|


THIS IS THE OFFICIAL HOMEPAGE OF REMCO EKKERS
OBSERVATIES
Last update 7-2-12
Voor schilderijen zie bij Google 'schilderijen remco ekkers'
Voor interviews zie ook http://interviewsekkers.blogsot.com
'Liefde als levenswet' (HRH in Ventspils) binnenkort als
e-book in pdf-formaat, voor ¤5, giro 1186229
==
Wijntje er bij
Oude huizen opknappen, een artikel in LUX van de NRC. 'Afgelopen
zomer ben ik met mooi weer de voordeur niet uitgeweest', vertelt
Leontine (35). 'Ik pakte een fles wijn, wat glazen en liep via
het dakterras naar de buren om samen van de avondzon te genieten.'
Caroline, niet klussend, in hetzelfde nummer: 'Zo hebben we in
de keuken eenbarretje met Dave's pick-up erop. Als hij plaatjes
draait, zit ik met een wijntje op de barkruk.'
Met een wijntje op de barkruk. En voeren ze dan ook een goed
gesprek of wordt er zwijgend geluisterd?
Vinoo.nl is een social network/community voor wijnliefhebbers.
Op de site kun je een profiel aanmaken, wijnen beoordelen en
natuurlijk met elkaar in contact komen.
Carine, op een andere site (http://www.buddhaonheels.com/2011/09/wijntje-erbij)
zegt : 'Wij (vrouwen van 30, 40+) doen echter ook verkeerde
dingen. Zo drinken wij teveel. Zegt men. Tenzij je leven zich
afspeelt onder een steen, kan het je niet ontgaan zijn dat men
(ik weet niet precies wie dat zijn) zich zorgen maakt over ons
drinkgedrag. En dan bedoel ik niet een theetje bij de ochtend
bam of een bakkie met de buuf. Met ons drinkgedrag wordt keiharde
alcohol bedoeld. Wij hardwerkende al dan niet hoog opgeleide
vrouwen lusten er wel eentje. Daar zit een probleem, zegt men.
'
En: 'Geniet van het wijntje erbij, of van twee of drie wijntjes
erbij. Laat je geen probleem of schuldgevoel aanpraten. Drink
als je zin hebt en drink niet als je geen zin hebt. Simple as
that.'
Z. heeft zijn bouwval laten verbouwen door Polen. Hij liet een
goederenlift maken om niet alle trappen op en neer te hoeven
sjouwen met boodschappen. 'Beneden zetten we de boodschappen
erin voor de keuken en op de tweede vanaf de keuken gaat de prosecco
naar het dakterras.
De thuiskok maakt een dikke wintersoep, presenteert 'een mosselgerechtje
op toastjes. Glaasje sherry erbij? vraag ik. Traditie hè.'
=
Lucifers en lier
Wat is het verschil tussen 'Der Leiermann' van Wilhelm Müller
en 'De Luciferverkoper' van Pinter?
Ze zijn beiden eenzaam en oud. Ze staan beiden vergeefs op een
verkeerde plek. Niemand zal geld in het bakje doen, niemand zal
lucifers kopen. Beiden lijken een bedreiging voor de waarnemer.
De muziek van Schubert is buitengewoon treurig, melancholisch
en dreigend. Het lijkt of der Leiermann de dood aankondigt.
De luciferverkoper is een vreemd symbool voor de vrouw van het
echtpaar in Pinters 'A Slight Ache' (1958). De dichter vraagt
of zijn gedicht door hem gespeeld mag worden. Zij haalt hem binnen,
verzorgt hem, wast hem en lijkt haar gedoofde sexualiteit aan
hem te ontvlammen. Haar man Edward heeft een beetje hoofdpijn.
Hij is gefrustreerd en lijdt aan paranoia. Aan het slot haalt
zij de oude man, die jonger lijkt te worden binnen en geeft haar
man het blad met lucifers.
Geert van Boxtel schreef:
'Der Leierman is het laatste lied uit deze cyclus en het dramatische
hoogtepunt van deze bizarre tocht. In de uiterst sobere pianobegeleiding
is nog iets te horen van de melodie die de orgeldraaier speelt,
terwijl hij blootvoets op het ijs staat. Deze orgeldraaier bevindt
zich niet meer in onze wereld en de reiziger vraagt zich af:
'Wunderlicher Alter, soll ich mit dir gehen?' Schubert schreef
zelf over dit lied: 'Das Zeug soll der Teufel spielen'. Ook de
muziek lijkt afkomstig van gene zijde en Schubert legt eens te
meer zijn eigen doods-angst of verlangen bloot. Een éénmalige
tocht is tot een einde gekomen en de lente keert nooit meer terug'
De vertaling van Jan Siebo Uffen:
Ainzoam op de roemte
staait de liereman,
En mit stieve vingers
draait e nuveran.
Blode hozevöddels,
wupt hai om in d'snij,
En in t klaaine bakje
vaalt gain sìnterij.
Wel wil hier nou luustern,
wil hom aanzain hier?
