm.'

En Joost Zwagerman uit Alkmaar: 'de nacht blaast dwingend alle lichten aan / het zwart sproeit duizendvoudig kleuren / de fonkelingen trekken dichters aan / die voorzien wat staat te gebeuren'


Oorlog en poÎzie

Het Leids Dichtgenootschap 'Kunst wordt door Arbeid verkregen' loofde in 1776 een prijs uit voor het beste gedicht over 'De invloed der Dichtkunst op het Staetsbestuur'.
Willem Bilderdijk, die het liefste soldaat was geworden, maar dat ging niet vanwege een chronische ontsteking aan de linkervoet, die hem van zijn zesde tot zijn zestiende jaar aan kamer en huis bond, ging aan het werk.
In 1776 ook, hij was twintig, werd hij boekhouder op het kantoor van zijn vader. Met tegenzin maakte hij vier jaren vol. Hij was vooral bezig met de Latijnse dichters. Hij had Horatitus' opwekking goed begrepen: 'vox exemplaria Graeca / Nocturna versate manu, versate diurna' (dag en nacht moet je met je hand door het werk van de Grieken gaan).
Hij werd door Leiden met de gouden erepenning bekroond.

Wat was volgens hem de invloed van de dichtkunst op het staatsbestuur? Of was het toch eerder een lofzang op de natiestaat, de Bataafse republiek, beter dan Engeland of het vuige Frankrijk? Zijn lof is overdreven en leugenachtig: ' Wie toont mij dit Gemeenebest, Waarop mijn staarend oog zich vest, Ten voorbeelde aller volken? Waaruit de snoode Dwinglandij, En yverlooze slavernij Verbannen zijn naar 't diepst der Acheront'sche kolken? Waar nooit de roofzieke Eigenbaat, Gewoon de Rijken te ondermijnen, Haar kromgespitste klaauw in slaat? Waar Nijd noch Twist verschijnen? Die Staat, steeds onafhangklijk vrij, Erkent geene Opperheerschappij, Dan die van recht en reden. Daar geeft, van haar' verheven' Throon, De Wet, de Wet-alleen gebo'en, Door geen losbandigen moedwillig te overtreeden. De Rijksstaf, aan haar zuivre hand Door geen geweld of list te ontwringen, Wordt nimmer strafloos aangerand Van wederspannelingen. Wie vraagt nog of het Staatsbewind D' onschatbren invloed ondervindt Van Dichtkunsts alvermogen; Daar zij alleen de heilge Wet Ten hoogen Zetel heeft gezet, En Themis nederwaart gelokt van 's Hemels boogen? Ja, 't is uw invloed, zuivre Maagd, Die al die deugden kan verwekken, Daar 't vrij gewest zijn' roem op draagt, Die 'k maalde in flaauwe trekken.

Verderop blijkt dat Bilderdijk vooral de krijgsmacht en de dapperheid bezingt. Hij is dan toch de gemankeerde soldaat. Het is volgens hem de taak van de dichtkunst de strijders moed en trouw in te spreken.
Zou Zijlstra van de VVD dan wel wat geld over hebben voor de literatuur?


Lezen en empathie

De lezer van een roman heeft mededogen met de tragische romanfiguur, omdat hij weet dat hij zich net zo ongelukkig zou voelen als de romanfiguur als hij in gelijke omstandigheden verkeerde, of net zo gelukkig als de verliefde romanfiguur. Tegelijkertijd kan de lezer afstand nemen. Zijn identificatie is nooit totaal. Dat is in het alledaagse leven wat moeilijker. Juist de mix van empathie en afstand maakt het lezen van romans tot een geschikte wijze van morele opvoeding. De lezer wordt niet opgejaagd door onmiddellijke keuzemomenten. Hij kan de situatie rustig overdenken en heeft evenmin voor- of nadeel van zijn overwegingen. De stijl van het verhaal verleidt tot een bepaalde stijl van denken: niet schematisch, filosofisch of structureel, maar persoonlijk, bloedwarm, hatend of liefhebbend en in elk geval betrokken.
Natuurlijk is de gevoeligheid en de bereidheid van de lezer van belang. De tekst zal niet automatisch tot herkenning, meegevoel leiden. Een lezer kan ook met onbegrip reageren. En het is ook duidelijk dat een zorgvuldige leestraining van jongs af aan van belang is, waarbij de opvoeder niet ontgoocheld moet worden, omdat groepen leerlingen hun identificatiemodellen op een andere, niet minder effectieve, wijze zoeken en vinden: musici, sporters, filmsterren.

Armoede

Peter van Lier (1960) ( dichter, filosoof; PoÎzieprijs Vlaamse Gids, Jan Campertprijs) is ÈÈn van de slachtoffers van de VVD-politiek van Zijlstra. De bezuinigingen op het gebied van de kunsten en de minachting die kunstenaars moesten ondergaan, begon in 2013.
In 2012 had Peter nog een (gering) inkomen met zijn gedichten en ander schrijfwerk. Literaire bladen verdwenen, waardoor zijn gedichten niet meer of nauwelijks geplaatst werden. Een museumtijdschrift waarvoor hij een column schreef, hield op te bestaan. Zijn uitgever wilde zijn essay-bundel, waaraan hij jaren had gewerkt , niet meer uitgeven. Niet populair genoeg. Ook een dichtbundel bleef onuitgegeven. Dat lag niet aan de kwaliteit, maar aan het verwacht gebrek aan kopers. Vroeger subsidieerden populaire boeken de boeken waaraan lezers nog moesten wennen.

Een gevoel van onzekerheid overviel de dichter. Waarom nog schrijven als men er geen kennis meer van neemt? Overigens realiseerde hij zich heel goed dat zijn situatie nog rooskleurig was in vergelijking met die van een Spaanse schrijfster die 'na een armoedeval met haar kinderen uit huis werd gezet'. Zij moest voortaan met haar kinderen leven van een voedselbank.
Peter besloot zes weken te gaan 'wonen' in de tentoonstellingsruimte van NOK 6 in Beetsterzwaag. Zouden de daar aanwezige kunstwerken van kunstenaars die het ook moeilijk hadden, hem de inspiratie terug kunnen geven? Hij ging twintig korte essays schrijven over de kunstwerken en ging daarbij van zwart naar kleur.
Deze columns werden op 4 oktober 2015 gepresenteerd in de galerie, waarbij twee kunstenaars reageerden op de over hun werk geschreven columns. Het boekje kreeg de treffende naam 'De voedselbank', omdat de kunstwerken het geestelijk voedsel boden dat Peter weer moed gaf.


Niet-populair

In Weener, net over de grens, staat een grote kerk, evangelisch-reformatorisch, met een prachtig Schnitger-orgel. Daarop speelt Pieter Dirksen, beroemd organist-clavecinist. Boven de deur staat 'O Mensch gedenk der ure des Doods', in een taal die wel erg op Nederlands lijkt. Vandaag hebben we in het nabij gelegen Papenburg op de druk bezochte middeleeuwse markt mensen horen praten in platduuts en we hebben teksten gelezen in Leer, in de Altstadt, die ook voor ons gemakkelijk te begrijpen zijn. Er liepen veel mensen.
Terug naar Weener: er is zonlicht door de ramen, daarachter de stam en takken en het groen van de bladeren. Toch gaat om 17.30 uur het licht aan, want het is al herfst. Pieter speelt een toccata in d en uit het Orgelb¸chlein o.a. 'Jesu meine Freude' en 'Alle Menschen mussen sterben'. Het is verrassend hoeveel verschillende klanken en sferen het orgel kan laten klinken.
Op een bord links en rechts van de preekstoel staat 1 Kon 19. Dit is de tekst 'Elia ging weg van de Horeb. Toen hij Elisa, de zoon van Safat, aantrof was deze aan het ploegen. Ze waren aan het werk met twaalf span ossen; Elisa liep achter het twaalfde span. Elia liep op hem af en gooide zijn mantel over hem heen.' Elisa gaat met hem mee, maar wil eerst afscheid nemen van zijn ouders. Elia zegt dat hij moet doen wat hij niet laten kan en Elisa slacht zijn runderen en braadt het vlees op het houten juk en geeft het aan zijn knechten te eten. Daarna gaat hij met Elia mee en wordt later zijn opvolger.
Wat heeft de dominee gepreekt? Dat wij geroepen worden en moeten volgen? Daarna las hij Psalm 84, de verzen 1tot 3 en 6, waarin iemand vraagt om hem te behoeden voor de listen van boze mensen: 'Verberg mij voor de listigheden'. En voor den heimelijken raad Der bozen, die, geneigd tot kwaad, Oproerig in hun doen en reden, Steeds onrecht smeden.'
Je moet dus niet naar iedereen luisteren. Het volk zong 447: 'God gaat zijn ongekende gang vol donk're majesteit, die in de zee zijn voetstap plant en op de wolken rijdt.' en 391: 'Wij mensen, arm en zondig, onmachtig en onmondig, wat denken wij dan wel? Of wij ons al vermeten te menen iets te weten, 't is maar een droom, een schaduwspel.' en toen las de dominee Psalm 68, vers 7 en 9. 'Gelijk een duif, door 't zilverwit En 't goud, dat op haar veedren zit, Bij 't licht der zonnestralen; Ver boven andre vooglen pronkt, Zult gij, door 't Goddlijk oog belonkt, Weer met uw schoonheid pralen. Wanneer Gods onweerstaanbre hand De vorsten uit het ganse land Verstrooid had en verdreven, Ontving zijn erfdeel eedler schoon, Dan sneeuw, hoe wit zij zich vertoon', Aan Salmon ooit kon geven.'

Dominee heeft het allemaal zorgvuldig bij elkaar gezocht. We zagen de gelovigen na de dienst voor de deur afscheid nemen. Hoeveel waren het er? Dertig of iets meer?
Tenslotte speelt Pieter Dirksen van Frescobaldi Cembalowerke aus 'Primo Libro di Toccate'. De kerk is groot en de veertig luisteraars laten dus veel lege ruimte zien. Deze muziek is niet populair.


Schouwburgpubliek

Van Effen vertelt dat tussen de bedrijven in de schouwburg een vrouw rondliep met een kan en glazen, terwijl ze riep: 'Motje hier ook bier?', terwijl een kerel riep: 'Belieft er ook iemand van boekjes gediend te wezen?' Tijdens het spelen zat het publiek, zoals nu in de bioscoop, noten te kraken. Vervelender was dat bij de opkomst van een acteur commentaar werd geleverd, zoals nu bij de tv: 'O, dat is die acteur uit 'Aran en Titus'.
Men schold acteurs met 'lelijke' rollen uit, zoals bij de poppenkast.
In 1762 wordt geklaagd over de gasten van een bruidspaar die veel lawaai maakten. Van een tienstuiversplaats boven viel een glas met drank naar beneden. Men gooide ook schillen van noten en appels naar beneden op de hoofden van deftiger toeschouwers.
In de negentiende eeuw was het niet veel beter. Het schouwburgpubliek was minder deftig dan het concertzaalpubliek. Men nam baby's soms mee, omdat men geen oppas had. Het publiek op het schellinkje schreeuwde en vloekte. Men spuwde naar beneden, in de zogenaamde bak, die dan ook de kwispedoor van het schellinkje werd genoemd. Uitgekauwde tabak, hoeden, flessen en stukken glas kwamen naar beneden en zelfs eens een complete man, dit tot verdriet vooral van degene beneden die hem opving.
Beginnende acteurs die soms hoofdrollen kregen die ze nog niet aankonden, werden uitbundig uitgefloten. Toeschouwers sprongen wel eens het toneel op als ze ergens niet mee eens waren. Zelf heb ik eind twintigste eeuw meegemaakt hoe iemand uit het publiek luid zijn ongenoegen kenbaar maakte over het spel. Actie Tomaat is nog niet zo lang geleden. Sommige acteurs zijn toen voor de rest van hun leven beschadigd.


Gefnuikt

De taalkundige Paardekoper, bekend van zijn eigenzinnige grammatica en van zijn fonologische spelling, moest lang wachten voor hij hoogleraar werd en 'dan alleen nog maar aan een dependance van de Katholieke Universiteit van Leuven in Kortrijk' (citaat van Maarten Klein en Gerard Verhoeven uit zijn levensbericht, Maatschappij der Nederlandse letterkunde). Hij hoopte opvolger te worden van Van Haeringen in Utrecht. Waarom lukte dat niet? Was hij te compromisloos, te revolutionair en te eenzijdig en daarbij ook nog rooms katholiek?

De schrijfster Marijke Hˆweler voelde zich miskend. Ze werd steeds maar beschouwd als tekstschrijfster voor Lurelei en Avro's Mignon. Haar literaire debuut was 'Tranen van niemand' (1964): proza gedichten en kleine verhalen. Het is vrijwel onopgemerkt gebleven. 18 jaar duurde het voor ze weer met een publicatie kwam: 'Van geluk gesproken' (1982). Dat boek werd een succes. Het was niet eenvoudig geweest om het uitgegeven te krijgen, Want bij de Arbeiderspers kende niemand haar nog. Gerrit Komrij schreef:' dat zo'n lelijkerd zo goed kon schrijven...' (Donald Trump had zijn voorgangers!)
Het boek werd verfilmd. Marijke zegde haar baan bij de VU als psychologe op en schreef sindsdien elk jaar een of meer boeken, maar het nieuwe was eraf. Men vond de boeken 'melig'.
Na 1994 werd het stil. Ze publiceerde pas weer in 2002: een novelle 'WeekendcafÈ'. De hoofdpersoon, een schrijver, kan niet meer tot werken komen. Reden: jaloezie en rancune wegens het commerciÎle succes van collega's als Connie Palmen. De schrijver vond haar werk 'autobiografisch gewauwel'.
Pas in 2005 schreef Marijke zelf een autobiografische roman, 'Over de streep', die volgens Elsbeth Etty, aan wie ik dit alles ontleen, in haar levensbericht in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde (2012-2013), de kroon op haar oeuvre is, 'haar rijkste en intiemste roman'.


Koningslied

Toen Napoleon verloor in Waterloo, werd ons land weer zelfstandig. Dezelfde mensen die bij zijn zegetocht blijdschap huichelden en zich gedroegen als kruipende honden, begonnen nu op hem af te geven en veroorloofden zich allerlei grollen over hem. De rector van de Latijnse scholen te Haarlem, Mr. Jan ten Brink, droeg een gedicht voor dat zo begon: 'Waarde vrienden! 't is dan zeker Nap is eindlijk in de val... En een ieder vraagt nieuwsgierig, wat er van hem worden zal? ' Een man uit het gezelschap bedacht volgens het lied de volgende grap: men moest hem in een werkmanspak koffie, suiker en tabak laten slepen, hem een suikerbiet in de handen geven om aan te zuigen en hem dan te vragen: 'Is het niet lekker Nap?'
De oude admiraal van Kinsbergen schreef een wedstrijd uit ter gelegenheid van de nieuwe koning: 500 gulden voor een volkslied. Het werd " Wien Neerlands bloed door de aderen stroomt, Van vreemde smetten vrij / / De godheid op haar hemeltroon, / Bezongen en vereerd, / Houdt gunstig ook naar onze toon / Het heilig oor gekeerd."
Wat een kinderachtige lieden in die tijd! Maar, bedenk ik, luister naar ons Koningslied. Het was veel duurder en veel idioter.


Fictie-en-werkelijkheid

Als de filmregiseusse niet kan slapen, of wakker wordt uit een verwarrende droom over haar stervende moeder of over de clowneske acteur die de nieuwe fabrieksdirecteur speelt in haar film en die de Italiaanse taal moeilijk kan onthouden, stapt ze uit bed en schrikt, want de vloer staat blank. Zij loopt op blote voeten door het water naar de badkamer, die overloopt en grijpt in een kast naar oude kranten om het water te laten opzuigen, pakt een emmer en een dweil, maar begint machteloos te huilen. Dan begrijp je als toeschouwer dat dit misschien ook een nachtmerrie is.
De regisseur van de film 'Mia Madre' laat je vaak in het ongewisse over wat reÎel is of fictie. Ook met de tijd speelt hij. Zo zie je de opgeruimde studeerkamer van de moeder, die lerares Latijn was: de planken van haar boekenkast zijn leeg en de vloer staat vol verhuisdozen. Wat moet er met al die boeken, al die kennis gebeuren? Maar de moeder is nog niet dood en later in de film loopt de dochter langs moeders bureau met de keurige stapeltjes Lucretius, Tacitus en de woordenboeken. Als de moeder dood is komen er oudleerlingen langs die vertellen hoe zij zich waargenomen voelden door de lerares, hoe ze zich reÎel voelden. De lerares was er voor haar leerlingen. Haar dochter krijgt het verwijt van haar minnaar, die ze wegstuurt, dat ze de mensen van de crew alleen maar gebruikt voor haar film, dat ze anderen niet ziet 'staan'.
De moeder helpt haar kleindochter met Latijnse vertalingen, zoals ze haar dochter met raad en daad terzijde stond. Haar zoon heeft verlof opgenomen om haar bij te staan. Zijn chef legt uit dat een man van zijn leeftijd moeilijk weer aan een baan komt en hij antwoordt: 'Ik weet het.' Wordt de man ontslagen? Biedt de chef hem aan nog langer verlof te nemen? Het wordt niet duidelijk en het lijkt er ook niet toe te doen.
De ijdele acteur wordt woedend na de zoveelste 'cut' en schreeuwt dat hij genoeg heeft van de onwerkelijkheid van de film, dat hij wil leven in de werkelijkheid.
Wat is de werkelijkheid? Dat de moeder stervende is en dat alle medische handelingen alleen maar uitstel betekenen. De dochter wil niet geloven dat haar moeder dood gaat, maar als het zover is, zoekt ze met vrouwelijk realisme kleding uit voor de dode moeder, die deze moet dragen in de kist. De zoon zit er intussen verslagen bij.
De moeder loopt weg uit het ziekenhuis, in slaapkleding. De verpleegsters zien haar gaan en grijpen niet in. De moeder staat op straat en steekt over een drukke autoweg. De auto's razen langs. Is het een droombeeld van de moeder of een angstbeeld van de dochter?
De regiseusse zegt tegen haar acteurs: 'verdwijn niet te veel in je rol, ik wil ook nog een acteur zien'. De acteurs begrijpen het niet en zij geeft later toe ook nauwelijks te begrijpen wat ze bedoelt. Moeten de acteurs laten zien dat de film fictie is en dat zij werkelijk zijn?

Literatuurgeschiedenis

Literatuurgeschiedenis is kunstgeschiedenis, zegt G.Kalff in zijn voorrede tot de 'Geschiedenis der Nederlandschen letterkunde in de 16e eeuw'. Het boek is 126 jaar oud, antiek dus, maar in de antiquariaten die ik heb bezocht, zeggen ze: 'Doe maar bij het oud papier.'
Wat betekent die uitspraak? Literatuurgeschiedenis moet tonen langs welke weg zich de kunst van het woord heeft ontwikkeld. Literatuur is kunst en literatuurgeschiedenis moet tonen wat er is voortgebracht, door wie en wanneer. De schrijver moet bepalen in hoeverre het geschrevene tot het kunstdomein behoort.
Is er een objectieve maatstaf of alleen een subjectieve? Is zijn waarheid de waarheid of moet hij toegeven dat hij bepaalde werken mooi of lelijk vindt, waardevol of waardeloos?
Ook als anderen het niet met hem eens zijn, zal hij zijn beschouwing toch de juiste vinden. Zijn smaak, die gevormd is door een uitvoerige leeservaring is de hoogste rechter. Op deze wijze beschouwd kan literatuur geschiedenis geen wetenschap zijn. Toch moet de beoefenaar verschijnselen waarnemen, vergelijken, ordenen, rangschikken. Hij moet inductief en deductief te werk gaan. Hij moet analyseren, combineren en hypothesen opstellen, Zoals in elke wetenschap. Moet hij ook wetten vinden? Hij kan regelmatigheden vinden.

Zijn esthetische wetten nog niet ontdekte natuurwetten? Is de gulden snede zo'n wet? Is de reeks van Fibonacci niet terug te vinden in gedichten?
Het is uiteraard gemakkelijker wetten te vinden in de stoffelijke wereld. De geestelijke wereld is ingewikkelder en geheimzinniger.
Literatuur staat niet op zichzelf. Zij is een uiting van menselijke gedachten-en gemoedsleven. Wat is het verband tussen literatuur en de maatschappij, tussen de persoon van de schrijver en zijn werken? Waardoor zijn de kunstwerken geworden wat zij zijn? Men moet beginnen te zoeken naar de gegevens die een antwoord kunnen geven op de laatste vraag. We zullen wel nooit in dit stadium komen dat alle gegevens bekend en helder zijn. Men moet dan toch maar beginnen en bereid zijn de gevonden resultaten te onderwerpen aan nieuwe gegevens. In de natuurkunde - denk aan de wetten van de zwaartekracht - is het niet anders.


Stilte

Net als mevrouw Mann zorgde Kitty van Vloten er voor dat haar man, Albert Verwey, ongestoord kon werken in zijn 'laatste kamer'. Ze kregen zeven kinderen, maar als vader werkte kon je een speld horen vallen, zo wil men geloven. Kitty was intelligent en creatief en zij was Alberts grote geluk. Hoe zou hij anders geslaagd kunnen zijn als dichter, tijdschriftleider, wetenschapper, hoogleraar, Vondelkenner? Albert was de zoon van een meubelmaker, die zijn talentvolle zoon de HBS gunde. Daar kreeg hij les van een enthousiasmerende leraar (Doornbosch) samen met andere latere Tachtigers. Door de literatuur kwam hij in contact met de dochter van Van Vloten. Een andere dochter trouwde met Van Eeden. Frederik en Martha scheidden nadat hij al haar geld had gestoken in zijn kunstenaarskolonie in het Gooi en met zijn tweede vriendin was gaan samenwonen. Ook de derde zus had een ongelukkig huwelijk met de schilder Witsen. Hun vader was een geleerd man, hoogleraar en Spinozakenner, die dankzij zijn vrouw een vermogen erfde. Hij was een vrijdenker, die zijn dochters de vrijheid van zonen gunde. Terwijl de jonge Henriette van der Schalk stijf gearmd met een gouvernante door de duinen liep, fladderden de zusjes Van Vloten vrij met wapperende rokken door het zand. De intelligente en creatieve meisjes waren zeer gewild in de kunstenaarskring van Tachtig. Helaas werd ook Kitty opgesloten in het huwelijk en moederschap, maar waarschijnlijk in haar geval met vanzelfsprekende goedkeuring.
Ondertussen zat Albert in zijn studeercel te werken. Ze woonden in een prachtig huis in Noordwijk, Villa Nova, met uitzicht op de duinen en het bloeiende land daarachter.
Albert schreef: 'In de Laatste Kamer\ / Kindren die zich zacht bezinnen\ Wonen in de laatste kamer. Elk geluid klinkt aangenamer / Dan in de open lucht, hierbinnen. / Voorplein, open gang van zuilen,\ Daaraan grenzende vertrekken,\ Vangen klanken die er wekken\ Wie zich schuilend niet verschuilen;\ / Liggen, hoe omgrensd ook, open\ Tot het meespel met de menigt,\ \ Die zich scheidt en zich vereenigt\ In de hartstocht van haar loopen.\ (...)\ Doch de kindren in de laatste\ Weggebouwde kamer hooren\ Niets dat hun gepeins kan storen,\ Nergens klank die luid weerkaatste.\ (...)\ '

De kinderen zijn de scheppers van nieuwe teksten, kloosterlingen, monniken in hun cel.


De hond van Jongejan

Ze was in de steek gelaten, mooie Carla. Alle jongens liepen achter haar aan in de winderige stad aan zee, maar zij koos een jongeman die haar in de steek liet. Hij vertrok enige tijd naar het buitenland, zij wachtte geduldig op zijn terugkeer, schreef brieven, ontving enkele brieven terug waarin niet stond dat hij kennis had gemaakt met een meisje op wie hij echt verliefd werd. Toen hij terugkwam, stond ze op Schiphol met bloemen. Hij durfde nog niet te vertellen dat er een ander was, maar een paar weken later moest hij wel, omdat ze vroeg waar zijn verkoeling vandaan kwam. Ze zat huilend op de stoep van zijn huis, maar zijn moeder had opdracht gekregen de deur niet te openen.
Ze wilde niet meer eten en vermagerde gevaarlijk. Haar moeder liet de dokter komen en die zei dat het misschien raadzaam was haar een hond te geven. Hij wist wel een jong nest met puppy's. Haar vader riep: 'Een hond? In mijn huis geen hond!' Maar haar moeder zei: 'Weet je nog hoe blij je was toen je dochter geboren werd? Wil je haar zien sterven?'
'In mijn huis geen hond!'
'Als je bramen plukt, krijg je schrammen.
'Waar slaat dat nou weer op? Als die hond hier komt, ga ik weg.'
De hond kwam en Carla werd weer een beetje gelukkig.
Haar vader bleef zes weken weg.
Toen hij terugkwam ging de hond onmiddellijk aan zijn voeten liggen. Hij duwde hem opzij, maar de hond kwam terug. Zes weken later waren ze onafscheidelijk. De hond was altijd in de viswinkel en aan het eind van de dag liep hij voor de vader van Carla uit, zodat Carla wist dat haar vader er aankwam, meestal met verse vis, die haar moeder moest bakken. De hond kreeg lekkere hapjes. Als de vader van Carla naar de visafslag ging, liep de hond hem vooruit en de andere vissers zeiden: 'Daar komt Jongejan, zijn hond is er al.'


Droom en realiteit

Walter Scott heeft ergens gezegd, volgens Potgieter, die ik hier volg, dat de uitgevers van boeken de enige handelaars ter wereld zijn, die een kat in de zak kopen. Zij weten immers niet of het boek dat zij gaan uitgeven een verlies- of winstpost wordt.
(Dat geldt overigens ook voor een nieuwe varkensstal, een nieuwe fiets of het pootgoed dat de boer koopt.)
Vaak hebben de uitgevers geen verstand van literatuur of maar een beetje. Ze hebben soms intuÔtie: dit wordt een bestseller. En of dat zo is of niet, moeten ze dan toch afwachten.
Zo Arnold Willis uit Rotterdam in 1716. Op een zoele zomerachtermiddag knapt hij een uiltje. Voor hem op tafel ligt een drukproef van een dichtbundel. Op de tafel ook een leeg wijnglas en een lege fles.
Een jongeman treedt binnen, blozend, boers. Hij durft de uitgever nauwelijks wakker te kuchen. Hij kijkt naar de drukproef. Dat zijn zijn verzen. Waren ze zo vervelend? Of was het de wijn? Eindelijk is de uitgever wakker. Schuchter zegt de jonge dichter, Hubert Korneliszoon Poot, dat ze er toch eens over moesten spreken, maar de uitgever roept: 'Spreken, man! Wat valt er over te spreken? Ik heb een paar verzen van u uitgegeven. Veel heb ik er niet aan verdiend. U bent geen bekende dichter!'
'Ik verlang ook niet veel', zegt Poot.
'Vriend', zegt Willis, 'het is niet mijn gewoonte een voorschot te geven. Je kunt wat exemplaren krijgen, een half dozijn, 25 desnoods. Zo veel verwachting heb ik niet van uw werk.
'Nee', zegt Poot, 'ik hoef er maar een paar. Ik wil graag een folio bijbel voor mijn vader, die de kleine letters van zijn eigen bijbel niet meer kan lezen.'
'Die heb ik niet.'
'Maar ik weet een mooi exemplaar te koop voor vier dukaten. Geef mij die.'
'Vier dukaten!? Een, twee, drie, vier? Hoe moet je daar aankomen?'
Maar daar gaat de winkelbel. Er komen twee deftige heren binnen, een oude en een jonge heer. De oude is al 70, maar hij heeft heldere ogen en beweeglijke handen.
De uitgever leest een gedicht van Poot voor, 'De maan bij Endymion'. Al gauw blijkt het gedicht in de smaak te vallen, al leest de uitgever het beroerd voor. Poot grijpt in en vraagt of hij mag lezen. Nu zijn de heren enthousiast en zij nodigen de dichter uit hen thuis op te zoeken. Jammer, want zij verpesten later de natuurlijkheid van Poot met mythologische opsmuk. Maar goed, ze zijn nog niet weg of de uitgever roept zijn vrouw om wijn.
'Wijf, hoor toch, de ridder Van de Werf heeft Poots minnedichten mooi gevonden!' Hij scheept de jongeman uit Abtswoude vervolgens af met een grootmediaan bijbel. Poot durft niet te protesteren. Te paard rijdt hij naar huis en denkt: 'De rozen in de wereld groeien\ Aan dorens van verdriet.'


Misgunnen

In het verhaal 'In another country' van David Constantine staat, anders dan in de film '45 jaar', niet de vrouw, maar de man centraal. Hij is een oude man, van 1920 of daaromtrent. In de film is hij van 1940 ongeveer.

In het verhaal is de jonge man met zijn geliefde, joodse, Katya via Duitsland naar ItaliÎ getrokken, nogal onbezonnen of onverantwoordelijk. Van Hitler naar Mussolini, zonder geld en Katya is zes weken zwanger. Nu na vijftig jaar ligt zij in het ijs met een vrucht van zes weken in haar buik. Mr. Mercer, zo wordt hij steeds genoemd in het verhaal, is door de brief geheel van slag. Hij vertelt zijn vrouw alles en meent dat hij haar destijds ook al op de hoogte heeft gesteld. EÈn ding heeft hij niet verteld, heeft hij nooit iemand verteld, heeft hij als een geheim in zichzelf opgesloten, als in ijs: dat Katya zwanger was. Hij zoekt een Duits woordenboek, een atlas, een medisch handboek om te zien hoe de vrucht er uit zou kunnen zien. Uiteindelijk zoekt hij zijn bergschoenen, zijn rugzak, geld en gaat op weg, maar hij komt niet verder dan het huis van een buurvrouw die hem tien minuten ziet staan en ongerust wordt: hij staat daar absent, betraand.

Er is geen sprake van een huwelijksfeest. De filmmaker heeft het verhaal gelezen en hij heeft waarschijnlijk gedacht: zo veel jaar samen en wat betekent het?
Hij heeft zijn script gemaakt. Hij heeft het huwelijksfeest bedacht, de hond waarmee Kate steeds wandelt, de bypasses, het vroegere werk van de man. Hij heeft zich verplaatst in Kate. In het verhaal is de vrouw vanaf het begin bezorgd. Haar man is hulpbehoevend. De vrouw in het verhaal heeft alle reden om te denken dat zij tweede keus is. De man heeft altijd zijn Katya gekoesterd.

In de film is er sprake van een gelukkig stel, 45 jaar getrouwd en dat moet gevierd, ook omdat het toen ze 40 jaar getrouwd waren, niet kon. Dan komt de brief. De man is er mee bezig, maar hij richt zich op zijn vrouw. Hij speelt met de gedachte naar Zwitserland te gaan, maar hij kiest voor zijn vrouw, zoals blijkt uit zijn speech bij het feestdiner. Helaas, zijn vrouw voelt zich tweede keus. Dat wordt in de film niet waar gemaakt. Zij misgunt haar man zijn eerste liefde.

Ook in een ander verhaal van Constantine, 'The mermaid', wordt de man iets misgund. Hij gaat, als het gewaaid heeft, 's morgens jutten langs het strand en hij vindt altijd wel wat, in ieder geval hout, waaruit hij iets kan snijden. Vroeger was hij leraar handarbeid. Sommige leerlingen hadden meer talent dan hij. In zijn schuur vindt hij de houten figuren van een kerststal. Hij wil ze aan kinderen geven die hij heeft ontmoet. Kinderen van zwervers. Zijn vrouw wil dat niet en gooit de figuren in het vuur. Hij snijdt van een mooi stuk hout een meermin. Hij werkt er lang aan en het lukt boven verwachting. Hij maakte eerst haar onderhelft en heeft daarna lang gezwoegd op haar borsten. Van zijn vrouw moet hij de borsten amputeren.

45 jaar onvolwassen samen zijn

Bart Juttmann is nogal enthousiast over de film '45 jaar', evenals vele recensenten.
'Strikt genomen gebeurt er bijna niets in 45 Years: we zien de dagelijkse bezigheden van twee oude mensen. Toch is de film spannend, met enkele grappige momenten en een werkelijk hartverscheurend einde. '
Overigens denk hij dat de filmer het verhaal ook heeft geschreven, maar de schrijver is David Constantine. Het boek met de verhalen heet 'In another country', het verhaal ook. Andrew Haigh schreef wel het scenario.
Bart noemt het spel van Charlotte Rampling en Tom Courtenay fabelachtig. En inderdaad, zij zien kans om met een enkele gezichtstrilling veel emoties te laten zien. Tom speelt een oude versleten man. Hij ziet er nogal onaantrekkelijk uit met zijn ongeschoren gezicht en oude kleren. Hij loopt als een oude man, hij beweegt als een oude man, hij praat als een oude man. Hij moet herstellen van 5 bypasses. Als hij voor een afscheid van een ex-collega naar zijn vroegere werkplek moet - zijn vrouw dwingt hem daar toe - moppert hij in de auto terug - hij wordt opgehaald door zijn vrouw - over de zeurpieten die ukelele gaan spelen en het daar over hebben. Een voormalige politieke vriend, vakbondsman, speelt nu golf. Zelf doet hij weinig. Hij heeft geen doelen meer. Over enkele dagen viert men hun 45-jarig huwelijk, tegen hun zin, maar ze moeten wel. Het 40-jarig feest is niet doorgegaan vanwege zijn ziekte. Dan komt er een brief over de vondst van zijn eerste geliefde, Katya, in een gletsjer. Haar lichaam is perfect bewaard in het ijs. Hij zou haar kunnen zien zoals ze vroeger was. Hij blijkt op zolder van alles over haar bewaard te hebben. Zijn vrouw reageert geschokt. Het komt er op neer dat zij zich tweede keus voelt. 'Zou je met haar getrouwd zijn als het ongeluk niet was gebeurd?' 'Ja', zegt hij en ik denk: ja natuurlijk. Dan was hij, Geoff, niet getrouwd met Kate en dan was het 45 jaar-feest er ook niet. Als Geoff toevallig niet Kate had ontmoet, dan was het feest er ook niet geweest. Wat voor overtrokken standpunt neemt Kate in? Wat voor idee heeft ze over 'de enige liefde'?
Zij gaat speuren op de zolder, vindt een koffer met herinneringen aan die bergvakantie en dia's van het meisje. Er wordt gesuggereerd door de maker van de film, Andrew Haigh, dat zij zwanger was en dat een abortus heeft plaats gevonden, al of niet gewenst, dat is niet duidelijk. Ze waren niet getrouwd, zeiden van wel, anders konden ze niet samen slapen in berghutten. Kate lijkt nu te begrijpen dat Geoff wel vruchtbaar was. De film legt het niet uit. Is zij verbitterd over hun kinderloosheid? Weet zij niet aan wie het ligt? Weinig waarschijnlijk in deze tijd. Of hebben zij er nooit onderzoek naar willen doen? De film gaat daar niet over. Maar waarom dan wel het beeld van het meisje, eerst blijkbaar zwanger, dan slank en verdrietig.
Staat dat ook in het oorspronkelijke verhaal? Ik ga het controleren. Je kunt zeggen: dat maakt niet uit. De film-Kate is zoals zij is. Dat is juist, maar dan is de film-Kate nogal onvolwassen.
Geoff verliest zich in de herinneringen en Kate voelt dat als verraad. Het feest moet doorgaan. Geoff doet zijn best; houdt een ontroerende speech, zoals het hoort en danst met zijn Kate. Hij zegt dat Kate het beste is dat hem is overkomen, maar aan het eind van de dans, op de muziek van hun ontmoeting, trekt Kate haar hand terug met een bittere uitdrukking op haar gezicht. De 45 jaar zijn wat haar betreft een leugen gebleken. Wat een puberaal idee over de liefde. Had zij niet moeten zeggen: 'Geoff, we gaan samen naar Zwitserland om haar terug te vinden.'? Waarom moet zij zijn geluk van toen vergallen en waarom gunt ze hem het verdriet om de dood van zijn eerste geliefde niet?


Intelligent design

De luizengod zei: 'Laten we soldaten maken die het huis van de luizen beschermen, want we hebben ook lieveheersbeestjes gemaakt die luizen opeten. We geven de luizen zuigsnuiten die door de huid van de larve heen prikken. De lieveheersbeestjeslarven proberen de bladluizen af te schudden met hun poten. Daarom hebben we erg moeten lachen. De soldaten raken helemaal bedekt met de kleverige vloeistof uit de wonden van de larve. De dode soldaten zaten vast aan hun aanvaller. Er zijn genoeg soldaten, want de koningin plant zich maar voort. Ze heeft geen mannetje nodig, want ze kloont zich. De nakomelingen laten we ook weer klonen, zodat het behoorlijk vol wordt op de plant. Te vol. Maar daar hebben we wat op gevonden. Plotseling komen er nakomelingen met vleugels. Zij vliegen uit en voor de variatie paren zij wel en leggen ze eieren.
De soldaten vechten niet alleen, ze houden ook de woning schoon en repareren gaten. En ze dringen buurtwoningen binnen. We hebben ze sterke poten gegeven en gifspuiten. Ze worden nooit volwassen. Daarvoor zijn ze al gestorven in dienst van de koningin.'


Letterkunde

Als je tegen iemand zegt dat je letterkundige bent, haalt hij zijn schouders op en zegt: 'Wat is dat? Heb je verstand van letters?'
Heeft iemand die wiskundige is verstand van wis? Een aardrijkskundige verstand van aardrijk? Dat komt in de buurt. Hij weet meer dan een kruidenier van grondstoffen, rivieren, landen, steden, kustvormen et cetera. Een scheikundige weet hoe hij stoffen moet samenstellen, niet scheiden... Misschien kun je zeggen dat hij goed stoffen kan onderscheiden.
Een huishoudkundige weet iets van huishoudens. Een boekhoudkundige weet iets van boeken? Nee, hij weet iets van inkomsten en uitgaven.
Een letterkundige weet iets van literatuur, beter van de schone letteren. Daar heb je het woord 'letter' weer. Hij weet iets van romans, gedichten, toneelstukken. Hij kan ze plaatsen in hun tijd. Hij kan verbanden aangeven. Hij kan een degelijk waardeoordeel geven, niet geheel objectief, maar hij kan toch proberen af te zien van een persoonlijke smaak. Hij kan bijvoorbeeld zeggen: 'Ik zie wel dat Griet Op de Beek in 'Kom hier dat ik u kus' goed kan schrijven, maar ik vond het boek zo vervelend. Ik legde het steeds maar weg.'
Toch past het boek in de kast der schone letteren of anders gezegd op de stapel van waardevolle boeken.
Letterkunde gaat over kunst in taalvorm. De schrijver is een kunstenaar, die afgezien van een roemzucht, probeert op een indringende en indruk makende manier een verhaal te vertellen, een gedicht te noteren, een toneeltekst aan te bieden. Hij mag op bestelling werken, Als hij zijn eigen artisticiteit maar behoudt. Hij mag genieten van zijn populariteit, die is opgeroepen door veel bekeken tv programma's, als hij maar niet zo gaat schrijven als die programma's zouden willen.


>Odysseia

De kleine kale dikke man heeft een buitengewone stem: hij kan hoog en zoet zingen, maar ook donderen. Ik vind vooral zijn spreekstem mooi. Marco Beasley is lyrisch en spottend, bijtend en sentimenteel.
(De vriendin van mijn broer, in een droom, zegt dat hij vrouw noch man is. 'Hij heeft geen ponis.' 'Penis bedoel je?' 'Nee, ponis.' 'Is dat Grieks?' 'Ponis, zoek het maar op.' Onzin, denk ik. Ik zie toch duidelijk zijn geslacht in de zwarte broek.Hij is een zeer mannelijke man. Zou hij zijn kale hoofd oliÎn? Hij bespot in een lied zijn eigen dikke buik.)
Zijn vriend Alfio Antico doet wonderlijke dingen met een trommel, gemaakt van een oude graanzeef. Hij trommelt met zijn vingers zo snel dat het lijkt of je kijkt naar een versnelde opname.
Marco vertelt en zingt over Niemand. Hij begint met het bekende gedicht van Kav·fis 'Ithaca'. 'Als je op je tocht naar Ithaca vertrekt, / smeek dat je weg heel lang mag zijn, / vol avonturen, vol ervaring.' Ithaca is je bestemming, je eindelijke thuiskomst.
'En als je het armelijk vindt, Ithaca misleidde je niet. / Zo wijs als je bent geworden, met zoveel ervaring. / zul je al begrepen hebben wat Ithaca's betekenen.'
De zee speelt een hoofdrol. Calypso betovert hem. De winden van Aeolus bedreigen hem. De sirenen verleiden hem. De vrijers thuis beoorlogen hem.
Er is de prachtige muziek van Guido Morini, gespeeld door het Nederlands Blazers ensemble o.l.v. Bart Schneemann (hobo). De muzikanten acteren even mee met grote en kleine trommels. Guido speelt clavecimbel en piano.
De oude man is thuis. 'De zon zal zijn vergane dagen niet meer verlichten. Reuzenrad, feilloos mechanisme dat niet geeft om wat er gebeurt op deze zandkorrel, verloren in de kosmos, laat het zout van deze herinnering door de universele zandloper lopen.
O verheven en blind heelal, maak dat er altijd verhalen zullen worden verteld: bij de onhoorbare zucht van je heilige motor, bij de dans van je stille sferen, in de herinnering van wie is en wie zal zijn.' (Marco Beasley)


Rouwproces

Kan rouw je verlaten? De dichteres Jane Leusink vindt 'het hooguit raar nu ook rouw haar verlaat, nee / in de steek laat, het komt toch hard aan, zegt ze / harder nog na veertig seizoenen, hoe is het mogelijk.'
Veertig seizoenen, dat klinkt heel wat langer dan tien jaar.
Je kunt rouw koesteren omdat je je min of meer verplicht voelt je dode geliefde te herdenken, elke dag, elke nacht. Eerst laat de geliefde je in de steek, niet omdat hij dat wil, maar omdat God, nee, het lot dat kennelijk wil. Het is absurd. Alle herinneringen zijn er nog. ze blijven je achtervolgen. De reis over de bergen, de reis door de woestijn, het wonen op de klei. Wanneer is het ondraaglijk? In de zomer? Ach, natuurlijk ook in de winter. In alle seizoenen: de lente, het kleine paard in de wei. In de gezamenlijke beleving van kunst, van zeegezichten. En is niet het schilderij van een man, kijkend, naar kolkende lucht, hoog op een berg, het schilderij dat je af en toe weer ziet afgebeeld en dat je doet denken aan hoe hij ooit stond en nu met z'n rug naar je toe. Is niet dat schilderij, een teken van je trouw en van je verdriet?
En dan besef je langzaam dat jouw leven ondanks alles is doorgegaan en dat er nieuw leven kwam en zeer vreugdevolle momenten zich aandienden, zich aan je opdrongen. Je zou jezelf kunnen of willen verachten, omdat je af en toe vergeet en ook omdat je weet dat al die herinneringen moeten worden losgelaten, misschien zelfs los getrapt. Je moet de knop in je keel doorslikken, maar hoe moet je dat doen? En je vraagt: gaat het zo? Is het normaal dat je zolang vasthoudt, dat je loslaat? Kan ik dat van mezelf accepteren?
(naar aanleiding van 'Een grazende streep in de lucht', vijfde bundel gedichten van Jane Leusink, uitgever Klein Uil, oktober 2015)


Bach en Siamezen

Je moet een verhaal of roman eigenlijk twee keer lezen; tenminste als het de moeite waard is. Het verhaal 'Terug naar huis' van Rob van Essen gaat over een echtpaar dat 's nachts wordt opgebeld door een zus van de vrouw, die tevergeefs hun ouders heeft gebeld. Ze waren ziek, lagen in bed, maar namen de telefoon niet op. Wat was er aan de hand? Ze wonen in een oud rijtjeshuis. Onderweg denkt de man, DaniÎl, er aan hoe prettig het is om ongehinderd door files door te kunnen rijden. Die ochtend heeft hij naar Radio 4 geluisterd en zich min of meer geÎrgerd aan een vrouw die klaagde over Bach. Over hoe ongenaakbaar hij was. Ze wilde nu Mozart proberen, die was meer aards. Ze 'hield maar niet op, maar het ging vooral om de klaaglijke toon waarop ze haar verhaal had gedaan. Hij weet nog wat hij had gedacht terwijl hij naar haar luisterde: deze vrouw is vroeger mooi geweest.'
Zijn vrouw, Marion, uit haar slaap gehaald door het telefoontje van haar zus, kijkt hem aan in de auto: 'Waar hËb je het over?' De lezer denkt dat ook. Wat is dit voor irrelevant gepraat, in deze situatie?
Ze bellen niet aan. Marion weet dat de sleutel onder de bloempot ligt. Ze gaan naar binnen en naar boven en daar liggen de ouders te snurken, zo hard dat ze de telefoon niet hebben gehoord. DaniÎl en Marion kunnen weer naar hun eigen huis. Maar dan gebeurt het.
'Midden in de kamer (beneden) zitten twee Siamese katten, rechtop, naast elkaar. Zwarte koppen, zwarte poten, Lichte lijven. Ze zitten midden in een vage lichtvlek. Waar komt dat licht vandaan, de maan, een lantaarnpaal? De katten kijken hen kalm en berustend aan, alsof het om een ontmoeting gaat die al lang op de agenda stond. Er heerst volkomen bewegingloosheid. DaniÎl glimlacht, hij doet het niet eens zelf, hij voelt het gebeuren. Dit is sterker dan hij, hij moet zich hierbij neerleggen. 'Fris water spoelt door hem heen, het is alleen geen water, het is opgetogenheid. Het is alsof hij dit herkent, alsof hij altijd al heeft vermoed dat het op deze manier aan hem zou worden geopenbaard - iets, wat dan ook, dit hier, dit wat zich niet laat benoemen, twee Siamese katten in een lichtvlek.'
Ze jagen de katten naar buiten, ze rijden weg, keren terug, omdat ze bang zijn dat de katten misschien zijn gekocht, wat onwaarschijnlijk is, of dat het logees zijn. Maar er zijn geen kattenbakjes. Weer rijden ze naar huis.
Wat heeft de vrouw over Bach en Mozart te maken met de katten? DaniÎl denkt aan de vrouw van de radio. De vrouw 'had het idee gekregen dat die muziek haar buiten sloot omdat hij zo perfect was dat hij ook wel zonder luisteraars kon. Ze had begrepen dat die muziek haar iets voorspiegelde waaraan ze nooit zou kunnen voldoen'.
Het zien van de twee Siamezen was een relevatie, een mystiek moment, iets dat zÛ perfect was dat het ook wel zonder kijkers kon. Het verhaal blijkt te gaan over zo'n moment. De geschiedenis van de snurkende ouders is maar een aanleiding.


Lezen is verstandig

PhronÈsis is te vertalen als (morele) verstandigheid of praktische wijsheid. Het leven is ingewikkeld en we moeten proberen zo veel mogelijk nuances van een situatie te zien en op hun waarde te schatten. Zo kun je zeggen dat het onze plicht is alle vluchtelingen welkom te heten en dat mensen die dat niet willen domme egoÔsten zijn, maar je zou je ook moeten realiseren dat de bezwaarmakers wellicht terecht benauwd zijn voor hun veiligheid of hun arbeidskansen, huisvestingsmogelijkheden et cetera.
Hoe scherp je je phronÈsis? Volgens Martha Nussbaum bijvoorbeeld door het lezen van romans. Wat je moet leren is een situatie niet alleen intuÔtief in te schatten, maar ook die inschatting te expliciteren. Hoe kun je je inschatting verantwoorden?
Een probleem is dat er geen algemeen en voor altijd geldende waarheden zijn. Daarmee worden wij nu in het westen geconfronteerd. Mogen meisjes van 13 trouwen met mannen van 38? Wij vinden van niet, moslims van wel. Mogen of moeten wij in ons land dergelijke huwelijken verbieden? Zijn er universele normen die dat mogelijk maken? Onze en hun 10 geboden verbieden het niet, maar zelfs het verbod tot doden is niet universeel. Er zijn culturen waar het doden van indringers verplicht is. Er zijn culturen waar homoseksualiteit verboden is en tot de doodstraf kan leiden.
Het lezen van romans kan ons helpen bij het relativeren van eigen normen of met het kweken van begrip voor andermans normen. Verhalen bieden zicht op particuliere kenmerken van de personages en door het feit dat de lezer geneigd is zich te identificeren met een personage, zal hij beter begrijpen waarom een Inuit zijn vrouw ter beschikking stelt aan een vreemde of waarom een berggids vloekt bij de stommiteiten van een amateur-bergbeklimmer of waarom een autist weg loopt van een ongeluk et cetera.
Literatuur kan dat beter - dat begrip kweken - dan een filosofische verhandeling.
Het vermogen tot empathie kan door het lezen van verhalen versterkt worden. Het verhaal hoeft niet alleen in een boek te staan; een film vertelt ook een verhaal en we kunnen door de inleving in de echtgenoot in de film 'Amour' begrijpen waarom hij zijn vrouw onder een kussen verstikt, hoe zeer we dat ook blijven afwijzen.


Vervangen camera's de goden?

