Huiveringwekkend komisch

Remco Ekkers

Er is een tekening, gemaakt door Siegfried Woldhek, van Frank Koenegracht: hij zit scheef op een stoel, een beetje bokkig en doet wat van juf of ouders niet mag. 'Hé joh, een stoel heeft vier poten!' 'Nou en?' denkt de jongen. Of: 'Dat zeggen jullie nou wel, maar hij functioneert op twee ook heel goed! Je kunt zo prettig wippen. Okay, je moet houvast zoeken, maar dat kan ik op een of andere manier wel.'
Op de tekening doet hij dat door zijn rechter wijsvinger tegen de tafel te drukken. De duim ligt als stuur op de tafel. De vlot geschetste lange broek zit zonder riem, met één knoop vast en ziet er wat hansopachtig uit. Zo'n broek zal Eric van Bomans gedragen kunnen hebben. Het overhemd lijkt voor volwassenen gemaakt. De kraag staat open en vanaf de hals is de tekening uitgewerkt, zozeer dat het lijkt of Koenegracht veel haar heeft, tot in de hals. Het gezicht heeft een balorige uitdrukking, beetje pruillip, samengeknepen ogen, scherpe, geprononceerde neus. Daarboven hoog voorhoofd en opzij vallend lang haar. Wat ontbreekt en op foto's wel opvalt, is het verschil tussen linker- en rechter gezichtshelft. Als je met Koenegrachts hoofd de bekende truc toepast van het aan elkaar plakken van twee rechter en twee linker gezichtshelften, krijg je twee zeer verschillende koppen: één lucide en rationeel, de ander melancholiek en vervallen.
De figuur op de tekening hangt dus iets achterover en drukt met zijn linkerhand tegen een spiegel ­ niet voor steun, nee ­ hij drukt dóór het spiegelglas. Hij wil weten hoe het voelt aan de andere kant, maar hij blijft hier op twee poten en houdt zich vast aan de tafel.
Siegfried Woldhek moet een uitvoerige studie gemaakt hebben van Koenegrachts poëzie; òf hij heeft een derde oog.

Frank Koenegracht heeft zijn oude bundels samengebracht in een verzamelbundel Vroege sneeuw, de titel van een veel gelezen en besproken gedicht over een averechtse executie, die wordt afgelast vanwege een komende sneeuwbui. In Koengrachts poëzie sneeuwt het vaak, wat dat dan ook moge betekenen ­ het is suggestief en beneemt het uitzicht op een heldere interpretatie. Misschien laat hij het sneeuwen om de helderheid te verdrijven.
In zo'n verzamelbundel zijn kenmerken van het werk van 1971-2003 goed te bespeuren. Veel ontwikkeling is er niet en dat is geen depreciatie. Wat mij opviel, behalve het balsturige, het cabarettesk-grappige, was 'angst voor de wereld', 'voortdurend verval', het hallucinerende en absurdistische karakter van veel observaties en de wonderlijke vergelijkingen, zoals op p.176.

HOE MAAK IK VRIENDEN EN GOEDE RELATIES

Herken het als hij zijn kin een beetje
op de klok legt in een nadenkende pose.

Zijn haar is daarbij plat, alsof er te veel
hazen in zijn weggerend.

Kijk hem nooit aan. Zijn ogen vliegen
alle kanten op zodat je in de lege

duinpan van zijn ziel geen houvast vindt.

Onthoud dat hij de baas is. Aanvaard het
dat hij op je jaagt. Wend verdriet daarover voor.

Maar als je in zijn huis zit: praat als hij drinkt
en drink niet als hij aan het woord is.

Portret van een geneesheer-directeur? 'Zijn haar is daarbij plat, alsof er te veel / hazen in zijn weggerend.' Dat moet te maken hebben met angst. Er staat 'in' en niet 'uit'. Waar zijn die hazen dan? In zijn hoofd? Vluchtige gedachten?
Verderop in het gedicht staat: 'Zijn ogen vliegen / alle kanten op zodat je in de lege // duinpan van zijn ziel geen houvast vindt.'We zijn weer bij de hazen, die gevlucht zijn. 'Onthoud dat hij de baas is.' De baas, niet de haas. Eerder de jager. 'Aanvaard het / dat hij op je jaagt.' Dit alles in een zogenaamd nuttig gedicht, een gedicht met een leefregel, een advies, zoals de dichter wel meer averechtse adviezen geeft. 'Hoe maak ik vrienden en goede relaties'. Nogal cynisch. Vrienden worden het niet en dat lijkt ook niet de bedoeling. Je zou het woord tussen aanhalingstekens kunnen zetten. Het gaat er om je in de wereld van alledag te handhaven. Je moet de baas van je werk te vriend houden. Ga af en toe bij hem op bezoek. Wind je niet op over zijn gedrag, over hoe hij jou controleert. Geef hem het genoegen een beetje bang voor hem te zijn. Wend respect voor. Doe af en toe als hij, zodat hij denkt dat je hem bewondert, wilt navolgen. Beproef hem niet. Daar zal hij niet tegen kunnen. De poses die hij aanneemt, 'op de klok'!, moet je begrijpen. Het beste is nog ze te herkennen. Je neemt toch zelf ook allerlei poses aan om te overleven? Laat niet merken dat je hem doorhebt. En verwacht geen echte ontmoeting. In feite zijn deze aanbevelingen geschikt voor het advies: 'Hoe maak je geen vrienden'.