En de honden graauweln
om de man zien lier.
En hai let hom tingeln,
t vaalt ja zo as t vaalt,
Draait, want mit zo'n liere
mag gain tied vermaald.
Wonderliek òlmaantje,
ook allain en klaain?
Wilst doe bie mien laidjes
aan de liere draaien?
===
Hemel
Hoe is het om als Jan Dismas Zelenka (1679-1745) altijd in de
schaduw te moeten staan van een ander? Zijn grootse werk Missa
Dei Filii is tijdens zijn leven niet uitgevoerd. Er zijn alleen
handgeschreven partituren gevonden, terwijl afzonderlijke partijen
voor instrumentalisten en solisten ontbreken. Hij werkte in de
hofkerk van Dresden voor een karig loon. Na zijn dood mocht zijn
werk niet meer worden uitgevoerd; het was eigendom van de hofkapel.
Een vreemde situatie. Pas sinds 1970 wordt zijn muziek weer gespeeld,
meer dan twee eeuwen later.
Nu hoorde ik zijn laatste mis in de kerk van Garnwerd; koor en
orkest o.l.v. Christofoor Baljon, sprankelend, originele muziek.
Hoe zou Jan Zelenka dit vinden als hij er weet van zou hebben
in zijn katholieke hemel? Een onzinnige vraag natuurlijk, want
als die hemel zou bestaan zou hij opgaan in een veel volmaakter,
eeuwige muziek.
Wat is het toch dat wij niettemin aan hem denken, hem eren en
danken voor die prachtige muziek. Wat beweegt ons?
Alfred Döblin stond zijn hele leven in de schaduw van Thomas
Mann, maar hij is geen minder schrijver. Wij kennen hem alleen
van zijn 'Berlin Alexanderplatz', verfilmd door Fassbinder voor
tv, met de onvergetelijke Barbara Sukowa als Mieze.
Döblin was ziekenfondsarts, maar moest vluchten voor de
nazi's, net als Thomas Mann, maar anders dan deze kon hij niet
leven van zijn pen en toen hij terugkwam naar Berlijn werd hem
vaandelvlucht verweten. Men las hem niet meer en zijn leven eindigde
in armoe en ziekte.
Nu is er eindelijk een lovende biografie geschreven. Ook hij
zou, als deze bestond, in de katholieke hemel zitten, maar daar
zou volmaakte hemelse poëzie klinken.
=
==
Irriterend gezoem
Jan Lauwereyns (1969) is een Vlaamse dichter die in het Nederlands
en Engels schrijft. Hij woont, getrouwd met een Japanse, in Wellington
(Nieuw Zeeland), waar hij zich als neuro-psycholoog bezighoudt
met visuele waarneming en in het bijzonder met wishful seeing.
Dat laatste wil zeggen dat wij de neiging hebben te zien wat
wij willen zien. Dat is onschuldig bij het schijnbaar herkennen
van een vriend die wij verwachten in een café, maar problematisch
bij soldaten die een huis doorzoeken op zoek naar een bepaalde
terrorist. Hij voelt zich daar in Wellington zo zeer thuis dat
hij gezien wordt als een New-Zealand poet en publiceert in een
van de tijdschriften daar. Het Nederlands bleef hij trouw omdat
hij houdt van de taal en omdat sommige gedichten geschreven willen
worden in het Nederlands, zijn moedertaal.
In Nederland werd hij vooral bekend door de uitgave van SPLASH,
een uitvoerig betoog, waarin hij zich op overtuigende wijze keerde
tegen de opvattingen van J.H. de Roder, die beweerde dat poëzie
voortkwam uit betekenisloosheid en ook nu nog een neiging tot
betekenisloosheid vertoont. Jan Lauwereyns liet zien dat er eerst
betekenis is, dan taal, dan poëzie.
Wetenschap en poëzie: Jan Lauwereyns is niet de eerste die
deze cultuurvormen in zich verenigt. Denk aan Vroman, Kopland,
Wijnberg. Met Vroman ging hij in discussie op uitnodiging van
'Ons Erfdeel'. Is Lauwereyns als dichter even interessant en
boeiend als als wetenschapper? Interessant ja, boeiend een stuk
minder. Ik beperk me in dit stukje tot de vier muggenafdelingen,
maar de andere gedichten bekoren me evenmin: de Japanse bruut
sexuele teksten, de prozagedichten in 'Het grindpad van de waarheid'.
Ik zie wel dat het geen onzin is en dat de gedichten met zorg
zijn geschreven, maar ze raken me niet.
'Anophelia! De mug leeft' is zijn vijfde dichtbundel, meer dan
100 pagina's, met vele afdelingen. (Anophelia= malariamug) De
titel is ontleend aan een samenspraak van twee Aziatische tijgermuggen,
een overste en een soldaat. Hun rang blijkt uit een nummer: hoe
hoger, hoe lager. De rapporterende soldaat heet 13101; de overste
131 en de hoogste is Hare Doorzichtigheid Mug 13. Geestig? Grappige
humor, aan mij niet besteed. De muggen spreken in Nederlandse
mensentaal vanuit muggenperspectief of beter: zij hebben uitdrukkingen
waarvan wij mensen denken dat ze bij muggen passen. Mensen worden
subjecten genoemd. 'ik vloog plankgas langs zijn linkeroor.'