Big god is watching you? De Hadza-mensen, een groep Afrikaanse jager-verzamelaars, geloven niet in een hiernamaals en hun goden zijn onverschillig ten aanzien van het morele gedrag van mensen. Toch zijn de Hadza-mensen zeer coˆperatief in de jacht en het dagelijks leven. Als je steelt of liegt weten de anderen dat snel genoeg. Je kijkt wel uit. Als samenlevingen groter worden, is de onderlinge waakzaamheid onmogelijk. Politie bestaat nog niet. De samenleving zou instorten. Machtige goden, zoals Jahweh of Allah, kunnen mensen in de gaten houden. Bekeken mensen zijn aardige mensen.
Een Egyptenaar wijdde zijn hele leven aan de dood, aan het moment waarop zijn hart gewogen zou worden. Er was een goddelijke weegschaal met aan de ene kant een struisvogelveer van de god Maat van de sociale orde, aan de andere kant het hart van de overledene, die was begraven met een lijst van zijn deugden: niet liegen, geen man of vrouw gedood, het water van de Nijl niet tegengehouden. Wogen de deugden op tegen de zonden? Als het hart niet meer woog dan de veer, ging hij naar het paradijs. Als het hart te zwaar was, kwam de krokodil Amemet en verslond het, waarmee zijn ziel verdween.
De Egyptische kosmologie is nu vreemd, maar sommige zaken zijn nog geldig. De goden van hedendaagse godsdiensten zijn ook moraliserend: deugden worden beloond; zelfzuchtige en wrede mensen worden gestraft. Toch zijn moraliserende goden in de menselijke geschiedenis een uitzondering, Gedurende duizenden jaren waren de goden van de jagers-verzamelaars onverschillig ten aanzien van menselijk gedrag. Waarom veranderde dat?
Oordelende goden waren noodzakelijk voor de samenwerking die de opbouw van een grote en ingewikkelde samenleving vereiste.
Alwetende machtige goden zijn zeer effectief bij het onderhouden van sociale normen. Zij kunnen je altijd in de gaten houden en zij weten ook wat zich in je hoofd afspeelt. Samenlevingen die zulke goden aanbidden zijn succesvol.
Wetenschappelijke experimenten maakten duidelijk dat zowel kinderen als volwassenen gretig dode dingen als stenen of de zon bezielen. Een steen is scherp opdat dieren er niet op kunnen zitten, in plaats van dat ze door het weer zijn gespleten. Zulke studies toonden aan dat het geloof in het bovennatuurlijke een bijprodukt is van de eigenaardigheden van het menselijk brein.

Wordt daarmee het bijzondere karakter van religies in complexe samenlevingen verklaard? Het bestaan van moraliserende goden in succesvolle maatschappijen? Nee. Toen het Orma-volk uit Kenia zich bekeerde tot de Islam verkregen zij gunstige economische omstandigheden. Zij moesten bewijzen dat hun bekering serieus was door varkensvlees af te zweren, evenals alcohol en vijf maal per dag te bidden tot Allah. Als ze dat deden waren ze betrouwbaar als handelspartner.
In een experiment bleek dat Christenen en Mohammedanen 10% meer aan vreemdelingen gaven dan zogenaamde ongelovigen.
Religie hielp de oudste complexe samenlevingen tot bloei komen. Speciaal in gebieden waar landbouw afhankelijk is van waterwerken. Er moeten afspraken worden gemaakt en die moeten worden gecontroleerd.
In Zuidoost Turkije vinden we de oudste heilige plaats, 11.500 jaar oud. Enorme stenen obelisken, bekrast met half menselijke, half dierlijke figuren staan er nog. Het verplaatsen en bekrassen van deze stenen vraagt een goede samenwerking. Volgens Klaus Schmidt, de archeoloog, die dit blootlegde waren de mensen toen nog jager-verzamelaars. Hun landbouw kwam 500 jaar later. Eerst kwam de tempel, daarna de stad. Lizzie Wade zal menen dat de graad van samenwerking, de latere landbouw mogelijk maakte.
Groepen met straffende en belonende goden hebben succes en kunnen hun invloed uitbreiden, omdat de aanhangers gelijk zijn en goed samenwerken. Zo krijgen we wereldgodsdiensten als Jodendom, Christendom, Islam, Hindoe\'efsme, Boeddhisme. (Naar Lizzie Wade en Ara Norenzayan; Science 2015)


Fictie en werkelijkheid

Als de filmregiseusse niet kan slapen, of wakker wordt uit een verwarrende droom over haar stervende moeder of over de clowneske acteur die de nieuwe fabrieksdirecteur speelt in haar film en die de Italiaanse taal moeilijk kan onthouden, stapt ze uit bed en schrikt, want de vloer staat blank. Zij loopt op blote voeten door het water naar de badkamer, die overloopt en grijpt in een kast naar oude kranten om het water te laten opzuigen, pakt een emmer en een dweil, maar begint machteloos te huilen. Dan begrijp je als toeschouwer dat dit misschien ook een nachtmerrie is.
De regisseur van de film 'Mia Madre' laat je vaak in het ongewisse over wat reÎel is of fictie. Ook met de tijd speelt hij. Zo zie je de opgeruimde studeerkamer van de moeder, die lerares Latijn was: de planken van haar boekenkast zijn leeg en de vloer staat vol verhuisdozen. Wat moet er met al die boeken, al die kennis gebeuren? Maar de moeder is nog niet dood en later in de film loopt de dochter langs moeders bureau met de keurige stapeltjes Lucretius, Tacitus en de woordenboeken. Als de moeder dood is komen er oudleerlingen langs die vertellen hoe zij zich waargenomen voelden door de lerares, hoe ze zich reÎel voelden. De lerares was er voor haar leerlingen. Haar dochter krijgt het verwijt van haar minnaar, die ze wegstuurt, dat ze de mensen van de crew alleen maar gebruikt voor haar film, dat ze anderen niet ziet 'staan'.
De moeder helpt haar kleindochter met Latijnse vertalingen, zoals ze haar dochter met raad en daad terzijde stond. Haar zoon heeft verlof opgenomen om haar bij te staan. Zijn chef legt uit dat een man van zijn leeftijd moeilijk weer aan een baan komt en hij antwoordt: 'Ik weet het.' Wordt de man ontslagen? Biedt de chef hem aan nog langer verlof te nemen? Het wordt niet duidelijk en het lijkt er ook niet toe te doen.
De ijdele acteur wordt woedend na de zoveelste 'cut' en schreeuwt dat hij genoeg heeft van de onwerkelijkheid van de film, dat hij wil leven in de werkelijkheid. Wat is de werkelijkheid? Dat de moeder stervende is en dat alle medische handelingen alleen maar uitstel betekenen. De dochter wil niet geloven dat haar moeder dood gaat, maar als het zover is, zoekt ze met vrouwelijk realisme kleding uit voor de dode moeder, die deze moet dragen in de kist. De zoon zit er intussen verslagen bij.
De moeder loopt weg uit het ziekenhuis, in slaapkleding. De verpleegsters zien haar gaan en grijpen niet in. De moeder staat op straat en steekt over een drukke autoweg. De auto's razen langs. Is het een droombeeld van de moeder of een angstbeeld van de dochter?
De regiseusse zegt tegen haar acteurs: 'verdwijn niet te veel in je rol, ik wil ook nog een acteur zien'. De acteurs begrijpen het niet en zij geeft later toe ook nauwelijks te begrijpen wat ze bedoelt. Moeten de acteurs laten zien dat de film fictie is en dat zij werkelijk zijn?


Vluchten-kan-niet-meer-

We dachten dat dit een treurige tekst was: 'Vluchten kan niet meer, 'k zou niet weten hoe /Vluchten kan niet meer, 'k zou niet weten waar naar toe / Hoe ver moet je gaan / De verre landen zijn oorlogslanden /Veiligheidsraadvergaderingslanden, ontbladeringslanden, toeristenstranden / Hoe ver moet je gaan / Vluchten kan niet meer / Zelfs de maan staat vol met kruiwagentjes en op Venus zijn instrumenten / En op aarde zingt de laatste vogel in de laatste lente / Vluchten kan niet meer, 'k zou niet weten waar / Schuilen alleen nog wel, schuilen bij elkaar / Vluchten kan niet meer / Vluchten kan niet meer
Vluchten kan niet meer, heeft geen enkele zin / Vluchten kan niet meer, 'k zou niet weten waarin / Hoe ver moet je gaan / In zaken of werk, of in discipline / In Yin of in Yang of in heroÔne / In status en auto en geldverdienen / Hoever moet je gaan / Vluchten kan niet meer /
Hier in Holland sterft de laatste vlinder op de allerlaatste bloem / En alle muziek die overblijft is de supersonische boem / Vluchten kan niet meer, 'k zou niet weten waar / Schuilen kan nog wel, heel dicht bij elkaar / We maken ons eigen alternatiefje / Met of zonder boterbriefje / M'n liefje, m'n liefje, wat wil je nog meer / Vluchten kan niet meer / Vluchten kan niet meer

Het is een tekst waarvoor je je nu schaamt. 'De verre landen...' Wat een sentimentaliteit. En wat een overdrijvingen! De maan vol kruiwagentjes? Laatste vogel, laatste lente? Op Venus staan instrumenten? Sterft de laatste vlinder? Alleen nog supersonische boem?
Het was een obsederend liefdeslied vanwege de bezwerende melodie, de herhalingen en vanwege de stemmen van Frans en Jenny.
Maar waar hadden ze het over, denken we bij het zien van de vluchtelingenstromen.


Manifesten in Kranenburgh

Een plastic tapijt op de vloer met een uitvergrote foto van een omgevallen jampot. Aan de wand de opdracht je schoenen uit en een kleurig gewaad aan te trekken, een soort kimono. Vervolgens moet je op het tapijt gaan liggen, in het midden, nadat je op een knopje hebt gedrukt. Het tapijt gaat trillen en dat werkt als een soort massage. Moet je verkwikt worden of verontrust? Mij overkomt geen van twee\'ebn.
Als ik de zaal uitloop, blijkt een museumbobo mij te hebben bekeken. Hij vraagt: 'Hoe vond u het?' en als ik een beetje afwerend zeg: 'Enig!'; 'Zo ziet u maar, zelfs wellness is kunst.'
Daar denk ik over na. Wie bepaalt wat kunst is? Dat was voor Folkert de Jong (1972) uit Egmond aan Zee, Saatchi. Folkert brak internationaal door nadat Charles Saatchi werk van hem aankocht. In Bergen was Piet Boendermaker (1877-1947) kunstverzamelaar. Hij liet in zijn tuin een kunstzaal bouwen. Daar hing werk van Leo Gestel, Piet Mondriaan en Jan Sluijters. De kunst van de Bergense School werd aanvankelijk niet gewaardeerd. Nu hangt het museum trots vele niet lieflijke doeken met sombere kleuren, van de genoemden en van Piet Wiegman op.
Nu staat in Kranenburgh in de Taqazaal een boomstronk met zeven grillige, gekleurde figuren. De kunst van De Jong is niet lieflijk, niet aangenaam, maar is zij verontrustend?
In 1916 verwoordde Piet van Wijngaerdt, grondlegger van de Bergense School zijn ideeÎn in een manifest.
'De kunstenaars behandelen alle onderwerpen. Het publiek, afkerig van inspanning, bekijkt schilderkunst als plaatjes. De kunsthandel wekt die averechtse opvatting in de hand door te speculeren op de slechte smaak van de massa. De nieuwe schilders willen een zuivere, eenvoudige kunst, niet vertroebeld door quasi-diepzinnigheid.'
Folkert schrijft in 2015 o.a.: 'Kunstenaars, verenigt u en spreekt gezamenlijk een ideaal uit. Kunst vult de leegte. Kunst bevrijdt. Kunst biedt ijkpunten voor en verzoent zich met het leven. Kunst is noodzaak.'
Ik ben niet onder de indruk van zijn stellingen, die misschien in 1880 opzien zouden baren.
Voor de deur van het gebouw plaatste Folkert een kleine 'Hercules kernraket'. Het is in feite een nogal amateuristisch maaksel, schuin staande op een paar houten, onbewerkte pellets. Het motto is 'Kunst die inslaat als een bom'. Op een folder staat nog: 'De raket symboliseert ook dat de kunstenaars misschien meer wapens in handen hebben dan ze denken.' Dan ze denken? Wapens? Trillende tapijten?


Smaak

Wat bedoel je als je zegt dat Vestdijk een feilloze smaak had? Dat zijn smaak overeenkomt met de jouwe of dat er iets bestaat als objectieve kwaliteit? Vestdijk wees snel op het belang van Anna Blaman, G.K.van 't Reve, voordat andere critici begrepen dat hun werk zou blijven. Ik denk nu ook aan Wilfred Smit, de jong gestorven dichter van 'Een harp op wielen' (1959). Een zeer klein oeuvre, maar intrigerend. Vestdijk vroeg aandacht voor hem.
Vestdijk kon iemand bewonderen en niettemin slechte poÎzie aanwijzen, zoals in het omvangrijke oeuvre van Albert Verwey. Dat is niet zo moeilijk. Zelfs in de bloemlezing van J.W.Schulte Noordholt, die er ook op wijst dat in het omvangrijke werk van Verwey te veel slechte poÎzie zat, vind ik gedichten die gewoon slecht zijn.
Het duindal
' In 't duindal waar de paden samenkomen\ Vind ik mijn eigen frisse lentebloemen.\ Zo lang hoorde ik door vreemden vreemde roemen\ Die mij zo schoon niet waren voorgekomen.'

En zo eikelt het nog tien regels door. Het is niet alleen dreunende rijmelarij, maar ook tuttig van inhoud.
Is dit de dichter die ik in mijn jeugd bewonderde om zijn 'Man van Smarte met de doornenkroon'? Ik hoorde de druppels bloed vallen. 'Ai mij! ik hoor aldoor den droeven val / Der dropplen bloeds en tot den morgen staart / Hij me aan ...'
Ja, ik was toen nog half gelovig en zeer romantisch. Dus vond ik ook 'Anangke' mooi: 'Toen zag ik aan een meer, het meer des doods, / Een vrouw met vaal gelaat en geluw haar; / Zij schepte 't water op, maar liet altoos / De droppels vallen, alle na elkaar.'

Ook als hij zich presenteert als dichter van de Idee, overtuigt hij me niet als dichter. 'Besluit' is een beginselverklaring, een filosofisch-religieuze bewering: 'Schoonheid: droom en klaarheid: / Waarheid die beide zijt: / Uw openbaarheid / Vervult mijn levenstijd.//. Ik heb in uw Eenheid / Het vele gezien. / Schoonheid, in uw Algemeenheid / Leve ik met andere liÎn. // Ik heb in zoveel gedaanten / 't Ware erkend en 't was Gij - / Zo roep ik u, Schoonheid, dan aan ten / Genadigen dood: blijf mij bij!-'

Nu ga ik op zoek naar goede gedichten. Als Vestdijk zegt dat ze er zijn, moet ik ze kunnen vinden.


Kunstbeleid

Arme Jet Bussemaker: ze moet nog steeds proberen het beleid van haar voorganger om te buigen en ze moet nog steeds samenwerken met lieden die kunst een linkse hobby noemden of in elk geval verspilling van geld. Dat veel kiezers, ook ingenieurs en tandartsen, weinig interesse hadden voor kunst en cultuur en soms zelfs er een afkeer van hadden, is erg genoeg, maar je zou mogen verwachten van mensen die leiding zouden moeten geven aan de bevolking, dat zij kunst bevorderden als sociaal bindmiddel, als stimulans van onze verbeelding. Kunst laat je opnieuw, op een onverwachte manier naar de werkelijkheid kijken. Door kunst gaan wij nadenken over onszelf en over onze verhouding tot anderen.
Kunst leert ons ons te verplaatsen in andere opvattingen, denkmodellen, leert ons tolerant te zijn. Geeft inzicht in eigen en andermans drijfveren
Kunst bevordert creativiteit en die hebben we nodig in een samenleving die in toenemende mate wordt ondersteund door robots. Het eenvoudige werk wordt wel gedaan door slimme apparaten. We hebben behoefte aan aanstuurders, aan zingevers, aan waardebepalers. We hebben behoefte aan mensen die hun verbeelding kunnen aanspreken.

Vader aanraken

De Chinese kunstenaar Song Dong had een moeilijke relatie met zijn vader. Toen hij op de kleuterschool zat, was zijn vader voortdurend op zakenreis. In 1968 werd hij door de Communistische Partij naar een heropvoedingsgesticht gestuurd. De kleine Song Dong zocht hem met zijn moeder ooit op en hij herinnerde zich later een geel uniform en een prikkende baard. Hij voelde genegenheid en pijn.
In 1973 kwam hij terug naar het gezin dat woonde in een hutong, een ommuurde woonplek in Beijing, die nu overigens in een ijltempo worden afgebroken om plaats te maken voor hoge flats. Ik heb er nog enkele kunnen zien jaren geleden.
Song Dong hield van zijn vader, bewonderde hem, was aan hem ondergeschikt, moest hem in alles gehoorzamen, zoals gebruikelijk was en is in China. Vader leidt zoon, heerser leidt onderdaan, man leidt vrouw. Maar ouder wordend nam hij afstand. Hij werd kunstenaar tegen de wil van zijn vader. Hij vertrok naar Berlijn, miste zijn vader en bij terugkomst wilde hij hem letterlijk aanraken, maar dat ging niet zo maar. Hij besloot een video-opname te maken, waarbij een virtuele hand over zijn lichaam gleed. Vader keek naar de hand en plotseling trok hij zijn jasje uit, zijn overhemd en zijn onderhemd. Hij wilde de hand op zijn blote huid voelen. Nooit spraken ze over die opname, maar voor Song Dong werd het de belangrijkste gebeurtenis uit zijn leven. Hij voelde de kracht van de kunst. Pas na de plotselinge dood van zijn vader durfde hij de video als kunst te presenteren.

Rommel


Veel mensen die de oorlog hebben meegemaakt hebben een bijna ziekelijke drang om eten te hamsteren. In hun kelders, in kasten stapelen ze blikken met vlees, zakken met rijst, kisten met aardappelen, dozen met meel, gedroogde vruchten, soep, vis en wat niet al.
Ook hebben ze geleerd vrijwel niets weg te gooien, want ze zouden het nog eens kunnen gebruiken: potten en pannen, oude schoenen, kleren, lege tubes, gasflessen, nagellak, stenen, sieraden, schalen, rieten mandjes, botte messen, onbruikbare geluidsapparatuur, vieze knuffelbeesten, verouderde computers, flessen, schaaltjes, resten verf, ja zelfs lege plastic bakjes, waar ooit eten in zat.
Zo ook de moeder van de Chinese kunstenaar Song Dong, Zhao Xiangyuan. Toen haar man plotseling was gestorven, werd het een obsessie.
Haar zoon besloot om de rommel te ordenen als een soort genezingsproces. Hij maakte er kunst van, onder de naam 'Waste not', als een soort ode aan de Chinese spaarzaamheid en het hielp. Zijn moeder verklaarde: 'Zie je nu wel dat al die spullen dus toch nog van pas zijn gekomen?'
Niet lang daarna klom ze als zeventigjarige in een boom om een in de knel geraakte vogel te redden. Ze maakte een fatale val. Na haar dood zette Song Dong het project voort en met kisten rommel reisde hij de wereld rond om deze nauwgezet in allerlei grote musea in Beijing, New York, Vancouver, Londen, Sidney, ten toon te stellen. Nu is het geheel te zien in het Gronings museum. Vijf mensen zijn drie weken bezig geweest om de spullen langs een meetlat in soorten gerangschikt neer te leggen op de vloer van het Coop Himmelb(l)au paviljoen. De surveillante vindt het maar niks, maar het geheel is voor de kunstenaar - het uitstallen en weer inpakken van zijn herinneringen - een therapeutisch familiemoment en voor de toeschouwer een monument van verwondering, afschuw en herkenning. Wat slepen we allemaal met ons mee? Hoe zijn we geketend aan onze eigen rommel. Wat verspillen we allemaal?


Klassieke muziek bij Podium on tour

Bij de ntr dachten ze: 'We moeten wat aandacht besteden aan klassieke muziek. Maar niet te moeilijk. Weet je wat, we gaan festivals bezoeken.' dieuwertje, dieuwertje loopt rond, in spijkerbroek en hippe blouse en ze praat met allerlei mensen, niet alleen musici. We beginnnen bijvoorbeeld met het zoenen van een boswachter, die later bekent ook muziek te spelen, gitaar en viool. We gaan naar Wonderfeel; dieuwertje, dieuwertje met Janine Abbing van Vroege Vogels en van Arjan Lubach. Zij weet niet zo veel van klassieke muziek en ze houdt van de natuur, net als de kijkers. Daar komt dieuwertje, dieuwertje in beeld. Even praten met Isabelle van Keulen, even Floris laten zien, leuke jongen. dieuwertje, dieuwertje praat met de boswachter over Schaap en Burgh in 's Graveland, een mooi landgoed. De dieren houden ook van klassiek en de tenten staan op plekken waar ze niet zijn. Dat houden ze daar in de gaten. 'Het bijt elkaar niet, natuur en cultuur.', zegt dieuwertje, dieuwertje. Al wandelend komen de twee een stel hardlopers tegen, die wel groeten, maar dieuwertje, dieuwertje kennelijk niet herkennen. Ze zegt: 'Ze lopen zo hard, ze zien helemaal niets.' Ze trekt een gezicht naar de kijkers, die wel weten wie zij is. Ze begrijpt de boswachter heel goed.
Dan gaat dieuwertje, dieuwertje even luisteren naar Carmen. Janine zegt dat ze niet zo veel weet van opera, maar ze gaat zich er in storten. dieuwertje, dieuwertje zingt 'Toreador!' Ze vraagt plotseling aan Janine iets over een hit die zij had. Toch niet zo plotseling, want Janine heeft het over een bruggetje. 'Goed hË?' zegt dieuwertje, dieuwertje. Er komt een stukje opera van Mozart. dieuwertje, dieuwertje gaat nu naar een repetitie van Isabelle en Hannes Minnaar. Die staan al gauw voor haar klaar. Dat regelt de regie. Ze voeren een onbeduidend gesprekje . Op weg zegt dieuwertje, dieuwertje iets tegen twee bezoekers die een paar zinnen mogen zeggen: dat het zo leuk is in de natuur, zo ontspannen.
dieuwertje, dieuwertje praat met DrÈ Wagenaar over bijzondere tenten. DrÈ heeft een klankkast gebouwd: de musici spelen er op en de bezoekers zitten er met hun rug tegen aan. Het Ragazze Quartet speelt. Bezoekers in beeld, maar dan weer gauw dieuwertje, dieuwertje. Dan komt een moderne harpspeler in beeld: Remy van Kesteren. dieuwertje, dieuwertje zegt dat de harp bij uitstek een instrument is voor de natuur, kabbelende beekjes etc. Ze danst een beetje bij typische harpmuziek. Maar bij Remy van Kesteren is het anders, en inderdaad. Wat deze musicus doet met de harp is spannend en onverwacht. Hij mag verhoudingsgewijs lang spelen.
Tijd voor culinaire zaken. Bij een festival horen eettentjes. De directeur van het festival, George Mutsaers legt het uit aan ... Petra Possel. De kok Kees geeft borden met hip, grensverleggend en vertrouwd eten. Eten in de natuur, dat is ontzettend leuk.
Ha, daar loopt dieuwertje, dieuwertje weer met Janine. In de vijver zingt een dame in het wit. dieuwertje, dieuwertje vindt natuur en klassieke muziek een logische combinatie. Dat zegt ze als ze beiden even gaan zitten in het gras. Janine is liever stil in de natuur, behalve als ze gaat hardlopen, dan heeft ze oordoppen in. Ze hebben een gesprekje over klassieke muziek bij Vroege vogels, niet te lang natuurlijk. Ondertussen zingt de dame in de vijver. dieuwertje, dieuwertje kondigt Floris Kortie aan die probeert uit te leggen waarom Rosanne Philippens, als Hollandse meid zo goed zigeunermuziek kan spelen.
We hebben Mike BoddÈ nog niet gehoord! Die kennen we ook van Witteman. Maar daar komt hij met een overigens knap minicollege over minimal music. Floris vraagt aandacht voor het volgende festival; dat van Kwaku. Het Nederlands Kamerkoor voert John Cages 4'33'' uit. We krijgen natuurlijk nog geen minuut niet te horen. Het is tijd om het programma te besluiten. Nog een laatste gesprekje met Janine over natuur en klassieke muziek en lekker eten en lekker in het gras liggen. dieuwertje, dieuwertje sluit af. Volgende week is ze bij Kwaku Kwaku. Dan wordt het pas echt leuk.


Vasalis' Uittocht

In het laatste gedicht van de bundel 'Vergezichten en gezichten' verwijst Vasalis naar Exodus 3. Mozes moet zijn sandalen uitdoen als hij het goddelijk vuur nadert in de brandende braambos. 'Kom! Lopende op blote voeten...'
Vasalis behoorde tot de generatie en de stand die vanzelfsprekend op de hoogte was van bijbelse teksten, ook al was je zelf niet kerkelijk. Vasalis was wel religieus en kende de hang naar mystiek. Je kunt het gedicht 'Uittocht' lezen als een exodus van innerlijke figuren. De koningen van het innerlijk, trots en ongenaakbaar; ze zijn er nog, maar 'ik heb hun tronen weggenomen'. De slaven zijn er nog, deemoedig, bang, maar 'ik nam de ketens af'. Ieder mens is vol van tegenstrijdigheden. De 'draaikolk paarden, met een zwiep der staarten' kunnen verwijzen naar kinderlijke speelsheid, maar ook naar de woordkunst van de poÎzie.
Ik moet denken aan 'Paard gezien bij circus Straszburg'. Uiteindelijk 'hoorde ik alleen mijn hart nog slaan'. Het wil achter de innerlijke figuren aan, maar dat kan niet. Daarna staat de ik 'alleen zoals een stamper doet', zonder de innerlijke figuren en dan komt die laatste regel: 'Kom! Lopende op blote voeten...' Blootsvoets moet je het innerlijk vuur, de kern benaderen. Zonder pretentie, trots, zonder het volgen van je gewoontes, het vastzitten aan gewenst of verplicht gedrag, het vragen om aandacht, ga je verder, puur als persoon, zonder verwachtingen. Laat het allemaal gaan.

Naschrift bij Vasalis' Uittocht

Denkend aan oosterse wijsheden en een uitspraak van Krishna in de Mahabharata als antwoord op de vraag waardoor de mens tot zonde wordt aangezet, zou het kunnen dat Vasalis ook verwijst naar dat antwoord. 'Het is eerzucht, heerszucht, het is begeerte, het is toorn, voortspruitend uit de hoedanigheid van beweeglijkheid die niet te verzadigen is en alles overheerst; weet, dat deze onze vijand is hier op aarde. Ook van angst, woede en haat zullen we ons moeten ontdoen. Alleen door een innerlijke strijd te voeren met onze ondeugden kunnen we vrij worden van externe invloeden en innerlijke vrijheid bereiken.' Het is opvallend dat in dit verband ook de paarden worden genoemd. De strijdwagen van de held Arjuna staat voor het menselijk lichaam, dat wordt voortgetrokken door de zintuiglijke verlangens, de paarden. De teugels symboliseren de geest, die de verlangens moet sturen en intomen. Maar het is Krishna, de wagenmenner, die de teugels in handen heeft: hij staat voor ons hogere bewustzijn, dat weet hoe het eigenlijk zou moeten. Hij is de stem van het geweten. Wie daarnaar luistert, wordt heer en meester over zijn geest, zijn wil en zijn lichaam, en kan volledig zichzelf zijn.
Niet dat Vasalis 'gelooft' in Krishna, maar deze levenswijsheid zal haar niet vreemd zijn geweest.

-

Sprookje

Freud beschouwde de christelijke leer als een religieus sprookje. De religie is een weldadige illusie, die de mensen een gevoel van geborgenheid geeft en bovendien de moraal verstevigt, bij het zien van de onverschilligheid van de natuur. Maar nee, zegt Freud, de mens moet de moed opbrengen volwassen te worden, ook als hij leert dat de natuur niets geeft om het geluk van de mensen. Het is moeilijk te geloven in de vooruitgang van de mensheid bij het zien van de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Het culturele niveau van de mensheid betekende niet zo veel, gezien de wreedheid, barbaarsheid, boosaardigheid en verraderlijkheid die toen naar boven kwamen. Hadden we dan niets geleerd na de godsdienstoorlogen van de Zestiende eeuw? Wat stelde het tijdperk van de Verlichting dan voor? Er is, zei Freud, niet alleen levensdrift, maar ook doodsdrift en de laatste lijkt een kosmisch gegeven. Hij schreef: 'Het levenloze was er eerder dan het levende - doel van alle leven is de dood.' Het leven lijkt te streven naar de terugkeer tot het anorganische. Er is de erotische drift, het opgaan in het oceanische, maar het wil ook weg van de onrust naar de grote rust van de steen.
Safranski noemt het de minerale hunkering: 'de verstening wordt het perspectief van de verlossing'. In het onstane leven wordt uiteindelijk de mens zich van zichzelf bewust. 'De destructieve krachten van de natuur lijken oppermachtig en zij zullen ervoor zorgen dat de dwaalweg van steen naar bewustzijn weer in omgekeerde richting zal worden afgelegd: van het bewustzijn terug naar de steen.''
Ik kan daar alleen maar een nieuw geloof tegenover stellen: het geloof dat we geroepen zijn (door wie of wat?) tot groeiend bewustzijn. Het bewustzijn is voortgekomen uit steeds ingewikkelder materie en misschien groeien we weg van de materie naar een virtueel bewustzijn.

Sterfelijk zijn

Wat hebben mensen, ook oude mensen, nodig? Voedsel, een dak boven hun hoofd, veiligheid, natuurlijk, maar daarnaast perspectief. Ze moeten ergens naar kunnen streven, al was het maar een reisje in de toekomst. Wat heeft het voor zin om verder te leven als er niets is om naar uit te zien? Dan ga je zitten of liggen en wachten op de dood. Mensen kunnen niet alleen maar voor zichzelf leven; ze moeten een doel hebben buiten zichzelf, al was het maar het verzorgen van een parkiet.
Bejaarden, ook als ze dement worden, willen een eigen leven, een kamer met hun eigen spullen waarin en waaruit ze zich vrijelijk kunnen bewegen. Belangrijk zijn ook echte planten, dieren; alles wat verzorging verdient en waar ze voor verantwoordelijk zijn. Iedereen wil af en toe alleen zijn en dan weer gezelschap zoeken. Als je je kamer permanent moet delen met iemand die je niet hebt uitgekozen, kan dat een hel worden.
Verzorgingshuizen bieden in het algemeen alleen voedsel, medicijnen, een dak, veiligheid. De doktoren zijn opgeleid om mensen lichamelijk beter te maken. Meestal wordt eenvoudig geluk vergeten. Hoe clean de huizen ook zijn, als de autonomie van de bewoners wordt beperkt, gaan ze sneller achteruit. Vaak hebben bewoners het gevoel dat ze in een soort gevangenis zijn terechtgekomen, of erger een strafkamp, of minder erg een bewaarschool. Zij zijn niet meer verantwoordelijk voor hun eigen leven. De verantwoording is hen uit handen genomen, met als gevolg dat ze wegzakken in onverschilligheid.
Een heel ander probleem is de eindeloze behandeling van terminale patiÎnten. Doktoren kunnen altijd wat doen: een operatie, nieuwe chemo, intraveneuze voeding, een drain, beademing; ook al heeft het weinig zin en verlengt het alleen maar het lijden. De dokter wil iets doen, de patiÎnt hoopt op genezing. Het is alsof hij gelooft in het winnen van een loterij. Niet geprobeerd, is altijd mis. Atul Gawande geeft vele voorbeelden van mensen die terminaal zijn en die toch nog van alles met zich laten doen. Hij durft ook te spreken over de enorme kosten: 80.000 dollar voor een chemokuur die niet helpt. Als de mensen het zelf zouden moeten betalen, zouden ze het niet laten gebeuren. (Rijken doen dat wel, maar lijden dus alleen maar langer.) Hij vertelt ook over een geval dat de verzekering weigerde te betalen omdat het middel waarschijnlijk niet zou werken. De familie kreeg op een andere manier het geld bij elkaar, maar de patiÎnt stierf. De nabestaanden klaagden niettemin de verzekering aan en kregen via een jury 89 miljoen schadevergoeding. De andere verzekeringsmaatschappijen keken dus wel uit. EÈn maatschappij probeerde het anders: de patiÎnt kreeg palliatieve zorg; er werd met ze gepraat en het effect was dat er minder kosten werden gemaakt, dat de patiÎnten minder hoefde te lijden en vreemd genoeg langer leefden.


Rogi Wieg
De formule van de sneeuwvlok

Lang geleden publiceerde Rogi Wieg proza onder de titel 'Sinds gisteren zijn twee dagen verstreken'. Het was het proza van een dichter, dat wil zeggen de auteur ontwikkelde in zijn verhalen geen lijn, maar vertelde over een toestand. De dichter wil geen ontwikkelingen laten zien. Eigenlijk gelooft hij niet in ontwikkelingen; ze zouden verzonnen moeten worden en daar heeft hij geen zin in. De dichter wil een helder beeld geven van iets dat stil staat. Alleen achteraf kan hij een schoksgewijs bewegen vaststellen.
DE BESCHRIJVING van een toestand is eindeloos. Je kunt er een cirkel omheen trekken, want het is als met de kromme van Koch (waar Wieg naar verwijst), waarbij een oneindig lange lijn omsloten wordt door een eindig oppervlak. Dit is een metafoor voor het gedicht: een eindige cirkel om een oneindig lange lijn.
De gedichten in 'Sneeuwvlok', die vrijwel alle bestaan uit vier kwatrijnen, staan niet op zichzelf: ze volgen elkaar op als een lange lijn. Soms wordt een volgend gedicht begonnen met een vergelijking, waarvan het object aan het slot van het vorige staat. ZÛ bijvoorbeeld: '(...) Ik zal daarover | uitweiden, omdat elk detail mij bijbleef ||| als een blauwe doorzichtige zee.' Vaak enjambeert Wieg ook over de bladzijgrens heen: '(...) Maar toen was ik | nog jong, toen werd erbarmen met mij | | | bezworen door het aanraken van voorwerpen.'
De gedichten rijen zich aaneen en vormen zo een lange lijn binnen de begrenzing van de bundel. Maar waarom zouden we Wiegs bundels niet zien als een geheel, dat slechts begrensd wordt door de fysieke onmogelijkheid eeuwig door te schrijven. Hij zou gedichten kunnen laten enjamberen over de bundelgrens heen. Hij eindigt deze bundel met de zin: 'Ik schep voor zandlopers iets te meten.' Zijn gedichten zijn als zand dat stroomt tot het op is.
Een steeds aanwezig thema in zijn werk is ouderdom: 'ik word steeds | gevuld door een grijsaard | met lange grijze zinswendingen.'
Vroeg oud geworden, begint de dichter aan een gedicht. De taal vloeit niet, maar dat komt overeen met de sprongsgewijze groei van de ik. Hij wil schrijven over de liefde voor een vrouw. Zij ontkleedde zich op een natuurlijke wijze voor hem. De dichter kiest heel onverwachte beelden die op een wonderlijke manier treffen: (zij ontkleedde zich) 'als een blauwe doorzichtige zee, | waarop een boot vertrekt, een rots | met daarop een dode hond, of een badend meisje | dat nooit de mijne was, (...)' In de vierde strofe zegt de dichter: 'warm was ze, en ik zou willen schrijven | over dit leven, maar ik word steeds | gevuld door een grijsaard | met lange grijze zinswendingen.'
Wieg verhaalt over zijn leven en liefdes in de reeks aaneenrijende gedichten. De houding tegenover de twee geliefden wordt als een draad afgewikkeld. De herinnering aan zijn jeugd en zijn ouders komt regelmatig naar voren, zijn afhankelijkheid van vrouwen, te beginnen met de moeder, het verlies van God, 'het onvoorstelbare, | het latere symbolische, (...) het niet bestaande | in de tegenwoordige tijd' en ook de dode hond op de rots uit het tweede gedicht komt terug.
De dode hond is een symbool. De zon, de zee, de lucht en dan de rots met daarop de dode hond. Zo'n beeld hoef je maar eenmaal te zien om voorgoed te weten hoe eindig en dus absurd het leven is.
De rossige vrouw, zoals Wieg haar noemt, is hem niet trouw gebleven. Als een omgekeerde Penelope 'weefde (zij een tapijt) van sombere gedachten. | En toen het klaar was, vloog ze weg | | op dit tapijt en ik herinner | mij hoe zij als een lus werd | in mijn denken, steeds terug, steeds verdwenen, | gekromd, op vele plaatsen tegelijkertijd, | | | gehoorzamend aan een meetkunde van de duivel.' De ik werd een mens die hij in anderen wantrouwde, iemand met een gebrek, een horrelvoet bijvoorbeeld, die als gevolg daarvan anderen opjaagt: 'Ik wantrouw de mens met de horzelvoet, | of met de bochel, de verlaten man, | want ik ken hem van heel dichtbij.' Het gedicht op de volgende bladzijde gaat dan zo verder: Hij is duizelig van zichzelf, gejaagd, en zegt wat hij niet denkt, alles om niet alleen te blijven, voor een bed en een dak. Hij pekt je af en draagt dan je skelet op handen, voordat hij weg gaat. Zo werd ik na de rossige vrouw, tot op een avond een gezicht aan mij verscheen. Nu ik werk aan dit gezicht verken ik deze andere herinnering, een gele heuvelrug waar de donkere vrouw staat in een veld. Zij draagt een blauw-witte rok en regen waait ons toe. Hier ben ik jong en we leiden elkaar onder elkaars armen naar beschutting. ik heb me hierover verbaasd, het was de uitkomst van een formule uit het alchemieboek dat ik kwijtraakte, een getal dat ik kende; het geeft 'de juiste verhouding aan tussen twee maten, | de onderdelen, mildheid en verzoening, | nut en nutteloosheid (...)'.
Wieg doelt hier op een formule die tegelijk schoonheid, waarheid en goedheid, of, in zijn woorden: klanken, logica en liefde beschrijft, de formulering van een natuurkundige en esthetische wet, zoiets als de gulden snede, maar dan veelomvattender, een ultieme formule waarvan de dichter een vermoeden heeft: de formule van de sneeuwvlok. Wieg is geen dichter die mimetische verhaaltjes vertelt, hij is op zoek naar zijn waarheid en dat kan leiden tot raadselachtige formules, tot ontroerende stamelingen waar hij zelf ook weinig van begrijpt: Over niet zo lang geleden ben ik oud en raakte ik haar kwijt aan een koninklijke, eeuwige, houten vorm die spreekt op de wind op zoek naar de eerste, naakte mens. Hoe nu verder. Ik werd geen wijze, geen rots die de dood aanprijst, ik bleef over de wereld voorzichtig, alsof zij de kleinste haren op een vrouwenhuid voorstelt. Ik maak geen wetten, maar vertel na: het kleinste zichtbare - oogharen, pasgeboren gras - en het kleinste onzichtbare trilt, golft, wordt anders in kleine schokken, wordt oud. '


Dirk Coster en de Islam

Een verrassende overeenkomst tussen de opvatting van Dirk Coster ( in 1921) en de islamitische cultuur. Coster schrijft: 'De mannelijke rede, het mannelijk bewustzijn, behoort zich tot de vrouwelijke wijsheid te verhouden, gelijk de liefhebbende man zich van nature verhoudt tot de vrouw: haar beheerschend en regelend, heeft hij zich dienaar te weten.' En: 'Het oordeel van de vrouw is onfeilbaar, wanneer geen hartstocht haar belet te zien. Het oordeel van de vrouw kan schrikkelijke dwaasheid worden, wanneer hartstocht haar beheerscht. De oordeelswijze van de vrouw is van hooger orde, doch tevens veel gevaarlijker voor het leven, dan die des mans.'\u8232 En: 'Wanneer haar ziel in rust is, zoo kan het oordeel van de hoogere vrouw het onfeilbaar richtsnoer zijn voor de mannelijke rede.' En: 'De groote kwaal der moderne wereld is de overheersching van het mannelijk element op het vrouwelijke.'


Vestdijks 'Albert Verweij en de idee'

Hoe lees je een bundel? Van voor naar achter of bladerend? Lees je een gedicht apart breng je het meteen in verband met het gedicht dat er aan voorafging? Er zijn natuurlijk dichters die een bundel schrijven en anderen die gedichten bundelen, omdat ze er nu eenmaal een aantal moeten hebben bij een uitgave.
Er zijn ook dichters die een oeuvre schrijven: bundel na bundel. Ook zij die losse gedichten, schrijven zullen wel op een soort eenheid uitkomen, als je hun gedichten vergelijkt. Ze blijken bijvoorbeeld een voorliefde te hebben voor 'water' of 'licht' of 'vraatzucht' of zelfs 'stront' (vergelijk Komrij). De lezer die zich richt op een bundel of een oeuvre lijkt volgens Vestdijk een beetje op een prozalezer. Er zijn, zegt hij, in dit opzicht, twee typen lezers (-in werkelijkheid komen de typen niet altijd in onvermengde vorm voor-) de syntheticus tegenover de detaillerende lezer, de wijsgeer tegenover de impressionist, de verstandsmens tegenover de romanticus.
De natuurlijke methode is dat de lezer het ene gedicht in verband brengt met het andere. Dit komt ook door zijn gewenning bij het lezen van proza. Men leest en neemt het gelezene mee naar volgende episoden. Hij bouwt het verhaal als het ware in zichzelf op bij het vorderen in de tekst. De lezer van een enkel gedicht lijkt op de kijker naar een schilderij, dat hij isoleert van de andere schilderijen in een expositie. Hij leest het gedicht en beschouwt het als een losse edelsteen. Hij leert het gedicht idealiter uit het hoofd. Vestdijk:" om het gedicht volledig te verstaan moet men er mee geleefd hebben."
De ideale lezer zal eerst doorlezen, dan stilstaan en vervolgens "voortschrijden" en dus gedichten met elkaar verbinden.


Vestdijk over proza en poÎzie (" Albert Verwey en de idee")
(Dit is een verwerking van Vestdijks ideeÎn.)

Wat is het verschil tussen proza en po\'ebzie? Beide hebben ritme, muzikale klank.
PoÎzie hoeft niet te rijmen. Berijmd proza is slechte poÎzie.
Het epos met rijm vertelt een verhaal; is in wezen proza. Het werd geschreven in een tijd dat de verteller het geheel moest kunnen onthouden. Het rijm werkte als geheugensteun. Ook bij toneel, denk aan Vondel, wordt het rijm gebruikt in de dialogen als een mnemotechnisch hulpmiddel. In de reien vinden we wel poÎzie.
Kortom: met techniek kun je het verschil niet duiden. PoÎzie lijkt zich aan iedere definitie te onttrekken. Dat komt omdat een definitie een veralgemenend karakter heeft, terwijl poÎzie zich juist isoleert. In het gedicht gaat het om begrenzing tot het afzonderlijke en bijzondere. Proza is oneindig, extensief, poÎzie begrensd, intensief.
PoÎzie trekt zich uit de werkelijkheid terug, tot op een punt. Eenvoudig gezegd: proza is een lijn, poÎzie een punt. Film en foto.
De dichter keert tot zichzelf in; de prozaÔst zoekt de buitenwereld, het andere. De emotie die het gedicht opwekt is in zichzelf voltooid, afgerond. Na een gedicht zwijgt men, terwijl proza verleidt tot de vraag: " En hoe ging het verder? Hoe is het afgelopen? "


Rommel

Veel mensen die de oorlog hebben meegemaakt hebben een bijna ziekelijke drang om eten te hamsteren. In hun kelders, in kasten stapelen ze blikken met vlees, zakken met rijst, kisten met aardappelen, dozen met meel, gedroogde vruchten, soep, vis en wat niet al.
Ook hebben ze geleerd vrijwel niets weg te gooien, want ze zouden het nog eens kunnen gebruiken: potten en pannen, oude schoenen, kleren, lege tubes, gasflessen, nagellak, stenen, sieraden, schalen, rieten mandjes, botte messen, onbruikbare geluidsapparatuur, vieze knuffelbeesten, verouderde computers, flessen, schaaltjes, resten verf, ja zelfs lege plastic bakjes, waar ooit eten in zat.
Zo ook de moeder van de Chinese kunstenaar Song Dong, Zhao Xiangyuan. Toen haar man plotseling was gestorven, werd het een obsessie.
Haar zoon besloot om de rommel te ordenen als een soort genezingsproces. Hij maakte er kunst van, onder de naam 'Waste not', als een soort ode aan de Chinese spaarzaamheid en het hielp. Zijn moeder verklaarde: 'Zie je nu wel dat al die spullen dus toch nog van pas zijn gekomen?'
Niet lang daarna klom ze als zeventigjarige in een boom om een in de knel geraakte vogel te redden. Ze maakte een fatale val. Na haar dood zette Song Dong het project voort en met kisten rommel reisde hij de wereld rond om deze nauwgezet in allerlei grote musea in Beijing, New York, Vancouver, Londen, Sidney, ten toon te stellen. Nu is het geheel te zien in het Gronings museum. Vijf mensen zijn drie weken bezig geweest om de spullen langs een meetlat in soorten gerangschikt neer te leggen op de vloer van het Coop Himmelb(l)au paviljoen. De surveillante vindt het maar niks, maar het geheel is voor de kunstenaar - het uitstallen en weer inpakken van zijn herinneringen - een therapeutisch familiemoment en voor de toeschouwer een monument van verwondering, afschuw en herkenning. Wat slepen we allemaal met ons mee? Hoe zijn we geketend aan onze eigen rommel. Wat verspillen we allemaal?}


WATER

De spiegelingen en rimpels in het water... ze zijn er even, maar je kunt ze vasthouden in schilderijen, in muziek, in gedichten.
Jacqueline Kasemier, Remco Ekkers en Oleg Lysenko presenteren een programma rond het thema 'water' waarin schilderkunst, poÎzie en muziek samenkomen.
Een afdaling in de spiegeling van het water, dat is het avontuur in de schilderijen van Jacqueline Kasemier. Beroering in het water, vegetatie en weerkaatsing van het warme licht op de donkere diepte creÎren een welhaast abstract spel van kleur en beweging. De dingen die zich boven ons bevinden worden onder ons gespiegeld zichtbaar. Rimpelingen en drijvende blaadjes vormen een afscheiding. De grens tussen toeschouwer en beeld lost op en je wordt als kijker opgenomen in een diepe, bewegende wereld.
Deze geschilderde wereld smelt wonderwel samen met de door Remco Ekkers geschreven watergedichten en de vloeiende en melancholische klanken van de bayan van Oleg Lysenko. Voor dit programma speelt Oleg muziek van bijvoorbeeld Vivaldi en Satie, maar ook authentieke OekraÔense en Russische muziek uit de regio van de Dnjepr en de Wolga.
Oleg trad o.a. op met Armando, met Stefan Brijs, met Stefan Hertmans op verschillende podia, voor Radio 4, voor Vrije Geluiden.
Remco las op vele podia, o.a. in Vredenburg, theaters in Nederland en Vlaanderen.
Jacqueline exposeerde o.a. op de Panbeurs, Realisme Amsterdam, galerie Van Veen, Van Strien, Terbeek, Den Andel, Museum Mohlmann, Museum Slager Den Bosch, Drents Museum en Fraeylemaborg.


Manifesten in Kranenburgh

Een plastic tapijt op de vloer met een uitvergrote foto van een omgevallen jampot. Aan de wand de opdracht je schoenen uit en een kleurig gewaad aan te trekken, een soort kimono. Vervolgens moet je op het tapijt gaan liggen, in het midden, nadat je op een knopje hebt gedrukt. Het tapijt gaat trillen en dat werkt als een soort massage. Moet je verkwikt worden of verontrust? Mij overkomt geen van tweeÎn.
Als ik de zaal uitloop, blijkt een museumbobo mij te hebben bekeken. Hij vraagt: 'Hoe vond u het?' en als ik een beetje afwerend zeg: 'Enig!'; 'Zo ziet u maar, zelfs wellness is kunst.'
Daar denk ik over na. Wie bepaalt wat kunst is? Dat was voor Folkert de Jong (1972) uit Egmond aan Zee, Saatchi. Folkert brak internationaal door nadat Charles Saatchi werk van hem aankocht.

In Bergen was Piet Boendermaker (1877-1947) kunstverzamelaar. Hij liet in zijn tuin een kunstzaal bouwen. Daar hing werk van Leo Gestel, Piet Mondriaan en Jan Sluijters. De kunst van de Bergense School werd aanvankelijk niet gewaardeerd. Nu hangt het museum trots vele niet lieflijke doeken met sombere kleuren, van de genoemden en van Piet Wiegman op.\u8232 Nu staat in Kranenburgh in de Taqazaal een boomstronk met zeven grillige, gekleurde figuren. De kunst van De Jong is niet lieflijk, niet aangenaam, maar is zij verontrustend?
In 1916 verwoordde Piet van Wijngaerdt, grondlegger van de Bergense School zijn ideeÎn in een manifest.
'De kunstenaars behandelen alle onderwerpen. Het publiek, afkerig van inspanning, bekijkt schilderkunst als plaatjes. De kunsthandel wekt die averechtse opvatting in de hand door te speculeren op de slechte smaak van de massa. De nieuwe schilders willen een zuivere, eenvoudige kunst, niet vertroebeld door quasi-diepzinnigheid.'