Het verval bedreigt zoals alles ook de liefde. In HUWELIJKSLEVEN wordt zulks opgewekt, in met plezier gevonden formuleringen, weergegeven: 'kromgetrokken reuzenpuzzels' en 'vochtige buren'. Je kunt ongeveer volgen hoe dit op papier is gekomen; associatief. Er is van alles rondom geschrapt. Zo is het duidelijk genoeg. Alles knaagt (zoals in het werk van F. Harmsen van Beek, maar heel wat minder barok).

1
Kromgetrokken reuzenpuzzels
en vochtige buren

wat knaagt alles toch vrij rond.

Je zou een lied van omzien
en vernis willen zingen

maar je houdt je mond.

2
's Nachts forceert ze
't ruitje van zijn ziel
en overdag noemt ze hem popje
waar hij bij is.

3
Soms zwijgen ze zo lang
dat de tijd
zichzelf uitkeert bij wijze
van uitkering ineens.

4
Maar in het verpleeghuis
komt de werkelijkheid binnen
met een gezichtje als een volle blaas.

Zullen we gezellig met z'n tweeën
de trap af vallen met glazen mutsen op.

En hopen dat het gerinkel
ingewikkeld is.

De werkelijkheid 'met een gezichtje als een volle blaas'; dat is weer zo'n wonderlijike vergelijking, die je perfect kunt voelen en niet uitleggen. Ja, zij doet pijn, is bolrond, wezenloos, je kunt zo maar de controle verliezen, met stuitend gevolg. En de scherven zullen desastreuze gevolgen hebben.

Koenegracht ziet kans een lyrisch, komisch en tegelijk treurig gedicht te schrijven over verval, bijvoorbeeld VUILNISZAKKEN. Dit gaar verder dan de ready-mades van Barbarber. Let ook op een kenmerkende opsomming van ongelijksoortigheden. 'De korte duur van koeien'; zó hadden we het nog niet bedacht, maar het is waar. Hoe lang mogen koeien in onze 'beschaving' leven?

Het vrolijke van de vuilniszakken
wordt wel eens vergeten.
De vrolijkheid
van de terugkeer.
De korte duur van koeien, zonneschermen
en de liefde is opvallend.
De vuilniszakken blijven. Hotels voor
gisten zijn het, haltes voor de dingen
op reis naar de tijd in heuvels.

Ach zoveel nepalese prinsen langs
de stoeprand, zoveel nepalese prinsen.

Die laatste vergelijking hadden we ook nog niet bedacht en toch herkennen we haar. Wonderlijke werking van taal en ons denken in beelden.

Nog zo'n vergelijking: 'De wegen rennen rond als dode hanen.'
Dat klinkt onheilspellend. De paradox is geladen met tegengestelde betekeniselementen als dood, viriliteit, vergeefsheid. Al met al angstaanjagend. De regel staat in een gedicht met de omineuze titel DE GASVLAG. Hier zit de tegenstelling in één woord: gevaar, dood, systeem en vitaliteit, geweld, collectivisme.
Het gedicht is komisch èn huiveringwekkend.

Ik open de vergadering.
Het is niet toegestaan te spreken
want ik ben moe
Tot op mijn botten en luister niet.

Ik ken een fort
waarboven de wind stilzit,
de gracht gevuld met blaren
en oude snoeken die nog denken.

Het is niet meer de vraag
of wij dat zijn
of het juist is,
er is geen vraag.

Nu zou ik willen
dat de secretaris ophield
met wat hij zit te doen.
De wegen rennen rond als dode hanen.

We zijn geboren en leven
in precies zoveel verbijstering
als voorgeschreven.
Voort klappert de gasvlag.

De tweede strofe lijkt ook te verwijzen naar een historische werkelijkheid, het Duitsland van na de Tweede Wereldoorlog. Daarom is de ik zo moe. 'er is geen vraag' want hoe zou het antwoord kunnen luiden? Er is alleen onbegrip. Er is geen vast uitgangspunt. We overzien het geheel niet, kennen enkel fragmenten en hoe verbijsterend zijn die niet?

Frank Koenegracht, Vroege sneeuw, De Bezige Bij, Amsterdam 2003. 197 pp.