'Blijf met je zes poten tegen de wand' (=blijf met je voeten
op de grond of blijf nuchter) 'Wat heb ik zojuist zitten dansen?
(= wat heb ik je duidelijk proberen te maken?) De ernst achter
dit spel met irriterende muggen is waarschijnlijk: waarom zijn
er muggen geschapen of waar komt het kwaad vandaan? In de drie
cycli (dansen) van de muggen blijkt dat zij experimenten op ons
uitoefenen, virussen op ons uitproberen. De soldaat moet zo wetenschappelijk
mogelijk rapport uitbrengen: niet interpreteren maar rapporteren!
Dat weerhoudt de dichter er overigens niet van de overste te
laten zeggen: 'Termen als 'meanderen' horen thuis in landelijke
poëzie. / Over bloed van koeien die grazen langs langzaam
water. / Wij hebben andere dingen voor onze tuit.' De soldaat
ontmoet een gewone huismug die hem aanzet tot insubordinatie,
maar de overste trapt er niet in: 'Stel dat ik bij wijze van
denkoefening. / Dat ik vliegwerkelijk tot mugverwisseling over
wenste te gaan. / Hoe deed ik dat? Ik bedoel, technisch, praktisch,
feitelijk?' Dit heeft betekenis, het is interessante taal, maar
het is naar mijn smaak geen poëzie.
Jan Lauwereyns, Anophelia! De mug leeft, Meulenhoff/ Manteau,
2007. 111pp.
Vrouwenoverschot
'Vrouwenoverschot', kent u die uitdrukking? Het klinkt nogal
materialistisch, economisch. De gedachte erachter is dat als
er meer vrouwen zijn dan mannen, sex goedkoop wordt, want er
is meer aanbod dan vraag. Hoe zit dat?
Vrouwen willen geborgenheid, intimiteit, een veilige omgeving
voor hun kind; mannen willen hun genen doorgeven, zo veel en
zo vaak mogelijk, dus willen ze op de eerste plaats sex. Als
vrouwen nu hun best moeten doen om een man te veroveren, als
meer vrouwen één man werven, kan hij zijn eisen
stellen, zonder al te veel beloften.
Hier wordt niet gesproken over liefde. Het gaat hier om voortplanting
of genot, atavistisch.
Mannetjes, vrouwtjes in het dierenrijk.
In onze samenleving zijn langzamerhand meer vrouwen hoog opgeleid
dan mannen. Zij hebben gestudeerd, hebben een goede baan en denken
nu aan kinderen, maar waar zijn de hoog opgeleide mannen? Die
mannen willen sex zonder beloften en de vrouwen geven toe in
de hoop op een serieuze relatie. Zo staat het in de NRC van het
afgelopen weekend.
En de liefde? Zijn er nog mensen die een verbintenis aangaan
omdat ze van elkaar houden? Zijn er nog mensen die het gevoel
hebben dat ze bij elkaar horen?
Overigens zijn er ook vrouwen die zeggen: 'Het maakt niet uit
of je partner een man of een vrouw is; je kunt verliefd worden
op een mens, ongeacht het geslacht.'
Is dit een oplossing voor het probleem? Via spermabanken kan
de man zijn genen verspreiden en de vrouwen hoeven niet meer
ontrouw te zijn aan hun diepere gevoelens.
=
Alsof het voorbij is, Julian Barnes
Tony, die door Julian Barnes wordt opgevoerd als de afstandelijke,
ironische, redelijk intelligente verteller van zijn eigen
levensverhaal, heeft de helft van het boek nodig om tot actuele
gebeurtenissen te komen. Daarvòòr wordt samenvattend
verteld. Zijn huwelijk, zijn carrière, zijn dochter, zijn
scheiding: daar doet hij minder dan een bladzijde over. Meer
bladzijden worden besteed aan de middelbare schooltijd, zijn
vriendschap met twee jongens, die niet erg uit de verf komen
en waar alter een derde bijkomt, die ook niet veel meer dan een
schimmig personage wordt. Adrian is een briljante jongeman die
onwaarschijnlijk wijsgerige antwoorden geeft op de vragen van
zijn leraar geschiedenis. Die uitspraken zijn betekenisvol voor
het verhaal, of het namelijk mogelijk is enigszins objectief
historie te bedrijven. We hebben immers niet eens een correct
beeld van onze eigen geschiedenis. Adrian gaat in Cambridge studeren.
Tony moet het met Bristol doen.
'Alsof het voorbij is' is de Nederlandse titel. Het is nooit
voorbij wat er is gebeurd, want latere opvattingen, visies ,
geven een compleet nieuw beeld van de particuliere geschiedenis.