Folkert schrijft in 2015 o.a.: 'Kunstenaars, verenigt u en spreekt gezamenlijk een ideaal uit. Kunst vult de leegte. Kunst bevrijdt. Kunst biedt ijkpunten voor en verzoent zich met het leven. Kunst is noodzaak.'
Ik ben niet onder de indruk van zijn stellingen, die misschien in 1880 opzien zouden baren.
Voor de deur van het gebouw plaatste Folkert een kleine 'Hercules kernraket. Het is in feite een nogal amateuristisch maaksel, schuin staande op een paar houten, onbewerkte pellets. Het motto is 'Kunst die inslaat als een bom'. Op een folder staat nog: 'De raket symboliseert ook dat de kunstenaars misschien meer wapens in handen hebben dan ze denken.'
Dan ze denken? Wapens? Trillende tapijten?


Sterfelijk-zijn

Atul Gawande confronteert ons in zijn boek 'Being mortal' met de realiteit van het ouder worden en de daarbij behorende kwalen. Hoe gezond we ook waren, soms tot op hoge leeftijd, op een gegeven moment neemt onze energie af, worden we ziek, doof, halfblind, gaan we vallen, breken onze botten. \u8232 Wat doen we met oude mensen? We proberen hun kwalen te verlichten, geven pillen, brillen, gehoorapparaten, gebitten, insuline, repareren heupen, nemen tumoren weg, brengen stens aan in bloedvaten etc., maar hoe gaan we om met hun menselijkheid? Hoe staan we mensen bij die niet meer thuis kunnen wonen, omdat ze geen boodschappen meer kunnen doen, niet meer auto kunnen rijden, niet meer voor zichzelf kunnen koken, zich niet meer zelf kunnen wassen, verschonen, intensieve zorg nodig hebben. We brengen ze naar verzorgingshuizen, waar ze moeten eten wat de pot schaft, waar ze moeten opstaan en ontbijten en lunchen en warm eten op tijden die door het huis bepaald worden, waar ze niet meer zo maar weg kunnen, waar ze 'vermaakt' worden.
Gawande vertelt over een echtpaar dat een woonvorm creÎert waar ze de nodige zorg kunnen krijgen, maar overigens zelf uitmaken hoe ze hun leven inrichten, wie ze ontvangen, waar ze mogen roken of drinken en waar ze hun eigen spullen kunnen meenemen, waar ze zich kortom thuis kunnen voelen.
Vroeger was er de familie, was er eerbied voor de ouderdom. In zogenaamd onderontwikkelde landen is dat nog zo. Vroeger werden mensen trouwens niet zo oud. In de middeleeuwen stierven ze gemiddeld rond hun dertigste. Enkele sterken, die bovendien het geluk hadden niet te sterven door oorlog, een overval, ongeluk, een besmettelijke ziekte, waren van belang voor het doorgeven van een traditie. Die rol is al lang overgenomen door boeken en nu door internet, waar jonge mensen alles kunnen opzoeken wat ze willen weten over maatschappij, ziekten, zinvolle oude gebruiken.
De samenleving had geen probleem met het verzorgen van de weinige ouderen. Er waren overigens ook samenlevingen waarin het vanzelfsprekend was dat ouderen, die lastig werden voor de gemeenschap, zelf de berg op gingen of de woestijn in of de sneeuwvlakte.
Nu hebben zogenaamd ontwikkelde landen te kampen met een overvloed aan ouderen, dankzij de gezondheidszorg, die een steeds groter beroep doen op het bruto binnenlands produkt. Er dreigt een mentaliteit te groeien waarin ouderen zich gedwongen voelen uit het leven te stappen, zoals gebruikelijk was bij de Inuit, woestijnvolken of in Japan.


Stel dat het leven zin heeft, dan krijg je de vraag waarom er lijden is. Een van de moeilijkste opgave waarvoor we ons gesteld zien, is niet alleen vaststellen dat het leven geen zin heeft, maar ook dat de gedachte dat dat leven zin heeft, of zin moet hebben, ons afhoudt van wat werkelijk belangrijk is. Het leven heeft de waarde die wij zelf er aan toe kennen.
Je moet niet achter gevoelens aanzitten. We zijn het gelukkigst als we eenvoudig existeren, als we doen wat we vinden dat we moeten doen.
Bekend is de uitspraak van Epicurus: maak je geen zorgen over de dood. Als je leeft is de dood er niet en als je dood bent, is er geen leven. Hij zegt eigenlijk dat de dood ons niet kan schaden. Waarom maken we ons dan toch zorgen?
Omdat we vooruit denken. Ik denk aan mezelf als ik ga sterven en ik denk aan mijn dood als ik leef en dat kan ik treurig vinden. Wat moet er worden van hen die ik achterlaat? Wat gebeurt er met mijn schilderijen, boeken? Natuurlijk, het maakt niet zo veel uit. De nabestaanden zullen me missen, maar ze redden zich wel zonder mij. Ze zullen wel moeten. Je kunt het treurig vinden dat bepaalde plannen niet meer gerealiseerd worden, maar daar heb je zelf toch geen last meer van. (N.a.v. Mark Rowlands ('De Filosoof en de Wolf'))


Geboorte

Je wilt een gedicht schrijven. Je moet wachten. Na een tijd vermoed je dat er langzaam een proces op gang komt. Dan begint het besluipen. Je voelt de gedachte in je opkomen als een obstakel in je keel dat langzaam omhoog komt, met de bijbehorende belofte van opluchting. Soms zakt het terug. Dan zie je een nieuwe route en weer leeft de hoop in je op. Je voelt dat het gedicht er aankomt. Bijna, bijna. Een gedicht laat zich niet dwingen en het komt alleen maar naar boven als de tijd daar is. Je moet wel de druk er ophouden, anders komt het niet. Uiteindelijk, als je geluk hebt en er veel moeite in steekt, komt het gedicht. Het levert een gevoel van geluk, maar dat is van korte duur. Je gaat al snel over naar het volgende gedicht en alles begint van voren af aan.

Sociaal

Empathie bij apen is ontstaan omdat ze leven in groepen. Om je in een groep te kunnen handhaven moet je het vermogen hebben te beoordelen wat een ander gaat doen. Je moet als het ware gedachten kunnen lezen. Hoe ziet de wereld er voor de ander uit? Mark Rowlands ( 'de Filosoof en de Wolf') geeft het voorbeeld van een chimpansee die zijn erectie verbergt voor een ander dominant mannetje, maar die wel aan een vrouwtje laat zien. Hij verplaatst zich dus in het perspectief van dat andere mannetje en eigenlijk ook in dat van het vrouwtje. Misschien begrijpt het vrouwtje wel wat hij doet: hij verneukt het andere mannetje omdat hij met mij wil neuken. Ander voorbeeld: een baviaan loopt met andere bavianen over een pad door het bos en ziet wat lekkers. Hij denkt: als de anderen mij zien kijken, zien zij dat lekkers ook. Wat doet hij? Hij treedt iets terzijde en begint zich te vlooien. De anderen lopen door en als hij alleen is, pakt hij het lekkers en eet het alleen op. Als een andere baviaan had gezien dat de eerste iets interessants had gezien is dat een representatie van de tweede orde, maar als de eerste begrijpt dat anderen zouden kunnen begrijpen dat hij wat lekkers ziet, is dat een representatie van de derde orde.
Apen hebben een grotere herseninhoud dan andere zoogdieren; ze zijn ook intelligenter. Ze leven niet in groepen omdat ze intelligenter zijn; ze zijn intelligenter geworden omdat ze in grotere groepen leven. Dat vraagt immers nogal wat denkkracht. Sociale dieren moeten hun collega's manipuleren en bedriegen. Ze moeten vals kunnen spelen, ze moeten kunnen intrigeren, bondgenootschappen smeden met andere apen om hun doelstelling - macht - te bereiken.


Brieven Vasalis-Van Oorschot

Waarschijnlijk was Geert van Oorschot verliefd op Vasalis, maar zij was niet van plan de huwelijkstrouw te schenden. Geert schepte een keer (misschien wel vaker?) dat hij in Harlingen met haar naar bed was geweest. Misschien was het een vreemde grap. Het was ongetwijfeld een wens. Wel schreven ze elkaar een half leven lang, tot zijn dood, brieven, waaruit blijkt hoe veel ze van elkaar hielden. Overigens richt Geert zich ook tot Jan Droogleever Fortuyn, haar echtgenoot. Vasalis laat zich kennen als zuiver, wijs, hartstochtelijk, maar ook onzeker.
Uit de brieven aan Geert kunnen we leren wat de reden was van haar 'zwijgen'. Vroeger hoorde ik in Groningen dat na haar laatste bundel 'Vergezichten en gezichten' nog stapels gedichten in bureauladen lagen en dat ze alleen maar niet publiceerde omdat zij genoeg had van alle aandacht voor haar privÈ-persoon. Uit de brieven blijkt dat het hebben van kinderen en een drukke baan het schrijven van gedichten in de weg stond. Zij kon te weinig 'alleen' zijn, maar een andere belangrijke reden voor het niet meer publiceren, ondanks de herhaalde druk van Geert, was het gebrek aan inspiratie en haar strenge zelfkritiek. Af en toe kwam er nog een gedicht naar buiten, maar meestal hield Vasalis haar gedichten in portefeuille en af en toe verscheurde zij mislukte schrijfsels. Er was nog een reden: wat was het belang van gedichten in vergelijking met de wereldbrand? Toch zouden de naar haar mening geslaagde gedichten zeker die barriËre overwonnen hebben. Vasalis was zowel diep bescheiden als ambitieus, zowel trots als nederig.
Zij was ook kritisch over het werk van anderen, waarbij ze een duidelijke voorkeur had voor eenvoud en authenticiteit: Judith Herzberg, Janne Wijnalda (wat is er met haar gebeurd?), Eva Gerlach, maar ook voor de niet eenvoudige gedichten van Fritzi ten Harmsen van der Beek. Waarom Fritzi? Omdat zij volstrekt origineel en wild was en dat herkende Vasalis als een belangrijk deel van haar persoonlijkheid.


Biocognitie

Het hangt er natuurlijk vanaf hoe je denken definieert - talig of niet -, maar de Escherichia coli bacterie doet iets dat op denken lijkt, dat wil zeggen, hij reageert op zijn omgeving, zoekt een aangename plek en onthoudt twee seconden waar hij was. Hij is twee micron lang en leeft in het darmstelsel van de meeste dieren. Hij zwemt naar een plek waar meer voedsel is en als de richting niets oplevert, tuimelt hij om en probeert een andere kant uit te zwemmen. Hij zwemt een seconde en legt een afstand af van vijftien maal zijn eigen lichaamslengte. Het tuimelen duurt een tiende seconde.
Hij vergelijkt de concentratie van voedsel met die van maximaal twee seconden daarvoor en 'besluit' voort te zwemmen of een andere plek te zoeken. Het succes van de mens in de evolutie is vooral te danken aan de capaciteit van zijn denkvermogen. Lang hebben we gedacht dat wij uniek waren, maar de laatste jaren hebben we veel meer aanwijzingen gevonden dat er geen principieel, maar gradueel verschil is tussen de mens en andere levende wezens. Zelfbewustzijn, probleemoplossend vermogen, cultuuruitingen komen ook bij dieren voor.
Het denken vindt niet alleen plaats in de hersenen: het hele lichaam speelt een rol. Ook alle technische verlengstukken, als agenda's en computers 'denken' mee. Kennis wordt opgedaan en uitgewerkt, doorgegeven in interactie. Er is altijd actie, waarneming en reactie.


Uitroeptekens

Het is een paradoxale titel: 'De ondraaglijke lichtheid van het bestaan'. Het bestaan is licht vanwege het voorbijgaande karakter en uiteindelijk zelfs omdat het daarom zonder betekenis is, volgens de auteur. Maar dat is tegelijkertijd ondraaglijk of onverdraaglijk.
Waarom had het boek, afgezien van de titel, zoveel succes in de jaren tachtig? Ongetwijfeld omdat voor die tijd nogal expliciet over seks werd geschreven, maar zeker ook omdat men in Europa medelijden had met de Tsjechoslowaken (toen nog) vanwege de Russische overheersing en de idiote politieke controle, waarbij bekwame chirurgen glazenwassers moesten worden. De lezers schrokken van de hypocrisie van het communisme, de onderdrukking, de onderlinge controle. Zeker ook de filosofische opmerkingen en de postmoderne onderbrekingen van de auteur. De vlijmscherpe en overtuigende analyse van de kitsch in de communistische landen, maar ook in het westen!, de ironie waarmee ons treurige lot wordt beschreven, dat alles verklaart het succes van het boek.
Een voorbeeld van de waardering is de reactie van een lezer. "Een mens kan nooit weten wat hij wil, omdat hij maar een leven heeft dat hij niet aan zijn voorgaande levens kan toetsen, noch in zijn volgende levens kan herstellen. Is het beter samen met Tereza te zijn of alleen te blijven? Er bestaat geen mogelijkheid om na te gaan welke beslissing beter is, want er is geen vergelijking. Wij maken alles zomaar voor het eerst en onvoorbereid mee, net als een acteur die voor de vuist een stuk speelt. Maar wat kan het leven waard zijn, als de eerste repetitie voor het leven al het leven zelf is? Het leven lijkt daarom altijd op een schets. Hoewel het woord 'schets' evenmin juist is, want een schets is altijd een ontwerp voor iets, de voorbereiding voor een schilderij, terwijl de schets van ons leven een schets is voor niets, het ontwerp zonder een schilderij. 'Einmal ist keinmal', herhaalt Tomas het Duitse gezegde. Wat maar een maal gebeurt, hoeft net zo goed helemaal niet te gebeuren. Als we maar een leven mogen leven, hoeven we net zo goed helemaal niet te leven.'
'Deze schitterende analyse, die redelijk snel in het boek voorkomt, slaat meteen de nagel op de kop', zegt deze lezer. Ik denk: wat een onzin. De lezer gaat verder: 'Deze gedachte zal nog veel in het boek terugkomen en geeft ook de dualiteit weer tussen lichtheid en zwaarte. (?) Wanneer we onmogelijk onze keuzes en beslissingen kunnen toetsen, heeft het enerzijds geen zin om er ons druk over te maken. We kunnen dan best ons gevoel en hart volgen en elke dag nemen zoals die komt (lichtheid). Aan de andere kant worden we overspoeld met een gevoel van melancholie en nihilisme: als onze keuzes inderdaad zo ontoetsbaar worden tot op zo'n niveau dat ze totaal irrelevant worden, wat heeft het leven dan nog voor zin? Dan kunnen we evengoed niet leven.'

Er staan vele onzinnige maxime's en metaforen in het boek: 'Zou elke seconde van ons leven zich oneindig herhalen, dan zijn we vastgenageld aan de eeuwigheid zoals Jezus Christus aan het kruis.' 'Liefde openbaart zich niet door een verlangen om te vrijen (dat verlangen geldt een ontelbare hoeveelheid vrouwen), maar door een verlangen naar een gedeelde slaap (dit verlangen geldt ÈÈn enkele vrouw).' 'ze denkt aan de tijd van Johann Sebastiaan Bach waarin muziek leek op een roos, bloeiend op een gigantische sneeuwvlakte van stilte.'
'Elke Fransman is anders. Maar alle acteurs op de hele wereld lijken op elkaar.'
'Opwinding was in strijd met het paradijs. Onthoud dat goed: in het paradijs bestond genot, geen opwinding.'
Ik vermoed dat de hiervoor geciteerde lezer bij deze en andere uitspraken enthousiaste uitroeptekens zou willen plaatsen.


De eeuwige terugkeer

De eeuwige terugkeer is de hel. Zelfs het meest verrukkelijke verwordt tot een marteling als je het steeds moet beleven.
Is het leven waardeloos omdat alles voorbijgaat? Of wordt geluk en schoonheid juist bepaald door het voorbijgaande karakter ervan? De altijd bloeiende roos is van plastic. Natuurlijk, zonder herinnering wordt alles minder waardevol, maar nog niet waardeloos. Het is er ooit geweest. Milan Kundera's roman 'Nesnetiln' lehkost byt'ed' is door Jana Beranov· vertaald. De titel is geworden: 'De ondraaglijke lichtheid van het bestaan'. Is er een verschil tussen ''ondraaglijke' en 'onverdraaglijke', anders dan een poÎtische toets?
Kundera heeft het eerste deel 'Lichtheid en zwaarte' genoemd. Hij begint met het idee van de eeuwige terugkeer der dingen en hij noemt dat idee raadselachtig. Hij noemt het een dwaze mythe. In 'Also sprach Zarathustra' behandelde Nietzsche de eeuwige terugkeer als een dogma, maar eerder betoogde hij dat eeuwigheid niet bestaat. De mens is eindig en zal ten onder gaan. De test voor de wil tot leven is de vraag of men het leven oneindig zou willen herhalen.
Dat lijkt me onzin. Als ik Kundera goed begrijp is het bestaan ondraaglijk licht omdat het voorbij gaat. Het zou zwaar zijn als het eeuwig weerkeerde.
Het boek van Kundera is een verzameling filosofische aforismen, nogal speculatief, in het jasje van een liefdesgeschiedenis en een politieke geschiedenis. De verteller bemoeit zich voortdurend met de gebeurtenissen en geeft daar een metaforische draai aan. 'Laten we zeggen dat de gedachte van de eeuwige terugkeer een zeker perspectief betekent waarin de dingen zich anders vertonen dan we die kennen: ze vertonen zich zonder de verzachtende omstandigheid van hun voorbijgaande aard. Deze verzachtende omstandigheid weerhoudt ons namelijk (ervan?) een oordeel uit te spreken. Hoe kun je iets dat voorbijgaat veroordelen? Het avondrood van de ondergang kleurt alles met de bekering van de nostalgie; ook de guillotine.' Dit lijkt mij onzin en dat ligt niet alleen aan de vertaling.


Ongelijkheid

Wat is er mis met ongelijkheid? Sommigen worden geboren met muzikaal talent, anderen kunnen van jongs af aan goed voetballen, weer anderen zijn al jong handig in het zakendoen. Is dat onrechtvaardig? Wie zouden we moeten bestrijden? Hoe kunnen we talent afnemen van sommigen en dat zogenaamd rechtvaardig verdelen? Iemand met rijke ouders en goed verstand kan naar een prestigieuze universiteit. De zoon van een arme man kan intelligent zijn, maar hij kan zijn studie niet betalen.
Moeten we in onze samenleving natuurlijke verschillen recht trekken? Ja, dat vinden we (in onze streken) als het betrekking heeft op sekse. Een meisje moet evenveel kans hebben op een goede baan als een jongen en we zijn bereid om scheefgegroeide verhoudingen recht te trekken door de voorkeur te geven aan een vrouw bij gelijke geschiktheid voor een baan als hoogleraar.
Velen (?) vinden ook dat we de ongelijkheid met betrekking tot de rijkdom moeten corrigeren bij studiekeuze en als we in staat waren om het IQ van iemand op te vijzelen, zouden we het doen.
Het mag toch niet uitmaken of je een nieuwe nier krijgt als je die niet zelf kunt betalen? We vinden (niet allemaal) solidariteit bij verzekeringen vanzelfsprekend.
De meeste Nederlanders vinden het in orde dat de oudste zoon van Beatrix koning wordt.
Als een zogenaamd lelijke vrouw geen man kan vinden, zeggen we: ja, zo gaat dat.
Niet iedereen kan de 100 m binnen 1 minuut lopen.
Een slang die niet snel genoeg is, zal van honger omkomen. Iemand met een zwak hart zal jong sterven. Maar aan dat laatste willen we iets doen: een ander hart implanteren... Wanneer is ongelijkheid onrechtvaardig? Dat hangt af van de cultuur.

'Het gelijkheidsbeginsel is een westers begrip en heeft zijn wortels in de Verlichting en het humanisme. Bij de Franse Revolutie was het gelijkheidsbeginsel voor het eerst het uitgangspunt bij de staatsinrichting ( ÈgalitÈ naast de libertÈ en de fraternitÈ). In de 20e eeuw werd als uiting van het gelijkheidsbeginsel het algemeen kiesrecht en het vrouwenkiesrecht in Nederland ingevoerd.
' (Wikipedia)
'Het gelijkheidsbeginsel is geen universeel aanvaard concept. In de meeste godsdienstige stromingen wordt onderscheid gemaakt tussen uitverkorenen en heidenen en tussen mannen en vrouwen. Een aantal voorbeelden hiervan: In de rooms-katholieke Kerk is het priesterambt alleen toegankelijk voor ongetrouwde mannen. Een orthodox-protestantse partij, weert homoseksuelen uit bestuurlijke en vertegenwoordigende functies.
'Binnen de Sharia, de islamitische wet, wordt onderscheid gemaakt tussen: Moslims, die de meeste rechten hebben; Dhimmi's, onderworpen niet-moslims, die aanhangers zijn van een monotheÔstische godsdienst; zij hebben beperkte rechten. Harbi's, alle andere niet-moslims; zij hebben de minste rechten.
Het hindoeÔsme kent het kastenstelsel, waarbij de afkomst bepaalt welke rechten iemand heeft.' (Wikipedia)


Viool

In de Abbaye aux Dames is een festival voor oude muziek. In de grote kloosterkerk wordt gerepeteerd voor een concert morgen. In 1653 regelde Mazarin een concert voor de jonge zonnekoning, 15 jaar oud. Voor het eerst wordt dit hele concert met muziek van Rossi, Cavalli, Lambert en BoÈsset opnieuw uitgevoerd. De slanke, zeer eenvoudig geklede SÈbastien DaucÈ laat fragmenten spelen en geeft aanwijzingen. Hij doet dat nogal ontspannen en corrigeert zacht pratende zangers of orkestleden die even niet aan de beurt zijn niet. Philippe Herreweghe, die we vanmiddag in de stad zagen lopen in de richting van de rivier, doet dat heel wat strenger.
Een violiste, gekleed in een korte, fel rode rok, een donkerrood jak met daaronder iets wits, lacht naar medespeelsters en naar de dirigent, maar als hij aangeeft te gaan spelen buigt haar lichaam enthousiast mee met de muziek. Ze gaat ook een beetje door de kniÎen, waarbij de aandacht komt op haar zachte, korte witte laarsjes. Ze houdt, zoals de andere violisten, haar viool tegen haar sleutelbeen.

Soms vragen mensen: wat zou je willen overdoen in je leven? Sinds kort heb ik een antwoord. Ik zou viool hebben willen leren spelen, in plaats van piano. De pianolessen waren geen succes, omdat ik te veel moeite had met het sturen van linker- en rechterhand. Noten lezen ging goed, maar verschillende ritmes met beide handen ging moeilijk. Daarbij kwam dat de pianojuf weinig geduld had en mij met een lineaal op mijn handen sloeg als ik het fout deed. Dat is misschien niet zo erg als je het uiteindelijk goed doet, maar dat lukte me niet. Ik herinner me dat ik huilend naar les ging. Mijn moeder begreep dat het niet ging lukken en was misschien ook wel blij dat ze het lesgeld niet meer hoefde te betalen: in elk geval ik mocht van les af. Waarom kreeg ik geen vioolles? Mijn vader speelde zeer behoorlijk viool! Op een viool heb je geen problemen met de handen. EÈn hand om de noten aan te geven, ÈÈn hand om de strijkstok te hanteren. Waarom heb ik het niet gevraagd? Vooral dat verbaast me. Later haalde ik een muziekdiploma om zanglessen te geven. Dat ging goed. Waarom geen viool?


Vleugels

Het musje vliegt recht omhoog, blijft dan even hangen en laat zich vallen tot het zijn vleugeltjes weer spreidt en omlaag duikt in het dal. In golven komen ze omhoog vliegen naar de grote vijgenboom en verdwijnen tussen de bladeren. Ze zijn onzichtbaar en ik vraag me af wat ze daar doen. Dan duiken ze met een groep omlaag, het dal in. Spaanse mussen, rotsmussen. Soms zit er een op de elektriciteitsdraad te balanceren. In de vijgenboom klinkt druk getsjilp en af en toe wild gefladder.
De huis- en boerenzwaluwen vliegen als acrobaten heen en weer, maken snelle wendingen. Je ziet niet dat ze muggen vangen.
Onderweg naar de Colle de la Creu zien we een kolibrie-achtig insect, wentelwieken boven een distel. Het heeft een lange snuit of snavel. Hoe moet je dat noemen? Parasolvlinders zitten geen moment stil, net als citroentjes, die een lichtgroene appelkleur hebben. Daar gaat een rouwmantel.
Hoog in de lucht met nauwelijks bewegende, gespreide vleugels, maken gieren hun ronde. Drie vale gieren, een aasgier. Langs het pad afgekloven beenderen. Op de terugweg vliegt een kleurige bijeneter over de weg.

Voetreis
Hij reist in 1933 van Engeland naar Constantinopel, lopend met ouderwetse beenwindsels en bespijkerde schoenen. Hij is negentien jaar. Hij begint in Hoek van Holland en komt al gauw in het vooroorlogse Rotterdam en hij is verrukt, Patrick Leich Fermor. Het sneeuwt en hij loopt bijna alleen door de stad, door stegen die uikomen op de Boompjes, 'een lange met bomen en kaapstanders afgezette kade'. Hij komt in de enige kroeg die open is. Een forse man met voorschoot maakt een kachel aan en Patrick krijgt gebakken eieren met koffie, naar eigen zeggen de beste die hij ooit heeft genuttigd. Het is vroeg in de ochtend, maar de Grote Kerk, de kathedraal is open en hij ziet de Hollandse schilderijen. Later, als Rotterdam al weer achter hem ligt, ziet hij de geometrie van het Hollandse landschap, ijs, wolken en het prachtige licht. In Dordrecht valt hij in een cafÈ in slaap achter zijn kroes. De waardin laat hem naar een bed brengen en wil alleen betaling voor de maaltijd en het drinken. Gastvrijheid. Patrick ontmoet het steeds weer op zijn lange tocht. Langs de rivieren loopt hij naar Nijmegen en verlaat het land dat hij sindsdien bewondert om in het Duitsland van de bruinhemden en hakenkruizen te belanden, maar ook daar zijn vele aardige en gastvrije mensen, zelfs voor iemand uit Engeland.


Overvloed

Volgens Vrij Nederland 'is de voortdurende aanwezigheid van een kennelijk wijze oude man in een aardige onbevangen jongen' dat wat het boek uit tilt boven een nostalgisch reisverhaal.
Het boek 'Een voettocht langs Rijn en Donau' is een terugblik op de reis die de negentienjarige Patrick Leigh Fermor maakte in 1933-34 van Londen naar Constantinopel. Lopend. Als de omstandigheden er naar zijn lift hij mee met een kar, reist een klein stukje met een trein of een groter stuk met een paard. De schrijver heeft gebruik gemaakt van zijn herinnering en van dagboeken. Een dagboek is gestolen; een ander ergens vergeten, maar op wonderlijke wijze teruggevonden.
Wat voor jongen is de jonge Patrick? Hij heeft zijn schoolcarriÎre niet afgemaakt, is wel intelligent, maar ongeschikt voor orde en regelmaat. Hij heeft een groot talent: hij kan met vrijwel iedereen gauw en goed opschieten: met aristocraten, zigeuners, wagenmenners, jonge vrouwen, oudere vrouwen, zwijnenhoeders, zigeuners, drinkebroers, vreemde lieden, geestelijken, patriotten, liberalen, communisten etc. Politieke tegenstellingen begrijpt hij en hij kan in discussies meegaan met allerlei standpunten. Dat betekent niet dat hij karakterloos is. Hij loopt graag alleen en geniet van de natuur, maar hij kan ook lang blijven hangen bij logeeradressen. Na enige tijd krijgt hij allerlei adressen van vrienden van vrienden, waar hij kan komen en waar hij zich kan wassen, goed eten, veel roken en drinken. Tijdens nachtelijke feesten tot de vroege morgen wordt hij graag dronken, zodat hij vrijwel bewusteloos in een bed tuimelt. Hij is arrogant genoeg om zich de status van dolende geleerde aan te meten, maar eerder is hij een jonge vagant.
De oudere schrijver verliest zich soms in wonderlijke vergelijkingen en mooischrijverij: 'Hoeden dragend als ibissen die hellend door de lucht cirkelen dwarrelden ze als droomfiguren met een gevolg van met linnen afgezette laarzen door vergezichten van verstrengelde haagbeuken.' Trekkend door TranssylvaniÎ langs rivieren, herinnert hij zich: 'Alles in deze rietbegroeide kronkelingen was inert en zweeg onder een slaapverwekkende betovering van groei en ongehinderde overvloed.'


Schilders en gruwelen

Patrick Leich Fermor houdt een dagboek bij van zijn reis. Er staan geografische gegevens in; het is een verslag van ontmoetingen met allerlei soorten mensen. Af en toe verdiept hij zich in bepaalde onderwerpen, zoals sneeuw in de bossen en de geluiden van stroompjes en watervallen; overwegingen omtrent Shakespeare; wat je al lopend reciteert van verschillende dichters, van Horatius tot Donne, Byron en enkele modernen. In de abdij van Melk duizelt het hem en zijn lezer van de barokke zinswendingen en de versierende adjectieven. Bij de weduwe van een hoofdpostbesteller wordt hij overrompeld door alle verhalen over haar man, de kinderen en de kleinkinderen en de buren, maar zo boeiend en met theatrale overtuiging verteld dat het hem spijt in te dommelen.
Hij vertelt dat een gemiddelde, niet-deskundige Engelsman die af en toe musea bezoekt zonder moeite tientallen Hollandse en Vlaamse en Italiaanse meester kan noemen (hoe lang is dat geleden?), maar Duitse schilders? Zelf kent hij Holbein, D¸rer en vaag weg Cranach. Holbein doet Engels aan; D¸rer is een genie in de richting van Da Vinci. Cranach leert hij kennen door zijn reis en Altdorfer en Gr¸newald zijn aan zijn kennis toegevoegd. Deze schilders waren actief in de eerste decennia van de zestiende eeuw. Het moet te maken hebben met de opkomst van het protestantisme. Hij kreeg een hekel aan het Duitse realisme. Vooral de afbeeldingen van martelaarschappen zijn afschuwelijk. 'Vlezige, ongeschoren pummels met gedeukte borstplaten, uit hun broek hangende hemden en openstaande broekkleppen zijn juist, bij wijze van spreken, het Hofbr‰uhaus uit komen wankelen, stinkend naar bier en zuurkool en er tuk op iemand buiten westen te meppen. (...)zij zijn zonder uitzondering expert in het omdraaien van ledematen, het lamslaan van hun slachtoffers, stenigen, ranselen, uitrukken van ogen en onthoofden, ze zijn behendig met hun blinkende stukken gereedschap en genieten van hun taak.' En zo gaat het bladzijden verder. Waar Italianen beulen en heiligen met evenveel sereniteit afbeelden, lijken de Duitsers Christus als een bandiet af te beelden: 'De wonden kleuren blauw, er hangt een geur van gangreen en verrotting in de lucht.
Denk aan de Boerenoorlog van 1523, aan de Dertigjarige oorlog met zijn gruwelen. Aan de latere concentratiekampen?


De kust van Bohemen

Die avond zitten ze, dat wil zeggen Patrick 'in geleende avondkleding tussen de door kaarslicht beschenen gezichten tijdens een geanimeerd diner' aan tafel. Daar zijn Hans, de oudere vriend die hij in Wenen heeft leren kennen, een erudiete bankdirecteur, Heinz, de oudste broer, hoogleraar in de politieke theorie, maar die er meer uitziet als een dichter of een musicus. En dan staat er: 'Het licht van die kaarsen, die nu weer even branden, toont me ook hun vriendelijke ouders en Heinz' beeldschone vrouw.' Heinz' beeldschone vrouw. Patrick is net negentien geworden. Hij heeft in Bratislava vele avonden gefascineerd de hoerenruÔne in een oud kasteel bezocht, zonder achter dunne gordijnen te verdwijnen, vooral uit angst voor syfilys. Hij heeft op zijn reis vele jonge meisjes en vrouwen ontmoet in allerlei situaties: twee zusters van zijn leeftijd ongeveer, in een verder leeg huis, bijvoorbeeld, en Trudi, een meisje van vijftien met ganzeneieren in een mand, met wie hij onder een dekzeil in een hevige sneeuwbui reisde naar Wenen. Geen woord over seksuele avonturen. Vrouwen zijn bij hem ook goede gesprekspartners, maar soms zijn ze beeldschoon, alsof die eigenschap toch de belangrijkste is.
Komt die beeldschone vrouw van Heinz nog terug? In een bescheiden rol. Zij deelt samen met haar man en Paul en Hans in de schijnbare triomf, namelijk als Patrick in de bibliotheek van Heinz, met zijn hulp, heeft ontdekt dat Bohemen toch werkelijk een kust heeft gehad, vijftien jaar lang, zodat Shakespeare in 'Een winteravondsprookje' toch gelijk had. Schijnbare triomf, want terwijl Shakespeare in zijn historische stukken pijnlijk nauwkeurig was, gooide hij er met de pet naar in zijn blijspelen door bijvoorbeeld de namen van SiciliÎ en Bohemen te verwisselen.


Verwoesting

De Mongoolse troepen van Djengis Khan brandden in 1241 TranssylvaniÎ plat. Steeds weer waren er vreemde stammen die een bestaande beschaving niet tolereerden. Ze brandden iedere kerk, iedere stad, ieder kasteel, elk dorp, elke abdij plat. Het was in de dertiende eeuw, in de tijd van Plantagenet en Valois. Ze slachtten de bevolking af, maakten de sterken tot slaaf en vernietigden alles. Het slopen van stenen gebouwen kost tijd, maar ze deden het, ondanks hun haast om verder te trekken. Alles wat te verwoesten viel, werd verwoest. Ieder fragment historisch materiaal uit de voorgaan duizend jaar moest van de aardbodem verdwijnen.
Denk aan IS. Als ze geen beelden of tempels verwoesten, verkopen ze de brokstukken om hun gebied verder te kunnen uitbreiden.
Denk aan de joodse cultuur die moest worden ausradiert. Synagogen, winkels, bibliotheken: de brand er in. Ook Hitler maakte slaven tot ze van uitputting stierven en de nuttelozen werden efficiÎnt afgemaakt.
Wij eisen van vluchtelingen dat ze assimileren, maar velen onder hen beschouwen dat als verraad, als ontrouw aan hun godsdien, hun cultuur.
Patrick Leigh Fermor loopt dagenlang alleen door bossen, bergen en dalen en waant zich in een ongerept paradijs en voelt zich gelukkig. (Dat was hij ook in alle kastelen met interessante gastheren en -vrouwen; en vooral op zijn tocht met een vriend en AngÈla, met wie hij een heftige, maar noodzakelijk korte romance had.)
Aan het eind van zijn tocht door het paradijs komt hij plotseling en zonder waarschuwing in een totaal detonerend kuuroord. Het leek of de natuur verwoest werd door een opgespoten lege roddelcultuur.


Doornroosje

Het was de prins die de doornen wegsneed met zijn zwaard en zo het kasteel met de slapende prinses toegankelijk maakte. Toen moest hij haar nog wakker kussen, maar dat was niet moeilijk. Zij was honderd jaar lang jong gebleven en toen zij wakker werd, begon alles te leven in het kasteel: de kippen, de koksmaats, de lakeien, haar ouders. En zij gaven hem maar al te graag toestemming om te trouwen.
De burcht Faiada was dichtgegroeid toen we aankwamen, zonder zwaard, maar met snoeischaar. De prinses knipte de doornige takken weg en even later opende de prins met een omgekeerde sleutel de kasteeldeur: alles was nog hetzelfde gebleven. Het water ging weer stromen, evenals de elektriciteit en de koelkast werd weer koud. Op het terras keken we even later met een kop koffie naar de eeuwige overkant. Wat is zo aantrekkelijk van dit gebied? De betrekkelijke onbereikbaarheid, de eeuwigheid, de onverzettelijkheid, de ruwe, ongenaakbare bergen, die door het groen, de bomen, toch vriendelijk lijken; de stilte die hangt in het dal, onderbroken door de bellen van de koeien, het gefladder en getsjilp van de vogeltjes; het trage cirkelen van de gieren; de eremita boven op de kam; de blauwige contouren van de bergen verderop.


Tirant lo Blanc

Het is een wonderlijk verhaal over de witte ridder van Warwick, William , later Tirant lo Blanc genoemd. Hij neemt afscheid van zijn personeel, betaalt hen voor hun diensten. Hij neemt afscheid van zijn vrouw, die met hem mee wil en haar baby slaat opdat deze gaat huilen. Dan huilen ze alle drie, maar de ridder vertrekt naar AlexandriÎ en Jeruzalem. Hij bezoekt het graf van Jezus en vertrekt weer naar VenetiÎ; geeft zijn tweede man geld zodat deze kan trouwen en in VenetiÎ kan blijven; laat hem het gerucht verspreiden dat hij dood is en vertrekt naar Warwick, waar hij zich vestigt als bedelmonnik, onherkenbaar door een lange witte baard. Hij bedelt bij zijn vrouw die hem rijke aalmoezen geeft.
De koning van Engeland wordt overvallen door Moren, verliest vele veldslagen en komt uiteindelijk in Warwick waar hij wordt beschermd door de vrouw van de witte ridder. Ook daar wordt hij belegerd door de Moren. Hij ziet in een droom Maria die hem zegt een man met een witte baard, een bedelaar, op de mond te kussen en hem het bevel te geven over de troepen. De koning hoort een plan van de bedelaar, die kennis heeft van vuur dat niet geblust kan worden door water. Hij zal kleren van de Moor aantrekken en de materialen die gaan vlammen leggen bij de tent van de Moorse koning. Als de brand groot wordt, moet de koning optrekken met zijn kleine leger en het grote leger van de Moor verslag en verjagen.
De Moorse koning vlucht naar een ander kasteel en laat binnen een paar dagen een boodschap bezorgen bij de Engelse koning, waarin hij een tweegevecht voorstelt. Als hij wint is de Engelse koning zijn vazal. De Engelse koning is jong en zwak. Na veel gedelibereer neemt de bedelmonnik zijn plaats in. Hij wordt in het bijzijn van alle graven en hertogen tot koning gekroond. Hij vraagt zijn vrouw de wapens van haar man. Zij geeft hem andere en dan zegt hij: 'Nee, ik vraag om de wapens uit de kleine kamer in uw slaapkamer, bedekt door groen en wit damast.' 'Hoe weet u dat? Vertel mij uw naam.'
Hij zegt dat William zijn krijgsmakker was. Nu geeft zij hem de wapens, maar het is nog niet goed: het zijn de wapens van toernooien. Zij laat hem vervolgens zelf zoeken. DE volgende dag is de strijd. De monnik bidt de hele nacht voor Maria in de kapel. De volgende morgen woont hij de mis bij, eet een pastei en gaat naar het strijdtoneel. De Moorse koning schiet twee pijlen, die doel treffen, maar het harnas beschermt de monnik-koning, die zo dichtbij komt dat de Moor niet meer kan schieten. Hij roept: 'Heer, als u mij helpt, maakte het niet uit of alle Moren mij aanvallen.'
Natuurlijk wint de monnik-koning. Hij slaat een arm van zijn belager, onthoofdt hem en zet het hoofd op zijn lans en rijdt in triomf naar de stad.
De volgende dag gaat een deputatie naar de Moren en die krijgen te horen dat ze mogen vertrekken met al hun juwelen en dat niemand hen zal tegenhouden, maar de Moren kiezen een nieuwe koning en laten de gedeputeerden onthoofden; stoppen de hoofden in een zadeltas en jagen een muilezel met die tas naar de stad.
De monnik-koning zweert dat hij nooit meer een gebouw zal binnengaan, behalve een kerk, voor hij de Moren heeft verjaagd uit het land.

Tirant lo Blanc 2

De vrouw van de witte ridder hoort dat hij ook jonge jongens onder de wapenen wil brengen en smeekt hem haar zoon te sparen. Hij is de enige die ze nog heeft! De ridder, nu de koning, weigert en zegt dat mannen de strijd jong moeten leren. Hij zal voor hem zorgen als zijn eigen zoon. Zijn vrouw, die vreemd genoeg nog steeds niet doorheeft dat de koning haar man is, protesteert, maar haar zoon neemt het woord: 'Moeder, ik heb nu de leeftijd om mijn moed te tonen en een waardige zoon van mijn vader te zijn.
De koning trekt de stad uit met zijn leger en de vijand schrikt. Dat hadden de christenen nooit gedaan als ze niet woedend waren vanwege de dood van de afgezanten. Degenen die in de stad waren geweest vertelden dat de stad wel 100.000 soldaten bevatte. Dat hadden ze immers gezien door de truc van de witte ridder. Zij doodden hun eigen nieuwe koning en gingen niettemin naar het slagveld en verzamelden zich op een heuvel.
De zon ging bijna onder en de witte ridder zei tegen zijn troepen: 'Ze zijn bang. Doe precies als ik en neem een emmer in ÈÈn hand en een spade in de andere. Rond de palissade groef hij een diepe geul die naar water leidde. In het midden maakte hij een pad waarlangs honderdvijftig man kon passeren. Aan de andere kant groef hij een geul die naar een hoge cliff leidde. Twee leiders moesten naar zijn vrouw om een vat met koperen spijkers te halen uit de wapenkamer. Zijn vrouw vroeg zich af hoe hij alles wist. 'Is hij een tovenaar?' De koning plaatste de spijkers in de grond zodat de Moren die in hun voeten kregen als ze daar langs kwamen. Daarnaast liet hij gaten graven, gevuld met water.
In de ochtend begonnen de Moren de trommels te slaan en te schreeuwen en vielen de Christenen aan. De koning zei tegen zijn mannen dat ze op de grond moesten liggen en doen of ze sliepen. Toen de Moren dichtbij waren gaf de koning bevel aan zijn mannen zogenaamd te vluchten. De Moren liepen vast in de spijkers of de gaten met water. Toen riep de koning: 'Opstaan en bindt de strijd aan en laat niemand ontsnappen.' De eerste Moren werden verslagen en zij die volgden vluchtten naar hun eigen kasteel. Een enorme Moor werd gevangen en de koning liet zijn zoon komen om hem te doden, pakte hem bij zijn haar en doopte zijn zoon als het ware met het bloed van de Moor. Zevenennegentig duizend Moren werden in tien dagen gedood. Omdat de koning niet meer kon lopen door zijn eigen wonden, brachten zijn mannen hem een paard. 'Nee' zei hij, 'iedereen is te voet en dat zal ik ook zijn.'
Zij kwamen bij het kasteel; de koning voorop. Zijn zoon schreeuwde: 'Vlug, dappere ridders, laten we rennen om onze koning te redden.' Velen sneuvelden, maar de zoon overleefde met de hulp van de Heer. De mannen verzamelden hout en staken het in brand bij de kasteeldeur. De jongen riep: 'Engelse dames, kom naar buiten en herwin je vrijheid.' De vrouwen holden naar de achterdeur. Driehonderd en negen vrouwen werden gered. Toen de Moren zagen dat het kasteel brandde, wilden zij zich overgeven, maar de koning stond het niet toe. TweeÎntwintig duizend Moren werden gedood door zwaarden of door vuur.
Alle plaatsen die door de Moren waren veroverd werden aangevallen en terugveroverd. Het leger van de koning ging naar de haven van Southampton en de schepen van de Moren werden verbrand. De koning zei dat elke Moor die nog naar Engeland kwam, zonder genade moest worden gedood.
In Warwich knielde de vrouw van de koning voor hem en riep: 'Welkom, koning overwinnaar!'

De koning rustte een paar dagen en besloot zijn vrouw te vertellen wie hij was. Hij wilde zijn scepter teruggeven aan de eerste koning. Daarna zou hij zich weer terugtrekken in zijn boetekapel. Hij gaf de kapelaan de halve ring, waarvan zijn vrouw de andere helft had. De kapelaan zei: 'Vrouwe, iemand die u beminde en nog steeds bemint , zend u deze ring.' De dame riep:' Zeg mij waar mijn man is, de graaf van Warwick.' Ze viel flauw. De kapelaan rende naar de koning en vertelde dat de dame meer dood dan levend was. De koning ging naar haar toe. Ze werd omringd door artsen, maar hij tilde haar op en kuste haar.
Er kwamen grote feesten en na negen dagen kwamen vierhonderd wagens met goud en zilver, gevonden in de kastelen van de Moren. De koning gaf alle kostbaarheden aan de hertogen en graven die hem geholpen hadden. Toen liet hij alle edelen komen en zei tegen de eerste koning: 'Neem de kroon, de scepter en de koningsmantel.' Hij trok weer het eenvoudige habijt aan.
Zijn vrouw wilde bij hem blijven en uiteindelijk kreeg zij een verblijf vlak bij hem, met mooie bomen en een bron waar de wilde dieren kwamen drinken. De eerste koning ging trouwen met de dochter van de Franse koning. De vrouw van de hermiet moest komen om haar de gebruiken van het Engelse hof te leren. Met tegenzin ging zij er op in.
Iedere dag na het gebed ging de witte ridder zitten onder een mooie boom en keek naar de dieren die dronken uit de bron.


Verhalen en wonderen

Van de heilige Eutropius weten we niet veel, maar dat hindert niet. We kunnen toch wel kerken naar hem noemen, de stenen kist met zijn overblijfselen vinden en tentoonstellen in een indrukwekkende onderkerk in Saintes. Hij zou uit PerziÎ komen in de tijd van Jezus en hij zou onder de indruk zijn geraakt van zijn predikingen en wonderen. Zo zou hij meegeholpen hebben aan het uitdelen van het brood en de vissen, te beginnen met ÈÈn mand en te eindigen, nadat een massa mensen was gevoed, met twaalf manden overblijfselen. 'Er is niet genoeg voor alle mensen', hadden de uitdelers gezegd, maar Jezus zei: 'Begin nou maar' en toen ze klaar waren zei hij: 'Haal de resten maar op.' Ze konden hun ogen en handen niet geloven.
Toen Jezus verraden was, ging Eutropius vlug hulp halen in PerziÎ. Hij kwam uiteraard te laat. Jezus was allang dood en Eutropius besloot zijn leer te prediken.
Hij ging naar Rome, volgens een verhaal met Petrus, en predikte in GalliÎ en dus ook in Saintes. Daar was een Romeinse bestuurder. Er was ook een grote arena (nog steeds, maar nu vervallen) waar mensen met leeuwen moesten vechten en elkaar moesten doden, zoals we weten van vele verhalen en films. Zijn dochter van dertien, Estelle of Eustelle, was onder de indruk van Eutropius en trok bij hem in, of in elk geval bevond zij zich in zijn omgeving. Haar vader zinde dat niet en hij stuurde mannen om de bisschop te stenigen. Zijn schedel werd met een bijl ingeslagen en hij werd begraven, maar opgegraven door gelovigen, waaronder het meisje. Het graf werd vereerd en er gebeurden natuurlijk allerlei wonderen. Estelle werd op bevel van haar vader onthoofd. Dit gebeurt nu ook nog in zulke gevallen, maar niet meer in Frankrijk, al kan het gebruik terugkomen. Op de plaats waar zij onthoofd werd, ontsprong een bron. Op vele plaatsen ontspringen bronnen, zoals in Dokkum en Heiloo.
Ik ken een modern verhaal van een man met darmkanker, die water uit Lourdes dronk en genas. Gelukkig liet hij zich ook behandelen door moderne medici.
Honderden jaren later opende men de stenen kist en vond de gekloofde schedel. Weer later werd het lichaam verbrand, maar de schedel door een gelovige naar een andere plek gebracht en weer later onder luid gejuich en klokgelui weer teruggebracht naar Saintes. Pelgrims op weg naar Compostella, waar de apostel Jakobus zou zijn aangespoeld, bezochten de kerk van van Eutropius en zijn stenen kist. Een groep monniken verzorgde het geheel.
Tijdens de Franse Revolutie werd de stenen kist weer verwijderd en werden overblijfselen feestelijk verbrand met dokumenten. De revolutionairen waren ook een soort gelovigen die meenden dat de resten van oude religies, bijgeloof immers, ausradiert moesten worden. De andere gelovigen bleven naar de begraafplaats van Eutropius komen.
Een deel van de kerk werd afgebroken, ook onder Napoleon nog, en door de burgers hergebruikt, zoals de inwoners van Aduard in de zeventiende eeuw het klooster afbraken en met de stenen hun huizen bouwden of versterkten.


Wreedheid

'Compassie' heet de roman, maar is het wel compassie die de mannelijke hoofdpersoon voelt voor zijn internet-date Jessica, die littekens heeft op haar pols, veroorzaakt door zelfverwonding tijdens een zeer depressieve periode?
Ze heeft geen borsten; 'flapjes' zegt de ik.
Toch gaat hij van haar houden, voelt zich bij haar op zijn gemak: zij heft zijn diepe eenzaamheid op. Hij vindt haar lichaam niet aantrekkelijk. In feite moet hij tijdens seks met haar zijn exen voor de geest halen; exen die allerlei vervelende eigenschappen hadden, maar die hem wel opwonden. Hij besluit het uit te maken, maar omdat Jessica zo gelukkig met hem is - hij is haar eerste vriend - wacht hij een aantal maanden tot na haar promotie. Tijdens het feest voelt hij zich opgenomen in haar familie en vriendenkring. Het is puur geluk. De vader van Jessica zegt dat hij blij is voor zijn dochter en hij bedoelt niet de promotie.
Compassie? Misdadige leugen. Wrede ontmaskering.
Ik heb nog een probleem met het boek en ik vraag me af of het ligt aan het feit dat ik minder geschikt word voor het lezen van fictie. Ik word moe van het lezen van alle mededelingen. Maar ik heb het niet bij de verhalen van Salinger. Zou het te maken hebben met het clichÈ-karakter van de mededelingen?
Voorbeeld. Ze gaan naar het strand: 'We nemen een pad, of eigenlijk een lange trap, steil en met lang scherp gras en doornstruiken aan weerszijden, die hier de duinenrij doorsnijdt. Vanaf het hoogste punt: alleen nog aarde, water, schaarse begroeiing. lucht, horizon. Een vergezicht dat je laat voelen hoe alles er zonder de mensheid uit zou zien. Een half uur later staan we op het strand.'
Wat een gezeik denk ik. Of is dit nodig voor de couleur locale? Het gaat verder: 'Het geraas van de branding overheerst, alle andere geluiden klinken ijl en machteloos. De zilte geur is indringend en typisch; zo ruikt de Noordzee, in het najaar. We zijn vrijwel alleen. Nog een week en het is oktober, het seizoen is voorbij. Verderop haalt een moeder sigaretten uit haar tas, tegelijkertijd maant ze haar zuurstokroze peuter niet aan een kwal te komen die bij de vloedlijn ligt.'
Schiet nou eens op met je verhaal, denk ik.
In een laatste wanhopige poging zijn geliefde een orgasme te bezorgen, likt de ik zijn tong lam, maar moet het opgeven. Geen detail wordt ons bespaard. Wat een orgastisch idee over liefde. Goed, hij is geen zeventig, maar hij houdt toch van haar?
Dan komt de klap. Zij zegt dat ze het niet langer uithoudt dat hij haar niet toelaat 'op zijn eiland'. Zij maakt het uit en dat is een opluchting voor hem, maar hij blijft diep eenzaam achter. Compassie? Met hem. Waarom kan ik dat zo slecht voelen? Omdat hij zo ijdel, zo ich-bezogen is?

En wat moet ik met dat laatste hoofdstuk, waarin hij met Jessica op de Waddenzee drijft; tegelijk heel gelukkig en doodongelukkig. Hij is tot het inzicht gekomen dat hij mee moet met de stroom. 'Je moet mee met die ademhaling van de eeuwigheid want als je dat niet doet, sta je eruiten, dan leef je eigenlijk helemaal niet, dan zie je het leven alleen maar aan je voorbijstromen.

Stephan Enter, Compassie, Van Oorschot 2015

-

Het kwaad en de buil op je hoofd

Bestaat het kwaad, of moet ik eerst vragen: wat is het kwaad? Het optreden van SS-ers bij de treinen; de filmpjes van IS; de handelingen van een pedofiel. De daders zullen het ontkennen: ze zullen zeggen dat het goed is om joden als ongedierte te zien, om het germaanse ras zuiver te houden; dat het goed is om de profeet te volgen; dat het goed is om de liefde te beleven. Wij kunnen dat onzin noemen. Dit noemen we het morele kwaad.
En een aardbeving, een tsunami, een blikseminslag? Kun je dat kwaad noemen? Natuurlijk kwaad? Bloedkanker of een andere afschuwelijke ziekte, waarvoor geen mens verantwoordelijk is?
Als we denken dat de wereld om ons draait, dat wij bepalen wat goed of kwaad is, dan kun je bovengenoemde voorbeelden kwaad noemen. Wat kwaad is voor de mier, is goed voor de miereneter. Een aardbeving is een gevolg van het verschuiven van aardplaten. De aardplaten hebben niet 'bedoeld' mensen te doden. De bliksem is niet op jacht naar een onschuldige wandelaar op de heide, al wordt hij er misschien wel toe aangetrokken. De kankercel is er niet op uit mijn lichaam te verwoesten: hij weet eenvoudig nergens van, is in den blinde op zoek naar vermenigvuldiging.
Het insect dat een ei legt in het lichaam van een ander dier wil niet dat dier pijn doen, maar 'wil' eenvoudig voortleven.
In feite is de mens onbekend met de aard der dingen en daardoor is de mens ervan overtuigd dat er een natuurlijke orde heerst. Dat is onze verbeelding aan het werk.
Volgens Spinoza is er in het universum geen kwaad. De natuur is zoals zij is.
Dat mag een filosofische waarheid zijn, maar als je getroffen bent door moreel of natuurlijk kwaad, heb je daar weinig aan, of je moet wel zeer losgezongen zijn van je ik, hoe illusoir dat dan ook is. Je weet dat een tafel meer leeg is dan vol, natuurkundig gesproken, maar als je je kop stoot, heb je wel een buil.


Kleine boekjes
We gingen een kleine familiere¸nie ontvluchten door een bezoek aan een boekhandel. J. had niet zo veel interesse voor de boeken, maar er was een hoekje met gokkasten. Hij vond 50 eurocent en begon te gokken. Af en toe rinkelde de machine, maar uiteindelijk was hij weer blut. Hij leende van een man een euro. Ook die verdween zonder resultaat in het duister van de kast. J. kwam naar me toe en vroeg een euro en gaf die aan de man.
Tussen de boeken stonden kleine boekjes met fragmenten uit de grotere. Andere boekjes bevatten pikante grappen. Je mocht ze waarschijnlijk zo meenemen. De boekhandelaar vertrouwde er op dat men dan ook de grote boeken ging kopen te zijner tijd. Een man las lachend voor aan zijn vriendin. B. vond het prachtig. Een meisje gleed met haar hand onder mijn jasje langs mijn rug en zei: 'Hier begint bij mannen toch de riem?' 'Ja, je moet iets lager.' Zij vond de riem en huppelde blij weg. Dat stond in zo'n boekje.


Anneke Brassinga: glorieuze leugens

Onlangs mocht Anneke Brassinga de P.C.Hooft-prijs voor poÎzie 2015 in ontvangst nemen. Zij deed dat met een indrukwekkend dankwoord, nadat Piet Gerbrandy op de hem eigen wijze haar had bezongen: 'O, Anneke' en Maaike Meijer als voorzitter van de jury uitvoerig had betoogd waarom de prijs naar Brassinga moest gaan. De naam van Lucebert had toen al twee maal geklonken en zijn regel 'een broodkruimel te zijn op de rok van het universum', een regel die duidt op de zeer betrekkelijke betekenis van de mens. 'maar de mens verschrikt zij (d.w.z. de schoonheid) / en treft hem met het besef / een broodkruimel te zijn op de rok van het universum'
Anneke Brassinga geeft de regel een eigenzinnige betekenis: ' de dichter verklaart zich eetbaar, en daar is poÎzie ook voor bedoeld, om op te eten, te verteren, in het lichaam van de geest op te nemen ter spijziging en transformatie.' Waar haar poÎzie in laatste instantie over gaat, verwoordt zij met behulp van MallarmÈ. Hij heeft ontdekt 'dat wij slechts loze vormen van de materie zijn - loze vormen die het sublieme vermogen hebben gehad (God en) onze eigen ziel uit te vinden, te verzinnen. Zo subliem zijn we als wezens, dat ik wil laten zien, als schouwspel, hoe de materie, zich van haar stoffelijkheid bewust zijnd, niettemin met alle kracht naar de Droom reikte waarvan ze weet dat die niet bestaat, om in het aangezicht van het Niets dat de waarheid is, glorieuze leugens te verkondigen.'


Roekeloos ontknoppen

Onlangs werd bij Philip Elchers het debuut gepresenteerd van Els van Dinteren Een laat debuut? Nooit te laat. Natuurlijk schreef Els van Dinteren al veel langer: observaties, herinneringen, korte verhalen, commentaren.
Maar gedichten nog niet zo lang. Het is snel gegaan. Onder de druk van een groot verdriet ontstonden gedichten, wellicht tot verbazing van de dichter zelf, die wel de noodzaak voelde.
Deze kleine bundel bevat een cyclus gedichten over afscheid en liefde, liefde en afscheid; gedichten die zÛ persoonlijk zijn dat ze onpersoonlijk worden; wat betekent dat ze gelezen en begrepen kunnen worden door anderen, omdat ze herkenbaar zijn. We zijn allemaal in wezen meer gelijk dan verschillend.
'Roekeloos ontknoppen' heet de bundel: gaat het niet vaak zo in de liefde? We vragen ons niet af of het verantwoord is; we moeten toegeven aan de drang tot bloei.
Maar de bloei leidt noodzakelijk tot nabloei en uiteindelijk tot verval. We worden er duizelig van:

vertigo

zonder aanwijzing of bericht heb je
het vertrouwde zelfgebouwde nest verlaten
ik wacht, verstoken van je tederheid
hoe ver ben je gevlogen?

vastgeketend in een hoofd met dons
en een kapstok vol herinnering
vlieg je door een heg met doornen
je laatste pak zo linnengrauw - de schering

los van inslag- en aderen als rood koraal
het hoofd nog trots geheven maar geen poot
om op te staan bewoon je nu het laatste huis
de hoge rots, zo hard, zo kaal, zo koud

oh lief, je weet niet meer wat vliegen is

Wat dit gedicht zo effectief maakt zijn vooral de tegenstellingen: zonder aanwijzing is het vertrouwde nest verlaten.
De ik is vastgeketend in een hoofd met dons, hard-zacht, kapstok,herinnering; wegvliegen door een heg met doornen; aderen als rood koraal; van zacht nest tot kale, koude rots. En dan die prachtige regel: 'je laatste pak zo linnengrauw - de schering.
En dat is nog maar het eerste gedicht. De oplage van 75 exemplaren is overigens al vrijwel uitverkocht. Er komt geen tweede druk. Misschien wel een tweede bundel.


Godijn, een echte

De zelfspot van Wouter Godijn is bekend en je kunt je afvragen of er niet eens iets totaal anders door hem geschreven moet worden. Maar kan dat wel? Geldt het niet voor alle schrijvers dat als je ÈÈn boek of bundel goed hebt gelezen, je de andere kunt overslaan. En is het niet zo dat van de meeste schrijvers ÈÈn boek overblijft in de bibliotheek van de mensheid ( en van de meeste schrijvers helemaal niets)? Toch zou het jammer zijn als er maar ÈÈn toneelstuk van Shakespeare over was gebleven, of maar ÈÈn roman van Tolstoi. Maar ÈÈn boek van Hermans, van Mulisch, ÈÈn bundel van Astrid Lampe, van Anneke Brassinga, van Willem Jan Otten? (Maar van de laatste dan toch ook 'Een sneeuw'!) En als je houdt van Nijhoff of Claus of Lucebert, wil je toch meer lezen?
17. Over de nieuwe eetgewoontes van de professor
De vrouwen van de professor (zijn geliefde en de haast even verwoestend geliefde vrouw
die op zekere dag tierend uit de eerste kwam)
moeten echt heus die man wel een beetje bijsturen af en toe
om de onvermijdelijke opkomst van zijn onsmakelijkheid zo lang als kan tot staan
tot stil nou een beetje kijk nou toch!
niet zo proppen niet steeds maar mÈÈr eten
in je mond blijven doen dat de professor
niet zijn bek moet volladen tot aan de wangzakken geheel zijn volgeballond
en de professor herinnerherkent in zichzelf zijn voorganger
hoe de jammerlijk miskende jaar in jaar uit tot op zijn sterfbed suf getreiterde
grote maar wel een beetje zenuwzieke koning van de onbaatzuchtige mensenliefde
voedsel op zijn bord stapelde tot er echtecht niets meer bij kon
en zich vervolgens schrokkend als een hond boog over de rijkelijk met jus overgoten etensberg nu hij geen lichaam meer heeft schijnt hij
hoe langer hoe meer bij de prof in te trekken jammer denkt de prof dat nergens een kier waardoor je aaiaai dag aller-·llerliefste aaiaai kunt doen.

Het is er allemaal: de vermomming, de ironische uitleg, de grimmigheid, de trivialiteit, de kinderlijke herhalingen, de zelfcorrectie,, de overdrijving, de apostrofe, het zich zelf toespreken, de weglatingen, de grammaticale ontsporingen, de vulgarismen, de neologismen, de tragiek, de zelfhaat, maar ja, dit gedicht, deze bundel is een echte Godijn.

'De professor en de hyena', Atlas Contact, 2015


Vrije wil

Heeft de Erik Jan uit 'Hallo muur' van #ErikJanHarmens de vrijheid om het op een zuipen te zetten of juist om er mee op te houden en niet meer te roken en te drinken? Is zijn besluit een gevolg van oorzaken die hij en wij niet kennen? Vader, familie, lichamelijke kenmerken, omstandigheden, ongeremdheid, intelligentie, liefde, trouw (vooral aan zijn kinderen). Zou hij vijftig jaar eerder bij zijn vrouw gebleven zijn?
Spinoza zegt dat er in de natuur altijd en overal een oorzaak is voor ons handelen.
'Er bestaat in de geest geen vrije wil; doch de geest wordt genoopt dit of dat te willen door de oorzaak welke eveneens door een andere oorzaak bepaald is, en deze wederom door een andere, en zo tot in het oneindige.' ('Ethica II', stelling 48; geciteerd uit 'Brieven over het kwaad' en de inleiding van Miriam van Reijen)
Wat zegt de moderne hersenwetenschap over de illusie van de vrije wil of de oude Chinezen? Spinoza noemt vrijheid het vermogen om ongehinderd te kunnen doen wat je uit jezelf niet laten kunt. Het is de vrijheid van de appel die een vrije val maakt.
Te veel drinken geeft veel ongemak en dus geef je het op na een zekere climax, als dat bij je karakter past, of je drinkt je dood, zoals een vriend van Erik Jan.
Erik Jan is schaamteloos eerlijk en merkwaardig sympathiek.


Jonge dichters

'Hebben jullie ook idealen?' vroeg Rense Sinkgraven in zijn bibliotheeek-programma 'Dichter van geluk'.
Rense is een onvermoeibare ambassadeur van de poÎzie en een opgewekte, ontspannen interviewer.
Aan geluk kwamen we deze keer niet zo toe, omdat Rense vooral benieuwd was naar 'de nieuwe poÎzie', naar groepsvorming, hoewel de dichters wel inzagen dat groepsvorming meer met pr te maken had dan met inhoudelijke vernieuwing. Idealen? 'Rijk worden' spotte Lilian Zielstra en even leek het of ze het meende, al weet ze natuurlijk dat je dan geen dichter moet worden. Misschien rijk worden om zich onbekommerd aan de poÎzie te wijden? Zoals Gustaaf Peek vrij kan schrijven vanwege een erfenis. Inmiddels verdient hij wel wat met zijn boeken.
'Komen politieke problemen aan de orde in jullie gedichten?' 'Nee' zei Jan-Willem Dijk, hoewel de door hem bewonderde Kouwenaar zulke zaken wel toeliet. 'Wat zou ik moeten schrijven over SyriÎ, OekraÔne?'
Lilian spotte dat ze vooral geÔnteresseerd was in haar eigen navel. Jan-Willem las twee gedichten voor die in het laatste nummer van Hollands Maandblad stonden. EÈn was een tribuut aan Kouwenaar. Jan-Willem Dijk (1985) studeert aan de Schrijversvakschool Groningen, geeft op verschillende scholen workshops Proza schrijven en is soms driftig, soms geconcentreerd zijn eerste roman aan het scheppen. Hij ambieert nog een baan als boekverkoper. (Tzum)
Lilian Zielstra (1991) werd geboren in Stadskanaal en groeide op in Nieuwe Pekela. Ze studeert Neerlandistiek in Groningen en specialiseert zich in moderne letterkunde. Zij had in haar taalgebruik het minste last van stoplappen. Verder waren de 'zeg maars' opvallend aanwezig. Vreemd voor mensen van wie je mag verwachten dat ze zorgvuldig met hun taal omgaan.
In het academisch jaar 2013-2014 was ze actief als huisdichter van de Rijksuniversiteit Groningen. Lilian is lid van de dichtersgroep De Dichtclub in CafÈ Marleen, won de verhalenwedstrijd van de Universiteitskrant in 2014, liep stage bij Uitgeverij Passage, organiseerde een poÎzieavond tijdens de PoÎziemarathon, gaf poÎzieles aan scholieren en was betrokken bij de literatuurprogramma's van Noorderzon en WinterWelvaart in Groningen. Verder werkt ze als docent Korte verhalen schrijven bij Cultureel Studentencentrum USVA en als presentator bij de culturele talkshow De Praatfabriek in EMG Faktors. 'Ik verkeer in constante staat van heimwee. Dan mis ik dingen die ik nooit heb gehad. Ik bezit niemand, ik bezit niets, behalve ongeveer 1,60 bij 40 en zelfs dat komt me vreemd voor. Ik omvat de wereld niet, de wereld omvat mij. Ik zet niets in beweging, ben slechts een reactie op iets anders. Laatst werd ik wakker en zag: er was een wereld voordat ik er was, er zal ook een wereld zijn na mij .'


Er was weer een familiere¸nie waar ik naar toe moest. Vervelende, proleterige neven liepen daar rond. Handige zakenlieden. Ik kwam iets te laat. Het buffet was al behoorlijk leegevreten. De paling was natuurlijk al lang op, net als de zoute haring. Er lagen nog twee oesters. Mijn broer zei dat het mijn eigen schuld was. Hij keek verontwaardigd toen ik de oesters naar me toe haalde.
Ik had me zo verheugd op de oesters! Het waren gebakken oesters. Die bedoelde ik niet. Ze smaakten naar karton, net als de tong die ik ooit pakte op een veerboot naar New Castle. Ik keek naar een kleine jongen naast mijn broer. Hij had een fijn gezichtje, maar hij leek sprekend op zijn vader. Produkt van een derde huwelijk. Hoe kon dat zo'n fijn gezichtje opleveren? Ik voelde me niet goed over mijn gedrag en gedachten.
Even later was ik in de winkel van een oom die mij een paar dure schoenen aanpraatte. Dure schoenen, maar grof en breed. Ze liepen heerlijk, maar zwaar. 'Omdat het al avond is, krijg je ze voor een derde van de prijs. Die kun je toch niet laten staan? En hier een costuum. Mag je ook meenemen en een mooie winterjas.'
Ik dacht aan mijn vrouw die het allemaal afschuwelijk vond. Ze zou zeggen: 'Laat toch hangen. Al krijg je het cadeau! Ik wil toch niet dat je die proletenkleding draagt.' Mijn oom zag, wat ik dacht en wendde zich af. 'Je moet het zelf weten. Stom hoor.' Ik zei: 'Er zit een portefeuille in een zak. Er zit muntgeld in.' 'Gooi maar leeg. Hou het maar.' 'Maar als nu straks een neef opbelt en zegt dat hij die portefeuille per ongeluk heeft laten zitten en die is leeg. Nee, wacht maar tot de verliezer zich meldt.' Mijn oom haalde zijn schouders op. 'Stom hoor.'


Vroomheid is prachtig, maar zij moet wel wat opleveren. Daarom zingen de boeren in Dobbertin in de kloosterkerk: 'Hoe lieflijk is de Mei door de goede God gegeven, waarover de mensen zich verheugen, omdat alles groeit en bloei. De dieren ziet men nu springen met lust op de groene weide; de vogels hoort men zingen. Zij loven God met vreugde. Heer, u zij lof en eer voor zulke gaven. De bloei zal vrucht voortbrengen; laat haar overvloedig zijn. Het is in uw handen. Uw macht en goedheid is groot. Daarom zal u verre van ons houden: meeldauw, vorst, rijp en hagel.'
Zij vragen om erbarmen en zeggen dat alleen God in de hoogte eer en dank verschuldigd is door zijn genade. Dan zal ons geen schade worden gebracht; er zal vrede komen en alle geruzie zal eindigen. Als je God lof toezingt, gaat het je goed. Hij zal je niet in de steek laten. Hij helpt je altijd. Hij zal je vijanden verslaan.
En wat nu als de bloesem wordt weggehageld? Niet goed gebeden? Het wordt altijd weer uitgelegd. Er wordt nooit geconcludeerd dat God niets te maken heeft met hagel of dat hij de hagel niet tegen kan houden. Of dat hij een illusie is.
In Voorst zingen de kinderen: 'Je hart is net een huisje met een deur er in. Doe de deur niet op slot. Doe open voor God, want de Heer wil bij je wonen en dan ben je nooit alleen.'

Het lijkt onze natuurlijke opdracht te groeien in bewustzijn. Dat kun je een waardig leven noemen. Je moet op zoek gaan naar de kern van je eigen leven, je eigen onafhankelijkheid en authenticiteit. Je moet je niet laten bepalen door het gezag van anderen. Je moet wel luisteren naar anderen, al was het maar om te weten waarin je verschilt van die anderen, om te weten wie jij bent.
Het is niet gemakkelijk om je eigenlijke drijfveren te ontdekken, omdat veel onbewust of halfbewust wordt aangestuurd. Het is belangrijk om een gesprekspartner te vinden die goed naar je kan luisteren.


Uit een oud verslag: In Dˆmitz spraken we in een bakkerij met een vrouw wier broer als 19-jarige naar de overkant was gezwommen, in de zomer. Hij haalde de overkant, maar zijn moeder bleef in het ongewisse, dacht dat hij dood was. Pas veel later hoorde ze dat hij nog leefde. Ze mocht van Ulbricht of wie dan ook niet naar de bruiloft van haar zoon in West gaan en ze stierf voor ze hem nog ooit zag. De bakkersvrouw, met een bemeelde broek, was geboren in Lenzen. Nooit in Nederland geweest.
'Hier was in de DDR-tijd niet alles slecht. Er waren geen bananen, maar er was veel vreugde als er een keer wel iets was. De mensen gingen socialer met elkaar om. Nu is het slecht. De jeugd trekt weg en de stad sterft uit. Er is wel toerisme in de zomer, maar verder is het moeilijk: geen werk, geen geld, geen verkoop. Proef mijn Berliner bollen; ze zijn heel goed. '
Een ander verslag: We wachten voor een stoplicht, gaan daarna rechtsaf naar Dˆmitz en parkeren bij de kerk. Er lijkt nog niet veel veranderd. Veel huizen zien er oud en verwaarloosd uit. In winkels liggen oude jurken en antiquiteiten. De bakkerswinkel is er nog, maar hij is om elf uur gesloten. Het is twee minuten over elf. Alles is al leeg geruimd. Van de bakkersvrouw geen spoor. Volgende keer maar weer proberen. Zij vertelde destijds dat een neef had besloten de Elbe over te zwemmen. Een vriend van hem was meegesleept door de stroom en verdronken. Of de neef het had gehaald wist de moeder niet. Hij durfde haar niet te berichten wegens mogelijke wraakacties. Pas na de Wende heeft ze hem weer gezien.
Nu de derde keer. We zetten de auto op dezelfde plek voor de kerk. De bakkerswinkel is open. I. vertelt dat we in Kreile waren en dat we nu op weg zijn naar de Singende Wirtin voor een slaapplaats. De bakkersvrouw - is zij dezelfde? - loopt moeilijk, met een stok, vanwege haar knieÎn. Achter de toonbank heeft zij een stoel met wieltjes. Ze trekt zich heen en weer aan de toonbank. Ze zegt: 'Maar u kunt hier ook slapen. Hier achter is een appartement. Wilt u het zien?' Ze pakt een sleutel en toont ons een compleet ingericht huis: een kamer met bank en zitstoel met een rijdende poef voor je benen, een grote tv. Schilderijtjes met bloemen en de landschapjes waar Hitler zo van hield. Een slaapkamer met een groot bed. Een volledig ingerichte keuken met oven, koelkast, magnetron, radio. Een badkamer met bad en douche en wc. Uitzicht op de kerk. De auto mag op de stoep onder het raam. Ontbijt boven of in de winkel. Op het plein rond de kerk een asperge-kraam.
Bij het ontbijt spreken we met de schoondochter van de oude bakkersvrouw. De oude bakker is al 35 jaar dood. Zijn diploma hangt er nog. Meesterbakker. Er hangt ook een DDR-diploma. Haar man is nu de bakker. Lange. Het verhaal van de man die de Elbe overzwom, kwam van een medewerkster in de winkel. Zij werkt hier niet meer. Veel mannen zijn verdronken. De Elbe is gevaarlijk door alle woelingen. Om er te komen was ook gevaarlijk vanwege de bewaking met honden. De DDR-tijd was ook volgens deze vrouw, die zich voortbeweegt op een stoel met wieltjes, in veel opzichten socialer. 'Wordt het beter?', vraagt I. 'Nee, slechter. Er is veel werkloosheid en armoe. Er komen mensen de winkel in met anderhalve euro en zij vragen: 'Wat kan ik hier nog van kopen?' Aan het eind van de maand is het geld op. Angela Merkel doet haar best, maar zij kan ook niet alles.
Nu is ze wel in Nederland geweest: de keukenhof, ah, zo mooi!


Doelbewuste natuur?

De Hˆhbeck bij Pevestorf en Vietze is omhooggestuwd door de ijsmassa van de laatste ijstijd, zoals een vloerkleed in plooien wordt geduwd als de massa wordt tegengehouden. Waardoor? Door een dikke, vaste zoutlaag bij Gorleben. Daarom wilden de bewoners destijds daar geen opslag van atoomafval: ze voerden lang actie met gele kruizen en vaten met het atoomteken. Met succes. Of hebben geologen kunnen uitleggen dat het opslaan van atoomafval in zoutlagen toch niet zo veilig is?
De ijsmassa's van 300.000 jaar geleden hadden geen last van protest en ze zouden er overigens geen rekening mee gehouden hebben. Op de Hˆhbeck staat een zendmast van 300 meter. Die is daar gebouwd om contact te onderhouden met West-Berlijn in de tijd van de 'Trennung'. De ijsmassa zou daar nog eens 200 meter boven uitkomen!
Op borden wordt uitgelegd hoe alle onderdelen van de natuur nauwkeurig samenwerken. Er bloeien in mei veel bloemen, zoals Sauerklee (Klaverzuring), omdat het licht en de warmte van de zon nu nog de bodem bereikt. Even later, als de bomen vol blad staan, zijn de bloemen weg. De planten hebben voldoende voedsel vergaard om onder te duiken in wortelknollen en om volgend jaar weer opnieuw bloemen te maken. Het zure eikenblad is zeer geschikt voor deze bloemen. Dat eikenblad wordt langzaam afgebroken door bacteriÎn, paddestoelen en insecten; alle in volgorde en met een eigen taak. Intelligent design? Nee, die verklaring is niet nodig. De evolutietheorie volstaat. Als bijvoorbeeld lelietjes van dalen tussen de voegen van tegels opkomen, mag je niet zeggen dat een plantje slim genoeg daar omhoog komt. Andere soortgenoten zijn stukgelopen tegen de tegel, maar enkele hadden het 'geluk' precies omhoog te komen waar het kon.
Vleermuizen hebben bomen nodig met gaten. Onder beuken groeien andere planten dan onder eiken.
Karel de Grote werd tegengehouden door de Elbe. Aan de andere kant woonden Saksen, die zich niet gemakkelijk lieten veroveren. Op de Hˆhbeck maakte Karel een legerkamp, met goed uitzicht over het Saksenland.
De politici van de DDR lieten aan de oever van de Elbe wachttorens bouwen om goed zicht te krijgen op mogelijke vluchtelingen naar het westen. Een broer van de bakkersvrouw probeerde naar de overkant te zwemmen, maar hij verdronk door de sterke stroming van de rivier. Een ander familielid haalde het wel, maar het duurde tot 1989 dat ze hoorde dat het gelukt was.


Adel

In de enorme tuin van het slot Ludwigslust is een mausoleum gemaakt voor Luise (1757-1830), dochter van de landgraaf Ludwig IX van Hessen-Darmstadt. Zij trouwde met Karl August von Sachsen-Weimar-Eisenach (1757-1828).
Het is naar mijn mening dwaas om voor het graf van ÈÈn mens, wie dan ook, een heel gebouw neer te zetten en daarna om het bijna tweehonderd jaar te behouden. Moet het dan worden afgebroken? Wel nee, maak er een theehuis van of een schrijvershuis of een atelier voor een schilder, een hondenpension desnoods, maar ga niet mee in de schandelijke verering van de oude adel.
In de kerk tegenover het slot, door een lange zichtas er mee verbonden, is het nog erger. Daar staat in het gangpad een zeer grote sarcofaag, uit ÈÈn stuk gehouwen en gepolitoerd graniet. Daarin liggen de overblijfselen van Herzog Friedrich von Mecklenburg-Schwerin. Hij werd de vrome genoemd, maar hij liet wel voor zich achter in de kerk een baldakijn bouwen. De hofdames mochten er onder zitten.
Tot vermaak van de dames en heren werden rivieren afgetakt. Kilometers ver reiken de barokke kanalen in het bosachtige park: er zijn bruggen en watervallen. De kaskade voor het slot wordt bekroond met zandstenen figuren die de rivieren symboliseren. Een 28 kilometer lang kanaal tussen de Stˆr en de Rˆgnitz bracht water en bouwmateriaal naar Ludwigslust. Zelfs de naam van het oorspronkelijk dorp, Klenow, werd, overigens ook door de bevolking veranderd.
De lust van Ludwig bracht natuurlijk ook werkgelegenheid. Dat de adel vele malen meer verdiende met het bestuur dan de arbeiders met lichamelijk werk, werd geaccepteerd en dat doen we nog, al is de adel, op enkele figuren na, verdwenen. Nu zijn er de bazen van de grote bedrijven, die hun geld in het algemeen minder laten rollen ten behoeve van culturele verrijking.
Op weg naar Gustow vind je het klooster Dobbertin, vroeger van de Benediktijnen, na de reformatie in handen van de Luthersen, De nonnen waren vaak adelijke dames, die overbleven, later ook de niet getrouwde dochters van burgemeesters en andere notabelen. Aanvankelijk verzetten de nonnen zich met hand en tand tegen de reformatie, maar uiteindelijk werd een klooster een stift. Men wilde het afbreken, maar de vaders van de jonge vrouwen protesteerden. Wat moesten ze met die muurbloemen. Het klooster was rijk genoeg aan landerijen, zodat de meisjes hun hoge stand gemakkelijk konden ophouden.


Zoeken

Toen we de kerk binnengingen hoorden we het orgel spelen. We zagen de organist op de rug. Hij leek een jonge man met een warme jas aan en een muts op zijn hoofd. Op de muts een rode bol wol. De armen hingen langs zijn lichaam; hij speelde met zijn voeten. Later kwamen de handen er bij. Volgens I. een goede organist. Toen hij klaar was complimenteerde zij hem met zijn spel. Hij was geen jongen, maar een oudere man. Hij liep snel weg.
Wij liepen het stadje in, naar de burchttoren en het museum met oude dingen uit de streek. Een dame wachtte op bezoekers, maar die kwamen niet, ook niet op 1 mei. Wel waren er in de dorpen, vooral bij brandweergarages ontvangsten met koek en koffie, bier en er was een orkest van dames met schalmeien en heren met grote trommels of bekkens. Een klein meisje omvatte trots de benen van haar moeder terwijl zij speelde. De vrouwen en meisjes bewogen op de muziek die ze maakten en lieten ook guitig hun schalmeien opzij en omhoog bewegen.
In Waren zochten we naar plekken van vroeger: het nest van een zeearend en de webcam op die plek, een oud hotel aan een klein meer met een vogeluitkijkhut. Ik wist niet meer van het hotel en I. wist niet meer van het informatiecentrum bij de zeearend en beiden wisten we niet meer dat de twee op 120 meter van elkaar lagen, maar nu wel en waarschijnlijk voor goed. Wat we ook niet meer vergeten is hoe moeder visarend drie jongen voedt met kleine stukjes vis, die zorgvuldig in de snavels worden gestopt. Na de maaltijd ging ze weer over de kleintjes heenzitten. Verstandig, want het was vast koud en winderig boven op die elektriciteitsmast.
Daarna wilde ik nog een plek terugvinden: een hotel met een appartement, grenzend aan een rietvlakte. We wisten naam noch adres, maar toch reden we er foutloos naar toe. We spraken af daar asperges te eten, maar eerst te gaan wandelen naar een ander oud huis midden in de bossen en voor een open vlakte. Het bleek een vleermuizenpension (Fledermaus) te heten. We zagen daar een gekraagde zwarte roodstaart, witte kwikken, een goudvink en een oranjetip. Eerder zagen we een zwartkop en verschillende kraanvogels.
Nog een ander huis vonden we niet, maar misschien was dat heel ergens anders en van een andere tocht.


Trauergewand

Am Feldweg 9, Kreien, ligt Ferienpark Daktylus, opgebouwd door Dr. A. We zitten midden in de ruimte; in de verte een bosrand; om het huis heen weide en landbouw. Kraanvogels komen hier. Dichtbij het huis grote, maar slordige vijvers en ganzen met een jong, twee geiten, eenden en allerlei vogels. Een ooievaarsnest zonder ooievaar. Diepe stilte. Het is een eindmorene-landschap.
We kregen een kamer aangeboden met panoramisch uitzicht voor tien euro meer per nacht. I. ging door de knieÎn, maar het is heel mooi met die wolkenpartijen.
Op de kamer hebben we geen bereik, dus als ik iets wil versturen of ontvangen moet ik naar het kantoortje lopen.
Er is midden in de leegte een dansschool. Daarom de naam 'Daktylus'? Hij, de eigenaar, citeert uit het hoofd een gedicht van Goethe: 'Der Turmer' , maar natuurlijk ook 'Der Erlkˆnig'. Hij kent de rockversie niet. Die zou ik hem moeten laten horen. De daktylos (-**) is een veel voorkomende versvoet; in het Duits een voorbeeld: 'Ermunterung ' (Johann Gaudenz von Salis-Seewis, Auszug) 'Seht! wie die Tage sich sonnig verkl‰ren! Blau ist der Himmel und grˆnend das Land. Klag ist ein Misston im Chore der Sph‰ren! Tr‰gt denn die Schˆpfung ein Trauergewand?

Nu is de lucht blauw en de zon schijnt en Plau am See ziet er welvarend uit. De Mariakerk uit de dertiende eeuw, een hallenkerk van het Westfaalse type, beetje romaans, beetje gotisch. Pastoor Hermann is de eerste geestelijke. Drie eeuwen later wordt de voormalige fransicaner monnik Johann de eerste evangelische herder. De kerk veranderde niet erg, maar een eeuw later, tijdens de Dertigjarige oorlog, werd de toren gebruikt door Zweedse troepen om de burcht van het stadje te beschieten. In antwoord werd de kerk beschoten door de keizerlijke troepen. In 1696 verbrandde de houten toren 'mit seiner schˆnen hohen Spitze'; in 1726 verbrandde het Maria-altaar en in 1756 het kerkdak. Ondertussen verdween 80% van de bevolking door de oorlog en de pest. Tr‰gt denn die Schˆpfung ein Trauergewand?'
Een jutezak lijkt een goed gewaad in de ellende van de oorlog en de brandschattende, rovende en verkrachtende soldaten, katholiek of protestant.


Onvolmaakte wereld

Morele handelingen zijn alleen geldig als we ze verrichten omdat we dat passend of noodzakelijk vinden, niet als we handelen uit verlangen naar, of verwachting van beloning of uit angst voor straf. We mogen wel verwachten dat deugdzaamheid ons geluk dient, maar niet zeker weten. Volgens Kant zouden we zonder geloof vervallen in berusting of cynisme, maar echte kennis van de verbanden tussen geluk en deugdzaamheid is niet alleen een metafysische onmogelijkheid, het is een morele ramp. We zouden handelen uit berekening. Als we zouden weten wat God weet en wisten dat iedere goede daad beloond en iedere slechte werd bestraft, zouden we niet moreel kunnen handelen.
Vrij handelen betekent handelen zonder voldoende kennis of macht. We zouden in een wereld waar de kosmische orde goed werkte, dat wil zeggen dat goedheid altijd beloond werd en slechtheid gestraft, als marionetten aan een touw zijn; we zouden alleen nog maar voor dreigementen en lokmiddelen in beweging komen. Een voor de mens vrije wereld is dus noodzakelijk een onvolmaakte wereld.


Twee kussen

De tweede kus was onbedoeld. Hij viel tegen haar aan door een schok. Was het op een boot? Zij viel in zijn armen, hun hoofden tegen elkaar; hun monden raakten en bleven even bij elkaar. Hij verontschuldigde zich bij haar, zijn chef of hoofddocent, maar zij zei: 'Ach, het moest een keer gebeuren. Als je zo lang samen werkt, ga je voor de ander wat voelen. '
De eerste kus? Was het een film of een droom? Hij zag duidelijke beelden, maar de eerste kus was hij kwijt. Die was gewild en erotisch, maar nu niet terug te roepen. Er was nog een kleine, min of meer gestolen kus van een bleek, mooi meisje met zeer rode lippen, die in het voorbijgaan zijn wang kuste, heel vanzelfsprekend, en lachte naar zijn vrouw.
In Mechelen zag ik op een terras een vrouw zitten met zeer rode lippen. In de film 'Menselijk kapitaal' liet een man zich via chantage zoenen door de vrouw van een rijke geldhandelaar. Maar die boot?


Bedrog

In Tilburg Museum De Pont, een zeer ruim gebouw, oude wolspinnerij, met veel mogelijkheden en vooral veel videokunst. In de grote ruimte zeven grote schermen waarop beelden zijn te zien van Isaac Julien: van Dubai en een Filippijnse schoonmaakster, van een trompettist in een glanzende, lege ruimte, van een kunsthandelaar die het kapitalisme blootlegt in de kunsthandel. Ironisch: het grote geld is te verdienen in de nieuwe videokunst. Julien speelt met die uitspraak.
Dubai, woestijnstad met rijke torens en kantoren, uitzicht op jachthavens en autosnelwegen. Een onwaarschijnlijk luxe en hedonistische wereld zonder alcohol, mannen met dure pakken en islamitische kledij en hoofdbedekking, de keffiyeh met ragaal (band) en smetteloos witte abaya ('jurk'). Je kijkt van links naar rechts en andersom en naar het midden. Het beeld verspringt. Geluid lijkt van het beeld te komen. En steeds weer het Filippijnse meisje, ook smetteloos, die rondgaat met schoonmaaklapje en plumeau. Haar werk lijkt overbodig, want alles is al zo schoon. Zij praat. Ik kan haar niet verstaan, maar ze lijkt ongelukkig. Ik weet uit krantenberichten hoe ze wordt onderbetaald in die luxe en hoe ze wordt gediscrimineerd, als vrouw en als katholiek. Ze huilt op sommige beelden. Tenslotte zie ik haar in een katholieke kapel, knielen en bidden. Later is ze huishoudster geworden bij Julien in Londen en daar zal ze het vast wel beter hebben (gehad?).

Terug in Zuidhorn denk ik aan het meisje, aan haar rondlopen in die luxe torens met het immense uitzicht op de andere torens. Waar woonde ze daar in Dubai? In een torenflat of zijn er ook slums?
Ik zie elders in het gebouw een enorme stapel grote borden, scheef op elkaar gestapeld. Als ik er langs loop gaat de stapel draaien, maar hij staat stil. Optische illusie. Het is een kunstwerk van Thierry de Cordier. Ik geloof mijn ogen niet en probeer het weer. De stapel draait, maar hij staat stil. Soms zie je een schilderij van een portret. De geportretteerde kijkt je aan, ze blijft kijken als je er langs loopt. Ik zag eens een schilderij van Henk Helmantel met een kartonnen koker. Als je langs het schilderij liep draaide de koker mee, zodat je steeds erin kon kijken. Wonderlijk.


Verraad

Een jongen wordt ervan verdacht dronken een man te hebben aangereden. Zijn auto is gezien en licht beschadigd. Hij heeft de beschadiging snel overgeschilderd. Hij heeft het niet gedaan, want hij lag lam in de auto van iemand anders, bestuurd door zijn vriendin, die hem heeft opgehaald van een schoolfeest. Zij heeft al gezegd dat ze niet met hem verder wil, maar dat accepteert hij niet. Zij helpt hem uit verantwoordelijkheidsgevoel. De jongen is de zoon van een rijke geldhandelaar. Zijn moeder is een ex-actrice die gezwicht is voor het grote geld. Zij laat zich rondrijden door een chauffeur langs allerlei winkels en koopt in een Indiase winkel een pas aangekomen beeld. De eigenares doet zeer amicaal. Zij is de moeder van een zoon, bevriend met de eerstgenoemde dronken jonge man. Tijdens dezelfde rit komt ze langs een oud theater, dat gesloopt moet worden, omdat het verwaarloosd is. Zij koopt het en wil het weer leven inblazen. Er vindt een vergadering plaats in haar rijke woning met een divers gezelschap van theaterkenners, die elkaar weinig gunnen en die de rijke dame belachelijk maken, omdat zij het heeft over Pirandello en omdat ze niet duidelijk kan maken wat ze met experimenteel theater bedoelt. Ondertussen wordt wel duidelijk dat de politiek in ItaliÎ theaters niet nodig vindt. Het alledaagse leven is al theatraal genoeg.
De vader van het eerstgenoemde meisje ziet mogelijkheden om veel geld te verdienen. Hij papt aan met de rijke man en heeft het geluk dat deze net een tennispartner nodig heeft en dat hij goed kan tennissen. Hij denkt dat hij bevriend is geraakt met de rijke man, maar die noemt hem tegen zijn vrouw een idioot. De vader van het meisje koopt voor 700.000 een aandeel in een transactie. Hij leent het geld van een bank, met als onderpand het huis van zijn nieuwe vriendin, die net zwanger is. Later blijkt dat het fout gaat met het geld. Er is nog maar 10% over. Dan vindt de man een aantekening op de computer van zijn dochter waaruit blijkt dat haar nieuwe vriendje de aanrijding heeft veroorzaakt. Hij verkoopt die kennis aan de ex-actrice voor veel geld en een zoen. Zij geeft hem die, eerst vluchtig. Daar neemt hij geen genoegen mee. Hij eist een echte zoen en die krijgt hij. Daarvoor heeft zij haar vrijerij met een theaterprof, die haar eerst een groot actrice noemt en haar later uitscheldt voor amateur, opgegeven omdat het theater moet worden verkocht. Er komen appartementen in.
Het nieuwe vriendje krijgt een jaar cel. Het verantwoordelijke meisje blijft hem trouw, maar zij was toch niet erg ethisch, want zij wilde hem redden ten koste van de zoon van de Indiase, die inmiddels de ex-actrice heeft weggescholden. Uiteindelijk blijkt de financiÎle transactie toch goed af te lopen voor de rijke man. Er is een feest in de grote villa, met zwembad en tennisbaan. Daar is ook de idioot. De ex-actrice maakt zich op voor de spiegel. Ze is zich bewust van hun aller ontluisterende gedrag.

 

Een vuur van verlangen. Verlangen naar eenheid. Geen regressief verlangen naar de moederschoot, wel een verlangen naar totale geborgenheid, opgenomen te zijn in een bovenaardse schoonheid, goedheid, gerechtigheid.
Een pyrotechnisch vuur: zorgvuldig opgebouwd uit elementen, met verstand en inzicht geconstrueerd. Ook met duivels plezier.

Tot vuur moet je afstand houden, Maar het is ook aantrekkelijk, fascinerend. Vuur is gevaarlijk.
Militair vuur heeft macht en je voelt je onmachtig, onderworpen. In de gevaarlijke omstandigheden kun je alleen maar angstig wegduiken. Er zijn weinig mogelijkheden om naar buiten te treden, als je daar al behoefte aan had. Je moet je zien te vermaken met behulp van je eigen fantasie. Veel heb je niet nodig: een tafel, papier, schrijfmaterialen.

Het vuur voedt het verlangen naar warmte dat je even kunt vinden bij een vrouw, steeds weer opnieuw: seksueel vuur. Dit heeft wel iets te maken met het aanvankelijke verlangen, maar dat diepe verlangen gaat veel verder, is blijvend, terwijl het seksuele verlangen al gauw wordt geblust. Vuur wijst ook op enthousiasme, op de vurige wens deel uit te maken van de omgeving, de cultuur, de wereld en dat staat dan weer haaks op de behoefte aan een schuilplaats, bescherming, rust.\

 

Vuur kan leiden tot waanzin, de angst tot diepe depressie. Rondom je lijkt het of de wereld instort, of je loopt langs een begroeide rechterkant, waarachter alleen maar diep duister heerst, peilloze diepte. Aan de andere kant hoge hekken die in brand staan als je ze aanraakt. Je kunt niet doorsteken naar een veilige plek. Je moet langs het hek blijven lopen, kronkelend, en je weet niet waar je uitkomt.


Geloof en dood

Johnson bespreekt de zondeval van Adam en Eva en vraagt zich af hoe die zich verhoudt tot Gods alwetendheid. Hij denkt dat God Adam een vrije wil gaf en perfect wist dat de mensen zouden zondigen en dat hij ook voorzag zijn eigen zoon te zenden om ze te redden.
Dit moet voor een Chinees een krankzinnige redenering zijn. Volgens Johnson is de dood als straf een noodzakelijk concept van de schepping.
Hij hoopt op een aangekondigde dood, zodat hij kan biechten en het heilig oliesel kan ontvangen.
De dood kan voor goede mensen pijnlijk en langdurig zijn, voor zondaars soms mild en snel.

Een vriend van mij vindt de dood een schandaal. Ik vraag me af waarom: we worden geboren en sterven. Dat is geheel natuurlijk.
Ik moet er overigens niet aan denken eeuwig te leven. De dood is er en dat weten we al snel.

Voor Johnson is de dood een begin, hun overgang naar een hogere vorm van leven.
Voor hem bestaat Het Laatste Oordeel. Hij verwijst naar een schilderij van Tintoretto in VenetiÎ en zegt: ja, zo is het Laatste Oordeel. Vervolgens vraagt hij zich af wat het verschil is tussen het persoonlijk oordeel bij onze dood en het algemene. Worden we dan weer opgeroepen, op een grote vlakte, en komt Gods zoon de schapen dan van de bokken scheiden? Komen de vroeger gestorvenen dan even uit de hemel en de hel en worden ze nogmaals op hun plaats gewezen? Sommige theologen zeiden dat na onze persoonlijke dood de tijd stil staat en er dus geen verschil is tussen het persoonlijke en algemene oordeel aan het eind der tijden. Hoeveel engelen passen op de punt van een naald?
En dan de hel? Hij erkent dat hij altijd in de hel geloofde. Maar nu eerst over de mooie katholieke uitvinding van het vagevuur. Johnson zegt dat de vondst van de aflaten zorgde voor fraaie kerken en kathedralen en dan schrijft hij: 'En het was Gods plan dat ze werden gebouwd, voor een deel met behulp van de corruptie van de kerk; wie zijn wij dan om bezwaar te maken?' Zo kun je veel goed praten. God heeft plannen om kathedralen te laten bouwen? Hoe lang moeten we zitten in het vagevuur? Kunnen we met het offeren van onze pijn het lijden van anderen in het vagevuur verkorten?
De Joden geloven niet in de hel. Dat lijkt me heel gezond.
Johnson gelooft niet meer in de hel met vlammen. De hel is de afwezigheid van de goddelijke genade en schoonheid en liefde. Overigens denkt hij dat het woord 'hel' een christelijke uitvinding is, verwijzend naar een verbrandingsplaats bij Jeruzalem, maar het woord is afkomstig van de Edda. De hel vinden we ook in andere culturen. Waarom hebben mensen de hel bedacht? Johnson geeft een verklaring: het is beter mensen bang te maken voor slecht gedrag dan een justitieel apparaat te moeten ontwerpen, met gevangenissen en allerlei straffen. Hij suggereert dat er vroeger minder misdaden gepleegd werden uit angst voor eeuwige straf, maar de militaire gedragingen bij de godsdienstoorlogen laten iets heel anders zien.


Goedgelovig

Mensen zijn bereid van alles te geloven. Vroeger als de melk ging schiften door de warmte gaf men graag heksen de schuld, maar nu hoeft iemand maar een baard te laten staan, een rode jurk aan te trekken en wat teksten uit Zen-geschriften uit zijn hoofd te leren en die met sonore stem voor te dragen en gelovige vrouwen zitten aan zijn voeten.
Michael Shermer - hij heeft zijn voornaam mee - wil geloven in de wetenschap, want die is controleerbaar. Hij vertelt over een psychologisch experiment. Een groep kleuters moet kleefballetjes tegen een bord gooien, maar achterwaarts over hun schouder. De opdrachtgever verlaat het lokaal. De kleuters spelen vals en plakken de balletjes eenvoudig tegen het bord, maar als je zegt dat er een onzichtbare prinses in het lokaal zit, handelen de kleuters volgens de regels.

Sommige mensen zeggen dat we God nodig hebben voor een beetje orde in de maatschappij. Vowassenen zijn ook bereid te geloven in onzichtbare krachten. God ziet ons immers altijd en overal.

Vikram, een Amerikaanse filmmaker van Indiase afkomst was verbaasd over zijn succes. Hij acteerde ook overtuigend, noemde zich KumarÈ en liep met een staf die eindigde in een Oosterse krul. Hij wilde onderzoeken of het geloof een illusie was. Hij verzon een bijzondere meditatie: mensen moesten tegenover elkaar gaan zitten, elkaar diep in de ogen kijken terwijl ze reciteerden dat ze contact wilden maken met de blauwe energie van de ander. De mensen voelden zich verlicht, hadden een diepe emotionele ervaring en gingen hun leven veranderen. Vikram-KumarÈ voerde persoonlijke gesprekken met hen, waarin hij vooral met andere woorden hun eigen boodschap teruggaf en het werkte! De mensen ging diep geraakt werken aan hun persoonlijkheid. Vikram durfde niet meer te zeggen dat hij helemaal geen goeroe was en hij vond als oplossing de boodschap dat ieder van hen de goeroe in zichzelf moest zoeken en dat ze 'vreemde' goeroes moesten wantrouwen. Hij nam afscheid van de groep, zoals ook Krishnamurti had gedaan, die zijn volgelingen duidelijk maakte dat hij die een ander volgt, ophoudt de waarheid te volgen, waarmee hij stelselmatig afstand nam van zijn wereldleraarschap.Het werd hem door vele gelovigen kwalijk genomen.
Vikram bezat natuurlijk veel inlevingsvermogen en overtuigingskracht. Hij zou bijna in zichzelf gaan geloven, tot hij begreep dat hij dat ook mocht doen. Maar dan moesten zijn leerlingen ook in zichzelf geloven.
Na een maand riep hij zijn leerlingen weer bij elkaar. Zijn vrouwelijke helpsters hielden de spanning er goed in en wij zagen op de film hoe Vikram zijn baard afknipte, hoe hij zich schoor en hoe hij in westerse kleding naar de groep toeging. De meeste leden van de groep omhelsden hem. Sommigen waren teleurgesteld, voelden zich misbruikt, wat feitelijk ook het geval was, maar ondertussen had Vikram hen een essenti\'eble les geleerd.