Veel pagina's worden besteed aan de relatie van Tony met Veronica,
een nogal onaangename jonge vrouw die Tony aan het lijntje houdt.
Tony wordt een weekend bij haar thuis ontvangen, wat hij zich
later als steeds onaangenamer herinnert. De moeder van Veronica
leek begrip voor hem te hebben en waarschuwt hem voor haar dochter.
Vader en broer bejegenen hem spottend.
In deel twee is hij gepersonieerd. Hij denkt aan rust, maar dan
krijgt hij een legaat van een notatris van de moeder: 500 pond
en een brief en een dagboek van Adrian, dat nog in het bezit
is van Veronica die het niet wil afstaan. Dan begint een moeizame
poging dit dagboek of informatie over het verleden in handen
te krijgen. Tony heeft ooit een uiterst gemene brief geschreven
aan Veronica en Adrian die een verhouding kregen. De inhoud heeft
hij verdrongen, maar Veronica stuur hem een copie. Zij zegt een
aantal malen: 'Je snapt het gewoon niet, hè? Maar ja,
dat heb je nooit gedaan.' Hoe Tony het zou moeten snappen, wordt
niet duidelijk.
Uiteindelijk blijkt dat Adrian de moeder van Veronica heeft bezwangerd.
Er is een geestelijk invalide kind geboren. Adrian heeft zelfmoord
gepleegd. Dit alles is zo dramatisch dat Tony zijn gemoedsrust
kwijt is.
Hij heeft ooit gezien hoe een vloedgolf bij Bristol het water
van de rivier terugspoelde. Wat in zijn oude dagen gebeurt door
de ontdekking van de zoon van Adian lijkt op een vloedgolg, een
absurde beweging..
'The sense of an Ending' is de Engelse titel: een bitter gevoel.
Tony wordt terug- en weggespoeld. Heel zijn middelmatige leven,
zijn afstandelijke, ironische levenshouding blijkt van weing
waarde. De wijze waarop Tony zich middels de auteur tot de lezer
richt is bij nader inzien artificieel, koud en liefdeloos.
De positieve kritieken op het boek hebben mij niet overtuigd.
=
VSB Poëzieprijs 2012
Dat had ik niet verwacht: Jan Lauwereyns winnaar van de VSB Poëzieprijs
2012. Anne Vegter, goed, Willem Jan Otten, goed, eventueel Peter
Ghyssaert, maar Jan Lauwereyns?
Ik ben vast niet de enige die verbaasd is. Zie Ron Rijghard in
NRC van vrijdag 20 januari.
'Dat een dichter zijn bundel Hemelsblauw noemt, zoals Jan Lauwereyns,
doet niet verwachten dat de poëzie minder duf wordt dan
bij Spinoy. Maar de toon van Lauwereyns is behoorlijk uptempo,
met tweeregelige strofes en korte regels. In zijn eerste van
vijf reeksen, getiteld 'Parabel voorbij de regenboog', gaat het
van patsboem: 'Bloedrood lawaai / Hemelsblauw verdriet // Zo
ik die jij bent/ Zo jij die mij vormt // De dood, Murnau en het
meisje / Else, de regenboog'. Grote geesten en grote emoties
worden hier benoemd, indirect wordt gerefereerd aan doodsangst
en doodsverlangen. De volgende strofe luidt: 'Wiskunde maal biologie
/ Alles en meer willen wij'. De lezer is op de eerste bladzijde.
Door de regel 'Een aster tussen de tanden geklemd' wordt duidelijk
wie met de herhaaldelijk toegezongen Else wordt bedoeld. De aster
is afkomstig uit de bundel Morgue (1912) van dichter-anatoom
Gottfried Benn, die een hevige verliefdheid teweeg bracht bij
Else Lasker-Schüler. Ze schreef schroeiende gedichten aan
hem, met grote woorden, in hetzelfde amechtige tempo als Lauwereyns.
In de vertaling van Menno Wigman: 'Achter bomen berg ik me /
Tot mijn ogen uitgeregend zijn, // En houd ze stevig dicht /
Opdat geen mens je beeld kan zien.'
Zo doorleefd en aangrijpend als zij kermt, zo hol galmt het roestvrijstalen
idioom van Lauwereyns: 'Een zoutzandgolf / Op zwartgalligheid
// Ik, hiëroglief / Jij, met de gouden vleugels'. Enzovoort.
Het is massieve kitsch zonder een sprankje lucht, waarin de suggestie
van 'hemelsblauw' louter effect is. '
Komt het door juryvoorzitter Kathleen Ferrier? Maar daar waren
toch ook Astrid Lampe en Esther Naomi Perquin?
Wat is daar gebeurd? Is men gevallen voor de combinatie wetenschap/biologie?
'het verweven van werelden en wereldbeelden, lef en stilte, combinaties
van wetenschap en poëzie'
'De lezer kan actief deelnemen aan de processen van het denken
en dichten, maar kan ook de bizarre, hemelsblauwe schoonheid
van beelden en klanken ondergaan. '
Dit, uit het juryrapport, klinkt toch niet overtuigend?