De vurige Vestdijk

Het begin van de roman 'De vuuraanbidders' speelt zich af in Leiden tijdens het twaalfjarig bestand en toch is het net alsof de jongen Criellaert en Nol Rieske uit 'De koperen tuin' de zelfden zijn. Natuurlijk, Gerard heeft een zuster en geen broer, maar hij neemt haar op dezelfde wijze waar als Nol zijn broer Chris. Gerard heeft nog een broer, Diederik, die hij op dezelfde wijze als Nol Chris wat neerbuigend beschrijft. Maar de belangrijkste overeenkomst is toch de wijze waarop hij zich beweegt in de kleine stad -hoe zeer de politieke en historische situatie ook verschilt van W.- en zijn reacties op zijn stadgenoten. De roman is net als 'De koperen tuin' geschreven in de vorm van memoires: de ik is de hoofdpersoon.
De lezer verbaast zich over het inlevingsvermogen van de schrijver. Allerlei praktische en godsdienstige details worden met een vanzelfsprekende concreetheid en kennis van zaken naar voren gebracht.
Gerard kijkt naar de dochter van de Arminiaanse dominee bij wie hij zojuist de ruiten heeft ingegooid, maar die hem grootmoedig heeft gered van de schout en hem zelfs binnen heeft genodigd om te bekomen van een slag op zijn hoofd en een val op de stenen stoep.
De dominee laat wijn brengen door zijn dochter en let nu op hoe Gerard (Vestdijk) haar beschrijft, zoals hij altijd beminde meisjes en vrouwen beschrijft, jong en oud: "Zij was blond als haar vader, had dezelfde ogen, alleen veel boller, en ook de uitdrukking van dat mooie gezicht was geheel anders: fier, uittartend, verbaasd,- of misschien was zij niet eens mooi, misschien was haar gezicht even onregelmatig als het zijne regelmatig was,- en een niet te blanke huid, vol fijne sproeten, en een even wat vooruitspringende kin, en alles wat men maar wil,- maar hier zag ik niets meer van."

Het meisje heet Deliana en het valt me op dat de letters i,d,e in haar naam zitten, wat ik beschouw als een allusie op zowel Ina Daman als op het woord 'idee'. Misschien heeft haar naam ook iets te maken met het eiland Delos, een van de cycladen, tamelijk onherbergzaam.
De jongens bij Vestdijk, nee, ook de mannen - denk aan de ik-figuur in de Slingelandtrilogie - houden van meisjes die onbereikbaar zijn, naar wie ze kunnen verlangen, alleen verlangen, want de inlossing van het verlangen maakt een eind aan de liefde.
De ik-figuren bij Vestdijk kunnen ook vrouwen zijn - ik denk nu aan Lucie uit de 'Alpenroman', die verliefd wordt op de naar zij denkt onbereikbare Anna.
Al die ik-figuren overdenken tactieken om de geliefde te benaderen. Allerlei soms idiote overwegingen passeren de revue, maar uiteindelijk gaan ze na de omwegen r¸cksichtlos op hun doel af. Gerard Crielaert bezoekt de vader van Deliana en heeft met hem een serieuze discussie over de predestinatieleer. Vestdijk heeft er plezier in - na het schrijven van zijn 'De toekomst der religie' - de lezer in te lichten over argumenten voor en tegen die leer, waarbij hij de jonge Gerard verrassend goed laat argumenteren.
"Wie niet aanneemt, dat alles onvoorwaardelijk voorbeschikt is, twijfelt aan Gods almacht. (...) Nu zien wij, dat er onverbeterlijke zondaars zijn, mensen die het geloof niet hebben en ook nooit deelachtig zullen worden. Moet men dan de gevolgtrekking niet maken, dat God hun verderf heeft gewild?"
De dominee stelt hier Gods goedertierenheid tegenover. (Er zijn steeds mensen die menen God te begrijpen.) Zou God zondaars als onverbeterlijk willen scheppen? Dat zou toch op willekeur wijzen en niet op gerechtigheid. De dominee meent dat hij Gods karakter dichter benadert door te zeggen dat hij gerechtigheid is Èn liefde. Het is aan de mens om te kiezen tussen goed en kwaad. Dat, zegt Gerard, is de vrije wil, zoals de JezuÔeten die prediken, maar de mens kan geen keuze doen, alleen God kan dat. Toch moet Gerard toegeven dat hij er niet uitkomt. "Waarom de een
meer wilsvrijheid, meer vrijheid om het goede te willen, dan de ander?"

Gerard gaat heel ver met zijn pogingen Deliana te veroveren. Hij redt haar vader, maar de intrige is duivels, om in stijl te blijven. De strijd tussen Arminianen en Contraremonstranten is zeer grimmig. Vooruitlopend op de veroordeling van de Remonstranten bij de Synode van Dordrecht, waarna Maurits Oldenbarnevelt liet onthoofden, trekken contraremonstrantse jongeren door de stad om ruiten in te gooien. Later plunderen ze de huizen en tuigen de in het geheim samenkomende Arminianen af. Het doet denken aan het optreden van de nazi's in de Kristalnacht, al hebben de zeventiende-eeuwers meer fatsoen.
Gerard verraadt een bijeenkomst waar haar vader predikt, met de bedoeling om hem te redden uit de handen van de amokmakers.
Even daarvoor heeft hij een interessant gesprek met een collega vuurmaker.
"Want de zwavel, die brandde, dat was de liefde zelf, het innerlijkste vuur ervan, het onuitsprekelijke, - de salpeter, die blies en knalde, dat was mijn hartstocht, die zich zo nodig ook op belagers en benijders richten kon, In de vorm van slagen en stompen, - en de houtskool, die het vuur verdeelde en tot harmonie bracht, dat was mijn hoogachting voor haar, en de zwarte ernst, voor het geval het ons ooit in het leven zou tegenlopen."
Dat gebeurt gauw genoeg want de dominee raakt behoorlijk in de war door een slag op zijn hoofd en als hij genezen lijkt te zijn, gaat hij in de Pieterskerk die vol zit met vijandige dominees prediken. Hij wordt van de kansel getrokken, valt en wordt door een enge hond aangevallen. Zijn hals wordt waarschijnlijk doorgebeten. In elk geval is hij dood.
Gerard heeft dan Deliana al bekend hoe hij heeft gehandeld. Ze vertrekt naar Amsterdam en laat hem boodschappen dat ze elkaar nooit meer mogen zien. De verlovingsring wordt hem nagestuurd.

Oom Heinrich uit Heidelberg stuurde regelmatig boeken naar Gerards vader om te verkopen, maar deze deed geen moeite en schonk ze alle aan zijn zoon. De oom legt uit dat hij hem geen gastvrijheid kan bieden vanwege de inkwartiering van allerlei soldaten met hun hoeren. Maar, zegt hij, aan mijn tafel zal ik je altijd graag zien en voegt eraan toe dat zijn vrouw ziekelijk is en dat er ook niet al te veel voedsel in de stad is. "Alle molens in de omtrek zijn door monsieur Tilly verbrand. Ik neem aan, dat je mij hier in Heidelberg bent komen opzoeken voor de afrekening?" Nogal onwaarschijnlijk gezien de politieke en militaire situatie.
Gerard liegt eenvoudig dat de boeken nooit zijn aangekomen. Alle hoofdfiguren van Vestdijks romans zijn intriganten.
Hij hoort dat Lysbet in de stad is en hij hoopt de schilder, haar verleider, te ontmoeten, zodat hij hem kan doden. Hij heeft immers zijn vader beloofd dat te doen en onmiddellijk bedenkt hij, dat als hij de belofte inlost zijn vader hem de vereiste toestemming voor een huwelijk met Deliana niet kan onthouden, mocht het zo zijn dat hij haar toch nog kan terug veroveren.
Onderweg naar Heidelberg ziet Gerard een leger van hertog Christiaan, een ordeloze troep met legerhoeren met kostbare misgewaden uit Paderborn, kinderen, dieven. Onder een boom zit een werfofficier te midden van zilveren vaatwerk. Boven hem hangen vier naakte mannen, opgehangen aan de nek en een oude vrouw, bengelend aan een been.
Het kan nog erger. "Sinds Tilly's Kroaten in de omgeving enige armen en benen hadden afgezaagd, enige oren met kokend lood volgedruppeld, enige kleine meisjes na verkrachting in de bakkersoven geschoven, had er een soort volksverhuizing plaats gehad".

Gerard heeft een fabelachtige kijk op mensen die van belang zijn voor hem. Zijn psychologische intuÔtie en verklaringsvermogen lijken niet bij zijn leeftijd te passen, naar Nol Rieske en ook de kleine Anton Wachter delen diit met hem.
Gerard, zoon van een timmerman, maar wel opgeleid tot ingenieur van schanswerken, krijgt dankzij zijn inzicht en moed eervolle opdrachten in Heidelberg. Zo moet hij een ravelijn versterken en als hij ziet dat het herstelwerk 's nachts wordt gesaboteerd, moet hij de verraders opsporen. Hij heeft ook een groot inzicht in de politieke omstandigheden en hij heeft de zwaktes van hoge heren door alsof hij een alwetende verteller is, wat hij via zijn geestelijk vader natuurlijk ook is.

Vestdijk heeft ooit verklaard deze roman te hebben geschreven om de verveling in de laatste oorlogsjaren te bestrijden. Hij was terug uit Sint-Michielsgestel en uit de gevangenis in Scheveningen. Hij had doodsangsten doorstaan, die hij van zich af schreef door de verschrikkingen van de Dertigjarige Oorlog te beschrijven.
Er was geen mogelijkheid om te reizen; er was geen bezoek, weinig contact met uitgevers. Wat kon hij anders dan schrijven en af en toe een korte wandeling maken?
Gelukkig had hij een krijgskundig boek over de oorlog en een fenomenaal geheugen voor historische en geografische omstandigheden en natuurlijk een levendig voorstellingsvermogen. Waarschijnlijk vermaakte Vestdijk zich vooral met de uitvoerige beschrijving van merkwaardige lieden, zoals Marianne, een dienster in de herberg waar hij verblijft.
"Het was niet gemakkelijk een gesprek met haar te voeren. Ze leefde geheel in haar ogen, en in haar abrupte gebaren, die steeds het uiterste schenen te eisen of het uiterste aan te bieden, tragisch, en zonder een zweem van wulpsheid of frivoliteit. Deze gebaren waren trouwens volkomen on- expressief in die zin, dat niemand er uit had kunnen opmaken, dat het een vrouw was, die zich hier aanbood; veel eerder zou men gedacht hebben aan een als vrouw verklede schuldeiser, of aan een Engelse toneelspeler in travestie, die de rol van Lady Macbeth nog niet geheel beheerste. Zij was niet in staat een logische redenering te volgen, en te meer daar zij van overdrijving allerminst afkerig was, verstrikte zij zich in de meest absurde tegenstrijdigheden. Ik geloof, dat zij alleen zin had voor voorwerpen, gezichten, ogen van anderen; zij was een magere, hartstochtelijke, en ondanks alle hartstocht toch volkomen zakelijke en nuchtere, in alle leden knikkende en knakkende marionet, die in een marionettenwereld leefde, waar alles is wat het schijnt en niets anders betekent dan wat het oog ervan waarneemt."

Gerard ontpopt zich in Heidelberg tot een r¸cksichtslose, dappere jongeman. Vestdijk leeft zich ook uit in detective-achtige ontwikkelingen: personen worden ontmaskerd, op een spannende manier achtervolgd door de krochten van de belegerde stad tot in de wonderlijke gangen en kamers en onbruikbare ruimten van de herberg. Gerard sluipt achter een verrader aan. Hij heeft een wapen, maar hij neemt veel risico's. Er zijn allerlei verrassende wendingen: de eigenaar van Der Goldenen Bockshorn blijkt de vermomde schilder, verleider van Lysbet.
De minnaar van Lysbet, De Romanesque, overtuigt Gerard mee te gaan naar een legeraanvoerder die Heidelberg zou moeten ontzetten. Hij moet met hem, Lysbet en Zadko, de vriend van Gerard, Heidelberg ontvluchten. De stad staat op verlies. Zij weten te ontsnappen, dwars door vijandelijke linies, maar voordat zij vertrekken wordt Zadko doodgeschoten. Er is verraad in het spel. Zadko moest een brief brengen naar de Provoorst, waaruit bleek dat de eigenaar van de herberg een verrader was.
Uiteindelijk blijkt Gerard toch niet zo'n goede detective. De Romanesque blijkt de opperste verrader en hij heeft alles in scËne gezet, zonder dat Gerard dat begreep. Wat hij vooral niet begreep waren de de hogere politieke constellaties. Rome konkelde en zette alle oorlogshandelingen in om uiteindelijk te zegevieren. Alle strijd en ontberingen, honger en verkrachtingen, martelingen moeten de boeren, dorpeling, stadbewoners zich laten welgevallen in deze krankzinnige godsdiensttwisten om een zogenaamd hoger doel te dienen. De Romanesque kent deze wereld. Gerard ziet hem als een soort vader, die met veel bravoure en elegantie alles naar zijn hand zet. Hij heeft vervalste brieven bij zich waarmee hij de linies doorkruist, maar als de proviand op raakt en de paarden gestolen zijn, vertelt hij Gerard hoe hij alles en iedereen bedroog.
Tenslotte blijkt hij zelf de schilder die Lysbet heeft verleid. Gerard schiet hem dood, maar, Vestdijkiaans, niet om zijn belofte aan zijn vader gestand te doen, maar omdat hij hem geen brood wil geven, of misschien omdat hij Lysbet hypnotiseerde en omdat hij Zadko had laten doodschieten.

Ondertussen heeft Gerard zijn geloof in God verloren. Hij moest allerlei gruwelijkheden onderweg waarnemen. De meeste indruk maakte een oudere vrouw die hen dwingend vertelt hoe ' men haar achtjarige kleinzoon voor haar ogen gespiest had; het puntige hout was er boven de navel weer uitgekomen; en daarna had de jongen nog twee dagen geleefd'.
Als ze verder rijden door de woestenij ontdekt Gerard plotseling, dat hij niet meer in God gelooft, omdat hij dit soort martelingen kennelijk toelaat. Een God zonder macht was kennelijk een drogbeeld. 'Een blinde natuurkracht, een onverbiddelijke wet van worden en vergaan, geboorte en dood, had ik voor de God van de catechismus aangezien, - deze God, die onder andere ook goedertieren was. Goedertieren!'
In een volgend gesprek met De Romanesque werpt deze tegen dat miljarden mensen sinds het begin van de wereld hebben pijn geleden en dat God dit nu eenmaal wil. Gods eigen zoon ging de mensen hier voor!

Wat betekent Lysbet voor Gerard? In een droom ziet hij haar als Deliana. In zijn koortsdromen ziet hij steeds vuur. Zijn ongeloof wordt in de droom voorbereid. Wat in vlammen mocht opgaan was Heidelberg of zijn eigen hart of zijn lendenen, die brandden door de opgevangen kogel, waardoor hij nooit kinderen zou kunnen krijgen, ' maar nooit en te nimmer dit duistere sparrenbos, want in dit bos was God niet, en waar God niet was kon niets tot as worden verteerd. God woonde, zoals Mozes reeds wist, in het vuur en verteerde de mensen'.

Verderop verhaalt men van allerlei folteringen. Niet alleen de soldaten, ook de getergde boeren kunnen er wat van. Zo had een boer een ladder over dronken soldaten gelegd, zodat de hoofden tussen de sporten doorkwamen. Daarna waren de boer en zijn zoon op twee kanten van de ladder gaan zitten en had de boerin de hoofden afgesneden. De sardonische Vestdijk maakt er nog een bittere grap van. 'Tekenend leek mij vooral, dat de boerin sneed, en niet de boer, maar misschien was men dit in die boerderij zo gewend, wanneer er geslacht werd.'

Terug in Leiden. Gerard zorgt voor zijn zus en probeert zijn vader met haar te verzoenen, wat voorlopig niet lukt. Het contact met Deliana wordt hersteld en haar broer Reindert heeft zich er bij neergelegd dat zij met Gerard wil trouwen. Ondertussen zoekt hij contact met Lysbet.
Gerard wordt ontboden bij de dominee, die hem vraagt of hij Gerard nog kan beschouwen als kerkelid. Zij hebben een gesprek over Gerards ongeloof, waarbij beiden geen krimp geven. Gerards redenering is als volgt: Ûf God is almachtig en dus een beul, een duivel (daar hij de achtjarige jongen zo laat lijden), Ûf God is niet almachtig, omdat hij geen gruwelen kan beletten, die hij krachtens zijn goedheid zou moeten beletten, Ûf hij bestaat niet. Deze drie mogelijkheden komen vrijwel op hetzelfde neer. De dominee kan daar niet veel anders tegen in brengen dan dat God ondoorgrondelijk is. Hij verwijst nog naar Job, maar Gerard zegt dat Job niet zo gepijnigd werd en bovendien alles terugkreeg, terwijl de jongen het graf is ingegaan met kapotte darmen.

God is onkenbaar. Als men zegt: God bestaat, heeft men al een geheim van hem ontsluierd. Ondoorgrondelijkheid in strikte zin is hetzelfde als niet-bestaan. Maar, zegt de dominee, waar komt dan alles vandaan? Er moet toch een schepper zijn? Gerard: Als dat zo is, waar komt God dan vandaan? Dominee: hij is de ongeschapene.

Gerard schaamt zich voor een God die zijn plannen met de jongen alleen kon verwerkelijken door hem te laten spiesen.

De dominee zegt over het lidmaatschap, dat hij voorlopig het non liquet (het is niet duidelijk) zal betrachten. Tenslotte zegt hij over Lysbet dat hij haar vader heeft afgeraden haar te ontvangen en voegt er fijntjes aan toe dat hij weet waar zij woont en wie zij ontvangt. Gerard beschouwt dit als laster en vertrekt.

 

Gerard is een buitengewoon intelligent en eloquent causeur, net als zijn schepper, maar vaak heeft hij op beslissende momenten niet door wat er werkelijk speelt of-anders gezegd-Vestdijk is een meesterlijk intrigant met een superieur verstand, maar soms ziet hij dingen niet omdat hij er om heen of er overheen denkt. Zijn gevoel heeft het wel door, maar het wordt nog even weggemoffeld tot het doorbreekt. Reindert beschuldigt hem van het hebben van vissenbloed, koud.

 

Vestdijk voert de lezer langzaam en genadeloos naar het dramatische einde. De plotselinge komst van Kaplirsch, de gevallen eigenaar van de Bockshorn, die hem tracht te chanteren; de vergiftiging van de hond van de schout door Reindert, met houtskool en arsenicum van Gerard; het verraad van Kaplirsch over het kind van Lysbet - het voert allemaal naar het eind.

Om allerlei redenen stelt Gerard het uit om Lysbet in te lichten over dat verraad, waardoor zij denkt dat hij haar verraden heeft.

Dit doet denken aan alle overwegingen die Nol Rieske had ten aanzien van Trix in 'De koperen tuin', met het fatale gevolg: het verstand heeft het gevoel verdrongen. Ook het burgerlijk eigenbelang van de hoofdpersoon leidt tot het noodlottig einde.
Wat kan Gerard anders doen dan vluchten en zich in krijgsdienst begeven, als dienaar van het vuur. Hij had toch al heimwee naar buitenlands krijgsavontuur. Vestdijk heeft het goed voorbereid. Eerder heeft Reindert zijn verbazing uitgesproken over het verslaafd raken aan een kruid, 'dat om zijn ware deugden te ontvouwen eerst in brand gestoken moet worden.' 'van de elementen is het vuur mij het liefst, omdat het steeds een revelatie is, wanneer het verschijnt. Het vuur is heilig, en verbranding wekt leven. Het zou mij niet verbazen, indien het levensproces, dat men tot dusverre in een zo gunstig mogelijke menging der vier elementen heeft gezocht, op een soort langzame verbranding berustte.'<br>

De vader van Gerard, die de daad van Lysbet gehoord heeft van Kaplirsch, citeert uit de bijbel: 'Een iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt.'


Is 'De Vuuraanbidders' een historische roman? Ja. Is het een avonturenroman? Ja. Een psychologische roman? Ja. Een beschouwing van een gelovige ongelovige of een ongelovige gelovige? Ja.
De hoofdpersoon kan niet in een onmachtige God geloven. God moet almachtig, alwetend en goedertieren zijn.

Dat hoeft niet van alle volkeren. Goden zijn vaak onderworpen aan het noodlot en/ of ze hebben allerlei ondeugden. Maar Gerard(Vestdijk) is daar niet tevreden mee. God is niet goed, dus bestaat hij niet. Als hij bestaat is hij onkenbaar en kun je er niets over zeggen. Als je zegt dat hij bestaat, heb je al teveel gezegd.

Na de ramp denkt Gerard dat het noodlot alle brandstof om hem heen opstapelde " tot de ontploffing mij bewees, dat er inderdaad niets anders bestond dan wat ik alleen als hoogste macht erkende; een duwen en stoten, een strikken en knopen, beweging en stilstand, val en botsing, -verder niets; nihil. Wie het sterkst is wint het in deze wereld van blinde kracht."

Wat doet hij als soldaat: " Wij laten het vuur los om ons aan de as te verlustigen. (-) De wereld in brand stekend, legitimeren wij ons als de ware Vuuraanbidders, die zich buigen voor een macht, welke men groter en sterker dan de mens kan noemen zonder zich schuldig te maken aan een vrome of onvrome leugen. Misschien zijn wij onmensen; de mens is nu eenmaal geschapen als onmens; het is niet onze schuld."

Vestdijk (Gerard) zegt dat hij van de wereld niets begrijpt. Maar, als atheÔst heeft Gerard zijn geweten verfijnd. Hij ziet zijn schuld in en dan vooral de schuld tegenover Lysbet. Hij is tekortgeschoten. Hij wilde het aanzien van zijn zus herstellen, maar hij heeft haar vernederd. Hij had haar nooit uit zijn huis moet zetten... Eerder nog Deliana. Lysbet was zijn eigenlijke levenstaak. Het is de stem van de moralist die tot hem spreekt. Ik buig mij voor deze stem. 'En wie mij zegt dat het de stem van God is (-) heb ik maar met ÈÈn gebaar te antwoorden: mijn wijzende hand op mijn eigen borst."


Paul Johnson publiceerde in 1996 'The quest for God', een persoonlijke pelgrimage. Hij schrijft met veel historische en godsdienstwetenschappelijke kennis over zijn geloof. Johnson is katholiek opgevoed, maar hij vindt dat hij moet zoeken naar betere antwoorden.
Het nu volgende is een samenvatting van en reactie op zijn gedachten.
Het bestaan of niet bestaan van God is volgens Johnson de belangrijkste vraag die mensen ooit gesteld hebben. Als God bestaat en als we als consequentie daarvan geroepen zijn tot een ander leven na ons aardse leven, heeft dat effect op ons alledaags bestaan. Ons leven wordt een voorbereiding op de eeuwigheid.
Hierbij stel ik de vraag of het bestaan van God en wat bedoelen we daarmee?, noodzakelijk betekent dat er een leven is na ons aardse leven. Is een hiernamaals van ons als individu een logisch gevolg van het bestaan van God?
Vooruitlopend op zijn betoog verklap ik alvast, dat hij gelooft in een persoonlijke, almachtige, alwetende, alomtegenwoordige entiteit die ons allen en verder ook zijn hele schepping tot en met alle atomen en deeltjes voortdurend in het oog heeft. De god van Spinoza wijst hij af. Deze vergelijkt hij met primitief pantheÔsme en animisme. God is niet gelijk aan alles: hij heeft alles geschapen en staat er dus tegenover.
Als God niet bestaat is dit leven het enige dat we hebben. We hebben dan, volgens Johnson, geen verplichtingen. Dan hebben we alleen onze eigen interesses en pleziertjes. Natuurlijk zijn er dan nog de wetten van de samenleving, maar die kunnen we zoveel mogelijk negeren. In een goddeloze wereld is er geen basis voor altruÔsme. Er is alleen nog maar morele anarchie en egoÔsme.
De evolutieleer maakt echter duidelijk dat ook dieren altruÔstisch gedrag vertonen. Frans de Waal heeft aangetoond dat bijvoorbeeld apen heel goed rekening met elkaar kunnen houden en zelfs reageren op het onrechtvaardige gedrag van verzorgers naar soortgenoten. Op internet zijn filmpjes te vinden van allerlei dieren die voor elkaar opkomen. Je kunt dat berekenend gedrag noemen, maar het lijkt toch op de gulden regel van Jezus, Boeddha en andere geestelijke leiders. Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Het lijkt op een soort basislogica: ik wil een andere goed doen, opdat hij mij goed doet. De mentaliteit van de Sade, zijn totale zelfzucht en genotjacht, wijzen we af, niet omdat we bang zijn in het hiernamaals gestraft te worden, maar omdat we het niet goed vinden. Waarom niet? Omdat we, uitzonderingen daar gelaten, niet willen leven in een sadistisch universum.

Ook Johnson erkent een altruÔsme, los van God. Hij zegt dat het lijkt alsof we moreel niet in staat zijn tot een leven zonder enige moraliteit. Overigens hebben we ook een neiging tot kwaad en dat verklaart veel ellende in de wereld.
Onze neiging het goede te doen maakt, zegt Johnson, het voor atheÔsten mogelijk het bestaan van God en zijn geboden en straffen, voor onnodig te verklaren.
Hoe kunnen we het altruÔsme sterker laten zijn dan de verleidingen tot het kwaad? Dat kunnen we door de juiste morele opvoeding aan te bieden. Maar, zegt hij, mensen die dat geloven zijn in de minderheid. AtheÔsme heeft gefaald in het overtuigen van de meerderheid. Dat is nu niet anders dan vroeger. De meerderheid is gelovig of agnost, geen atheÔst.
We hebben allemaal een geweten. We willen anderen in nood helpen. Niemand is gewetenloos. Waar komt dat vandaan? Het darwinisme mag een wetenschappelijke waarheid zijn, maar het verklaart niet waarom de mens zich bewust is van zichzelf. Iemand moet ons zelfbewust hebben gemaakt.

Kan de evolutie niet leiden tot met taal begiftigde zoogdieren, die door de taal hun bewustzijn vergroten en tot reflectie komen?
En dan is er nog, zegt Johnson, de angst: 'De vreze des heren is het begin van de wijsheid.'(Spreuken 1:7; Job 28 :28). De angst voor het onbekende is het begin van geloof. Als we geplaagd worden door armoede en ziekte en angst voor de toekomst, is atheÔsme niet genoeg. Staand voor de dood, gaan we geloven. Soldaten op het slachtveld, zeelieden in de storm, vragen om God.
Zolang de mens bestaat, geloofde hij in God of goden. Ook in de moderne tijd waarin onze kennis van de materiÎle wereld sneller groeit dan we kunnen bevatten, neemt de ontkenning van God af. We weten minder goed wat God van ons wil dan onze ouders en voorouders, maar als Johnson iemand vraagt: 'Geloof je in God?', zegt vrijwel iedereen: 'Ja, in zekere zin, neem ik aan.'
En als hij dan vraagt wat de ander bedoelt, zegt deze: 'Dat is een moeilijke vraag.' 'Er moet wel iets zijn.'
God is niet gestorven in de 20ste eeuw. Men dacht, vooral de rijke intellectuelen, dat God zou verdwijnen, maar het is niet gebeurd. De idee van een levende, persoonlijke God is even reÎel als ooit in de geesten en harten van talloze miljoenen over de hele planeet.

 

Sir Walter Raleigh in de 16de eeuw werd een atheÔst genoemd, maar hij geloofde alleen maar niet in de christelijke drieÎenheid. Ook Bacon geloofde, ondanks allerlei kritiek, in een goddelijke hand in de geschiedenis.
Kant publiceerde zijn 'Kritiek van de zuivere rede' en Hegel filosofeerde over de vooruitgang van de menselijke rede, waarbij men dacht dat de notie van een persoonlijke God zou verdwijnen zoals de vreemde krokodil-goden van het oude Egypte waren verdwenen. De historiteit van het oude testament werd ondergraven. Zo dacht men tenminste. AtheÔsten gebruikten de theorie van Darwin om te betogen dat het religieuze geloof op de terugtocht was. Nietzsche verklaarde God dood. Matthew Arnold verbeeldde dat in zijn indrukwekkende gedicht 'Dover Beach'
De zee is kalm vannacht.
't Is vloed, de blanke maan
Ligt op de Straat; het Franse kustlicht
Komt en gaat; de krijtrotsen van Engeland
Staan hoog en blinkend in de stille baai.

Kom naar het raam, de nachtlucht is zo zacht!
Alleen, vanaf de lange lijn van schuim,
Daar waar de zee het maangebleekte land ontmoet,
Klinkt, luister! In het bruisen het geschraap
Van kiezels, door de golven weggehaald
En bij hun terugkeer hoger op het strand gesmeten,
Aanzwellend, plots verstillend, en dan andermaal,
In trage, aarzelende regelmaat, een droef verhaal
Van eeuwig komen en weer gaan.

Toen Sophocles in het ver verleden
Ditzelfde hoorde aan 't EgeÔsch strand,
Deed het hem denken aan de troebele onzekerheden
Van het menselijk lot; ook ons,
Aan deze verre noordelijke kust,
Doet dit geluid een overweging aan de hand.

De Zee van het Geloof
Vierde ook eens hoogtij, en haar vloed
Lag als een glanzend snoer
Gespreid om 's werelds kust.
Maar nu is alles wat ik hoor
De langgerekte jammerklacht
Van haar terugtocht langs de eindeloze stranden
En kale kiezelvlakten van de wereld in de nacht.

Ach, liefste, laten wij elkaar
Toch trouw zijn! want de wereld,
Die ons nu nog een dromenland toeschijnt,
Zo mooi, zo boeiend en zo nieuw,
Biedt ons in werkelijkheid geen vreugde, liefde, of licht,
Geen zekerheid, geen vrede, geen remedie voor verdriet;
En wij staan hier als op een duistere vlakte
Bestormd door het verward rumoer van angst en lijden,
Waar blinde legers elkaar 's nachts bestrijden.
( vert. Ko Kooman)
Vele intelligente lezers deelden zijn bewustzijn van het verdwijnen van het geloof en betreurden het verlies van zekerheid. Maar op eb volgt vloed!
Er zijn niet meer atheÔsten dan in de tijd van Hegel en Arnold. Er zijn meer agnosten. En er zijn meer christenen gekomen, aldus Johnson.

Marx' communisme heeft het bestaan van het christelijk geloof niet overleefd. Waarom heeft het geloof in God of in iets boven ons in de 20ste eeuw standgehouden?
Wetenschap heeft zijn macht om het geloof te ontkrachten verloren. Darwin zei al dat wat wetenschap ons leert geen relevantie heeft voor wat we voelen in onze geesten en harten over God.
Metafysica speelt zich af op een ander plan. Toen mensen nucleaire energie uitvonden, raketten bouwden en op de maan landden; toen zij de dubbele helix ontdekten en de genetische basis van het ontstaan van leven begonnen te decoderen, werd het geloof of ongeloof in een eerste beweger niet aangetast. Wetenschappers behielden hun geloof. Wetenschap en geloof werden geen vijanden, eerder weer vrienden.
De wetenschap van de moderne archeologie bijvoorbeeld ondersteunde oude Bijbelse teksten. De historiciteit van de Pentateuch werd niet gereduceerd tot louter mythe of volkslegende, integendeel. De zondvloed bleek een historisch feit. Abraham, Isaak en Jakob bleken normale namen in het Midden-Oosten. Kleitabletten ondersteunden de bekende Bijbelse transacties. Allerlei vondsten bevestigden de Bijbelse verhalen. Dat bewijst natuurlijk niet dat God bestaat, maar wel dat de HebreÎen in hem geloofden.
Astrofysica bevestigt de notitie van een bepaald moment van de schepping.

 

 

Foto maart '15

De ene heer is een koning. Ja, die functie bestaat nog. We hebben er niet voor gekozen, maar ja. Zijn linkerbeen is sierlijk gebogen naar achter en dat lijkt op een houding van zijn moeder. Dat was op een vliegveld in Bonn, meen ik waar de toenmalige president van Duitsland haar een hand gaf. Het leek op een liefdesgebaar.
Op deze foto is de andere heer slechts 45 jaar, maar hij lijkt met zijn omvangrijke middel op een oude koning van BelgiÎ of Zweden. Hij neemt de hand van onze koning in ontvangst alsof hij zelf de koning is en misschien zegt hij wel: ' Jouw grootvader was stroper, de mijne jager.
Maar nee, dat zei hij ooit tegen een collega in de Tweede Kamer, een SP'er. Een grap. Hij is minister geworden dienaar van het volk dus, maar hij is vast niet van plan het volk te dienen. Hij gaat het volk vermaken met flamboyante grappen, niet kwaad bedoeld, maar wel zo bedacht en uitgevoerd dat het duidelijk moet zijn hoe de verhoudingen liggen. Een zak tomaten voor een SP'er, rood en groen, biologisch. De SP'er moet maar eens verder kijken dan de kleur rood. Zo zal hij ook eens een vegetariÎr uitnodigen voor een maaltijd van lamsschouder, gestoofd vlees met ansjovis voor de pittige smaak en natuurlijk geserveerd met een voortreffelijke wijn, Domaine de Bechellery.


Schaafschade

Grunberg is beroemd/berucht om zijn aforismen. 'De Mensheid zij geprezen' lijkt een opgestapelde hoeveelheid aforismen. Een voorbeeld is: 'Een slachtoffer vraagt om zijn dader zoals een krop sla om azijn en olie.' Een typische Grunberg-vergelijking.
De sla is het slachtoffer; azijn en olie de dader? Heel ver doordenkend kan sla geslachtofferd worden door te veel of verkeerde azijn en olie, maar wat is de relatie met het onderwerp van de 'Lof der zotheid'? De mens is als sla. De poppenspeler is azijn en olie.
'Geen beest is zo belasterd als de mens', luidt de openingszin van 'De Mensheid zij geprezen'. Een advocatenstem verdedigt de mens, nu ja, maakt duidelijk hoe beklagenswaardig de mens is. De mens is een marionet en we zouden eigenlijk de Poppenspeler moeten aanklagen. Wie is de Poppenspeler? God bestaat niet. Je kunt de evolutie moeilijk een poppenspeler noemen. De mens heeft zichzelf niet gemaakt en zijn treurige constitutie is allicht een gevolg van zijn afkomst, maar er is geen Poppenspeler. 'Alleen op de maan kan het leven heilig zijn, want daar is geen leven.'
Er zijn vele illusies rond de mens. Er was en is geen paradijs; geen rechtvaardige wereld. Liefde is gespiegeld egoÔsme. Goed en kwaad zijn relatieve begrippen. Het leven is een wreed en onbegrijpelijk spel. Je kunt maar beter meespelen volgens Grunberg, plezier hebben aan de absurde neigingen. Hij citeert Hermans uit 'De donkere kamer van Damocles': 'We moeten nooit ons gevoel voor humor verliezen.' Je kunt maar beter weinig weten, dan ben je niet verantwoordelijk voor wat je niet weet. Hij citeert ook uit 'Les liaisons dangereuses': zoek je genot en laat je niet tegenhouden door een zogenaamd vals geweten. En natuurlijk De Sade. De haat verkleed als liefde of omgekeerd.
Dan komt er nog een krankzinnig loflied op necrofilie. Waarom zou je de necrofiel pervers noemen? Een dode is dood en heeft geen last van verkrachting. 'Ik ben al jaren necrofiel en de necrofiel heeft meer voor mij gedaan dan Onze-Lieve-Heer voor de christenen en boeddha voor de boeddhisten samen.' Weer zo'n rare vergelijking.
'Seks tussen een levende en een dode is de meest ethische vorm van seks die er bestaat.' Dat is dan weer een Grunberg-aforisme. Een kind maken is de grootste misdaad. Die is van Emants.


Kwaad

Onder de provocerende titel 'Godverdomse dagen op een godverdomse bol' publiceerde Dimitri Verhulst zijn negatieve, sombere, maar in zijn ogen wellicht realistische visie op de evolutie, die leidt tot de domme, beklagenswaardige mensen die wij zijn.
De vloek betekent allicht zoiets als 'vreselijke' of 'verschrikkelijke', maar is toch afkomstig van de wens verdoemd te worden. In ieder geval is de mens in deze tekst een verdoemd wezen, een volgens L.H.Wiener 'kwaadaardig virus'. In het begin kruipt een lend wezen uit het water. 'Wel toe, 't schijt nog een laatste keer hevig in de zee, zijn symbolisch geladen manier om een beslissing te onderstrepen, legt zich te druipen en te drogen waar de parelgierst vlot kiemt en trekt dan de rimboe in om er zich te vormen tot een bekijkelijk monster...' Er zijn al 'houders van kloten en dragers van spleten. Maar 't is, met uitzondering van een voor de rest niet ter zake doende bonobo, het enige schepsel en zal ook het enige schepsel blijven waarbij de reu de teef langs de voorkant neemt en volpompt met een nageslacht; zo kan de reu de haat en de angst zien op het ruwe smoelwerk van de teef, de aversie, de walging.'\u8232 Op een gegeven moment bedenkt de mens een god, 'een oorlogsgod, bij wie het kan mouwvegen om de zege te verkrijgen. Wordt de oorlog verloren, dan is die god een slechte god, ha ja, en wordt hij afgedankt en vervangen door een andere.'
Is Verhulst schatplichtig aan Hermans? Hij schrijft: 'Er is genoeg vertier voor iedereen. In het sadistisch universum worden tepels afgebeten, botten gebroken, tanden getrokken, duimschroeven aangelegd en zware gewichten aan de roze gewrichten gehangen.'
Nu ja, volgens de Heidelbergse catechismus is de mens onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.


Vrouw en onzekerheid

Hoe atavistisch zijn de klachten van Simone de Beauvoir die zij noteert in 'De tweede sekse' over de ouder wordende vrouw. Ze is pas net veertig als ze dit schrijft. Een oudere vrouw? Wij zouden nu zeggen: een jonge vrouw. Maar wat vindt Simone van de 'ouderdom': de vrouw is niet meer vruchtbaar, niet meer erotisch aantrekkelijk. Laten we er tien jaar bij optellen en zelfs dan ben ik er, als man, niet mee eens. Niet vruchtbaar? Wanneer leven we? In de oertijd waarin vrouwen broedmachines waren? Misschien ook toen niet. Mannen verwekkers? Wellicht waren ze toen ook al meer dan dat. De oudere vrouwen waren belangrijk bij het doorgeven van leefervaring, bij het verzorgen van de kleinkinderen.
Simone overdrijft geweldig, als Grunberg in zijn versie van 'Lof der zotheid' met een sarcastische blik op de mens, en als Verhulst in zijn 'Godverdomse dagen op een godverdomse bol' met zijn cynische blik op de evolutie. De 'oudere' vrouw bij De Beauvoir is ten prooi aan verwarring, radeloosheid en wanhoop. Zij speelt op een deerniswekkende manier dat ze nog jong is. Zij staat voor de spiegel en haat haar ouder wordend gezicht. In feite doet ze mee aan het vooroordeel dat de waarde van een vrouw wordt bepaald door jeugdige schoonheid.
Ik kijk naar de foto van Henriette Roland Holst als ze echt oud is en ik zie een prachtig doorleefde kop, fel en actief.
Overigens vindt De Beauvoir een nieuwe vriendin als ze 62 is. Zij is dan 29. Deze vriendin speelt mee in de 'cercle' rond Sartre. Een samenlevingscontract bestaat nog niet en dus wordt Sylvie Le Bon De Beauvoir geadopteerd, na de dood van Sartre, zodat de nalatenschap is veilige handen is.
Simone is misschien slachtoffer van het feit dat haar vader haar lelijk vond en meer waardering had voor haar minder intellectuele zus. Opmerkelijk is dat Simone haar eerste orgasme beleefd zou hebben op haar 39ste, dank zij haar Amerikaanse vriend.


Laf?

Regisseur Ruben ÷stlund heeft een voortreffelijk scenario in de film 'Turist' waar een echtgenoot, vader het vege lijf redt en wegrent - met Iphone - uit angst voor een naderende lawine. Zijn vrouw blijft bij de kinderen achter op een hotelterras en roept tevergeefs haar man, Tomas. Tomas komt terug als de poedersneeuw is neergedaald. Het viel allemaal mee, de lawine is gestuit, maar Tomas' vrouw is voorgoed teleurgesteld in haar man, die haar en de kinderen in de steek liet. Ook Tomas is zeer teleurgesteld: hij ontkent zijn gedrag tot hij breekt en huilend erkent dat hij die ander, die lafaard haat. Hij biecht meteen maar andere slechte eigenschappen van zijn alter ego op: echtbreker, valsspeler.
De regisseur heeft ook uitstekende acteurs uitgezocht: het lijkt of je aan Tomas' gezicht kunt zien dat hij zich in grote angst niet kan beheersen. Zijn vrouw Ebba (Lisa Loven Kongsli) kan veel met haar gezichtsspieren: woede, teleurstelling, ongeloof, angst, bescherming beeldt zij uit in haar mimiek.
Na het breken denk je als toeschouwer: wat moet het gezin nog? Weg gaan? Maar de laatste dag gaan ze toch nog hoog de bergen in en boven gekomen, is de mist heel dicht. Ebba vraagt haar man of het wel veilig is. Hij zegt dat ze de bakens kunnen volgen. Hij gaat voorop, de kinderen (die heel goed kunnen snowboarden) na hem en Ebba sluit de rij. Ze verdwijnen voor de kijker in het wit. Je hoort alleen nog stemmen. Dan staan Tomas en de kinderen stil. Ebba is er nog niet. Zw wachten geruime tijd. Tomas gaat roepen en schreeuwen en besluit terug te lopen. De kinderen moeten wachten. Hij vindt Ebba en daar komt hij aanlopen, naar de kinderen toe, Ebba in zijn armen. Wat is er gebeurd? Ebba staat in de sneeuw. Tomas vraagt: 'Kun je lopen?' Ja, ze trekt zelfs niet met een been. Ze loopt terug. Om haar skies op te halen? Was een een proef om te zien of Tomas haar zou redden? Als dat zo is, heeft ze een huwelijkreddende truc bedacht. Tomas is toch een opofferende, reddende man. Zijn gedrag bij de lawine was alleen maar een instinctmatige vluchtreactie.
Daarna vertrekken ze naar beneden. De buschauffeur rijdt gevaarlijk en nu reageert Ebba instinctmatig. Ze dwingt de chauffeur te stoppen en haar paniek wordt gedeeld door de anderen in de bus. De laatste beelden: ze lopen (waarschijnlijk kilometers lang ) naar beneden. Tomas krijgt een sigaret. Zijn zoontje vraagt: 'Papa, rook je?' Ja, nog een slechte eigenschap die verborgen bleef.
In de bus is alleen nog de chauffeur en een vrouw die eerder in het verhaal een gesprek had met Ebba, over elke dag een andere man, terwijl haar eigen man thuis is met de kinderen. Waarom niet? Zo is de afspraak. Ieder zijn vrijheid en toch een zekere gebondenheid. Voor Ebba is dat voorlopig onmogelijk.


Eenzame doden?

Willem Jan Otten (Trouw 14/02/15) schrijft:" Doden zijn eenzaam - en dat mogen ze niet zijn, hun eenzaamheid maakt ons eigen besef van eenzaamheid, dat ons nooit niet o(n)verhoeds zou kunnen overmeesteren, onverdraaglijk."
Wat een wonderlijke nonsens.
Doden zijn niet eenzaam, omdat ze geen gevoelens meer kennen. Of gelooft Willem Jan Otten dat de doden voortleven in een hiernamaals? Dan zijn ze evenmin eenzaam, want opgenomen in de gemeenschap. Ik ga er maar vanuit dat Willem Jan Otten de hel met vlammen en duivels geen reÎle optie noemt, maar misschien beschouwt hij het niet opgenomen worden in een hemelse gemeenschap als de hel?
Wij zijn eenzaam, omdat we, levend, nooit echt kunnen deelnemen aan een gemeenschap. Hoogstens heel even in de gemeenschap in de seksuele betekenis, maar misschien zijn we er dan even niet, treden we even uit een reflexief zelfbewustzijn.
Maar waarom zou onze eenzaamheid, die een menselijke conditie is, onverdraaglijk zijn vanwege de zogenaamde eenzaamheid van de doden?
Zijn wij eenzaam omdat wij sterfelijk zijn? Dat lijkt me niet. Onze sterfelijkheid maakt ons alleen maar tijdelijk zoals een bloeiende bloem.
De wederopstanding beleven we elke lente. Pasen is een lentefeest. We willen geloven dat achter de cyclus van sterven en geboren worden een hogere zin schuilt. Doden leven voort in het bewustzijn van de nabestaanden, totdat die ook gestorven zijn. Sommigen-Plato, Shakespeare, Bach-leven wat langer voort dan de meesten van ons, maar dat is betrekkelijk. Uiteindelijk zijn ook zij voorgoed verdwenen. Of zou een groter bewustzijn over miljarden jaren nog de klanken van de Mattheus Passie of de woorden van de Politeia of the Tempest bevatten?


Praatjesmaakster

Margriet Sitskoorn is neuropsycholoog en hoogleraar Klinische Neuropsychologie en zij krijgt op de tv van de NTR Academie een klein half uur om haar verhaal te vertellen. Ze zal er vast meer hebben, bijvoorbeeld over haar plagiaat, maar nu vertelt ze over trucjes om je eigen brein te bedotten. Als je op een wond een vergrootglas zet, wordt de pijn erger en als je een verkleinglas gebruikt juist minder. En wat nog opmerkelijker is: de zwelling neemt in het laatste geval af.
Als je je mondspieren een lach laat nabootsen, voel je je ook blijer. Probeer het maar. Een bekend verhaal.
Ze laat ook zien dat multitasking niet altijd zo'n goed idee is, want als je het ÈÈn doet, krijgt het andere minder aandacht. De hersenen hebben even tijd nodig om te schakelen. In die tussentijd is er onvoldoende aandacht voor beide taken. Zet maar eens een handtekening terwijl je been rondjes draait. Dat wordt een slechte handtekening of je been draait geen mooi rondje.
Ze doet nog een spel. Ze laat een meisje op een bank zitten, drukt met haar vinger op haar voorhoofd en vraagt haar of ze kan opstaan. Dat lukt. Bij een jongen lukt het niet. Dat komt omdat bij meisjes het zwaartepunt onder en bij jongens boven het middel ligt. Leuk, maar ik begreep niet zo goed wat dat met hersenen te maken had.
Maar nu over het programma. Het wordt gemaakt door iemand die denkt dat de kijker een gering functionerende prefrontale cortex heeft. Dan moet er steeds iets nieuws komen. De kijkers kunnen niet langer dan enkele minuten luisteren naar een betoog.
Dus: daar komt Margriet aangestapt. Mooie vrouw, goed gekleed, spannende bibs, een haarstreng nauwkeurig gedrapeerd in haar decolletÈ. Ze praat tegen ons; de camera rijdt voor haar, achterwaarts. Ze is op weg naar een collegezaal met een aantal oudere toehoorders, een enkele jongere. Ze vertelt wat ze gaat vertellen. Maar, hup, daar is ze weer buiten. Het is mooi weer. Het verhaal gaat gewoon door. In de collegezaal wachten ze wel. Er zit een meisje op een bankje en Margriet vraagt of ze een klein experiment wil ondergaan. Experiment? Dat klinkt spannend. Het meisje vindt het goed. Ze legt een wijsvinger op haar voorhoofd. Dat legt ze ook uit, ze vraagt toestemming om het te doen. Dan vraagt ze of het meisje wil opstaan. Het meisje doet het. Daarna de jongen. En hup, daar gaat Margriet weer. Stukje collegezaal. Hup, Margriet achter haar bureau met een model van hersenen. Ze laat de frontaalkwab zien en legt uit dat die verbindingen heeft in de diepte. Ze haalt de kwab weg en laat ons in de diepte kijken. O ja! Hup, is ze weer in de collegezaal en hup, weer op straat en zo gaat het door. Ze heeft haar tekst goed uit haar hoofd geleerd; dat kon ze altijd al. Ze lijkt meer op een actrice in een speelfilm dan op een neuropsycholoog die een college geeft.
Misschien ligt het ook wel aan Margriet zelf, die zich meer profileert als bestseller schrijfster ('Het maakbare brein') dan als serieus wetenschapper.

(Twee artikelen van neuropsycholoog Margriet Sitskoorn bevatten flinke passages die ze heeft overgeschreven uit niet vermelde Amerikaanse stukken. 'Kort en goed noemen we dit in gewoon taalgebruik plagiaat,' zegt de hoofdredacteur van het blad Neuropraxis waarin de stukken zijn verschenen.' Vrij Nederland)


Aalst en Dendermonde

Elk jaar bij carnaval bespotten de inwoners van Aalst en Dendermonde elkaar.
Vanmorgen voer een grote boot uit Aalst door het Van Starkenborgh-kanaal. Onwillekeurig dacht ik: die van Aalst die zijn zo kwaad, omdat hier 't ros Beyaert gaat. Als ik nu bij een haven kwam waar die boot stil lag en de schipper stond op dek, zou ik dan zingen?
't Ros Beyaert doet zyn ronde
In de Stadt van Dendermonde;
Die van Aalst die syn zoo quaet,
Omdat hier 't Ros Beyaert gaet.

Dat zou de schipper vast niet leuk vinden. Maar kwam de schipper zelf wel uit Aalst? Ik zou kunnen vragen: 'Komt u uit Aalst? Of uit Dendermonde?' Dan zou hij het wel begrijpen, tenminste als hij daar vandaan kwam.
Ik zong ook: '"'t ros Beyaert hoog verheven / hij is in het vuur gebleven', maar ik dacht dat klopt niet. Hij is immers na veel pogingen verdronken, met molenstenen aan zijn benen? Ik zoek het lied op en inderdaad:
't Ros Beyaert hoog verheven
Heeft hem in vuer begeven;
En 't Ros Beyaert is een peirt
Met een strick op synen steirt.

Ik vond nog meer. Reinout was de eigenaar van het geweldige paard. Hij had de zoon van Karel de Grote gedood en moest vluchten. Karel nam zijn vader gevangen en Reinouts moeder smeekte om hulp. Karel wilde alleen toegeven als het paard werd verdronken.
Het werd naar de Dendermonding in de Schelde gebracht en met een aantal molenstenen in het water gegooid, maar het geweldige paard trapte de molenstenen stuk en kwam weer boven water en zwom naar Reinout. Dat gebeurde drie keer. De laatste keer wendde Reinout, die het niet langer kon aanzien, zijn hoofd af. Volgens het verhaal dacht het ros dat zijn meester hem niet meer wilde zien en verdronk.
In Dendermonde wordt het paard elke tien jaar rondgedragen. Het is een enorm kunstwerk van bijna vijf meter hoog en ruim vijf meter lang. Het hoofd is van eikenhout, 120 centimeter lang. Het geheel weegt 800 kilo en wordt gedragen door 12 dragers, die dus ieder ruim 85 kilo moeten torsen, want er zitten ook nog vier mannen op het paard. Ze zullen wel afgewisseld worden.
Het hoofd is al heel oud. Ook daar is een verhaal aan verbonden. Lieven Van de Velde was een houtkunstenaar die vooral in de kroeg was te vinden. Om zijn verslaving te bekostigen overviel hij een man, maar hij werd opgepakt en tot de strop veroordeeld. Ondertussen moest het Ros Beyaert weer zijn ronde doen. Nu bleek dat het oude hoofd was verwoest door houtworm. Er was maar ÈÈn man die zo'n hoofd kon maken en dat was Lieven. Hij werd vrijgelaten, beitelde het hoofd en leefde sindsdien buiten de kroeg. Een ander verhaal - dat is ook zo bij mythen - vertelt dat hem de ogen werden uitgestoken, zodat hij geen tweede beeld zou kunnen maken. Het verklaart wellicht zijn nuchtere levenswijze sindsdien.
In de tienjaarlijkse ommegang moeten vier heemskinderen (Reinout en zijn drie broers) worden gevonden. Zij moeten echte broers zijn, die elkaar in leeftijd opvolgen, tussen 7 en 21, maar er mag geen meisje tussen zitten. Zij moeten in Dendermonde geboren zijn, net als hun ouders en grootouders. Zeer autochtoon dus. Lukt dat nog? In 2010 werd de ommegang op zondag 30 mei gehouden. De gebroeders Michiel, Dieter, Niels en Maarten Van Damme voldeden aan de criteria. Zij moesten maandenlang oefenen om uren op de brede rug te zitten, met grote belasting van benen en bekken en onderrug. Een fysiotherapeut leert ze hun pezen en spieren te rekken tot een zo groot mogelijke spreidstand. Daarna wachtte roem tot hun dood. Ook de dragers moeten maandenlang oefenen, niet alleen in het dragen van het gewicht, maar ook in het zogenaamde steigeren, waarbij de voorste dragers het geheel optillen en de achterste door de knieÎn gaan.
Op 31 mei 2020 is het weer zover. Zou het lukken om aan de criteria te voldoen?


La Terrazza (Ettore Scola)

Het is een intiem terras in Rome. Aan het eind van de film breekt een onweer los en vluchten de gasten het huis binnen, waar de gastvrouw hen een maaltijd aanbiedt. Het aanbieden van de maaltijd komt in de film vier of vijf keer voor. Steeds horen we flarden van gesprekken, die vanuit een nieuwe hoek zijn gefilmd en waarbij de sprekers verschillende kanten uitwaaieren. Een vervreemdend effect. Scola speelt met de tijd.

Wie zijn de gasten? Mannen en vrouwen. De mannen hebben het hoogtepunt van hun aanzien, macht achter de rug. De vrouwen zijn juist hun eigen levens aan het herinrichten. De gasten zijn of waren celebrities op politiek, artistiek gebied.

Er is een filmproducent, rijk, maar hij moet nodig een nieuwe film maken. Zijn scenario-schrijver belooft tekst, maar dat lukt niet. Hij verbergt zich nogal kinderachtig en liegt over de tekst als hij gesnapt wordt. Rent naar huis om te werken, maar zit de hele nacht achter zijn schrijfmachine te roken voor een leeg blad. Later maakt hij, behoorlijk knap, portretten met behulp van de letters. Hij heeft een dure elektrische puntenslijper, waarin hij nieuwe potloden tot stompjes slijpt en uiteindelijk zijn vinger, zodat hij in een ziekenhuis beland en weer later in een psychiatrische kliniek. Zijn vrouw ondergaat het allemaal geduldig en naar het schijnt liefdevol. Zijn probleem is dat hij iets moet maken om te lachen.

Het is een thema uit de film: kijkcijfers zijn belangrijker dan artistieke integriteit. Het geldt ook voor de televisiemaker Sergio, die op een zijspoor wordt gezet. Zijspoor? Nee, hij wordt letterlijk ingeperkt. Zijn kantoor wordt verkleind door een verplaatsbare wand bijna tegen zijn bureau te plaatsen, ten gunste van een belendende kamer van iemand die de nieuwe orde wel begrijpt. Sergio loopt op het feest verloren rond, knaagt wat groente aan en verdwijnt uiteindelijk ondervoed onder de kunstsneeuw in een tv-studio.

De journalist Luigo probeert zijn vrouw te behouden, maar haar liefde is bekoeld. De vrouw van de rijke filmproducent vernedert haar man en gaat haar eigen weg. Een parlementslid wordt na een woordenwisseling met een jonge vrouw gevangen in haar aandacht en meent dat zijn nieuwe geluk zijn politieke carriÎre en zijn huwelijk mag opofferen. Helaas laat zijn jonge liefde hem in de steek.

Het gaat over wisseling van de wacht: jong neemt oud over, vrouwen nemen de positie van hun mannen 'over' , populaire cultuur wint het van ' hoge ' cultuur.

Dit allemaal met veel humor in beeld gebracht. Het gezelschap is een treurig zootje, maar aan het slot zijn de mannen als jongetjes, kameraden, om de piano oude liedjes aan het zingen, terwijl de vrouwen spottend en ook wel medelijdend toekijken.


Vroeger kende elke stad een rechtssysteem dat gold voor de stadbewoners. Het recht in andere steden kon anders zijn. Wat in de ene stad een halsmisdrijf was, kon in de andere een geoorloofde of zelfs wenselijke handeling zijn. DaarvÚÚr was er het recht van de sterkste, al hield men ook in zwervende groepen rekening met elkaar en zal er vast wel een notitie zijn geweest van de zogenaamde gouden regel: behandel een ander zoals je zelf behandeld wenst te worden, al was het maar uit eigenbelang. Ook apen kennen die regel: als ik aardig ben voor jou, ben jij het vast voor mij.

Later was er het recht van een koninkrijk. De koning bepaalde - als plaats- bekleder van goddelijke macht - wat goed en kwaad was. De oorsprong van de rechtsorde was het goddelijk Woord. De Bijbel, de Koran. Als het recht op aarde niet kon worden uitgevoerd, was er altijd nog het hiernamaals waar God onfeilbaar beloonde of strafte. In het Oosten kende men beloning en straf als hogere of lagere reÔncarnatie.

Verlichtingsfilosofen geloofden dat er van nature ethische wetten waren: recht op leven en vrijheid bijvoorbeeld. Maar was iedereen het met geformuleerde wetten eens? Heel lang werden vrouwen, kinderen, negers, buitenlanders, dieren buiten de rechtsorde gehouden, omdat ze geen ratio zouden bezitten.

De denkers omtrent het globalisme/kapitalisme menen dat de markt voor een rechtvaardige samenleving zorgt en voor een juiste verdeling van de welvaart. Bovendien zouden de verschillende culturen steeds meer naar elkaar toe groeien, zodat er uiteindelijk ÈÈn rechtvaardige wereldorde zou ontstaan. Helaas blijkt in onze dagen dat dat voorlopig (?) een illusie is. In het Westen worden de verschillen tussen rijk en arm groter. Zogenaamde liberalen menen dat de door hen vergaarde rijkdommen hun rechtmatig toekomen.

In het middenoosten wordt heel anders gedacht over de positie van de vrouw, of over homoseksualiteit. Bovendien wordt daar gestraft volgens de vermeende wetten van de islam: handen afhakken, stenigen etc. Het oog om oog, tand om tand-principe, dat we ook kennen uit het Oude Testament wordt daar nog gehuldigd.

Plato schreef al in de 'Politeia': "Een wet zal nooit bij machte zijn nauwkeurig te omvatten wat voor allen samen het beste en het rechtvaardigste is. Dat zal verschillen van mens tot mens en van handeling tot handeling!" En ook van cultuur tot cultuur. Bestaat er zoiets als een universele wet van de mens?

Ik herinner me dat een plaatselijke dominee weigerde 'De universele verklaring van de rechten van de mens' te steunen. Dat was een schokkende ervaring. Zo dicht bij huis!

We hebben moeten leren dat de opvattingen in het Westen niet gedeeld worden door zeer grote groepen elders. We willen geloven dat het een kwestie is van geestelijke ontwikkeling.


Thucydides over de strijd tussen Athene en Sparta, met enkele veranderingen

'De meesten waren dezelfde mening toegedaan: volgens hen waren de Russen al bezig onrechtmatig te handelen en moest men niet aarzelen een oorlog te beginnen. Nu kwam hun dame uit Duitsland, Angela Merkel, naar voren, een vrouw die als intelligent en verstandig gold, en zij zei het volgende. 'Zelf heb ik al in veel oorlogen ervaring opgedaan, Europeanen, en dat geldt ook voor mijn leeftijdgenoten die ik hier in uw midden zie. Niemand van ons kijkt dan ook - wat bij de meeste mensen wel voorkomt - bij gebrek aan ervaring of omdat hij oorlog als wenselijk of ongevaarlijk beschouwt, verlangend uit naar het uitbreken van de krijgshandelingen. Wanneer ieder van u met overleg een afweging maakt, zult u allen tot de slotsom komen dat deze oorlog, waarover u nu beraadslaagt, bepaald niet van geringe betekenis zal zijn. Tegen de rebellen immers zijn wij in militaire kracht opgewassen; we zijn in staat iedere actie tegen hem op de kortste termijn te beginnen. Maar hier en nu gaat het om mensen als Poetin wier grondgebied ver van het onze ligt, mensen die op gebied zeer ervaren zijn en in ieder ander opzicht uitstekend zijn geoutilleerd: ruime financiÎle middelen bij de individuele burgers en bij de staat, een leger, tanks, wapens en een groter bevolkingsaantal dan enige ander gebied in Europa. Hoe zou men tegen hen lichtvaardig oorlog kunnen gaan voeren? Welke stevige basis hebben we om ons zonder voorbereiding in zo'n oorlog te storten? Onze voetleger soms? Maar op dat vlak doen we juist voor hen onder, en voor training en voorbereiding hebben we tijd nodig. Onze financiÎle middelen dan? In dat opzicht schieten we nog veel sterker tekort: als staat beschikken we er niet over. Misschien zijn sommige mensen er wel gerust op dat wij deze tegenstanders door ons militaire potentieel en ons aantal de baas zijn, zodat we geregeld invallen kunnen doen in hun grondgebied om het te verwoesten. Maar zij hebben nog veel meer grondgebied in hun macht en zullen alles wat ze nodig hebben door de lucht importeren! Wat moet dat dan voor een oorlog worden die we denken te voeren? Hoe ver moet het gaan? Als Poetin op verlies staat zal hij misschien zo onbesuisd zijn kernwapens in te zetten en dan zal Amerika niet aarzelen terug te slaan, met fatale gevolgen, juist voor Europa. Dit zeg ik omdat we ons vooral niet moeten laten leiden door de illusie dat deze oorlog spoedig beÎindigd kan worden, als we er maar in slagen hun grondgebied te verwoesten. Ik ben eerder bang dat we dit conflict aan onze kinderen zullen nalaten, zeer ligt het voor de hand dat de Russen, gezien hun trots en zelfbewustzijn, zich niet afhankelijk zullen maken van hun grond en zich evenmin, zoals mensen zonder ervaring, door de oorlog zullen laten demoraliseren.

Uittreksel van: Thucydides. 'De Peloponnesische Oorlog'.


Tong is taal is betekenis

Waarom zou je niet kunnen horen met je tong? Horen betekent toch trillingen opvangen met je trommelvlies, die via hamer, aambeeld en stijgbeugel en vervolgens haarcellen worden omgezet naar actiepotentialen in de gehoorzenuwen, die leiden naar de hersencellen die op wonderlijke wijze dit alles interpreteren en zelfs betekenis kunnen geven. Je hoort een leeuw brullen en dat heeft betekenis. Wij mensen kunnen ook roepen: 'Pas op, een leeuw!' en dan zijn we in staat die veel ingewikkelder signalen om te zetten in vluchtgedrag.
Als je nu de trillingen omzet in actiepotentialen die de fijngevoelige zenuwen in de tong raken middels een klein apparaatje, kun je leren dat de trillingen die ontstaan bij het uitspreken van het woord 'leeuw' worden geÔnterpreteerd als dat bepaalde roofdier. Dat blijkt in enkele maanden te kunnen.
Ik moet denken aan Helen Keller die bepaalde figuren die haar juf in haar hand maakte, leerde te interpreteren als letters waarmee ze woorden leerde onderscheiden. Dat lijkt meer op braille: een bepaalde configuratie krijgt de 'betekenis' van een letter. Uiteindelijk leerde ze zelfs klanken maken die leken op de klanken van normaal horenden. Ze leerde door de vingers van haar juf tong- en mondspieren aanspannen etc.
In het geval van de horende tong zijn er trillingen die omgezet worden in elektrische signalen. Het apparaatje is nu nog groot en onhandig, maar de onderzoekers van Colorado State University werken aan een implantaat, dat veel eenvoudiger en goedkoper is aan de brengen dan het bekende bionische oor.


Tijdgeest in gedichten

Janita Monna schrijft in Trouw stukjes over gedichten. Het gedicht staat, wat een weelde, groot afgedrukt op een hele pagina! De stukjes van Janita hebben een impressionistisch karakter, maar dat is voor veel lezers prettig, neem ik aan. Onlangs had ze het over 'tijdgeest' naar aanleiding van drie bundels van dichteressen, die volgens haar een gebrek vertoonden aan reflectie op de tijdgeest. EÈn van de drie was Saskia Stehouwer die op haar blog reageerde. Ik neem een flink stuk van haar reactie over: "Monna schaart zich in haar recensie achter Erik-Jan Harmens die in 2006 schreef: 'Ik wil poÎzie die op geen enkele manier vrijblijvend is. Ik wil poÎzie die zich aan iets committeert. Ik wil poÎzie die zich op zijn minst aan zichzelf committeert.' Voorwaar, een wens waar geen serieuze kunstenaar het mee oneens zal zijn. Wat beiden denk ik bedoelen is rechtstreekse reflectie. Ondubbelzinnig engagement. Je moet in het gedicht die heersende debatten en eigen standpunten terug kunnen vinden. En dat is het punt waar onze wegen scheiden. Met Hegel geloof ik dat kunst altijd een reflectie is van de tijd waarin zij gecreÎerd is, omdat de kunstenaar immers een product van die tijd is. Dat klinkt gemakzuchtig, maar ik ga ervan uit dat een dichter die zichzelf serieus neemt, ook zijn (of haar) tijd serieus neemt. Dat wil zeggen dat hij zich betrokken voelt bij de wereld - of zich juist van haar afkeert - en in zijn poÎzie iets zegt over zijn wereld. En dat kan - gelukkig - op oneindig veel manieren. Je kunt een SyriÎganger in je gedicht opvoeren maar ook een oudere vrouw die zich eenzaam voelt. Je kunt bomen aan het woord laten om iets te zeggen over de puinhoop die wij van de aarde maken, of openlijk van leer trekken tegen die puinhoop. Of de boodschap overkomt, hangt niet af van de graad van 'rechtstreeksheid', maar van de kwaliteit van de dichter. Ik wil geen gedicht dat mij vertelt hoe het zit en wat ik moet denken. Daarvoor lees ik opiniestukken (of juist niet). Ik wil poÎzie die mij iets laat zien wat iets verschuift in mijn hoofd. PoÎzie die mij mijn vrijheid als lezer niet afneemt. Die niet onverschillig is, maar mij zelf mijn mening laat vormen. Die mij een bouwsteen levert waar ik zelf een huis naar keuze mee kan bouwen. Goede poÎzie is tijdloos, of zij zich nu rechtstreeks met de actualiteit bezighoudt of niet."


Stad en platteland

Ralf Bodelier legt in De Groene van 8/1/2015 verrassend genoeg uit dat krottenwijken, bijvoorbeeld in Malawi, laboratoria zijn van solidariteit en ondernemingslust. Je kunt beter wonen in de krottenwijk van een grote stad dan op het platteland waar de gezondheidszorg slecht is, waar de school ontbreekt. In de dorpen heerst stilstand. Ook voor het milieu zijn de slums een zegen, omdat alles wordt gerecycled. Oude auto's die op het platteland wegroesten, worden hier tot de laatste gram in nuttige voorwerpen omgezet. De bevolking is energiek en de mensen brengen elkaar op ideeÎn. Ze zijn creatief in het overleven. Wijken als Ndirande zijn niet arm, omdat ze mensen arm maken, maar omdat ze arme mensen aantrekken, die verwachten het beter te krijgen.
Deze waarnemingen worden ondersteund door Alex Pentland, de schrijver van ' Sociale Big Data'. Steden stimuleren innovatie. Ze maken efficiÎnter gebruik van natuurlijke hulpbronnen en produceren meer uitvindingen met minder wegen en diensten per hoofd van de bevolking dan landelijke gebieden. Pentland noemt steden ideeÎn machines.
29-1-15


Er zit een klein toneelstukje in het actietheater 'De verleiders; door de bank genomen'. Pierre Bokma speelt een strandtenthouder die bedonderd wordt door een zogenaamde vriend hypotheekverkoper, die 80% van de verkochte waar in zijn eigen zak steekt. Als de strandtenthouder een slecht seizoen heeft en de aflossing even niet kan betalen, gaat de bank de kleine letters in werking stellen, zodat de lener volkomen wordt leeggezogen en geen andere weg ziet dan de zee in lopen. Zijn vrouw, die vroeger bange vragen stelde, maar werd weggewoven, kan de erfenis van schulden weigeren, maar dan mag ze niets van hem, ook geen dierbare herinneringen, achterhouden.
Het lijkt op ouderwets vormingstheater; het publiek rechtstreeks toespreken; de geheven vinger; adhesie oproepen. Nu geen dikke, sigaar rokende kapitalisten met hoge hoed, maar enge, formele mannetjes, die uiteindelijk hetzelfde effect najagen: zich verrijken ten koste van de sloebers.

Er is nog een verschil behalve de sigaren en dat is de vuilbekkerij. De bankiers geilen elkaar op met verhalen over grove seksavonturen. Ze laten de meisjes hun stront eten, met een lepeltje uit de anus opscheppen en ze stoppen $ 100 biljetten in hun kutjes, zo diep dat ze deze er alleen met de grootste moeite kunnen uithalen.
Helaas blijft de les over rente en schulden onduidelijk. Wat is geld? Als Duitsland Griekenland geld leent, moet de belastingbetaler dat dan betalen of is het virtueel geld?

We begrijpen dat de bijbel en de koran terecht rente verbieden en dat in oude culturen schuld periodiek werd kwijtgescholden.
We begrijpen ook dat we de petitie moeten tekenen waarbij de Tweede Kamer wordt gevraagd deze problemen te bespreken.
De Tweede Kamer heeft het misschien al te druk met het bespreken van de overwinning van Tsipras?
27-1-15


Er was een programma waar kinderen vragen aan mochten stellen; liefst een beetje moeilijke vragen.
Mijn zoon was destijds zes jaar en hij vroeg: 'Waar komt de fantasie vandaan?'
Nu lees ik 'By force of fantasy' van Ethel S. PERSON en ik denk over zijn vraag.
Evolutionair hebben dieren voordeel van een goed voorstellingsvermogen en misschien ook wel fantasie. Een tijger moet zich voorstellen waar antilopen kunnen schuilen. Een hert moet in de toekomst kunnen kijken of er een slang aan kan komen. Dit alles uiteraard zonder woorden, maar wel met beelden of duidelijke gevoelens. En al eerder in de ontwikkeling: een stekelbaars 'fantaseert' over een vrouwtje dat hij naar zijn tunneltje wil lokken. Een dier dat zijn voorstellingsvermogen of zijn fantasie beter gebruikt zal meer overlevingskans hebben.
Maar wacht: is voorstellingsvermogen hetzelfde als fantasie?
De menselijke verbeeldingskracht of fantasie is het vermogen om zich in situaties in te leven of gebeurtenissen te bedenken die nog niet aanwezig zijn. Je spreekt eigenlijk pas over fantasie als je ook bedoelt: je dingen of gebeurtenissen voorstellen die niet bestaan, die alleen maar denkbaar zijn.
Daarvoor is wellicht al taal nodig. Kun je je een vampier voorstellen zonder het begrip? Kun je extrapoleren van een bloedzuigende vleermuis tot een vampier zonder taal?
We nemen aan dat een dier niet beschikt over fantasie, maar het lijkt ook duidelijk dat de fantasie ontwikkeld is uit voorstellingsvermogen.
Fantasie biedt de mens mogelijkheden, positief en negatief. Denk aan angstfantasieÎn. In dromen gaat onze geest zijn gang. We 'zien' dan dingen die helemaal niet kunnen. Denk aan vliegdromen.
Literatuur kan de fantasie prikkelen: je stelt je voor dat jij ook in een positie verkeert als het personage van de roman en wat je dan zou doen.
Door te fantaseren kun je op nieuwe ideeÎn komen, oplossingen voor praktische problemen. LuciÎnne laat in de volgende tekst een poes fantaseren. Kan de poes fantaseren? In ieder geval is het een staaltjevan empathie.

Er zit een lekker hapje op het dak.
Het wast zich voor mijn ogen en weet nog niet
welk gevaar er loert.
In gedachten lik ik alvast de sporen van geur
op mijn snorrebaard.
Willoos maken mijn kaken een smakkend geluid.
Ik vernauw mijn ogen, leg mijn oren vast plat
om vleugelslagen te ontwijken.
Ik voel al het gefladder tussen mijn tanden,
het vechten om leven.
Straks, als ik naar buiten mag, dan,
ja dan, grijp ik die kauw in mijn klauwen
en hap stevig toe.
Nu, ja nu, is alles nog verlangen: de waarheid
staat fier op het dak.


Thucydides (460-400 vC) was van mening dat een democratische staatsvorm alleen houdbaar is wanneer een grote persoonlijkheid als Perikles er een sleutelpositie in bekleedt. Hij is voor een gematigde democratische staatsvorm, waarin een parlement met allerlei partijen en dus met weinig eenheid, geen overheersende rol kan spelen.
Als je kijkt naar Poetins optreden tegenover de Navo, zie je een overeenkomst tussen de vrees van Sparta voor de groeiende macht van Athene. De Spartanen voelden zich gedwongen tot het voeren van een oorlog. Het zou de Peloponnesische oorlog worden, die duurde van 431 tot 404 vC, 27 jaar dus. Waar angst handelingen stuurt, is redelijk overleg een probleem. Uiteindelijk verloor Athene door zelfoverschatting en interne verdeeldheid. Een les voor de Europese Unie!
Thucydides vraagt: 'Wat geeft de machtigen het recht om over zwakken te heersen? Hoe duurzaam kan op onrecht gebaseerd gezag zijn? Hoe ver gaat onze verantwoordelijkheid voor onze bondgenoten wanneer ons eigen voortbestaan in het geding is?'
(17-1-15)


Spraakmakende dubbeltalenten
Van maandag 5 januari t/m dinsdag 3 februari is er een bijzondere expositie van spraakmakende dubbeltalenten in Groninger Forum Bibliotheek. Dichters laten hun andere kant zien. Op woensdag 4 februari worden de werken geveild!
De Rijke Buit
Een bijzondere expositie met expressionistisch, abstract, figuratief, grafisch, monomaan, kleurrijk, hartstochtelijk werk. Aan dit unieke event doen de volgende dichters\beeldend kunstenaars mee: K. Schippers (film), Arjen Nolles (film), Neeltje Maria Min, Remco Ekkers, Tonnus Oosterhoff, Frank Starik, Vrouwkje Tuinman, Hans Wap, RenÈe Luth, Victor Schiferli, Joost Oomen, Freda Kamphuis, Maria Barnas, J¸rgen Smit, Bas Kwakman, Anne Vegter, Kamagurka, Liesbeth Annokkee, Annemieke Gerrist, Martijn den Ouden, Joke van Leeuwen, Ted van Lieshout, Mowaffk Al-Sawad, Arnoud Rigter, Lies Van Gasse, Koos Dalstra, Wim Hofman, Rense Sinkgraven, Henk van der Waal, Titi Zaadnoordijk, Frans BudÈ, Yvon NÈ, Kees van der Hoef en Fred Pollack.
De expositie de Rijke Buit is van maandag 5 januari t/m dinsdag 3 februari te bezichtigen tijdens openingsuren in Groninger Forum Bibliotheek, Locatie Oude Boteringestraat 18 enwordt afgesloten met een veiling op woensdag 4 februari. De veiling is van 19.30-23.30 uur in het Martini Hotel, Gedempte Zuiderdiep 8. De toegang is gratis.
Vanaf 5 januari zijn de kunstwerken online te zien op de site van Kunsthandel Richard ter Borg http://www.terborg.com en kunnen biednummers voor de veiling gehaald worden bij de portiersbalie van Locatie Oude Boteringestraat 18.
De expositie en veiling zijn gratis toegankelijk en vinden plaats in het kader van de landelijke PoÎzieweek van 29 januari t/m 4 februari.


Opstelten is zo'n politicus die zijn gebrek aan inzicht en strategisch vermogen verhult door dikdoenerige kletspraat. Hij kan zinnen maken, woorden achter elkaar uitspreken en de suggestie wekken dat zijn mededelingen informatief zijn. Integendeel: hij herhaalt zijn nietszeggendheden en kijkt erbij of hij zeer wijze en verstandige dingen zegt. Van de week zagen we hoe een intelligente vragenstelster als MariÎlle Tweebeeke wanhopig probeerde hem een zinnig antwoord te laten geven. Je zag haar denken: als hij geen antwoord geeft, geen idee heeft hoe wij moeten reageren op terroristen, laat hij dan zeggen: ik weet het niet. Maar dat behoort niet tot zijn repertoire. Hij heeft ooit geleerd: geef nooit toe dat je iets niet weet. Klets eromheen, herhaal je nietszeggendheden met andere woorden, liefst in POPULAIR taalgebruik. Een beeld uit de sportwereld is altijd geschikt. Of uit de huishoudelijke wereld: een schepje erop.
(16-1-15)


Het overtuigen van anderen, mede door inzicht in wat de anderen beweegt, is ouder dan de mensheid. Dat blijkt uit de observaties van Frans de Waal. Primaten tonen tolerantie, altruÔsme en terughoudendheid. Dat betekent dat ze empathische vermogens hebben. Ze konden elkaar ook bedriegen, wat alweer betekent dat ze inzicht hadden in andermans verwachtingen.
Een meester op dat gebied was Sun Tzu (500 vC). Hij leerde dat je moet doen wat de vijand niet verwacht. Je moet hem dus interpreteren. Je moet onbekwaam lijken als je bekwaam bent; passief als je actief bent; dichtbij als je ver bent en omgekeerd. Lafheid moet je simuleren. Dat kun je alleen als je dapper bent. Als de vijand opvliegend is, kun je hem gemakkelijk irriteren. Als hij eenvoudig tot woede is te brengen, kun je hem beledigen, zodat hij verblind wordt. Als hij zich superieur voelt, zal hij de verdediging verwaarlozen. Zorg er voor dat je voorkennis hebt door nauwkeurige waarneming van de omstandigheden. Verkenners en spionnen zijn belangrijker dan de gevechtshandelingen.
Homerus maakte al een onderscheid tussen bie (kracht) en metis (list). Odysseus' list maakte een eind aan de tienjarige strijd om Troje en niet de kracht van Achilles.
De inwoners van Jericho waren bang voor de IsraÎlieten. Dat was al een geweldig strategisch voordeel. De Heer zei tegen Jozua dat hij met zijn weerbare MANNEN om de stad heem moest trekken: zeven m
aal. Op de zevende dag moesten zij zeven keer om de stad trekken en daarbij op de ramshoorn blazen. Daarna pas moesten ze luid schreeuwen. Daarvoor waren er verkenners geweest, die een zwakke plek in de muur hadden gevonden, als gevolg van een recente aardbeving. Zij werden verborgen door een waardin, Rachab. Zij moest met haar familie gespaard worden. Alle andere mensen, de kinderen en het vee, moesten gedood worden.
De schrijvers van de Pentateuch weten maar al te goed hoe moeilijk het is om een volk blijvend te overtuigen van het feit dat het alleen goed met ze gaat als ze gehoorzaam blijven aan Jahweh en geen andere goden aanbidden. Keer op keer moet het volk hier voorbeelden van horen. Het begint al met Adam en Eva. Hun ongehoorzaamheid wordt bestraft. Denk ook aan de watersnood, aan Sodom en Gomorra, aan de toren van Babel. Jahweh maakt gebruik van listen en bedrog. Denk aan Jakob en Ezau, aan Laban, aan de zonen van Jakob, aan de farao wiens hart door Jahweh wordt verhard, zodat Ezau, aan Laban, aan de zonen van Jakob, aan de farao wiens hart door Jahweh wordt verhard, zodat het nog duidelijke wordt hoeveel macht de god van Mozes heeft: tien plagen achtereen en dan nog eens de Rode Zee. Aan Jozua en Jericho, David en Goliath, Simson etc. Etc. EÈn verhaal is niet genoeg.


Waar het literatuuronderwijs in Nederland nagenoeg is afgebroken, en zeker de literatuur van de middeleeuwen, daar begint de NRC met het uitgeven van een mooi geÔllustreerd boek van de 'Ferguut', het verhaal over de boerenjongen die met een emmer op zijn kop, zittend op een boerenknol, in zijn hand een riek, naar het hof van Arthur vertrekt om tot ridder te worden geslagen. Een verhaal om voor te lezen. Hij wordt natuurlijk uitgelachen, vooral door Keye, maar Arthur ziet iets in zijn naÔeve dapperheid, schenkt hem een goed zwaard en harnas en zendt hem op queeste. Op zijn eerste nacht in een hem logies biedend kasteel maakt hij een onvergeeflijke fout. Hij begrijpt de LIEF
DE van een jonkvrouw niet en zendt haar bruut weg. Zij heeft de onbegrijpelijke moed begaan om 's nachts naar de logeerkamer te gaan en te vertellen dat zij haar hart heeft verloren. Ferguut zegt: ik heb het niet gezien, ga het maar zoeken.


'Segt mi, wat soekdi hier nu?'
Galiene sprac: 'Ic come hier tu
Lief, u minne heft mi ghevaen;
Ghine troest mi, si sal mi verslaen,
U minne doet mi groten toren.
Al mine herte hebbic verloren
Die hier tote u quam gevaren.
Waer es soe, lief? Wijstmi, caren,
Geef mi mijn herte, soe doedi wel.'
Ferguut sprac: 'Houdi u spel
Joncfrouwe? in sach u herte nie.
Sine quam hier niet; in segt bedie
Haddicse, ic en gavese u niet;
Ic ensachse nie, joncfrouwe, vliet!'
'Ay! her ridder, en secges nemmeer:
Ghi hebt mijn herte, gi doet mi seer.
Ghi hebter qualijc omme gesien
Dat gi mi wech hetet vlien;
Si es tuwen dienste lude en stille.
Ghi moget met mi doen uwen wille.
Ic en werde nemmer bliede
Sonder u in enegen tide;
Om u ben in in groter noet.
Ghi hebt mijn leven ende mijn doet.'
Al lachende sprac Ferguut:
'Joncfrouwe, omme ander dinc ben ic uut
Dan omme dusdane saken, comen:
Ene battaelgie hebbic genomen
Die ic emmer voldoen moet.'
De jonkvrouw, GaliÎne, huilend af. Pas de volgende dag dringt het tot hem door en ja, dan wordt hij ook verliefd, maar nu moet hij allerlei avonturen ondergaan, voor hij haar terugvindt. Ondertussen stuurt hij alle schurken en valse ridders die hij verslaat, naar het hof van Arthur. Zij moeten vooral hun opwachting maken bij Keye, die steeds benauwder wordt.
Tenslotte keert hij terug als een gelouterd ridder. Hij verslaat Keye en bijna alle ridders aan het hof in een tournooi. GaliÎne, die niet weet dat hij de boer is van vroeger, is onder de indruk. Hij weet wel wie GaliÎne was en is. Hij doet het voor haar en dan zegt de middeleeuwse schrijver: 'Elc en haette anderen niet sere.' Dat heet een understatement.
Door dit verhaal te vertellen breng je de toehoorder iets bij. Ferguut kan zich niet verplaatsen in de gedachtenwereld van GaliÎne. Hij kan haar niet lezen. Hij is een onbeschaafde man, die door zijn avonturen moet leren om inzicht in anderen te krijgen. Pas daarna is hij geschikt voor deLIEFDE . Hij is een gentleman geworden.


James Salter begint zijn 'A sport and a pastime' met een citaat uit de Koran: 'Remember that life of this world is but a sport and a pastime ' Het echte leven begint na de dood. Wat zou Salter bedoelen? Is het spot of ernst?
Het verhaal begint in september. Het was een mooie zomer. Parijs begint weer vol te lopen. Een ik-figuur trekt juist naar het land, naar Autun, midden-Frankrijk.
Hij vertelt hoe hij de trein instapt, een leeg compartiment zoekt, dat niet vindt en dan maar een lege plaats zoekt. Hij gaat naar binnen, zwaait zijn koffers in het rek, ploft neer en bekijkt zijn medereizigers. Een Fransman slaapt. Hij heeft een blauw jasje en een blauwe broek, maar de blauwen passen niet bij elkaar. Hij kijkt hoe de trein Parijs uitrijdt, langs gewone straten, langs voorsteden, appartementen, tuinen, muren. En dan is Parijs verdwenen en opent het land zich. De ik voelt zich al vrij. Groen, burgerlijk Frankrijk. De boerderijen zijn opgebouwd met steen. Land is de enige rijkdom. Er is een meisje in het compartiment. Hij beschrijft haar nauwkeurig, net als alles wat voorbijtrekt, bomen, tussenstations, groene kanalen, hooiland, voetbalvelden. Het meisje zoekt naar sigaretten. De sluiting van haar handtas is gebroken. Het is warm in de zon. Hij valt in slaap. Het meisje is verdwenen. De trein gaat over een rivier. Ze komen langs een hotel. De trein staat even stil op een station. Bij een kar kun je sandwiches en bier kopen. Een zwanger meisje met een zongebrand gezicht en bleke ogen komt langs en kijkt naar hem als ze passeert. Ze heeft een serene uitdrukking. Mensen worden weer echt, vooral vrouwen. Anders dan in Parijs. In het compartiment is een zwijgzaam meisje gekomen met een vogelgezicht. Het is bewolkt geworden. Het licht is veranderd. Het meisje haalt een toffee uit haar tas. Hij is benieuwd naar haar tanden. Ze draagt een trouwring. Hij kijkt naar buiten. Ze naderen Autun. Hij stapt uit met nog twee, drie passagiers. Het is leeg op het perron. Hij loopt naar een huis bij de Romeinse muur. Hij loopt door een laan met bomen, komt bij een groot plein. Het is stil, een Utrillo-achtige stilte. Hij ziet de kathedraal. Hij komt bij het huis, Wheatland' house, groot van steen, het hout verwaarloosd. Hij denkt dat hij de plek kent. Hij ziet een inscriptie 'Vaincre ou mourir'. Hij is 34.
Waar gaat dit naar toe?


De strategie van het Westen tegen het moderne terrorisme is eindeloos en uitzichtloos. Moeten we dan maar niets doen en de gewelddadige groep radicalen hun gang laten gaan in het islamitisch kalifaat? Als we bombarderen lokken we jihadisten van Europa naar SyriÎ. Als we niets doen, wordt hun macht steeds groter. Of gaan ze aan zichzelf te gronde? Kunnen zij geen staat in stand houden? Hoeveel slachtoffers moet/ mag dat kosten? We kunnen evenmin dollars gaan rondstrooien. Die verdwijnen uiteindelijk in de zakken van toch al rijke profiteurs. Hoe geef je de bevolking meer uitzicht op werk en inkomen? Onderwijs en ontwikkeling worden door de jihadisten tegengehouden. De situatie lijkt hopeloos.
Het lijkt me duidelijk dat wij geen macht hebben over de gebieden waar de bevolking zich vastklampt aan middeleeuwse overtuigingen. Als het leven geen hoop biedt, vlucht men in uitzicht op een te verwachten paradijs, hier op aarde beloofd door IS of na de dood. Zelfs redelijk opgeleide jonge mannen uit Europa zijn bereid te sterven voor hun god, hun profeet, hun heilige boeken. Er is een zekere RELATIE tussen armoede, onkunde en onderwerping aan een illusoire metafysica: secularisering is een welvaartsproduct.
De Amerikaanse filosoof Richard Rorty schreef:'When life seems so desperate that you can't imagine it ever becoming any better, people take refuge into another world.'
Veel jonge mannen en massale werkloosheid LEIDEN tot sociale onrust en jihadisme. Moeten we die jonge mannen dan maar plat bombarderen? Als we het al zouden willen, we zouden het nooit kunnen realiseren! De bombardementen verwoesten niet alleen levens, maar ook culturen en toekomstperspectieven, waardoor hun haat en wanhoop alleen maar groeien.
Het is ook een illusie dat we onze eigen veiligheid thuis kunnen garanderen door nog meer veiligheidsmaatregelen, ijzeren grenzen,camera's.
Wat te doen? Geduld oefenen? Infiltreren met voedsel en onderwijs?


Volgens Geert Corstens, voormalig voorzitter van de Hoge Raad van Nederland, moet men streven naar vergeving en daarvoor is het nodig dat men begrijpt wat de vijand bezielt. Dat betekent niet dat we alles maar goed moeten vinden of dat we onze eigen waarden cadeau geven.
We hoeven de misdaden van de ander niet te vergeten en we moeten hem nog steeds ter verantwoording roepen, maar we zullen moeten blijven proberen zijn motieven te begrijpen, in het geloof dat geen mens, met uitzondering misschien van een enkele psychopaat, de belichaming van het absolute kwaad is.
In haar boek De nieuwe religieuze intolerantie schrijft de filosofe Martha Nussbaum over de noodzaak dat mensen zich oefenen in verbeeldingskracht, om hun wereldbeeld te verbreden en wellicht te relativeren.
Jim Forest, schrijver en vredesactivist, zegt dat angst voor de vijand de oorzaak van oorlog is. Als we de vijand niet kennen, zijn beweegredenen niet kunnen achterhalen, worden we bang. Zelfs over IS zegt Forest, dat de dreiging groot is en reÎel, maar dat we toch moeten proberen ons te verplaatsen in het gedachtengoed van de radicale jihadist. Waar komt hun ideologie vandaan? Wat willen ze? Waarom zijn ze zo kwaad of wanhopig? Waarom doden ze kinderen?
In het geval van Hebdo is het duidelijk. Het blad beledigde hun godsdienst en de jihadisten vinden het dan hun plicht om er een eind aan te maken. Dat dat niet lukt is vers twee. Dat het ons niet lukt om aanslagen te voorkomen is ook duidelijk en zo kom je terecht in een spiraal van geweld. Wat te doen? Het geloof van een ander niet frustreren?
In hun staat is het nog ernstiger. Daar gaan de jihadisten moordend rond, ook als de bewoners niet provoceren. Daar geldt alleen hun wet en onderwerpen ze ieder aan hun gezag en dwang. Moeten we die staat uitroeien? Is dat mogelijk? Kunnen we hun gemeenschap isoleren en wachten tot de mensen binnen hun grenzen zelf in opstand komen en een eind maken aan een doorgeschoten ideologie?


Ben ik schepper van mijn kinderen? Ik heb ze 'gemaakt', samen met mijn vrouw. Heb ik dat bewust gedaan? Ik wilde kinderen. Op een dag stormde mijn jongste zoon mijn studeerkamer binnen en vroeg, nogal heftig: 'Waarom heb je me gemaakt? Ik zei niet: 'Opdat je deze vraag zou stellen.' Ik zei: 'Omdat ik van je moeder houd, omdat we samen vrijden, omdat ik van kinderen houd.' Toen hij weg was, dacht ik: het was allemaal instinctmatig, al heb ik er over nagedacht. Ik geloof ook in de zin van mijn bestaan; van ons bestaan. Ah, daar hebben we het: ik geloof. Ik geloof in de zin van het bestaan. Die zin is gelegen in de opdracht: groeien in bewustwording. Van wie of wat de opdracht komt is onbekend. Misschien van het leven zelf.
We beginnen met een collectief onbewustzijn. Als we gaan leven moeten we groeien in individueel bewustzijn. Na onze dood gaan we misschien op in een collectief bewustzijn. Buiten ons begint alles met een kiem van bewustzijn, die zich materialiseert en uiteindelijk bewuste wezens voortbrengt.
Ik las bij Marcellus Emants dat de grootste misdaad het maken van kinderen is. Later leerde ik dat onze aarde vier miljard mensen kan voeden op het niveau van het huidige westen. Er zijn nu zeven miljard mensen op aarde. Moeten we er nog meer maken, ook al hoop je op verbeterde middelen om voedsel te produceren? Doe je ongeboren kinderen ≠ wat een merkwaardig begrip ≠ een PLEZIER ze geboren te laten worden? Kinderen kiezen er zelf niet voor geboren te worden. Je doet, zegt Phillip Huff, iemand iets aan waarom hij niet heeft gevraagd. 'Daarmee verhoog je de hoeveelheid lijden in de wereld (want elk leven, hoe gelukkig ook, wordt gekenmerkt door een hoge mate van leed) ≠ niet alleen op grote, onpersoonlijke maar ook op kleine, persoonlijke schaal.'
Volgens Willem Frederik Hermans leven we in een sadistisch universum of in een zinloze chaos. Ik kan dat niet geloven, hoewel allerlei waarnemingen: bloedkanker bij kinderen van vier jaar, een tsunami of een vulkaanuitbarsting of een mogelijke meteoriet die de aarde verwoest, dat geloof ontkrachten. Moet ik mijn intuÔtie serieus nemen?


Decaf reality?

Marian Donner heeft het over krakers in 1980 Amsterdam. Voor het huis van haar vader, de schaker, waren krakers bezig met barricaden. Hij ging naar buiten en vroeg of ze de rommel een paar huizen verderop wilden neerzetten. De krakers gehoorzaamden.
Ik moest even denken aan het lijk uit de roman van zijn vriend Mulisch ('De Aanslag') dat ook versleept moest worden en aan protesten van mensen nu over het huis van een pedofiel of het neerzetten van een windmolen: not in my backyard!
Marian Donner vertelt het verhaal over haar vader omdat ze wil aangeven dat zo'n gebeurtenis nu ondenkbaar zou zijn. Ik vraag het me af. Er zijn ook nu ontruimingen, maar ik denk dat krakers nu niet zo beleefd zouden zijn om hun barricade te verhuizen op verzoek van een bekende schaker. Marian Donner beweert dat we nu leven in een steriele wereld: in de cafÈ's geen rookwalmen meer.
Dit allemaal naar aanleiding van een klacht van Joost de Vries dat de huidige romanpersonages zo weinig met de wereld bezig zijn en zo veel met zichzelf.
Marian schrijft dat het komt omdat de schrijvers wit, welgesteld en hoogopgeleid zijn. Er zijn geen schrijvende outcasts, zwervers, verschoppelingen meer. Geen Jan Cremer of Jan Wolkers. Hun wereld zou zijn ontdaan van bedelaars en junks. Ze zijn opgesloten in hun eigen wereld van Facebook en Twitter met hun koptelefoon en iPhone.
Maar ik zie wËl zwervers en bedelaars en junks en mensen die hun eten moeten halen bij een verdeelcentrum. 'Decaf reality' citeert zij Slavoj Zizek: geen echte koffie, suikervrije snoep, alcoholvrij bier, elektronische sigaret. Ik zie en lees over comazuipers; ik zie jonge mensen zuigen aan echt brandende sigaretten, een blik bier in hun hand. Ik lees dat jonge mensen sterven door vervuilde drugs.
Ik zie oorlogen, ik zie neergeschoten vliegtuigen, ik zie jongens en meisjes uit Nederland op weg naar SyriÎ, ik zie jihadisten een journalist onthoofden, ik zie raketten op Israel, bommen in Gaza, gewonde en dode kinderen, verkrachte vrouwen.
Zijn de schrijvers over wie Joost de Vries het heeft doof en blind? of is er iets anders gaande?


'Vrijdag' van Hugo Claus

Hoe vaak heb ik 'Vrijdag' van Hugo Claus op toneel gezien? Was dit op vrijdag 2 januari 2015 de derde of vierde keer? In ieder geval was het een prachtige voorstelling, emotionerend, alsof ik het drama voor de eerste keer beleefde. Het sterke spel deed de vorige uitvoeringen vergeten en het wonderlijke is dat ik precies wist wat er zou komen en dat het toch verrassend was. Ariana Schluter als Jeanne was zo mooi, realistisch, aantrekkelijk, zo overtuigend in haar handelingen en gedrag. Een sterke vrouw, die opkwam voor haar minnaar, de vader van het pasgeboren kind, maar die ook koos voor haar man, hoe gefrustreerd en gewond door de gevangenis en zijn misstap. En ook Stefan de Walle was zo overtuigend in zijn ellende, maar ook in zijn nauwelijks getoonde liefde voor zijn vrouw, zijn afkeer Ën zorg voor het nieuwe kind, zijn woede op de buurman, de oude vriend.
Jeanne besluit haar Erik weg te sturen naar Rouen, dan kan George zijn baan (morgen al!) overnemen en Erik laat zich sturen, ook mooi neergezet door Vincent van der Valk, als eenvoudige jongen, maar wijs, wijs! Net zo wijs als Jeanne, die desondanks stomme soaps bekijkt en niet weet wat ze met haar avond moet doen als George die nog niet afbetaalde tv stuk trapt. George eist dat ze boven afscheid nemen, dat ze het nog ÈÈn keer doen en dat ze niet mogen doen alsof, maar Jeanne bekent later dat ze maar wat op het bed gesprongen hebben en geluiden hebben gemaakt. George moet het maar accepteren. Erik zal elke maand betalen voor het kind, maar hij komt niet meer, nu ja, misschien later om zijn dochter nog eens te zien.
Wat een meester is Claus als toneelschrijver met emotionerende Ën nuchtere teksten, situaties, versnellingen, vertragingen. Hoe goed is deze voorstelling geregisseerd door Casper Vandeputte. De terugblik van George met de verleidingsscËne, waarbij Sallie Harmsen laat zien hoe het zo gekomen is. Claus legt niet uit dat dochter en moeder elkaar in de weg zaten. Hij laat wel vertellen dat George zijn dochter heeft weggestuurd vanwege losbandigheid, die misschien is ingegeven door afstand nemen van een burgerlijke moraal en godsdienst: ik ben een ding en ik wil me laten nemen als een ding! Zij komt verhaal halen. Ze weet dat Jeanne weg is en morgen pas terugkomt. Ze mist haar vader en wil wraak nemen. Pappa was haar held en moet nu haar minnaar worden en George is niet tegen haar opgewassen. Jeanne zegt: als je een jonge meid ziet op straat, wil je dan niet mij als te oud zien? Ik mag er toch nog wel zijn? Ik heb geen afgezakt figuur?
Nee Jeanne, denk ik, je mag er nog zijn en je bent aantrekkelijk met je borsten en heupen en bewegingen en je hebt behoefte aan een man. En samen gaan jullie verder en je zorgt voor het kind en voor elkaar.