' Hemelsblauw is een bundel die taal als voertuig hanteert
(N.B.!) om tot zorgvuldig opgebouwde gedichten te komen waarin
ook zeker de emotie niet ontbreekt. (?) Een bundel waarmee de
poëzie een nieuwe weg inslaat, die ons uitnodigt misschien
wel geheel nieuwe horizonten te verkennen.'
=
Rimpeling
Langzaam trekt de rimpeling naar de overkant: herinnering aan
mijn stap in het water en dan komt een golf terug, herinnering
aan de botsing. Iemand anders stapt in en nu ontstaat een chaos
van onleesbare herinneringen. Alles lijkt met alles verbonden.
Hoe moeten we deze informatie begrijpen?
En je ziet heden en verleden in één, terwijl ook
de toekomst zichtbaar wordt. Is er zo in de kosmos een eeuwig
nu?
Gedurende het hele leven van het betreffende organisme of van
een mens worden er, volgens de quantum/brein theorie, in ruime
mate golfinformatie (waarschijnlijkheidsgolven/virtuele deeltjes)
in het universele domein aangemaakt, die ten opzichte van elkaar
"entanglement" vertonen en in de vier-dimensionale
zin, op niet-lokale wijze, met elkaar verbonden blijven, ongeacht
hoever ze ook uit elkaar raken.
=
Gooien
Een vreemde reeks van dromen gedurende drie nachten. We zijn
stenen aan het gooien naar een klein popachtig meisje dat
in yogahouding in een kermistent zit. We moeten haar omgooien
vanaf grote afstand. Ik heb vaag het gevoel dat er iets niet
deugt, dat het gevaarlijk kan zijn voor het meisje. Ik gooi een
kleine platte steen en realiseer me dat als deze met kracht tegen
haar slaap komt, het fataal is voor haar en dat dat niet de bedoeling
is. Het zou een spel moeten blijven. Spel? Wat is dit voor onzin?
Pas de derde nacht dringt het echt tot me door. Ik zeg tegen
R. dat we haar moeten vervangen door een pop, dat het gevaarlijk
is wat we doen, dat we geluk hadden dat we steeds mis gooiden
vanwege de grote afstand. We halen haar uit de tent en we zetten
een pop neer en we schamen ons dat we zo laat tot inzicht kwamen.
Hoe konden we twee nachten denken dat het een spel was?
=
Een man en een vrouw
Zij heeft lang haar, haar ogen zijn aangezet. Ze draagt oorbellen,
heeft een ketting met kleurige stenen om haar blote hals. Onder
de hals nog een flink stuk bloot tot de aanzet van haar borsten.
Ze draagt een jurk, paars met lichte en donkere bloemen. De mouwen
zijn bij haar polsen wijd. Tussen haar ring- en middelvinger
klemt ze een papier, een programma, en tussen wijs- en middelvinger
een krant. Haar nagels zijn gelakt. De zoom van haar jurk, onder
de knie, laat haar onderbenen zien. Er is een licht golvende
rand, mousseline. De houding van haar lichaam: benen uit elkaar,
heupen iets naar voren, bovenlichaam naar achteren. Ze lacht,
koket moet je dat noemen. Met haar rechterhand houdt ze het einde
van zijn paarse das naar zich toe. Speels, plagend, goedmoedig.
Hij staat met een lange, groene jas, met donkerbruine kraag.
De jas en zijn colbert staan open. Hij draagt een wit overhemd
boven zijn pantalon en heeft dus een paarse stropdas, dichtgestrikt
tegen zijn hals. Onder de kraag van de das een loshangende gestreepte
sjaal. Hij heeft in zijn rechterhand hetzelfde partijprogramma.
Hij staat rechtop, maar zijn hoofd is naar haar toegebogen. Hij
kijkt haar onderzoekend aan: 'Wat wil je met me?' Afstandelijk,
onverzettelijk, serieus.
Het gaat me bij deze beschrijving niet om een politiek standpunt.
Het gaat me om het man-vrouw-verschil.
Hoe heeft men ooit kunnen volhouden dat het verschil klein was?
=
Vernieuwing?
Thomas Vaessens liet in 2006 in 'Ongerijmd succes' zien dat alle
min of meer belangrijke literatuurbeschouwingen sinds de Romantiek
vernieuwing belangrijk vinden. Je moet je als dichter in de avant-garde
bewegen, anders doe je er niet toe. Ook al heb je niet veel nieuws
te vertellen met je gedichten, dan moet je je op een agressieve
manier gedragen tegenover de dichters die vóór
jou bekend werden. Later, als jullie beiden zijn opgenomen in
de canon kun je weer vrienden worden.
Je moet een beetje schreeuwen, op zijn minst polemisch zijn.