Dobb en Adan

De Oxford Dictionary zegt over religie: 'de erkenning door de mens van een hogere onzichtbare macht die zijn lot in handen heeft en die recht heeft op gehoorzaamheid, eerbied en aanbidding'. Gebrek aan eerbied en gehoorzaamheid betekent zonde.
Dobb realiseert zich dat de opmerkingen van Adan hem raken. Hij heeft hem immers geschapen, maar hij heeft zich niet bekend gemaakt. Hij kan de wereld van de personoÔden vergroten, verkleinen, vernietigen. Dobb is ten opzichte van hen almachtig, maar zegt hij: ze hoeven me niet dankbaar te zijn. Stel je voor dat er aan mijn computer een groot hulpstuk wordt gezet, een soort hiernamaals. Ik zou hen die mij eer bewezen, kunnen belonen door ze daar te laten 'leven'. De ongodzaligen zou ik kunnen straffen door ze te folteren. Aan eeuwige straffen durf ik niet eens te denken ≠ zo'n monster ben ik niet! Het bestraffen moet toch gezien worden als een exces van buitengewoon schaamteloos egotisme, een laaghartige daad van irrationele wraak tegenover wezens die slechts hun logica hebben.
Moet ik de wezens overtuigen van mijn bestaan? Moet ik een reactie van hun kant verwachten? Ik zou me diep schamen.
De schrijver Stanislaw Lem geeft het toeval een essentiÎle plaats in het universum van zijn fictie. Het mechanistisch universum van Newton heeft plaats gemaakt voor een probabilistische wereld als gevolg van het uitdenken van de quantummechanica. Als cyberneticus is Lem geÔnteresseerd in zichzelf-organiserende systemen. De evolutie van het universum is een eenmalig, onomkeerbaar proces. Een dissipatief systeem is een open systeem dat in zijn omgeving energie en materie uitwisselt. Vanaf het begin, de zogenaamde 'big bang' had zich een geheel ander universum kunnen ontwikkelen. De mens is het resultaat van een specifiek evolutieproces, dat op een gegeven moment op aarde mogelijk en logisch werd, maar dat ook anders had kunnen verlopen. Als bijvoorbeeld de grote meteoriet niet op aarde terecht was gekomen. Overigens is Lem, net als Voltaire er van overtuigd dat de mens tragisch is, omdat hij wel behept met zelfbewustzijn toch sterfelijk is. Met zijn dood verdwijnt zijn bewustzijn. De essentie van Èlk in dit universum denkbaar bewustzijn is lijden, omdat perfectie, die wel wordt nagestreefd, onmogelijk is en verval en dood onvermijdelijk zijn. Het creÎren van individueel bewustzijn betekent het creÎren van lijden en dat moet leiden tot schuldbesef bij de schepper, zoals Dobb beseft.
Misschien zijn tradities en rituelen essentieel om het met bewustzijn toegeruste dier voor een morele chaos te behoeden, maar de mens kan alleen echt getroost worden door het accepteren van zijn beperkingen. Hij moet accepteren niet alles te kunnen begrijpen en tenslotte moet hij zijn eigen dood accepteren. Men moet zijn gevoelens serieus nemen, zijn intuÔtie. De ratio kan niet het laatste woord hebben.


Theodicee

Dobb onderzocht generaties personoÔden gedurende meer dan 2000 jaar, waarbij het tempo van de computertransformaties afwisselend werd opgevoerd en vertraagd, zodat de waarnemers de gesprekken konden afluisteren. Het ging hem om theologische discussies.
Adan 300 zegt dat zij God dankbaar moeten zijn voor hun bestaan en dat zij God ook moeten dienen. God heeft de macht duidelijk te maken dat hij bestaat. Hij heeft dat niet gedaan. Zij moeten dus maar gissen. De ongodzaligen, zij die niet geloven, kunnen dan niet gestraft worden voor hun ongeloof. Adna vraagt hoe zij moeten aankijken tegen het kwaad dat men naasten kan aandoen. Adan zegt dat hij geen oordeel heeft over het kwaad buiten hen om, maar dat voor hen zelf de regel geldt: wees voor mij zoals ik voor jou ben.
Hij zegt dat dit niets te maken heeft met het al of niet bestaan van God. 'Als ik geen kwaad zou doen omdat ik er rekening mee houd, dat ik er ginds voor gestraft zou worden, of als ik goed zou doen omdat ik reken op een beloning, dan heeft goed doen geen betekenis.'
Adan zegt ook dat voor alle werelden geldt dat de ethiek van het tijdelijke altijd onafhankelijk is van de ethiek van het transcendentale.
Naad zegt dat God misschien niet wil dat zijn schepsels gedwongen worden in hem te geloven, maar Adan wijst op zijn almacht en alwetendheid. Hij weet wat zijn schepselen kiezen. Hij hoeft ook geen wonderen te verrichten om zijn bestaan te bewijzen, want wonderen verstoren de autonomie van het geschapene.
De discussie gaat voort: moeten we niet in een geloofsbelijdenis afzien van de logica. Maar hoe kun je een logica scheppen en daar dan van laten afzien? Dat is op zijn minst wiskundig onelegant, een eigen wanordelijkheid, een incoherentie van de scheppingsdaad. Maar misschien wil god wel ondoorgrondelijk zijn en blijven voor zijn schepselen. Hij eist suprematie van het geloof boven de logica. Maar dat leidt tot een dilemma van morele aard. Men moet zijn redeneringen onderbreken en inruilen voor een onduidelijk vermoeden.
Moeten wij dankbaar zijn voor de scheppingsdaad? Is god dan in staat niet te bestaan en zou dat slecht zijn? Dan is er een dwang tot geloof dat het beter is er te zijn dan er niet te zijn. Adan meent dat God niets toekomt: geen liefde, geen haat, geen dankbaarheid, geen verwijt, geen hoop op beloning, geen vrees voor straf. Liefde die aangewezen is op vermoedens of de geliefde bestaat is nonsens.


Personetica

Hoe krijgt Dobb het voor elkaar de personoÔden te laten evolueren tot denkende wezens? Hij laat de tijd in de computer 30 miljoen maal sneller verlopen dan in ons universum.
De personetica (de schepping van persona) is een wrede wetenschap, omdat geÎxperimenteerd wordt met levende wezens. Anders levend dan wij, maar toch levend in zekere zin en behept met een bewustzijn. Wat Dobb interesseert is de experimentele theogonie. Zullen denkende wezens op een moment in hun evolutie komen op het idee van een schepper? Eerst wordt het computergeheugen geladen met mathematisch materiaal. Dit materiaal is het protoplasma van het universum waarin de personoÔden zullen 'leven'. Zij komen ter wereld in een machinale, digitale omgeving die oneindig is. Zij voelen zich dus niet gevangen: hun omgeving heeft geen grenzen.
De wezens leven in een ÈÈn dimensionale wereld, die van de tijd, die echter gemanipuleerd kan worden door de experimentator. Onze minuten worden eonen. Tijdens die perioden vinden allerlei reorganisaties en kristallisaties plaats en ontstaat een synthetische kosmos. Dobb kan dit niet goed uitleggen. Het is een soort science fiction. Laten we de schepping van de personoÔden maar beschouwen als een gedachtenexperiment.
De personoÔden ontstaan in de kiem dank zij een programma; zij groeien in het tempo dat hun wordt opgelegd door de experimentator. Zij ontwikkelen een taal en beschikken over emoties. Zij zijn geen strikt rationele wezens, maar zijn zoals de mens behept met tegenstrijdigheden en raadsels. Zij moeten beschikken over tendenties tot zelfvernietiging en zij moeten innerlijke spanningen ervaren. Zij stuiten op een gegeven moment in hun ontwikkeling op het grote raadsel: waar komen we vandaan en waarom zijn we zo en niet anders? Waarom heeft de wereld die we waarnemen deze en geen andere eigenschappen? Zijn wij geschapen of spontaan ontstaan?
Er zijn onderzoekers die de personoÔden laten weten dat ze door hen geschapen zijn, maar Dobb vindt dat onwaardig. Wel luistert hij ze af, hoewel ook dat onethisch is, omdat hij geÔnteresseerd is in de theodicee, die immers een rechtvaardiging geeft van de paradoxale situatie dat God goed en rechtvaardig is, terwijl zijn schepselen toch gebukt gaan onder het kwaad. De aardbeving in Lissabon van 1755, op een kerkelijke feestdag, zette de filosofen van de Verlichting aan het denken.


Beelden

De grote kapel of de kleine kerk tegenover ons appartement is altijd gesloten. Er staat een verlichte kerstboom half voor de deur en in de nis boven de deur staat een klein heiligenbeeld of Jezus-beeld; dat is niet goed te zien. Wat heeft hij in zijn hand?
De deur is dicht en is gedurende de kerstdagen ook niet open geweest, vermoed ik. Wat is het nut van een gesloten kerk? Een monument? Maar ook een monument wordt gebruikt bij een herdenking en wat is een betere herdenking voor een Jezus-beeld dan de viering van zijn geboorte? Is er dan toch sprake van een gewone heilige? Moeten we wachten op de naamdag van de heilige.
Ik vraag het onze verhuurder. Hij heeft de sleutel en we mogen gaan kijken. Het is een kapel voor Sebastiaan en een expressief beeld van de man met de pijlen staat voor in de kapel, die groot genoeg is voor een kleine dienst. Sebastiaan, altijd weer Sebastiaan
In Aken zie we in het museum Suermondt-Ludwig een houten beeld van de vlucht naar Egypte. Maria zit op een ezel en houdt een ingepakt popje vast, haar kindje Jezus.
Een stenen beeld: de kleine Maria, maar ze heeft al een kroon op haar hoofd, staat bij haar moeder Anna, die haar leert lezen uit een dik boek.
Een houten beeld: een mantelmadonna. Meestal zagen we schilderijen waar een groep mensen schuilden onder de mantel van Maria. Het hout is op enkele plaatsen beschadigd geweest, misschien al bij het snijden en de maker of restaurateur heeft er een nieuw stukje hout in gezet van een andere kleur.
In de grote zaal boven foto's van Dennis Stock. Heel veel van James Dean, bekende en onbekende foto's. James was toen nog niet beroemd. Hij was een vriend van Dennis en deze werd door de foto's bekend bij filmsterren als Marilyn Monroe, Audrey Hepburn, Marlon Brando en musici als Igor Strawinsky, Louis Armstrong, Billie Holliday en Ella Fitzgerald. Dennis liet ze zien als gewone mensen, zonder glamour. Hij fotografeerde ook onbekende mensen, hippies, strandgangers, stadse voorbijgangers.


Liefde of seks?

Marja Pruis hoeft, lijkt me, niet ingewijd te worden in sexualis. Toch bekent ze in een bespreking van Peeks nieuwe roman 'Godin en held' dat ze voor de zekerheid het woord 'vulva' opzocht via Google.
Het boek van Peek wordt door velen een liefdesroman genoemd, zo ook door Pruis. Ik bewonder haar columns en oordelen over literatuur en was dus wat verbaasd over haar positieve oordeel. Niet dat ik vind dat Peek niet kan schrijven! Hij is aangenaam informatief en verrassend, maar de truc van deze roman, het vertellen van achteren naar voren, werkte bij mij niet en het geneuk, gelik, gegeil, het pik, kont, kut, vagina of vulva verveelde me en deed me verlangen naar een wat meer impliciete beschrijving van het liefdesspel.
Liefdesspel? Ja, natuurlijk houden Tessa en Marius van elkaar, maar het lijkt toch niet veel verder te gaan dan de obsessie voor elkaars lichaam. Wat een verschil met de 'Alpenroman' van Vestdijk! Daarin gaat het over een obsessionele liefde!
En ja, Peeks roman gaat over meer dan seks: de dood speelt een intrigerende rol en het ouderschap, maar deze motieven worden wel wat ondergesneeuwd door het spuiten van sperma.
Toch is mijn belangrijkste bezwaar het gebrek aan psychische diepgang. Misschien moet ik de roman van achter naar voren lezen en zo de chronologie herstellen. Dan werken de hiaten in de tijd wellicht ook beter. Misschien kom ik op mijn oordeel terug.


Doorbraak

De Saar heeft er miljoenen jaren over gedaan om zijn weg tussen het steen
van het Taunuskwartsiet te vinden. Een doorbraakdal, waar ook Hitler kwam kijken. Men besloot een gedenkplaat aan te brengen, maar die is na '45 weer schielijk weggehaald.
Honderdtachtig meter boven de rivier is een uitzichtspunt, Cloef in Orscholz, gemaakt met een stenen overkapping waarin ook een groot haardvuur kan worden aangebracht. We besloten af te dalen naar het water en dat duurde meer dan een half uur. We zagen er tegen op om weer omhoog te moeten klimmen, maar er bleek een alternatieve route die minder steil en glibberig was. We verzamelden moed in het veerhuis met koffie en gebak. In het restaurant had een familie een feestelijk eten besteld. De tafelschikking was goed overdacht. Het minder begaafde familielid, misschien een late dochter, zat naast vati en tegenover muti en zij had plezier. Ze had haar servet in de hals van haar jurk gepropt en at met grote happen en open mond. Ze had een heel groot hoofd en woeste donkere haren. Ik zag nog hoe haar vader haar voerde. Waarom? Was er iets wat ze niet lekker vond? Later zou vader zeggen: 'Johanna heeft genoten hË? Ze at alles op en hoorde je hoe ze steeds wilde proosten?' Moeder knikte.
Aan de andere kant van de tafel zaten de kleinkinderen. Een jongen zat naast zijn grotere nicht en ze spraken met elkaar. Tegenover hem zat een iets oudere nicht. Ze had zich feestelijk aangekleed en liet zich de wienerschnitzel met frites goed smaken. Pas na het eten zocht ze haar smartphone op.
Aan de overkant van de rivier liep een paar, maar ze konden niet oversteken, want het veer ging in de wintermaanden niet. We groetten en zij zwaaiden terug. Hoe liepen ze? Ze moesten rond en dan omhoog naar een kasteel, een burcht, en dan achter de berg naar een andere parking dan de onze.
Wij gingen over een breed pad langzaam omhoog, langs een stroompje, over houten bruggen en een hoge trap, passeerden uiteindelijk een stel struisvogels, ondergingen even enige hagelneerslag en kwamen terug bij onze auto.


Ontroering

'The king's speech' gezien op de Duitse tv, met uiteraard Duitse taal. Extra ontroerend als je de eindspeech hoort van King George VI. Deze speech is de oorlogsverklaring aan Duitsland. Even eerder in de film hebben we Hitler horen schreeuwen en het kan niet zo zijn dat de Engelse koning een stotteraar is. Dat was ook niet zo, want Edward VIII, zijn broer, was koning, maar die moest aftreden wegens een ongeoorloofd huwelijk. George stotterde en zijn vrouw zocht een goede leraar. Logue is zo iemand; een onconventionele leraar die de aanstaande koning durft te vertellen wat er met hem aan de hand is en die een effectieve methode hanteert om zijn stotteren te verzwakken. Helemaal lukt het niet, maar de speech komt er krachtig uit. Twee maal loopt George bij Logue weg, maar als de belangrijke speech er aan komt, voor de radio!, moet hij wel. Zij werden vrienden voor het leven, dat voor George niet zo lang duurde, want hij kreeg longkanker na veertien jaar. Bij elke speech was Logue aanwezig.
's Middags zagen we een kerststal in de stad Luxemburg in de Trinitariskerk. Er was een ontvangst voor de protestantse gelovigen, waarschijnlijk Lutheranen, te zien aan de vrouwelijke dominee en haar kraag en te voelen aan de vriendschappelijke sfeer. De kerststal-figuren waren alle of allen? gemaakt van wol; je zou bijna zeggen antroposofisch.
Daarvoor zagen we een mooie kerststal in de kathedraal, die vol was met gelovigen. Die kerststal leek in de Palestijnse omgeving in Bethlehem authentiek, afgezien van de mythische grot. Bij de communie assisteerden een vrouw en een neger. Zij deelden met de priester de hostie uit, maar het viel op dat de rij voor de priester langer was en bleef. De twee burgers trokken er zich weinig van aan en schoven op naar de priester, waardoor sommige mensen toch uit de rij stapten en zich de hostie lieten aanreiken door vrouw of neger.


'Weet j't al?'

'Weet j't al? Kindje Jezus is geborenweet j'tal?'
Maar hier in Wincheringen is de kribbe nog leeg. Het is de eerste kerststal die we zien: Maria, Jozef, os en ezel en schapen en verderop een oude herder die erg op Jozef lijkt. Nog geen engel en de kribbe is leeg.
In Wincheringen staat op de heuvel boven de Moessel de bergkerk, die donker is. In de vestibule is een Mariabeeld waarvoor kaarsjes kunnen worden gebrand, maar als wij er zijn is er niet ÈÈn kaarsje aangestoken.
In Nennig is het 's middags al vroeg donker, zeker in het bos, de heuvel op. Je kunt rustig een uur lopen zonder een vogel te horen of een mens te zien. Uiteindelijk kom je de plek waar de Moessel een slinger heeft uitgeslepen in de heuvels. Daar stonden twee dagen eerder jongens op een muurtje boven de afgrond. Een meisje nam de foto en nog een keer. Weer sprong een jonge man op het muurtje en ik dacht: als hij valt is hij dood, maar het viel mee, hij viel niet en als hij was gevallen was hij wellicht niet dood geweest. Er was nog een helling met struiken.


Anneke Brassinga

'Des werelds wildernis verzoenen '
De titel is dubbelzinnig: het land is goed. De dichteres wil in haar bundel en in de eerste afdeling met dezelfde naam de schoonheid van het land laten zien. Dat leidt tot lyrische, Gorteriaanse en dus soms ouderwets aandoende lofzangen: zo in 'Stilleven' en in:
Tuinman zon
O blonde jonkman in het groen
vertier van kruinen die beladen staan
met blinkende, taaie waterdroppels
draaiende op rilling van licht.
Breek ze in kleuren
o blonde baron bij de rode
overdadig bloedige kardinaalsmuts.
Hij plukt juwelen uit de bomen,
zwingt het mes door geruis, door zuchten
en vogelgeluid. ()
Maar de dichteres is geen onnozele, blinde natuurliefhebster, zij leeft niet in de negentiende eeuw, zij ziet de velden korenverdringende veevoeder: mais, en vraagt met doeltreffende enjambementen: 'Is dit een plant? Hij schiet / uit de grond stil als hij staat,/ verkapte moordenaar. Ploegscharen,/ zwaarden in zijn koker van groen.' Toch overheerst de lofzang op natuur, bloeiend leven en wat daarbij hoort:
[p. 19] Aan het slot van haar bundel 'Landgoed' zegt Anneke Brassinga in 'Envoi', samenvattend en besluitend: 'Ik wil u aan mijn voeten leggen.' De dubbelzinnigheid van deze wens: onderwerping van de lezer, die in bewondering moet opzien naar de dichteres, die echter ook troostbiedster wil zijn en aldus zelf knielt, blijkt uit de tweede regel: 'Knielende kameel/ met zachte mond uw droefenis/ besnuffelend -/ kom berg u in mijn zand.' En dan komt haar eigenlijke wens: 'Des wereld wildernis wil ik/ verzoenen, lippen drenkende/ kameel vol bulten zijn,'. De dichteres weet niet of haar woorden helpen: 'Rijst er een horizon als ik u/ mijzelf reik, versmachtend?' Evenmin is de aanwezigheid van de lezer zeker en als hij er al is, in welke mate dan? 'Fata morgana, dorst naar ons.' In die laatste regel vinden we weer een dubbelzinnigheid. De lezer is fata morgana en moet naar de dichteres (in pluralis majestatis of modestiae) dorsten.
De dood aan het eind van het bloeien, de rotting die tot nieuw leven leidt. Uit het gedicht 'Tuinman zon': 'De blinde prins slaat heerlijk/ stralend alles tot gisting, vormloos moes,/ vruchtbare voortreffelijke mest.'
De dichteres houdt, als zoveel dichteressen voor haar ≠ Vasalis, Michaelis, De Waard van bomen. In 10 van de 16 gedichten uit de eerste afdeling figureren bomen. Zij identificeert zich ermee. Vooral de kringloop van het leven, bloeien en sterven, ziet zij er in terug: 'Niet om niet is het/ volbracht: aarden en drinken/ gloeien en een laatste zucht/ van vallend blad.'
Natuurbeelden geven ook vaak aanleiding tot poÎticale regels. Zo geeft het beeld van een schuur in de avond haar de volgende regels in: 'Dichten is van dichte deur/ een kier, licht/ dat aan de drempel lekt.'; of, naar aanleiding van de bomen in haar tuin, '() zij leven/ van blad en licht dat valt/ onveranderlijk, zijn daaraan gelijk.' en: 'Wie nergens huist/ geeft schoonheid toevlucht/ in het vlietend weer kerend/ van weten afgedwaald oog.'
De gedichten van de tweede afdeling 'Woorden' zijn eerder als poÎtisch proza gepubliceerd in NRC Handelsblad. Dat Anneke Brassinga een woordkunstenaar is, blijkt op elke bladzijde. Zij geniet zichtbaar van klankassociaties, van het uitspreken van klankgroepen. Woorden lijken soms mooier dan de werkelijkheid. Toch is het voortborduren op mogelijkheden die klanken bieden naar mijn smaak al gauw flauw, waarbij het breken in versregels al te vaak bepaald wordt door regellengte en bladspiegel. Het zijn eigenlijk grillige betoogjes die beter in het bescheidener gewaad van proza passen. Verder zijn de voor- en afkeuren van bepaalde klankgroepen te vaak particulier bepaald, door eigen ervaringen. Wie ooit aan een groep mensen heeft gevraagd zogenaamd mooie en lelijke woorden te noteren, weet dat wat de ÈÈn lieflijk, de ander juist hatelijk noemt. Het lijkt niet de taak van de dichter te onderzoeken of er bovenpersoonlijke criteria zijn voor sommige klankgroepen. Overigens levert zo'n woordenspel dan toch plotseling een prachtig beeld, bijvoorbeeld in 'Fungilore', waar de associatie met viezigheid leidt tot de volgende precieze beschrijving van een geziene situatie: 'Ook was er een man, ik zag hem eerst/ voor een hond aan ≠ hij bukte zich juist, / gehuld in zwart imitatiebont vol kale plekken ≠ die op de tramhalte graaide/ in de etensresten, peukjes en schillen/ in de vuilnisbak. Veel van wat hij eruit-/ haalde bleef onzichtbaar, verdween in zijn mond./ Andere dingen werden in zijn plastic tas/ gepropt. Zei niet de baron van buiten-/ landse zaken dat de burger van nu/ consument is? Zijn gebogen rug en aandachtige/ vaardige keuze maakten hem tot vakman./ Hij keerde zich niet om/ toen hij klaar was maar vervolgde overstekend/ zijn weg. Ik zag dat hij kauwde, zo mager was hij dat ik om hem heen/ kon kijken; er steeg ook rook/ boven hem op. Even later laaiden/ in de prullenbak flinke vlammen op. ()'.
De nauwkeurige blik en de woede om wat hier te zien is, laadt even later in het gedicht het woordspel functioneel op: '() Gezwam of gedicht?/ Fungilore? Groenfuil? Gnuifroel?//-f-nulgroei? ()' Het gedicht eindigt met de bittere constatering: 'Natuurlijk:/ wij zijn de natuur. Zoals elektrische/ stadsuurwerken in de schemer volle maan zijn.'
Hier ziet de dichteres door haar in wezen liefdevolle beschrijving kans 'des werelds wildernis' even te verzoenen.


Een politiek gesprek?

Vraagt Jeroen Pauw Diederik Samson wat hij denkt van de samenwerking met de VVD, naar zijn plannen om het afbreken van zorg en cultuur om te buigen of op zijn minst af te zwakken?
Nee, Jeroen Pauw en zijn redactie maken stemming. Ze laten een filmpje zien met donder en bliksem, met scheuren en rook. Het geluid van de donder duurt lang en Samson kijkt er naar met een moeilijke grijns. Zegt Samson: 'Meneer Pauw, zullen we het over de politiek hebben. Weet u eigenlijk wat u hier en nu doet? De PvdA verder afbreken. Steeds maar praten over opiniepeilingen en wat ik hiervan vind. Dat lijkt me wel duidelijk. Een overbodige vraag. Vraag liever naar onze overwegingen. Het zijn toch niet de peilingen die regeren?'? Nee, dat zegt Samson niet en Pauw blijft spottend en triomfantelijk kijken. O, wat heeft hij zijn opponent in de tang. 'Dit wordt geen leuk gesprek', zegt hij. Antwoordt Samson: 'Dat kan ik me voorstellen. Waar bent u op uit?'? Pauw speelt op de man: 'Dit komt allemaal op uw bord terecht. Kunt u dit nog lang volhouden?' Wat wil hij? Dat Samson in huilen uitbarst en zegt: 'Meneer Pauw, troost me dan toch!' Pauw kijkt op als Samson zegt dat hij soms denkt 'krijg allemaal de vinketering'. Waarom kijkt hij op? Is dat toneelspel voor het publiek? Voert hij een stukje op? Daar is hij toch op uit, dat zijn gesprekspartner, wat zeg ik, tegenstander, toegeeft dat hij er wel eens genoeg van heeft? Dan scoort hij als tv-maker.
met dank aan De snijtafel bij De Correspondent


Les extrÍmes se touchent

Turkije een democratie? Op 14-12 zijn veel journalisten opgepakt, mensen die kritische geluiden lieten horen over de regering. Erdogan is al jaren bezig om zijn land weer terug te brengen bij de waarden van de Islam. Onder Kemal Atat¸rk (Vader van de Turken) moest Turkije aansluiting zoeken bij het Westen. De naam Atat¸rk, werd in 1934 aan hem toegekend (en verboden voor enig ander persoon) door het Turkse parlement. Verboden voor andere personen, dat zegt genoeg.
Erdogan deseculariseert en hij doet meer: hij rekent af met intellectuelen, met de zogenaamd witte Turken, met de elite. Hij is er voor het volk dat de Westerse kunst verafschuwt. Erdogan roept dat ballet onderbuikkunst is. Afschaffen! In een toespraak van 2012 richtte hij zich tot de elite en vroeg: 'Zijn jullie soms de enigen die bevoegd zijn iets over kunst te zeggen?' En hij waarschuwde: 'Die tijden zijn voorbij. De tijden dat jullie als tirannieke intellectuelen met opgeheven vinger deze natie konden kleineren zijn voorbij!.'
Het is nu de tijd voor protserige paleizen om het volk te imponeren.
Het zou Geert Wilders moeten aanspreken. Jammer alleen dat dit gezegd wordt door een moslim.
Turkse acteurs protesteerden tegen een nieuwe maatregel voor gemeentelijke theaters : artistieke keuzes worden namelijk overgedragen aan een literaire raad, die onder controle zal staan van Erdogan. Linkse of scrabreuze teksten zullen worden geweerd.
In Zeeland wordt de programmamaker van een schouwburg gekapitteld door de gemeenteraad waar de SGP machtig is. Cabaret van Theo Maassen of Joep van 't Hek? Dat is beledigend voor godsdienstige bewoners. Het moet afgelopen zijn met de subsidie voor het theater, oordeelde de raad. De PVV zal er van harte mee eens zijn. Is dat censuur? Welnee, het is luisteren naar het volk. Heidelandschapjes in plaats van kunst om over na te denken, provocatieve video-kunst of performances. Ons goede geld mag niet naar verontrustende kunst. Kunstenaars die ons vermaken mogen best wel wat geld krijgen, maar we betalen geen belasting voor onbegrijpelijke praatjes!


Achterhaald

Judith Eiselin zet een hoge borst op. Zij wil graag dat vrouwelijke auteurs net zo uitvoerig en expliciet over seks schrijven als sommige mannelijk collega's. De erotiek van Lydia Rood is haar niet genoeg. Het moet 'stomen'. Ze wil branie. Het lijkt haar logisch 'dat ook vrouwen op straat best eens het hoofd van een al dan niet onwillige passant met kracht tussen hun dijen zouden willen duwen en waarom zouden ze daar niet over kunnen schrijven?'
Misschien omdat het ze niet erg interessant lijkt?
In dezelfde week pleit Oek de Jong voor meer suggestie bij het beschrijven van seks-scËnes, al hoeft het niet zo verborgen als in "Effi Briest" van Fontane. 'Nu steeds meer schrijvers ons vervelen met expliciete seks, begin je weer te verlangen naar impliciete en suggestieve erotiek.'


Effi Briest

Effi is zeventien als baron von Innstetten uit Achter-Pommeren haar vader von Briest om haar hand vraagt. Hij, de baron was ooit verliefd op haar moeder, maar die werd weggekaapt door Effi's vader. Dat is achttien jaar geleden. De baron is nu achtendertig. De vrouw van de dominee van het dorp zegt: 'Ja, ja, zo gaat dat. Natuurlijk. Als ze de moeder niet kunnen krijgen , dan moeten ze de dochter hebben.' De dominee betreurde deze vinnige uitspraken, van zijn ex-huishoudster.
Effi is een vrolijk, beweeglijk meisje, opgevoed in adellijke kringen, gehoorzaam en ze weet niet beter dan dat ze blij moet zijn met het aanzoek. Voor het aanzoek speelde ze nog verstoppertje met haar vriendinnen of ze schommelde.
Haar moeder zegt: 'Je hebt hem eergisteren gezien, en ik geloof, dat hij ook bij jou in de smaak is gevallen. Goed, hij is ouder dan jij, wat alles bij elkaar een geluk is, en bovendien een man van karakter, van positie en goede zeden, en als je geen "nee" zegt, wat ik me van mijn schrandere Effi nauwelijks kan voorstellen, dan ben je met twintig even ver als anderen met veertig. Je zult je Mama ver voorbij streven.' Daar gaat het om: positie. Het huwelijk heeft weinig te maken met liefde.
Haar vriendinnen vragen of hij wel de ware is en Effi antwoordt: 'Zeker is hij de ware. Dat begrijp jij toch niet, Hertha. Iedereen is de ware. Natuurlijk moet hij wel van adel zijn en een positie hebben en er goed uitzien.' Ben je gelukkig, vraagt Hertha en Effi antwoordt: 'Als je twee uur verloofd bent, ben je altijd helemaal gelukkig. Tenminste, dat denk ik zo.' Hertha vraagt nog of ze het niet een beetje gÍnant vindt, maar Effi denkt dat ze daar wel overheen komt.
In de verlovingsperiode, waarin alles voor het huwelijk in gereedheid wordt gebracht, meubels, linnengoed, servies ≠ het wordt allemaal gekocht in de duurste zaken van Berlijn ≠ schrijft Instetten haar elke dag een brief. Hij kan niet wachten op zijn mooie, jonge Effi.
Theodor Fontane, de schrijver, besteedt geen letter aan Effi's gedachten over de seksuele kant. Ze moet die gehad hebben. Er moeten gesprekken geweest zijn met haar moeder over, ja wat? Verplichtingen?
Als Effi een brief krijgt van haar verloofde, maakt ze die pas na een half uur open op aandringen van haar moeder, en zij leest hem voor. Moeder zegt nog: als er geen al te persoonlijke dingen in staan Maar die staan er niet in. Hij schrijft 'Lieve Effi' en 'kleine meid' en hij denkt vast aan de ontmaagding, maar geen woord daarover.
Na de bruiloft gaan ze naar ItaliÎ en hij laat haar onderweg in M¸nchen en in Regensburg alle musea zien en later in ItaliÎ. Hij weet er veel van en hij is een man van principes en Effi wordt daar een beetje moe van en ze is ook wel bang voor hem. Toch krijgen we van Fontane een gesprek tussen de jong gehuwden op terugreis dat heel plezierig en amicaal is.
Wanneer gaat het fout?


Effi Briest 2

De vader van Effi zegt tegen zijn vrouw dat zij in alle opzichten beter bij Instetten gepast had dan Effi. "Jammer, maar nu is het te laat! "
En wat antwoordt zijn vrouw, niet op haar mondje gevallen?
" Bijzonder galant, nog afgezien ervan dat het onbehoorlijk is. Maar onder alle omstandigheden, wat voorbij is, is voorbij. Hij is nu mijn schoonzoon, en het leidt nergens toe, telkens weer over dingen uit onze jeugd te beginnen."
Je zou denken dat het haar nog steeds spijt dat zij niet met Instetten is getrouwd. Toch kan ze goed opschieten met haar man. Liefde? Nergens voor nodig. Kameraadschap, daar gaat het om.
Moeder denkt dat Effi, hoewel levendig en temperamentvol en bijna hartstochtelijk, niet op de liefde gesteld is. Zij heeft weliswaar ergens gelezen dat liefde het hoogste, het mooiste is, maar het gaat haar vooral om vermaak en eerzucht. Eerzucht, dat komt wel goed met Instetten, Maar haar behoefte aan spel en avontuur? Zal ze zich niet gauw vervelen? Moeder zegt dat het een tijd goed zou gaan, maar uiteindelijk zal het saaie van Instetten Effie kwetsen en "hoe zachtmoedig en toegeeflijk zij ook is, zij heeft ook iets heftigs en gaat tot het uiterste." Hoe goed kent zij Effi! Wij zijn gewaarschuwd.
De ochtend van de eerste nacht in het nieuwe huis wordt Effi wakker om 9.00 uur. Dat is laat voor Instetten, die altijd vroeg opstaat, want langslapers kunnen de hele dag geen orde meer scheppen. Na zich verzorgd te hebbente laten hebben door een bediende gaat ze naar haar man, die aan zijn schrijftafel zit. Zij omarmt en kust hem. Hij zegt: "Nu al?" En zij antwoordt dat hij dat zegt om de spot met haar te drijven. Let wel: meisje van 17, man van 38. Zij zegt ook dat de wittebroodsweken al achter hen liggen en dat hij hij niet meer hoeft te vleien.
De koffie is uitstekend en Effie concludeert:" Echt waar, Geert, nu zie ik pas, hoe een voornaam huwelijk ik gedaan heb. Bij ons thuis kon alles er maar net mee door!'


Naar de tweede winter

De mensen in de omgeving van Kessin waren saai en vervelend, hun dominees kleine pausen. De enige attente man voor Effi was de apotheker.
" Instetten was lief en goed, maar een minnaar was hij niet. Altijd aan het werk. De hond kwam naar Effi en zij zei: " Ja, Rollo, wij zijn alleen."
Om 9.00 uur verscheen Instetten voor de thee, meestal met de krant in zijn hand. Hij sprak over zijn werk, de verkiezingen. Hij verzocht Effi iets te spelen uit Lohengin of Walk¸re, want hij had iets met Wagner, vanwege zijn zenuwen, of vanwege 'het jodenprobleem'. Om 10.00 uur uur was hij moe, gaf zich over aan 'ietwat vermoeide tederheden, die Effi zich liet welgevallen zonder ze eigenlijk te beantwoorden."
Effie vindt op het kerkhof Roswitha, bij het graf van haar gestorven mevrouw. Effie vertrouwt haar en neemt haar aan als min voor de baby die moet komen. En ook als gezelschap tegen de angst in het spookhuis.
Het kindje komt. Effie gaat naar haar ouders, heeft gesprekken met haar vader, komt weer in het spookhuis en Instetten is blij en zegt dat ze veranderd is sinds het kind (Lutje Anna). Zij is meer verleidster geworden. Er is een majoor, Crambach gekomen, met een melancholische vrouw.
Effi gaat naar het strand en gaat paardrijden. Het is een mooie nazomer en herfst, maar de winter komt.


Effi 4

Crambach neemt zijn tijd. In de mooie dagen was hij met Effi naar het strand geweest. Ze hadden veel gepraat. Er was altijd iemand bij, maar tegen het eind van het jaar hadden ze een rit gemaakt door de sneeuw en op de terugweg was de slee van Effi niet geschikt bevonden om een waadplaats over te steken, zodat ze een omweg moest maken, terwijl Instetten in een andere slee was. Crambach was naar haar toegekomen. Ze reden door een donker bos en Crambach had in haar oor gefluisterd en hartstochtelijk haar vingers gekust.
Fontane weidt er niet over uit, maar Effi voelt zich schuldig en ze is blij dat Crambach niet in staat is om bij hun langs te komen, wegens werkzaamheden. Ook over het toneelspel, waarbij Crambach regisseert en Effi een belangrijke rol speelt, wordt niet veel geschreven.
Bij een eerdere gelegenheid, als de verplichte bezoekjes afgerond zijn, zegt Effi tegen Instetten dat ze god zij dank rust hebben. 'Alleen een kus zou je me kunnen geven. Maar daar denk jij niet aan. Heel die lange rit heb je je niet verroerd, ijskoud als een sneeuwpop. En altijd maar die sigaar.'
Op een feest waar adel van de overkant van de rivier aanwezig is, vraagt een vrijmoedige vrouw aan Effi hoe het eigenlijk met haar gaat. Effi antwoordt dat het goed gaat: 'ik heb een zeer uitstekende man.' Zo'n antwoord zou een jonge vrouw nu toch niet meer geven? Misschien zou ze zeggen dat ze een lieve man had, maar eerder nog zou ze over haar werkzaamheden praten. De vrouw zegt: 'Weet ik. Maar daar heb je niet altijd wat aan. Ik had ook een uitstekende man. Hoe staat het ermee? Geen aanvechtingen?' Een verrassend vrijmoedige opmerking. Effi schrikt dan ook, maar ze is ook ontroerd, door de persoonlijke opmerking neem ik aan en ze antwoordt 'Ach, geachte mevrouw'
De vrouw blijft persoonlijk: 'Daar heb je het al. Ik ken dat. Altijd hetzelfde. Daar veranderen de tijden niets aan. En misschien is het ook maar goed zo. Want waar het op aankomt, mijn lieve jongedame, dat is de strijd. Men moet altijd worstelen met de natuurlijke mens. En als men dan zich zelf neergelegd heeft en bijna zou willen schreeuwen, omdat het pijn doet, dan jubelen de engelen.' Het gesprek neemt een godsdienstige wending. Even later komt Crampas er aan. Effi bloost en haar gesprekspartner lijkt het te begrijpen.
Effi worstelt. Als zij hoort dat er misschien huzaren komen in het stadje is zij blij: afwisseling, beweging. Zij voelt zich een gevangene en zij lijdt en dan schrijft Fontane: 'Maar hoewel zij tot sterke gevoelens in staat was, was zij toch geen sterke natuur; wat haar ontbrak was vasthoudendheid, en alle goede opwellingen gingen weer voorbij. () Het verbodene, het geheimzinnige had macht over haar.'


Schuld (Effi 5)

Instetten krijgt een eervolle promotie. Het gezin moet naar Berlijn. Effi is zielsgelukkig, maar moet dat voor Instetten verbergen. Waarom? Heb ik iets gemist? Ik weet dat ze bang is voor het spook en dat Crampas heeft uitgelegd dat haar man het spook gebruikt als een pedagogische maatregel? Wat ik begrijp is dat het spook haar slechte geweten lastig valt en dat als Effi rein is, zij niet bang hoeft te zijn. Maar ze was toch meteen al bang? Voordat zij Crampas kende? Wat is dan haar schuld? Dat ze Instetten heeft getrouwd zonder liefde? Maar dat huwelijk was gearrangeerd. Effi trouwde uit berekening van haar ouders en zij was het er mee eens. Instetten was een goede man die carriËre zou maken. Met Crampas heeft ze nauwelijks iets ongeoorloofds gedaan. Van haar gedachten zijn wij, de lezers, niet op de hoogte gebracht. We moesten tussen de regels door begrijpen dat zijn aandacht haar niet onwelgevallig was en dat begrepen we goed, omdat Kessin zo saai is.
Er is iets gebeurd, nauwelijks, tussen Roswitha en de koetsier. Zij stond vertrouwelijk met hem te praten en dat was al te veel. Effi roept haar tot de orde.
Er komt een brief van haar moeder uit Berlijn, die daar is om medische redenen. Zij heeft van de promotie gehoord en vraagt Effi naar Berlijn te komen om een woning uit te zoeken. Dat is een vrouwenzaak. Effi wil eigenlijk meteen al weg, ondanks het feit dat Instetten net terug is van een reis. Zij moet schipperen tussen zogenaamd willen blijven en willen weggaan. De brief helpt haar snel naar Berlijn te gaan. Zij schrijft een brief aan Crampas, neemt afscheid. Ze schrijft hem dat ze niet terugkomt, 'u weet het Het zou het beste geweest zijn, als ik dit deel van de aarde nooit gezien had. Ik bezweer u, dit niet als een verwijt op te vatten; alle schuld ligt bij mij. () Uw gedrag moge te verontschuldigen zijn. Mijn schuld is zeer zwaar.' Is dit niet wat overdreven?
Eenmaal in Berlijn doet ze extra lang over het kiezen van een woning en als Instetten ongeduldig wordt, wendt ze ziekte voor, die vier dagen voor zijn komst naar Berlijn genezen is. De oude dokter heeft haar wel door, maar heeft begrip, zonder dat hij weet wat er aan de hand is. Instetten is blij met de woning en met zijn (weer) vrolijke en onbevangen vrouw.
Effi (slot)
En dan worden door een ongelukkig toeval de brieven gevonden. Instetten leest ze, is diep beledigd, zijn geluk is verdwenen en hij roept een vriend op secondant te zijn bij een duel. Deze vriend zegt dat het toch al lang geleden gebeurd is en dat Instetten niet moet duelleren. Instetten zegt dat hij zijn vrouw wel wil vergeven, hij houdt nog van haar, maar dat nu zijn vriend het ook weet, zijn eer gewroken moet worden. Een dwaze redenering.
Wat is er gebeurd? Wat staat er in de brieven? De vraag om op de oude plek te komen, waar de gelieven 'elkaar rustig kunnen spreken'! Spreken? En meer? Of doet dat er niet toe?
Intussen hebben we gelezen dat Effi tegen haar moeder zegt: 'Mamma, het gaat nu beter. Instetten is altijd een voortreffelijk man geweest, zo een als er niet veel zijn, maar ik kom hem niet echt bereiken, hij had zo iets vreemds. En vreemd was hij ook in zijn tederheid. Ja, dan het meest; er zijn tijden geweest dat ik bang voor hem was.'
En dan hebben we ook gelezen dat men moest aannemen dat het bij Klein-Anna zou blijven. Waarom? Is Effi nu niet meer vruchtbaar? Slapen zij en haar man niet meer samen? Fontane legt het niet uit.
Het noodlot voltrekt zich. Instetten wikkelt het geheel zakelijk af. Crampas wordt doodgeschoten en Effi moet vertrekken, zonder dochter, maar Roswitha komt haar na in een eenvoudige woning. Ze mag niet terug naar haar ouders; ook vanwege de eer.
Eer, eer! Effie ziet na drie jaar haar dochter op straat. Ze wil haar zo graag spreken! Ze gaat naar de vrouw van de minister en vraagt haar Instetten te smeken om toestemming haar dochter te ontvangen. Instetten stemt toe omdat hij de ministersvrouw niet wil weigeren. Het meisje komt en gedraagt zich als een afgerichte papegaai (pappegaai). Hij heeft het meisje van haar moeder vervreemd. Effi begrijpt haar schuld en boete, maar dit vindt ze klein en gemeen. Ze valt in zwijm en dan gaat het bergafwaarts. De oude dokter bekommert zich om haar en schrijft een dringende brief aan haar ouders. En dan stuurt haar vader een telegram: 'Kom, Effi!' Een ontroerende herhaling van wat haar vriendinnen in het begin riepen: "Effi, kom!'
Er komt nog een brief bij Instetten van Roswitha die hem vraagt de hond Rollo te laten komen. Instetten heeft inmiddels geleerd dat al dat eergedoe niets betekent. Hij begrijpt, met zijn vriend, zijn secondant: 'Ja, die is ons de baas.'
Effie gaat sterven. Ze is nog zo jong, maar ze herinnert zich dat Instetten haar eens voorlas over iemand die van een vrolijke tafel was weggeroepen en die toen ze terugkwam, vroeg of ze nog iets had gemist. Men had geantwoord: 'Ach, er was nog van allerlei, maar eigenlijk hebt u niets gemist.' En dan zegt ze tegen haar moeder, die door Roswitha is gestuurd: 'Kijk, Mama, deze woorden zijn me bijgebleven ≠ het heeft niet veel te betekenen als je wat eerder van tafel weggeroepen wordt.'
Zij vergeeft Instetten, ook om haar kind. 'Want hij had veel goeds in zijn karakter en was zo edel, als iemand maar zijn kan, die zonder ware liefde is.' Bam! Dat komt hard aan.


Godsdienst en milieu

Woestijnvolken kennen een strengere God dan volkeren bij wie de vruchten aan de bomen groeien.
Waar men op elkaar is aangewezen, waar hongersnood altijd dreigt, waar het water zeldzaam is, daar gelden strenge regels. De bevolking moet goed in de gaten worden gehouden. De God van het Oude Testament is een jaloerse God. Hij helpt zijn volgelingen andere volkeren uit te roeien, mits zij hem onvoorwaardelijk dienen en offers brengen.
Ook in Europa en in Amerika op het platteland was en is men genoodzaakt onderlinge afspraken te hebben die nauwgezet moeten worden gevolgd.
In Europa zie je verschillen tussen Noord en Zuid. Het verschil tussen Rooms-Katholiek en Protestants is duidelijk, maar zelfs binnen het Protestantisme zijn de verschillen zichtbaar tussen het Calvinisme (vanuit de bergen) en het Lutheranisme.
Als mensen veel moeten samenwerken, zijn ze eerder geneigd om te geloven in een God die goede sociale omgang beloont en egoÔsme straft. Dergelijke mensen zijn ook minder tolerant voor vreemden en afwijkend gedrag.
Hoe is dat bij de InuÔt?


Op de schroothoop

Veel dichters zijn geÔnspireerd door het Adam en Eva -verhaal. Bertus Aafjes schreef een lang gedicht "In den beginne", waar in hij Adam de eerste dichter noemt en de zondeval symboliseert door het ontstaan van onvruchtbare metaforen en tenslotte clichÈ's.
Hester Knibbe publiceert in " ArchaÔsch de dieren" een originele afdeling " Vrijspraak voor KaÔn", waarin ze begrip toont voor de eerste moordenaar. In zeven pro domo- gedichten pleit ze in wezen voor de eigen zaak, maar begrepen als een pleidooi voor ons mensen.
In het paradijs lag de leeuw naast het lam. De mensen hebben nog geen woorden. Dit herinnert aan het begin van Aafjes' gedicht. Langzaam komen de mensen tot het begrip dat er meer moet zijn dan wat zij zien. Er moet een begin zijn en dus ook een einde. Twijfel sijpelt binnen. Ze hadden immers hersenen gekregen. En dan komt een storm opzetten " die dwars door ons heen blies".
De lezer valt op dat het kwaad binnenkomt zonder dat de mens heeft gekozen. Er komt geweld, gevaar, angst. De dichter noemt allerlei negatieve woorden in een zeer originele volgorde: " woede / angst wens afgunst slacht honger slaaf / meester hoer heiligenleven vuil ziek tijd / zwanger eeuwig windbuil zwaard gesel // en weemoed niet te vergeten".
Let op de woorden die positief lijken: wens, meester, heiligenleven, tijd, zwanger, eeuwig.
Hester dwingt je deze woorden, begrippen, te overdenken. Is de wens niet oorzaak van ons lijden (zoals Boeddha beweert)? Is niet de meester de "oorzaak" van de slaaf? Is niet zwangerschap het begin van de dood?
"Onze fout? Dat we bestonden / uit lichaam, honger hadden, onze dorst // verdronken. We hadden enkel / lucht moeten zijn die je uitblaast en dat / werden we ook tenslotte."
Een andere afdeling heet "Thebe". Het gaat hier niet om de Egyptische dodenstad, maar om het Griekse Thiva, waar nauwelijks nog restanten zijn te vinden, onder andere van een heiligdom gewijd aan Amphiaraos die over genezende krachten zou hebben beschikt. Kun je genezen van het offer, de dood? Kun je een zoon maken? Ja, maar kun je hem behoeden voor de schroothoop?
" hup de wereld in met je hart / dat men afpakken kan, kan breken / in een hoek smijten: niks waard zo'n // hart geen porselein of goud, meer een roestig / soort klei en je hebt er zoveel van, ook het jouwe/ gaat straks op de schroothoop.'
De reeks eindigt overigens met een 'bejahend' liefdesgedicht: 'we houden elkaar gewoon / bij de hand en waar de weg ophoudt zullen we slapen.'