Met genuanceerde oordelen word je niet gehoord. De gedragingen
lijken in de loop van de tijd wat ruwer geworden: de Tachtigers
hekelden de dominee-dichters, de Vijftigers hadden het vilein
over 'niet meer dwalen in 'Parken en Woestijnen", de Maximalen
(nu ja, die hadden wel heel weinig te vertellen) gooiden een
emmer rotte vis naar een criticus.
Overigens maakt het niet veel uit want de gewone lezer trekt
zich er weinig van aan. Hij leest geen gedichten, hij kent je
niet, hij gaat zijn eigen gang. Alleen de kranten en andere media
menen nog enige aandacht aan je te moeten besteden, uit een soort
trouw aan het verleden, maar als Tonnus Oosterhoff de P.C.Hooft-prijs
(de wat?) krijgt, verschijnen er kleine berichten, omdat het
zo hoort, meent men dan nog, maar dan gaan we weer snel en veel
schrijven over iemand die een liedje zong of met pijltjes gooide.
Ook gestudeerde lieden vragen: 'Tonnus Oosterhoff? Moet ik die
kennen?'
Ook de dood van een belangrijk muziekvernieuwer en dirigent krijgt
heel wat minder aandacht dan de populaire tv-acteur. Maar wat
zeur ik? Wie is er nu bekender en geliefder? We geven de mensen
wat ze willen. Wou je soms beweren dat de dirigent belangrijker
is dan de acteur? Elitaire klootzak!
Geheel in overeenstemming met de tijdgeest heeft de staatssecretaris
van cultuur ja, zo heet hij nog de subsidie voor
literaire tijdschriften afgeschaft.
Democratisering? Je kunt misschien spreken van verloedering als
de samensteller van een nieuwe bloemlezing niet op de hoogte
blijkt te zijn van de vorige generatie en dat ook helemaal niet
erg vindt, het zelfs ongewenst acht. We moeten ons immers aansluiten
bij de massacultuur, Idols, Voice of Holland en ander commercieel
bedrog?
=
Radicaal CDA
'Ik ben niet links, ik ben niet rechts, maar recht door zee'
zei R.Verdonk en ze maakte een triomfantelijk gebaar, rechts
vooruit, door het midden.
Nu staat De Geus voor de microfoon, terwijl Ruth Peetoom beschermend
en ook wel bezorgd toekijkt en Verhagen broeierig. Ze hebben
geoefend, Peetoom en De Geus: hij doet zijn best met de gebaren.
Eerst de handen naar voren, recht door het midden en dan naar
links en rechts. Het ziet er niet overtuigend uit. Aart Jan zegt,
als een slecht acteur: 'We kiezen radicaal voor het midden',
zodat we met links en rechts kunnen blijven zaken doen, want
we willen aan de macht blijven. We zijn een partij die rechts
en links nodig heeft. Wij trekken aan de touwen: radicaal in
het midden. De kreet is al eens gebruikt door Pechtold, maar
dat waren ze bij het CDA alweer vergeten.
Hij zou ook kunnen zeggen: het CDA kiest nooit voor links of
rechts, niet voor empathie of egoïsme, wij willen alle kanten
op blijven kunnen. Radicaal voor het midden.Kiezen èn
verbinden, vlaktax èn afschaffing aftrek hypotheekrente,
maar we hebben onze handtekening gezet onder dit regeeraccoord
en daar staan we voor. Dat heet betrouwbaarheid.
=
Verlangen
In 'Gerichte gedichten' schrijft Willem Jan Otten in een
gedicht over de dood van zijn vader: 'Ik leerde missen'. Hij
was elf toen zijn vader stierf.
Eerder gebruikte hij het woord missen zelfs in een bundeltitel:
'Het was missen op het eerste gezicht'. Het titelgedicht heet
'De intiemste zichtlijn' en het begint zo: 'Ik wilde jou en dat
ik missen zou / wist ik al voor het begonnen was. / Jou willen
is je missen.'
Hier wordt iets wezenlijks over de liefde gezegd: als je van
iemand gaat houden, zul je hem missen als hij er niet is en hij
kan natuurlijk niet altijd bij je zijn. Er is een leegte zonder
hem. Je verlangt naar zijn aanwezigheid en nu komt er iets
vreemds je verlangt ook naar zijn afwezigheid, want dan
kun je naar hem verlangen.
Het geciteerde gedicht gaat over Penelope. Ze verlangt naar haar
geliefde die al zo lang, twintig jaar, weg is, de vader van haar
zoon, nu twintig. Ze was zelf twintig toen hij naar Troje voer.
In een eerder gedicht zegt Penelope: 'want paar ben ik alleen
zolang / hij uit het duister van zijn wereldzee // mijn gissen
kaatst, o, vreemdeling, sla terug, en sla, / tussen elke slag
ben jij die ik verlang.'
In het verlangen is de vervulling gegeven; in de vervulling is
het verlangen verdwenen.