Een Zoeloe-dictator

Een hashtag laat je gemakkelijk berichten vinden over een bepaald onderwerp. Als je het woord met hashtag aanklikt, kom je bij alle andere berichten over dat woord, bij Twitter bijvoorbeeld.
Alfred Schaffer zet in zijn bundel 'Mens Dier Ding' echter een hashtag achter het woord 'dag(droom) met spatie en dan een getal, aflopend van 12.868 tot 0, waarbij natuurlijk grote sprongen worden gemaakt, bijvoorbeeld van 3 naar 37 naar 207. Ik veronderstel dat Schaffer veel meer dromen heeft gehad dan hier zijn gepubliceerd, maar de gedachte dat hij zo'n geweldig aantal geschrapt zou hebben, is onwaarschijnlijk: hij zou dan 35 jaar lang elke dag een droom hebben moeten noteren. Schaffer is van 1973 (Leidschendam), 41 jaar dus!
Het getal 207 vind je op p.131 met een gedicht over Amsterdam. In zijn herinnering staat de ik op straat, hij weet niet waar, maar hij volgt de gracht en dan komt er op absurdistische wijze, die we in veel van zijn acht bundels terugvinden (Èen per jaar, Èen keer zelfs twee) 'een gazelle briesend van de angst / over het zwarte water aangerend. / Drie hyena's jagen hard als een alarm achter hem aan/'. (De Zoeloes onder Shaka Zoeloe vreesden de vermeende macht van de hyena's.)
Schaffer woont afwisselend in Stellenbosch, waar hij aan de universiteit doceert en in Amsterdam. In veel gedichten gebeuren onheilspellende en verontrustende dingen. Er is een man die lijkt weg te willen vliegen. Hij wordt een gewonde vogel in paniek genoemd. En dan zegt de ik: 'die ben ik, hoe driftig ik ook sta te klapwieken / ik kom gewoon niet van de grond.'
Vliegdromen zijn meestal verrukkelijk, maar hier lukt het niet. De droom is een nachtmerrie van ontheemd zijn. Waar hoor ik thuis? Waar kan ik mijn vleugels uitslaan?
De bundel vertelt vooral het verhaal van de dictatoriale Zoeloekoning Shaka of Sjaka, die zijn macht misbruikte en moordend rondtrok, maar Schaffer laat juist ook zijn kwetsbaarheid en zijn zwakheden zien. Hij werd door buurtkinderen gepest.
In dag(droom) 2.109 kijkt de ik om zich heen. Hij is echt alleen ' als mens als dier als ding / ik droomde niet, integendeel. / Zo stond ik daar, nu zit ik hier.' Weer die ontheemding. De titel van de bundel wordt hier gebruikt en slaat wel degelijk ook op de Zoeloekoning. Hij is menselijk, dierlijk en hij is een (moord)machine. De dichter trekt hier alle registers open.


De titel van Piet Gerbrandy's nieuwe bundel is een tegenstrijdigheid: " Vlinderslag"; het zachte verbonden met het harde. Dit vind je in zijn poÎzie terug. De bundel is een beurtzang met drie stemmen. Op de linker bladzijden staan prozateksten met een poÎtisch karakter, dat wil zeggen een tekst die verrast door zijn openheid, onverwachte wendingen, tegenstellingen, herhalingen, ongrammaticaliteiten, ellipsen. De ik pakt zijn fiets, kijkt naar de wolken en rijdt in de richting vanwaar zij komen. Hij kiest voor tegenwind.
"Zodra ik een pad gekozen heb, wijzen mijn voeten verder de weg. Die is slechts in zoverre bepaald dat ik uiteindelijk wil uitkomen waar ik vertrokken was." Hij vindt dat hij moet verhuizen als alle routes gereden zijn. "Of opnieuw beginnen. Verhuizen is beter." Hij zoekt naar "het ritme in de boventonen. Die vormen het eigenlijke verhaal."
Hij wil geen verhaaltjes vertellen. Hij is als een schilder die tijdens zijn bezoek aan VenetiÎ geen schilderijen maakt van lagunes of paleizen, maar met zijn rug naar de werkelijkheid kleuren kiest, een compositie, een binnenwereld. De woorden van de dichter flitsen vanzelf tevoorschijn.
Piet Gerbrandy waarschuwt de besprekers van zijn poÎzie, vooral degenen die willen analyseren, bloot leggen. Hij zou het eens zijn met Tonnus Oosterhof, die vindt dat blootleggen een schoolse term is. Je leest gedichten en de toon, woordkeus, beeldspraak, bevalt je of niet. Zo niet, ga je wat anders lezen.
Onder aan de bladzijden staat in cursief een uitspraak. Het lijkt alsof de dichter het wonder van de poÎzie wil dempen door nuchtere regels, axioma's, stellingen of maxime's, gemakkelijke geruststellingen na een verontrustend tafereel.
Op de rechter bladzijde vinden we gedichten, strofen met afgebroken regels.
Als Gerbrandy schrijft over een geliefde lijkt het ook wel te gaan over poÎzie. Hij zegt dat scherpte een wapen is dat ontleedt. Je moet niet teveel naar details kijken. Als hij kijkt naar de geliefde, wordt zij "de mij meest vertrouwde vreemdheid". Zo moet de lezer kijken naar de gedichten. "Om je lief te kunnen hebben moet ik je op afstand houden."
In een langere tekst "Golfslag" vinden we een laat-antieke dialoog. EÈn van de sprekers zegt dat dichters niet graag over hun intenties spreken. Ze willen iets onmogelijks onder woorden brengen. "De onderwereld, die bron van chaos en verschrikkingen, bevindt zich niet onder het aardoppervlak, maar in onszelf." Ik denk dat Gerbrandy dat herkent. Het verklaart ook zijn vaak weerbarstige taalgebruik.


Francesca Melandri: Reis naar een vader

Francesca Melandri heeft haar debuutroman 'Eva slaapt' genoemd. Ik vind dat niet zo'n goede titel, ook al komt op cruciale momenten in de roman dat zinnetje 'Eva slaapt' terug. Waar gaat de roman over? Over de strijd van Zuid-Tirol voor zelfstandigheid. Na WO1 hebben de politici het gebied aan ItaliÎ gegeven, maar de bevolking is Duitstalig en heeft weinig of niets met de Italianen. De Italiaanse overheid verbood de Duitse taal en gewoonten, maar de identiteit van een bevolking kun je niet met dwang veranderen. Er komen aanslagen, vernederingen, martelingen, doden. Alto Adice heet nu het gebied. Inmiddels is het gebied een autonome provincie.
De roman gaat ook over Gerda, die bezwangerd wordt door een verwende rijke jongeman, die haar in de steek laat. Gerda weet zich te redden als hulpje in de keuken en later als kok en zelfs chef-kok. Haar dochter Eva moet ze achterlaten in het arme bergdorp waar een familielid met veel kinderen zegt: 'Ach, eentje kan er nog wel bij.'
Gerda mag haar af en toe opzoeken.
Een carabinere uit CalabriÎ, Vito, een bescheiden en fatsoenlijke man, wordt na jaren Gerda's minnaar en Eva's stiefvader, maar zijn moeder accepteert de ongehuwde moeder niet, evenmin als zijn superioren. Hij wil met Gerda trouwen en Eva adopteren. Ze zouden elders kunnen wonen, maar Gerda voelt dat hij ongelukkig wordt en kiest voor hem. Hij vertrekt alleen naar CalabriÎ. Hij stuurt vele brieven, maar die worden ongeopend in het vuur geworpen. Als Eva zestien is, komt een pakje met een geluidsband, waarin hij zegt dat hij altijd aan haar denkt en dat hij een vader voor haar wil zijn. Haar moeder weigert het pakje en laat het terugsturen, 1300 km naar het zuiden.
Weer twintig jaar later wordt Eva opgebeld. Vito ligt op sterven en hij wil haar zien.
In de roman wordt het verhaal over de politiek en dat van Gerda en Eva afgewisseld met een etappe van de treinreis naar het zuiden. Die delen worden opgevuld met observaties van het land en de passagiers.
Waar gaat de roman over? Politiek? Liefde? Wie is de hoofdpersoon? Eva of Gerda?
Het gaat over verlangen naar erkenning. Ik stel voor als titel: 'Reis naar een vader'.


Ben ik empathisch genoeg?

Weet ik dat ik niet alleen zelfzuchtig ben, maar dat ik ook sociaal ben? Dat ik het goed en prettig vind me in een ander te verplaatsen? Begrijp ik dat een moslima onze seksuele gewoonten problematisch vindt? Dat zij een hekel heeft aan onze reclame en aan de wijze waarop westerse vrouwen in de zomer gekleed gaan?
Begrijp ik hoe moeilijk ons openbaar vervoer is voor mensen die slecht ter been zijn of voor blinden, doven?
Wil ik luisteren naar de man die de Heidelbergse catechismus als richtsnoer heeft gekozen of die door zijn opvoeding gebukt gaat onder het besef dat hij tot niets goeds in staat is, omdat het goede alleen van zijn God kan komen? Die weet dat hij misschien wel niet uitverkoren is en daarmee moet leven?
Kan ik me verplaatsen in de gevoelens van een pedoseksueel, van een autist, een bedelaar, een vluchteling, een egoÔstische bankier, een interviewer die geen tijd heeft om het boek van de geÔnterviewde te lezen?
Moet ik begrip hebben voor Marieke Heebink die "godzijdank niet naar Meppel hoeft"?
Of voor Anouk die vindt dat je over lijken moet stappen en dat er geneukt moet worden als dat belangrijk is om er te komen?


Voorbestemde liefde

Max Herder uit 'Het Belgisch huwelijk' van Marc Reugebrink gelooft wel en niet in voorbestemde liefde. De ontmoeting tussen Max en Isabelle kan onmogelijk toevallig zijn. Alles in het universum is er altijd op gericht geweest dat zij elkaar ontmoetten. Dat wil Max geloven. Dat neemt niet weg dat er andere meisjes /vrouwen waren vÛor Isabelle, velen zelfs, maar allen waren alleen maar voor -beelden voor Isabelle.
Het begon met Lisa op de kleuterschool, vier jaar oud. Max was niet erg begaafd met het leggen van herkenbare plastic figuren. Hij kijkt gefrustreerd op van zijn mislukkende werkje en ziet Lisa. Hij ziet haar in een gouden gloed. Hij ziet heel precies wat ze allemaal aan heeft. en hij ziet het nu als volwassen man nog. Zij kijkt op van haar werk en hij hapt naar adem.
"Hij sloot zijn mond, hij vouwde zijn lippen rond woorden die hij niet kende, die niet eens bleken te bestaan, hoezeer zij ook de grond, het hart, de essentie waren, het enige zelfs, van wat hij voelde dat gezegd moest en kon worden."
Wat is er aan de hand? Men wil uit zichzelf en in de ander kruipen. "Wil je me troosten? Want als jij bij mij bent, dan kan ik mijn ogen sluiten, dan kan ik sterven zonder vrees."
Dit is de Big Bang van de roman 'Het Belgisch huwelijk'.
Dan kan ik sterven zonder vrees, dan is het leven niet zinloos, dan heeft alles er toe geleid, dat ik dit mag meemaken. Ik weet dat het onzin is, maar ik wil geloven dat het zin is.
Isabelle dan. Hoe was het bij Isabelle? Anders, maar toch ook een beetje hetzelfde. Isabelle vroeg nooit een jongen ten huwelijk. Zij heeft altijd gewacht, ook al waren er jongens op wie ze indruk maakte. Isabelle hoopte en verlangde, maar toen Max haar in zijn armen nam en hij haar kuste en haar het gevoel gaf dat zij mooier was dat alle meisjes in Vlaanderen, wist ze dat zij op hem had gewacht.


Perspectief en stijl

'Het Belgisch huwelijk' van Marc Reugenbrink is opgebouwd uit veertien stukken die een onderwerp als titel hebben en een gekozen perspectief. Zo heet het eerste Invitatie (Wij); het tweede Giorgio(Max); het derde Max (Isabelle) etc.
Het eerste begint zo:
'Er is geen enkel liefdespaar dat werkelijk voorbestemd was om tot elkaar te komen ≠ behalve misschien Max Herder en Isabelle Fabry.
Toegegeven, ook dat is niet erg waarschijnlijk.'
Wie is hier aan het woord? Toch niet Max en Isabelle. Wie geeft iets toe? Dat moet de auteur zijn. Marc Reugebrink staat op de kaft en we weten wel: dat is iemand anders dan de persoon Marc Reugebrink die vlakbij Gent woont en die getrouwd is met de dochter van Stefan Hertmans, Hanna, aan wie het boek is opgedragen en over wie in het dankwoord wordt geschreven dat zonder haar dit boek nooit zou zijn geschreven. Allicht niet. Het boek vertelt over een huwelijk zoals ongeveer dat van Marc en Hanna, maar gefictionaliseerd, dat wil zeggen dat er namen zijn veranderd, dat er personen en eigenschappen van personen zijn verwisseld. Zei Vestdijk dat? De neus van de ÈÈn, de mond van een ander. De alcoholiste kan een alcoholist worden, Goor Groeze, de schrijver een kunstcriticus, de bitch uit een eerder huwelijk krijgt een voornaam die de auteur, of moet ik zeggen de persoon van de schrijver, alleen met afkeer uit de bek krijgt. Wie de schrijver persoonlijk kent, herkent allerlei situaties uit de werkelijkheid en de auteur heeft ongetwijfeld allerlei inside jokes toegepast die alleen echte intimi begrijpen of misschien alleen de auteur. Dat mag natuurlijk.
De trouwe lezer van Reugebrink herkent ook de stijl van de auteur, zinswendingen, aarzelingen, zelfcorrecties, grappen, vrijmoedigheden, zoals de trouwe Cees 't Hart-lezer die auteur ook herkent in zijn kritieken in De Groene.
Terug naar het eerste stuk: de auteur neemt zogenaamd het standpunt in van het liefdespaar. In 2 is zogenaamd Max aan het woord over Giorgio. Max is de ik-figuur. Hij kijkt in een etalage en merkt op: 'De jarretelle is terug, of nooit werkelijk weg geweest.' Kijk, dat is een opmerking in de stijl van Reugebrink. Zoals even verder Max 'denkt': 'Racisme was dat niet. Seks misschien. Mannetjeseks. Bronst. Territoriumdrift. Al kun je je afvragen of racisme iets anders is dan juist dat.' Hier, in de opsommende herhaling en de redenering hoor ik de schrijver Reugebrink.
In 3 kiest de auteur Isabelle als point of view: 'Dat mannen, ook als ze ouder zijn, toch vaak van die jongetjes blijven, dat verbaast me wel, moet ik zeggen. Het stoort me niet. Enfin, niet echt toch.' De laatste zin is niet Isabelle-achtig, maar Reugebrinkeriaans. Die kennen we uit zijn andere romans. Is dat erg? Welnee. In elk geval onvermijdelijk, lijkt me toch. (En nu word ik besmet door de stijl van Reugebrink.)


Woede

De auteur spaart Max in "Het Belgisch huwelijk", en dus zichzelf (mag ik dat schrijven?) niet. Via Isabelle komt nogal harde kritiek op zijn gedrag. Natuurlijk houdt ze van hem. Ze zegt het als een mantra. "Maar hij houdt van mij, hij houdt van mij!" Een boos jongetje is Max. "Maar ik houd van hem. Ik houd van hem."
Max kan verharden, een blok onverzettelijkheid worden. Isabelle ziet het allemaal heel duidelijk. Vroeger was het anders. Vroeger reageerde hij rustig op verkeerssituaties, maar tegenwoordig wordt hij boos, steekt zijn middelvinger op, valt tegen Isabelle uit, verwijt haar dat ze kiest voor de anderen.
Max kan onbereikbaar worden, uren mokkig zwijgen. Hij valt de Vlaamse agenten of verkoopsters aan. Scheldt op hun achterbaksheid, hun gebrek aan duidelijkheid. Isabelle zegt (Reugebrink schrijft): "Soms betrap ik mij opop heimwee denk ik dat het is, heimwee naar de Max van in het begin. Max met de fonkelende ogen, Max met die pretlichtjes en de grijns."
Nu ergert Isabelle zich aan het gepeuter aan zijn nagels. Hij knipt zijn nagels niet, hij scheurt ze. Zij geeft hem dan een tikje op zijn hand. Ze heeft geleerd, toen ze 10 was, dat men een gentleman herkent aan zijn handen en zijn tanden. Overal in huis vindt ze stukjes nagel.
In het voorafgaande stukje is Max zelf aan het woord. Hij is woedend. Woedend op Mathilde die hem heeft verraden. Hij vertelt dat hij in alle staten was, wilde haar wel van de trap af sodemieteren, als ze na een lange avond, nacht, eindelijk thuiskwam. Hij had haar eindeloos gebeld, maar ze nam niet op. Nu is hij bang dat Isabelle hem ooit verlaat. Hij weet dat zijn eis hem nooit te verlaten absurd is, omdat ze "als ze gaat, ze gaat, zonder rekening te houden met wat ik redelijk vind."
Uit een droom, waarin alles door elkaar loopt en de vrouwen Max bedriegen, wordt hij wakker. Hij zoekt troost bij Isabelle. Hij is nog woedend, maar hij wil "dicht tegen haar aan kruipen, verdwijnen in de plooien van haar huid, in de warmte van haar schoot, haar armen om me heen, en gewiegd worden, eindeloos gewiegd, zacht heen en weer bewogen tot het niet meer hoeft, tot niets meer hoeft, tot ik klaar ben en het voorbij is, alles."
De kleine jongen wil terug in de moederschoot. De laatste regels zijn bepaald omineus.


Uitroeien

In Richteren staat het heel duidelijk, vele malen: de God van IsraÎl gaf opdracht alle Kana‰nieten uit te roeien, maar na Jozua hadden de IsraÎlieten genoeg van het moorden. Zij wilden in vrede leven met hun naburen en namen ook wel hun gebruiken over, hadden zelfs respect voor hun goden en kijk, dat vindt Ik Ben Die Ben niet goed. Hij was altijd duidelijk geweest: er is maar ÈÈn God en dan Ben Ik. Ik heb jullie dit land beloofd en ik zal jullie helpen met listen en krachten, zo lang jullie doen wat ik zeg. Zo niet, dan lever ik jullie uit aan de vijand. Denk aan Jozua. Hij gehoorzaamde, hij verwoestte de altaren van de Kana‰nieten en slachtte
ze allen af, mannen, vrouwen en kinderen. Hij trok moordend en plunderend door het Beloofde land. Jozua 12:21 'In die tijd roeide Jozua ook de Enakieten uit die in het gebergte woonden, in Hebron, Debir en Anab, en verspreid over het bergland van Juda en IsraÎl. Hij verwoestte hun steden en doodde de inwoners, zodat er geen enkele Enakiet in het gebied van de IsraÎlieten overbleef, behalve in Gaza, Gat en Asdod.'
Als niet alle mensen die in het Beloofde land wonen, worden uitgeroeid, tot de laatste man en vrouw, kan IsraÎl nooit in vrede leven.
Een ander volk met een andere God wil leven naar de wet die hij gaf aan zijn profeet. Die wet gaf aan dat alle ongelovigen moeten worden onthoofd en dat hun vrouw slavin moeten worden.


Het begin van een liefde

Hoe beschrijft Vestdijk het begin van de liefde tussen Lucie en Anna? In het volkse hotel de Goldene Ochse ziet Lucie een jonge vrouw, kellnerin die zij de hertogin van Kent noemt tegen haar man. Een "lange, broodmagere vrouw van om en bij de 30, met een heel lang, smal gezicht, lange Kin, laag voorhoofd, waarover blonde krulletjes tuimelden, en armen als pijpestelen." Geen schoonheid dus. Haar man ziet dan nog twee ronde borstjes net onder de rand van haar keurs. Anna dus en Anna kijkt, we zijn op bladzijde 20, in Lucies' richting. De volgende morgen klopt Anna op haar deur. Bij Anna is het dus al gebeurd, begrijpen wij later, want er wordt verteld vanuit Lucie, die schitterende blauwe ogen ziet. Lucie is zich aan het wassen, maar geneert zich niet. Vrouwen onder elkaar, niet waar? Anna wil haar ontbijt brengen. Lucy vraagt dan maar thee en beschuit. Ze kruipt weer onder haar dekbed en doezelt weg. Daar staat Anna weer. Lucie kijkt naar het meisje
"terwijl het van de vorige avond reeds vertrouwde iets van beklemming bij haar teweegbracht, iets als een vage schrik, een gevoel van: zo is het nu, dit is het, hoe idioot, hoe verbazend gek" Ah, ze voelt iets maar weet nog niets.
Ze praat even met Anna en Lucie beseft dat ze gefascineerd moet zijn door haar ogen. Dat is ze wel gewend. Later, als Lucy dankzij de ontmoeting met haar jeugdvriend, de arts, die zegt dat een hart getraind moet worden, in de bergen gaat wandelen -, later blijkt dat Anna haar verwent met appels en chocola in een schoudertas en blijkt dat Anna uit zorg haar achterna komt op een beetje gevaarlijke wandeling. Dit doet overigens denken aan een scËne uit 'De arme Heinrich', waar de ik-figuur, die dezelfde positie inneemt als Lucie, gevolgd wordt in de bergen door Adri Duprez.
Lucy klimt meteen maar urenlang en ook langs steile en gladde paden. Dan weet de lezer dat Anna van haar droomt, maar hij krijgt pas veel later te lezen hoe heftig de liefde is. Ondertussen weet hij dat Anna jaloers is op de aandacht van twee mannen voor Lucie en op het bezoek van haar schoonzoon, die bekent van Lucie te houden. Anna voelt dat. Ze laat de schoonzoon door haar ruwe verloofde molesteren en als Lucie zegt dat ze naar een ander hotel gaat, breekt Anna en bekent hysterisch haar liefde, waartegen ze vergeefs gevochten heeft. En het was nog nooit eerder gebeurd! Lucy weet nog steeds niet dat zij ook van Anna houdt, met een diepe alles overheersende liefde.


De uiterste seconde

In de "Alpenroman" van Vestdijk kom ik de volgende zin tegen: " Niet het eeuwige leven was groots, maar dit verdwijnen voor eeuwig".
Ik denk aan Vasalis' " En niet het snijden doet zo'n pijn /maar het afgesneden zijn." Dit doet ook denken aan Vestdijks beroemde gedicht " De uiterste seconde", waarin staat "Doodgaan is niet de aangrijpende gedachte / Dat zij voortaan alleen die paden gaat.-// Maar dat dit alles w‡s: een werk'lijkheid, Die duren zal tot de uiterste seconde;"
Er is veel gedelibereerd over dit gedicht, door Oversteegen, d'Oliveira, Beekman, Otterlo en Hartkamp. Wat Vestdijk zegt in het gedicht blijkt uit de geciteerde zin: dat niet het leven raadselachtig is, maar het eeuwig verdwijnen ervan en dus toch de raadselachtigheid van het even bestaan. Waarom? Waartoe? Wat is de betekenis van ons leven als het voor eeuwig verdwijnt? Tot de uiterste seconde is het aanwezig, daarna niet meer, nooit meer. Alle liefde, vreugde, maar ook angst, verdriet en pijn ≠ voor altijd verdwenen. Alsof ze geen enkele betekenis hadden! Maar er is volgens Vestdijk, blijkens opmerkingen elders, ook een Nirwana, een vol-ledigheid.
De zin waarmee dit stukje begon, werd als het ware gedacht door Lucie (alias Vestdijk zelf), die stijgt in de bergen. Ze wordt gevolgd door: "Neen, nu had Lucie de weg niet meer kunnen zien, ook wanneer ze het gewild had. De tranen liepen haar over de wangen, ze voelde zich ijl en wijd, en volkomen gelukkig."
Weer denk ik aan Vasalis: "Denk aan de aandacht en de rust / als bij het bestijgen van een berg. / Daarboven sneeuw, brandend van wit. / Zo zou het zijn: langzaam, aandachtig, / ingespannen, stijgende, tot het wit-gloeiende eind, / dat heilig is, eenzaam en wijd."


Vestdijk- schrijfcursus

Vestdijk heeft vast geen schrijfcursussen gevolgd, maar bijvoorbeeld "Een alpenroman" is ideaal voor het geven van schrijfadviezen. In het eerste hoofdstuk komt een 43-jarige vrouw, Lucie, aan bij een hotel in de bergen, niet te hoog. Zij zit in de auto van haar man en besluit in de Goldene Ochse haar intrek te nemen, omdat zij langzaam achter ontroerende koeien moeten rijden. Tussen haakjes, wat een verschil met nu, waar op de computer uitvoerig wordt gezocht naar plaatsen en prijzen, met foto's en kaarten en reserveermogelijkheden. We gaan niet meer op de bonnefooi reizen!
Lucie ziet een kellnerin die ze de hertogin van Kent noemt. Deze kellnerin, ongeveer dertig jaar, brengt haar de tweede dag ontbijt op bed met blauwe bloemen. Dat lijkt een intiem gebaar. De eerste nacht slaapt haar man in de naastgelegen kamer en de volgende ochtend is hij vroeg vertrokken. Lucy zou een hartkwaal hebben. Ze is niet van plan te gaan klimmen. Dan ontmoet ze een oude jeugdliefde uit M¸nchen. Ah, dus ze spreekt behoorlijk Duits. Deze man is arts, lijkt op haar eigen man en binnen de kortste keren weet hij de oorzaak van haar hartkwaal bloot te leggen. Ze heeft, zoals dat ouderwets heet, geen echtelijke omgang meer. De oude vriend raadt haar zonder woorden aan om een vakantieliefde te beginnen en mËt woorden om te gaan wandelen, steeds hoger. Haar hart moet sterker worden.
Uit alles blijkt dat Lucie geen financiÎle belemmeringen heeft, maar wat is er met de zaak van haar man aan de hand? Een schoonzoon lijkt teveel financiÎle macht te hebben. Dat belooft nog wat. De lezer weet waarschijnlijk al dat de roman gaat over een grote liefde voor een vrouw. Dit is dus nu in vier hoofdstukken prachtig voorbereid. Je wordt de roman ingetrokken en je verheugt je op de momenten dat je weer verder kunt lezen, door de gebeurtenissen, de taal, de observaties.
Hoe anders dan het doorworstelen van de pagina's van "La Superba", bij welk boek je je na twee hoofdstukken zo verveelt dat je het boek moet wegleggen om te recupereren. Dit ondanks het feit, dat de ik-figuur oprechte deernis heeft met vluchtelingen in Genua en dat hij interessante filosofietjes blijkt te hebben. Bij Vestdijk geniet je van elke bladzijde: de opbouw, de dialogen, de observaties, de mensenkennis.


Tasso

Hoewel Goethe zijn 'Torquato Tasso' meer een leesstuk dan een speelstuk noemde, besloot Theu Boermans het toch op het moderne toneel te zetten, met jonge acteurs. Boermans maakte er een puberale soap van: Tasso wordt een hysterische puber die verliefd is op de prinses, in haar bijzijn zijn broek uittrekt en op de rand van de chesterfield bank gaat zitten en als hij wordt afgewezen masturbeert op haar portret. Dan komt zijn rivaal, de secretaris van zijn broodheer en succesvol diplomaat binnen. Tasso moet van de prinses vriendjes met hem worden en reikt hem de hand, die zojuist nog De secretaris weigert de hand en de vriendschap. Hij zegt dat zij tijd nodig hebben. Tasso is mateloos, de secretaris is beheerst. Tasso slaat uiteindelijk het portret kapot op de kop van de als een zakenman geklede secretaris. De regie zit vol clichÈ's. De prinses is ziek en neem af een toe een pil in met een glas water en slaat dan haar hoofd achterover, want zo neemt men op films een pil in. De hertog ziet er uit als een moderne jongen, straalt geen enkel gezag uit, maar ontvangt via zijn mobiel wel allerlei boodschappen, waarop hij joviaal Ën autoritair reageert en heel vlot Italiaans gaat spreken, zoals we dat kennen uit Italiaanse detectives. De vriendin van de prinses ziet er uit als een vlotte jonge meid, met lachjes naar het publiek. Met een spuitbus verguldt zij de lauwerkrans die Tasso op zijn hoofd gedrukt krijgt door de prinses. Hij weigert eerst, maar is er wel heel blij mee en vindt ook dat het hem toekomt. Boermans heeft zijn acteurs kennelijk voorgehouden dat ze het geheel een beetje belachelijk moeten maken, maar de prinses speelt vooral alsof alles een serieuze tragedie is. Wel heeft ze rare zwarte jurk aan met een open rug, die haar zwarte bustehouder goed laat zien. Ze zit vaak wijdbeens, zodat een deel van het publiek haar slipje kan zien.
In de historische werkelijkheid heeft Tasso, die beroemd werd met zijn 'Jeruzalem bevrijd' (van de Saracenen), een hoveling bedreigd en vervolgens een tijd lang gevangen gezeten. Goethe wilde het hebben over de spanning tussen poÎzie en politiek. Hij vond dat een dichter meer oog moest hebben voor de realiteit Hij was tenslotte zelf minister van Weimar. Boermans vindt dat de kunst zich te weinig heeft bezig gehouden met het publiek. Kunst moet dichterbij de mensen komen. Met deze regie heeft hij, naar mijn smaak, het publiek verder weg geduwd.


>Een jongetjesboek

'La Superba' is wel een beetje een drollerig boek. De ik-figuur, die zo flink doet en zo slim is, is tegelijkertijd een loser. Zijn praatjes over vrouwen zijn die van een in wezen bange jongen. Hij doet flink, maar een beetje zelfbewuste vrouw blaast hem zo omver.
Je krijgt als lezer een aardig beeld van de straten en bars en steegjes van Genua. Over de Italianen lees je alle bekende clichÈ's. Wel geestig genoteerd, maar net zo min als we in Nederland op klompen lopen, hebben Italianen mooie schoenen aan.
Hij vindt Amerikaanse vrouwen erg omdat ze denken dat intelligentie belangrijker is dan uiterlijk. Hij beschrijft zo'n vrouw: "Met haar tieten als geklapte luchtballons in een gemakkelijk zomerjurkje als een vooroorlogse tent had zij geen recht van spreken over welk onderwerp dan ook. Ze zou zich moeten terugtrekken in een donker woonkamertje in Ohio achter haar computer om met trillende vingers onder het pseudoniem FaTgIrl Journal berichtjes te sturen naar internetforums voor vrouwen met suÔcidale gedachten. Zij kwam in aanmerking voor een postnatale abortus. Dat zij bestond was al erg genoeg."
In de bar met het mooiste meisje zit hij altijd te schrijven en hij hoopt dat ze hem in zijn dure pak met hoed een keer aanspreekt. Wat doet u toch? Wat schrijft u? Bent u beroemd? En dan zegt hij: 'ach, eigenlijk ben ik een dichter.' 'Een dichter? Ik heb altijd een dichter willen ontmoeten. Wilt u een gedicht voor me schrijven.' 'Dan moet ik je beter leren kennen.' Naam.Telefoon nummer. Afspraakje, zoenen en neuken.


Doel en middelen: Gavrilo Princip

Wat vond Gavrilo Princip het allerergste van zijn eenzame opsluiting na de moord op Frans Ferdinand en zijn vrouw Sophie in Serajewo? Dat hij niets te lezen had.
Princip was een niet zo indrukwekkende Servische idealist die de vernedering van zijn land door Oostenrijk wilde wreken. Hij had altijd veel gelezen: niet alleen over anarchistische idealen waarin ieder zijn leven mocht leiden volgens eigen principes.
In BosniÎ bezocht hij de middelbare school. Hij ging later studeren in Belgrado en werd lid van de geheime Bosnisch-Servische socialistische beweging, de "Zwarte Hand".
Een majoor van het Servische leger, die hem te klein en te zwak vond om dienst te nemen, beledigde hem. Princip wilde bewijzen dat hij ook een strijder kon zijn.
Na de knullige moord werd hij veroordeeld tot twintig jaar cel. Hij had waarschijnlijk al tuberculose, waardoor in de gevangenis zijn arm moest worden afgezet. In de gevangenis was hij altijd geketend, zodat hij het 's nachts erg koud had en volkomen verkleumd na enkele uren slaap ontwaakte.
Nog voor het eind van de Eerste Wereldoorlog overleed hij in de gevangenis.
Hoe zou je een toneelstuk kunnen maken over zijn leven; naturalistisch en realistisch?
Eerste bedrijf: zijn jeugd en schooltijd.
Tweede bedrijf: studie en lidmaatschap van de 'Zwarte Hand'.
Derde bedrijf: voorbereidingen van de moord en het fatale schot.
Vierde bedrijf: rechtszaak.
Vijfde bedrijf: het leven in de gevangenis en zijn dood.
Zou dit een interessant toneelstuk kunnen worden? Dat hangt van de verwoording af, van de scËnische opbouw, van de regie, van de acteurs.
De Warme Winkel maakte er een 'maniakale theatrale constructie' van met veel schuivende, rollende en tenslotte neergelegde decors, live filmbeelden, met geschreeuw en allerlei 'mooie' vondsten. Theater om naar te kijken, om vermaakt en soms ontroerd te worden.
Concept en spel waren van Jeroen De Man, Maria Kraakman, Vincent Rietveld, Mara van Vlijmen en Ward Weemhoff camera: Emo Weemhoff. Eindregie: Marien Jongewaard.
In het begin van de voorstelling kwam Mara op die de kijkers inleidde in de film op een superieur gespeelde lullige manier in een modern cafÈ-taalgebruik.
Mijn bezwaar tegen de voorstelling was dat veel scËnes te lang duurden: de spelers waren verliefd geworden op hun concept en spel. Marien had moeten ingrijpen, maar hij maakte deel uit van het proces. Een 'vreemde' kijker zou heilzaam gewerkt kunnen hebben.
Aan het slot wordt aangehaakt op de actualiteit, ook nogal breedvoerig, terwijl de kijkers allang de parallel hebben gezien met de SyriÎ-gangers. Idealisten? Princip had spijt over de dood van Sophie, maar niet over die van de kroonpretendent. Had Oostenrijk zijn land maar niet moeten vernederen. Hij dacht als alle revolutionairen dat het doel de middelen heiligt.


Perspectief

Liefde en dood, daar gaat het natuurlijk altijd over, ook bij Vestdijk.
Het verschil tussen op een berg staan en in het dal, dat enorme verschil, wordt in laatste instantie niet bepaald door het grimmige uitzicht van de ene kant en de lieflijkheid van het landschap aan de andere kant, nee, het is het feit dat je boven dood kunt vallen en beneden niet. Je kunt, dat is waar een hartverlamming krijgen, heel ongelukkig struikelen beneden, maar er is niet de zuigende kracht van de diepte.
Vestdijk verbindt het met de liefde. Als je van boven uit het zolderraam kijkt naar het meisje van je hart, is dat totaal anders dan wanneer je beneden op het marktplein kijkt naar boven waar het meisje zit.
Het gaat hier om het verschil in perspectief. Het schrikbarende is dat iets of iemand zichzelf blijft en toch totaal anders wordt. Je ligt bijvoorbeeld op een dijk met een meisje en je kijkt naar boven en je ziet onder haar kin een vlek en je denkt: nee, dit meisje wil ik niet. In de alledaagse liefde van een huwelijk blijft de geliefde zich zelf en kan toch plotsklaps heel anders worden. Plotseling zie je dat de geliefde niet mooi is of aantrekkelijk, zoals het landschap door de perspectief verschuiving en de tijd van lieflijk grimmig kan worden.
Zo ziet de ik uit 'De arme Heinrich' het meisje Adri Duprez anders dan in 'Het glinsterend pantser' en al eerder in dat eerste boek van de reeks. Hij herkent haar niet eens aanvankelijk. Hij schakelt zijn fietslantaarn in en daar staat ze. 'toen ik haar de hand reikte, dacht ik bij mijzelf: wat ben je lelijk, godallemachtig, wat een teleurstelling. Ik vond haar ≠ ik wil niet zeggen: ze was ≠ zo lelijk, dat het haast pijn deed; maar ik had niet kunnen zeggen waarin die lelijkheid nu wel bestond. Waren het haar schaduwen, was het de lichtval van een stervende dag, die de boel nog gauw even bederven wil?'
Tijdens de eerste ontmoeting kijkt het meisje van zestien/zeventien hem aan 'zoals niet veel meisjes mannen moeten aankijken, wil het goed blijven gaan op de wereld.' Zijn ademhaling staat stil, het bloed stijgt naar zijn hoofd.
Een volgende keer dat hij haar ziet, vindt hij haar dus lelijk en ja, zo gaat dat bij Vestdijk, hij wordt hopeloos verliefd. Later bekent hij dat vanaf het eerste moment in die stoel van haar gehouden heeft, maar dat het overgaat. Het gaat altijd over. En hij zoent haar, wat ze laat gebeuren.


Je inleven

Is verbeeldingskracht een noodzakelijke voorwaarde voor empathie? Zonder verbeelding kun je je niet voorstellen wat een ander doormaakt, hoe het is om echt honger te hebben of vernederd te worden. Zonder verbeelding kun je je niet verplaatsen in de eet- en leefgewoonten van een ander. Je reageert bot op andere gebruiken. Je kunt je niet voorstellen wat mensen zoeken in een orthodoxe kerk of in een andere partij.
Is verbeeldingskracht een morele vaardigheid, zoals Kees Schuyt betoogt?
Esther Gerritsen betoogt in een column dat te veel empathie je onverschillig kan maken. Zo wordt zij vriendin van het pak melk dat zij koopt, maar de onverschillige hand van de cassiÎre schuift het pak opzij.
Is ontrouw een gebrek aan fantasie, omdat je je niet voorstelt wat er allemaal kan gebeuren als je je geliefde verraadt? Of omdat je de illusie hebt dat de liefde met een ander heel anders is? Of omdat je met een beetje fantasie je bevrediging ook kunt vinden zonder lichamelijke ontrouw?


Verhalen

Wij maken verhalen, altijd, van jongs af aan. Wij kunnen niet anders, omdat we verslaafd zijn aan zingeving. Je moet er toch niet aan denken dat alles zinloos is? Het leven moet toch meer zijn dan een toevallige chaos?
De mens is van de vroegste tijden af ≠ en wellicht geldt het ook voor dieren ≠ bezig om zinvolle verbanden te leggen tussen gebeurtenissen in het leven.
Als er in het struikgewas geritseld wordt, komt er even later een slang uit of een leeuw. Wegwezen dus. Of als je op jacht bent en je verwacht ergens een prooidier, dan kan geluid of de verandering van een schaduw aangeven, dat je je boog moet spannen en je speer moet ophouden.
Je legt voortdurend relaties tussen de gebeurtenissen. Wat doen de wolken? Is er een kring rond de zon? Komt er storm en regen?
Wij kunnen niet leven zonder betekenis en als zij er niet is dan maken we haar. Dat is van levensbelang.
In onze fantasie gaan we door met het leggen van verbanden. We vermaken onszelf en elkaar daarmee, maar het heeft ook een voorbereidende functie. We proberen mogelijkheden uit. Als dit, dan dat of misschien dat. We bereiden ons voor op enge mogelijkheden of onvermoede kansen.
Tijdens onze slaap gaat dit door met absurde resultaten soms, want niet gehinderd door een realistische bijsturing. Je staat bijvoorbeeld voor een torenhoge loodrechte muur. Met een touw kun je omhoog klimmen. Daarboven zijn winkels, waar je brood en kaas kunt kopen. Beneden is ook een winkel, maar daar kan alleen een koning komen. Jij moet met de anderen met moeite omhoog klimmen. Blijft de koning beneden? Nee, er is een lift in de berg voor hem. Hij zoeft naar boven en kijkt rond.
Wat doen je hersenen? Zij verbinden elementen uit het waakleven, maken er een verhaal van, hoe onlogisch ook.
Onze literatuur komt voort, van oudsher, van vÛÛr het Gilgamesj-epos, uit deze hersenactiviteit: het leggen van verbanden tussen waarnemingen, het doordenken van mogelijkheden: eerst is er dit, dan dat en wat volgt dan. Je bedenkt het en bereidt je voor op een mogelijke werkelijkheid.


De FeeÎntrein

Ze was negentien toen ze werd uitgenodigd op een groot feest van de adelborsten. Dat waren jongens die zeeofficier wilden worden. Ze werden opgeleid in gebouwen aan de Buitenhaven, naast het Paleis, waar de Commandant Zeemacht woonde. EÈn maal per jaar werd er drie dagen gefeest. Dat heette het Assaut. Eigenlijk betekent dat stormloop, aanval. Een feestelijke stormloop. Omdat er toen nog geen meisjes werden opgeleid bij de marine, haalden ze die uit het hele land. De treinen kwamen samen in Amsterdam. Daar stapten de meisjes over in De FeeÎntrein naar Den Helder.
Ik wachtte de trein op en dacht aan de trein vol meisjes, of vrouwen met koffers waarin hun avondjurken waren opgevouwen, met blinkend ondergoed en beautycases, stikvol met lipsticks, nagellak, poederdozen en andere geheime spullen.
Hoe zouden ze er uitzien als de trein binnen kwam rijden?
Leken ze al op de vrouwen die ze op het feest zouden zijn? Ze hadden zich natuurlijk opgemaakt, thuis, voor ze instapten, en ze hadden hun make-up bijgewerkt voorbij Anna Paulovna, want hun adelborst stond in Den Helder te wachten. Ze zouden omhelsd worden, gekust, al of niet hartstochtelijk of verlegen. Sommigen zouden alleen een hand geven, omdat ze de adelborst die haar had uitgenodigd nog niet zo goed kenden. Dat zou na drie dagen feest anders zijn. Ze vertrokken vanaf hetzelfde station naar huis heel anders, met meer verwachting of teleurgesteld.
Mijn zus, jouw oudtante, was fee. Zij hoefde niet te komen met de feeÎntrein. Toch ging ook zij naar het station om te kijken naar de andere meisjes uit Den Haag of Arnhem of Vlissingen en om haar gast op te halen. Ze was met een taxi vertrokken, met twee adelborsten.
Ik moest om het station heenlopen om bij de voorkant te komen.
Op het stationsplein, ÈÈn van de weinige stadse plekken van Den Helder, met de grote bomen van het Julianapark en de muziektent, was het druk. Rijen taxi's en andere auto's stonden klaar tot ver op de Parallelweg. Ik kocht van mijn beetje zakgeld een perronkaartje, want ik wilde langs de trein lopen en er zelfs instappen om zoveel mogelijk meisjes te zien.
De adelborsten op het perron stonden bijna allemaal naar het zuiden te kijken. Ze zagen er prachtig uit met hun slank afkledende zwarte pakken. Het rood en het goud feestelijk, hun gezichten bleek of blozend. Ze trokken nerveus aan hun ponjaard ≠ een kleine degen ≠ en aan de goudkleurige ketting. Ze vroegen zich waarschijnlijk af of hun fee wel in de trein zat en hoe haar stemming was.
Er kwam beweging. Alle koppen gingen naar links en daar reed de trein binnen. Blazend, stomend. Na een krijsend geluid stond hij eindelijk stil en gingen de deuren sissend open. Lachende meisjes keken uit naar hun gastheer, kennis of vriend. De zwart-rood-gouden heren verloren hun deftige houding en dromden naar voren. Een enkeling liep snel achter de massa langs. Er was een stroom van uniformen. Daar achter stonden de gastgezinnen, oudere heren vooraan, hun dames ÈÈn stap terug en dan wat ongeregeld volk.
Ik stond achter de locomotief, bij de eerste coupÈ. In de wirwar van kleuren en geluiden ontgingen mij details, maar al gauw kwamen er gaten in de begroetingen. De meeste meisjes zagen er heel gewoon uit. Ik liep naar voren toen de locomotief werd losgekoppeld en kwam bedachtzamer of verlegener koppels tegen. Er liepen nu meisjes alleen met koffers. Dravende, onhandige adelborsten kwamen haar tegemoet.
De trein was lang. Ik dacht toen dat de trein uit Maastricht kwam en op allerlei tussenstations feeÎn opnam. Als de feeÎn instapten, herkenden ze elkaar dan? Reisden ze samen? Ze praatten over hun jurken natuurlijk. Ik kende van het vorige jaar de adembenemende, wijd uitstaande tulen jurken. Het thema was dit jaar een Turkse serail, sprookjes van duizend en ÈÈn nacht. Het Paleis werd in een week omgetoverd tot een onbekende doolhof.
Ik liep door de lege trein. Hier zaten zij. Allemaal grote meisjes of jonge vrouwen, met lange jurken, hoge hakken. 'Wat is het hier kaal', zeiden ze. 'Geen bomen. En de bomen die er zijn, hangen naar het oosten. O, die wind, ik zou hier nooit willen wonen. Ruik je de zeelucht?'
Hier zaten ze, draaiden, keken naar buiten, zuchtten, lachten. Hun geur hing nog in de trein. Een geur die ik kende van de badkamer, maar minder fris, vreemder ook. Een chaos van geuren.
Een conducteur kwam mij tegemoet.
'Ben je iets vergeten? Zoek je iets?'
Ja, ik zocht iets, maar ik wist niet wat.
'Nee', zei ik. 'Ik kijk alleen maar even.'
'Pas maar op, we rijden zo weer terug. De locomotief is aan het draaien.'
Den Helder was een kopstation. Als er geen stootblok stond en de trein kon niet remmen, zou hij zo de zee inrijden.
Ik stapte uit. Op het perron waren bijna geen mensen meer. Mijn zus had ik niet gezien. De kaartjescontroleur bij het tourniquet maakte aanstalten om naar binnen te gaan. Op het stationsplein stond nog een enkele auto. FeeÎn stapten in, een kofferbak werd dichtgesmakt.
Ik liep langs de andere kant van het spoor naar huis. Bij de overweg moest ik wachten. De trein reed terug, heel wat leger nu.
De volgende dag stond er een foto in de krant: 'De feeÎntrein komt binnen'. Lachende en wuivende meisjes hingen uit de ramen. Het zag er veel vrolijker uit dan de dag er voor.
(Uit 'De FeeÎntrein', uitg. De Kleine Uil)


De volmaakte mens

Volgens Vestdijk berust geloof op het streven, onuitgesproken en onbewust, naar de vereniging met het ideaal van de volmaakte mens. Hij streeft een totaliteit na van duurzaam geluk. Het geloof verbindt het afzonderlijke met het oneindige. Geloof eist de totale mens en de gelovige is dan ook bereid voor zijn geloof te sterven op de brandstapel.
øWaarom gelooft men? Omdat men er gelukkig van wordt. Dat streven naar geluk is een instinct. We verlangen naar vrijheid, onbezorgdheid, geborgenheid. We willen onze angst overwinnen, ons schuldgevoel, ons lijden.
øHet jonge kind is in zekere zin nog volmaakt, maar onbewust, omdat het samenvalt met zijn verlangen en omdat de verrukking van het leven totaal lijkt en omdat zijn behoeften door de moeder volledig worden bevredigd: eten, drinken, koestering. (Dat geldt helaas niet altijd voor alle kinderen.) De kleuter kent af en toe nog de ongeremde vrolijkheid en levensblijheid, maar hij wordt al gehinderd door ik-bewustzijn, door zich te vergelijken met de andere kleuters en door zijn 'bezittingen' te verdedigen. De volwassenen hebben soms nog iets van het kind in zich bewaard, alle volwassenen wel iets, maar sommigen kennen het in ruime mate. Leo Vroman kon zo als een kind om zich heen kijken en genieten van het licht en de kleuren.øWe willen het geheim van het leven kennen, ontraadselen. Iemand die het duurzame geluk heeft bereikt, heeft geen behoefte meer aan religie: hij is een volmaakte geworden.øIeder mens beweegt zich in de richting van universaliteit tot hij in de dood aan het universum teruggegeven wordt en erin oplost.øDat is het. Dat is alles. Wij zijn zelf hier de werkelijkheid en er is niets daarbuiten, niets dan iets onbenoembaars, dat ons omringt, waarheen wij ons 'verwijden', maar dat wij nooit zullen ervaren en dat ons strikt genomen ook niet aangaat.
We streven naar een ideale toestand, die volgens Vestdijk vertegenwoordigd wordt door de eeuwige mens.
Bij het metafysische type pad naar de eeuwige mens wordt die als transcendent of metafysisch gezien. Het ideaal is dan niet door de mens ontworpen, maar door God, ook al kun je dat een projectie noemen, wat de gelovige uiteraard niet doet.
Bij het sociale type wordt het ideaal geprojecteerd op een toekomstige heilstaat: het gaat om een 'hemel' op aarde.
Bij het mystiek-introspectieve type is het ideaal te vinden in de mens zelf, waarbij de volte tegelijk de leegte is.


Rijm en metrum in Mnemosyne

De duivelskunstenaar is niet alleen een rijmkunstenaar waar hij in de vijfde zang van 'Mnemosyne in de bergen' meer dan honderd strofen lang het rijmschema aaabb handhaaft, maar dat ook nog doet in een ongebruikelijk metrum: de anapest en daarbij niet in een dreun vervalt door af en toe antimetrische verzen te schrijven. Niet alle strofen zijn briljant; er is onvermijdelijk geknutsel:
De student, door die glorie verontrust,
In het oosten nog steeds niet uitgeblust,-
Zelf geradbraakt en slecht uitgerust
Na de tocht van de vorige dag
En na al wat in dromen hij zag
In de vierde zang was het rijmschema abba en het metrum jambisch; in de zesde zang is het rijmschema ababba en het metrum weer anapest.
Dit metrum noemt men stijgend (onbeklemtoond-onbeklemtoond-beklemtoond) en vergis ik mij niet, dan heeft het een jagend effect, in elk geval in deze zang, onder het teken van Jupiter en Erato. In deze zang wordt de student geconfronteerd met de gerechtigheid, de dondergod die hem aanklaagt wegens de moord.
In het begin van deze zang laat Vestdijk zien wat hem in het gebergte aantrekt: de natuur geeft rust, blaast beslommeringen weg en voert tot de kern van het menselijk zijn: tot vergetelheid. Wonderlijk nietwaar? Mnemosyne is van het geheugen, maar uiteindelijk, in Boeddhistische zin en volgens Vestdijk van de vergetelheid. De Lethe komt ook voor in deze zang.
'Niet mÈer te zijn dan een leegte die uit elkaar spat
En weer volloopt, om ijlings door leeg'ren te worden verzwolgen'
Dit heeft te maken met wat Vestdijk schrijft in 'De toekomst der religie': hij onderscheidt het metafysische type, het sociale en het mystiek-introspectieve type. Het laatste type heeft volgens Vestdijk de (verre) toekomst. Hierover later meer.