Verlangen (Roken 7)
In 'L'être et le néant' ('Het zijn en het niet',
vert. Frans de Haan) wijst Sartre er op dat de dorst een soort
gemis is. Als je dorst begrijpt als een verlangen naar het opheffen
van de dorst, naar een vernietiging van de dorst dus, moet je
je ook realiseren dat de dorst op zich ook prettig is. Dorst
zet aan tot handelen. Als we het eenvoudig houden in een voorbeeld:
ik heb dorst, ik wil drinken en al drinkend verdwijnt mijn dorst,
maar ik herinner me de dorst als iets dat een belofte inhield.
Het is jammer dat de dorst weg is. Gelukkig komt hij vanzelf
terug en kan ik weer drinken. Er is dus het verlangen èn
de bevrediging ervan èn het besef dat dit zich herhaalt.
Bij roken werkt dit proces perfect: een sigaret vervult het verlangen,
maar versterkt tegelijk het verlangen. Het verlangen wordt nooit
afdoende bevredigd. Er is sprake van een eeuwig verlangen. Dit
geldt ook voor sexuele begeerte, die op zich zelf prettig, want
belovend is en die zich nooit geheel laat bevredigen, alleen
schijnbaar tijdelijk.
Ik herinner me nu dat ik als puber op de fiets stapte, verlangend
om het meisje op wie ik meende verliefd te zijn, te zien of op
zijn minst langs haar huis te fietsen. Onderweg het was
een aantal kilometers fietsen zong ik een populair lied
van die dagen, waarin haar naam voorkwam. Ik herinner me dat
het fietsen en zingen, het onderweg zijn prettig was en al deel
uit maakte van de bevrediging van mijn verlangen naar haar. Als
ik om haar huis fietste, was het even 'over', terug op weg naar
huis, voelde ik me blij om wat ik had gedaan, maar de volgende
dag begon het weer te kriebelen. Wie kent niet zulke wisselende
gevoelens, in andere variaties?
Volgens Epicurus moeten we geen nieuwe verlangens kweken,
want dat schept alleen maar geestelijke onrust. We moeten evenmin
bederven wat we hebben door te verlangen naar wat we niet hebben.
Brood en water en eenvoudige voeding is genoeg; we moeten zeker
niet verlangen naar dingen die we niet nodig hebben en die ons
alleen maar opnieuw en eindeloos laten verlangen.
Het verlangen heeft de neiging zich zelf in stand te houden;
het is als een gevulde leegte. De vulling van de leegte leidt
tot aanhoudende teleurstelling; we zeggen: 'Is dat nou alles?'
Roken 6
Inmiddels is roken ouderwets geworden, iets achterlijks
zelfs. Wij, niet-rokers, kijken naar rokers met medelijden of
zelfs verachting. Zij zijn paria's. Een groepje mensen dat kouwelijk
op straat, onder een afdakje, of zelfs in de regen, staat te
roken, gaat gebukt onder meewarige blikken van voorbijgangers.
Soms worden die zelfs agressief: 'Ga ergens anders je giftige
dampen verspreiden en niet voor ons kantoor, voor de uitgang
van ons station!'
Niet-rokers kijken ook wel eens als antropologen met verbazing
naar mensen die zuigen aan een wit staafje, en vervolgens uit
mond en neusgaten grijze dampen blazen. Wat doen ze toch? Alsof
het een vreemde, lagere soort is. Moeten wij betalen voor hun
ziekenhuisopname? Zo wordt ook wel aangekeken tegen heel dikke
mensen.
Volgens velen is het extra aantrekkelijk en spannend om te roken
als je besloten hebt op te houden. Zeno vindt dat ook.
Aan de ene kant laat je zien dat je je niet zomaar de wet laat
voorschrijven, door al die gezondheidsmaniakken, die moeders,
die verstandige partners, zelfs niet door je zelf. Het is opwindend
tegen het gezonde verstand in te roken. Het doorbreken van het
verbod lijkt een daad van vrijheid.
Aan de andere kant voel je je slap om al die verbroken beloftes.
Je voelt je een slaaf van een chemische stof.
Rokend maakte je ook deel uit van een cultuur, maar dat is steeds
minder het geval. Het nonchalante rokertje in de mond van de
filmheld is verdwenen. We kijken met verbazing naar Humphrey
Bogart in 'Casablanca'. De rokende held, de rokende auteur, zij
zijn onzichtbaar geworden. De pianist met een sigaret in de mond
tijdens het oefenen van een pianoconcert is verleden tijd. Nu
voel je je nog solidair met onbekenden in de pauze van een toneelstuk,
buiten rokend en pratend op de stoep van de schouwburg. Je praat
over je verslaving, maar het groepje heeft iets zieligs en dat
voelen alle deelnemers aan het gesprek aan.
Tags ouderwets, schouwburg, Zeno
Categorieën Literatuur
Roken 5
14/01/2012 //
0
We kennen meer verstokte rokers in de Nederlandse letteren:
Paul van Ostaijen, Anna Blaman, Simon Vestdijk, Hermans, en nog
levend Connie Palmen. Hermans schreef het verhaal 'De laatste
roker', maar dat gaat over een bemoeizieke overheid, die alles
onder controle wil houden, voor ons bestwil.
Xandra Schutte schreef een hilarisch stukje over een stopcursus
in de krochten van het Victoria Hotel. Voor ¤325 zou je
in één dag er van af worden gebracht, met
behulp van deprogrammeertechnieken uit de rationeel-emotieve
psychologie. Leven met verslaving is leren leven met ongelukkig
zijn.
Ze heeft het over 'verlangen in een dwangmatig keurslijf'. Het
is haar niet gelukt om het keurslijf uit te doen.
Terug naar Sartre. In l'Etre et le Néant schreef hij over
zijn pogingen te stoppen: 'Een aantal jaren geleden kwam ik tot
het besluit niet meer te roken. Het was een moeilijk besluit,
en eerlijk gezegd maakte ik me minder zorgen over het verlies
van de smaak van tabak dan over de betekenis van het roken. Een
gehele kristallisatie was ontstaan; ik rookte in het theater,
's middags bij het werk, 's avonds bij het eten, en ik had de
indruk dat als ik op zou houden met roken, ik het theater zijn
plezier, het avondeten zijn waarde en de werkmiddagen hun frisse
vaart zou ontnemen. Elke gebeurtenis die ik zonder sigaret tegemoet
zou treden, zo leek het me, zou fundamenteel verarmd zijn.'
Dit gaat ver. Liever dood dan een leven zonder tabak.
'Roken is het symbolische equivalent van zich de hele wereld
vernietigend toeëigenen.'
De roker betaalt een hoge prijs. Sarte sprak over 'het brandoffer'.
Sartre ging stoppen. Hij miste 'de geur van tabak, de warme kop
van de pijp tussen mijn vingers'. Hij dacht dat het niet-roken
te verdragen was, maar hij onderschatte zijn verslaving.
Hij ging meer roken dan voorheen. Een dokter waarschuwde dat
zijn benen geamputeerd zouden moeten worden als hij doorging
met roken.
Simone was verontwaardigd toen hij zei dat hij niet meer zou
stoppen.
Sartre was geen vrij mens, maar wel eigende hij zich 'de wereld
vernietigend toe'.
Zijn existentialisme houdt in dat we onszelf vorm geven door
te handelen; we zijn gedoemd tot vrijheid, maar in de praktijk
van zijn leven was hij gedoemd tot verslaving.
Mild
0
Waarom is 'De hemel bestaat niet' van Jannetje Koelewijn
zo goed?
Omdat het verhaal, hoewel historisch getrouw verslag van het
leven van haar ouders, gestructureerd is als een roman. Zo houdt
de vertelster aanvankelijk informatie achter, maar bereidt zij
de lezer wel voor op de scheiding van haar ouders. Die scheiding
is buitengewoon pijnlijk voor haar vader die zijn leven lang
verliefd was op zijn Renske. De reden van de scheiding wordt
niet toegelicht, al begrijpt de lezer door de gegeven informatie
wel dat het autoritaire patriarchale gedrag van de vader en de
depressieve aanleg van de moeder 'schuldig' zijn. De moeder van
de moeder werd beknot in haar jeugd en huwelijk en de moeder
van de schrijfster voelt zich onderdrukt door het optreden van
haar man, hoewel hij haar liet leren, liet werken toen het van
de overheid mocht, haar vrijliet in haar verlaten van de gereformeerde
kerk en hoewel hij vaak kookte en voor de kinderen zorgde. De
moeder lijkt ook slachtoffer geworden te zijn van de feministische
mode. Als zij maatschappelijk werk studeert in Leeuwarden, dringen
haar medestudenten er op aan haar man te verlaten. Zij vinden
dat hij haar overheerst, terwijl de goede man denkt haar te vereren,
maar ja, hij is opgevoed als een ouderwetse man en hij heeft
doorgeleerd en promotie gemaakt. Hij voedt zijn zonen op met
harde hand, zoals het hoort volgens de bijbel. Later blijkt,
zonder veel woorden, zonder veroordeling, dat de broers van de
schrijfster zich van de ouders hebben afgekeerd.
Wat het boek zo goed goed maakt is de vertelwijze, de onopgesmukte,
heldere taal, zonder redundantie. Koelewijn laat veel aan de
lezer over. Ze vertelt dat haar vader huilt en veel later begrijp
je goed waarom.
Haar vader heeft haar toestemming gegeven alles te vragen en
hij zal alles vertellen, ook wat je normaal niet aan een dochter
vertelt. Of hij echt alles vertelt is natuurlijk de vraag, maar
misschien vertelt hij alles voor zover dat mogelijk is.
Hoe het jongste zusje is behandeld door de moeder dat is nogal
wat, maar zij gaat mee naar Parijs met haar ouders en de schrijfster
en lijkt geen rancune te hebben, terwijl daar toch alle aanleiding
voor lijkt te zijn. Blinde trouw van een kind, iets dat de broers
niet meer kunnen opbrengen. Zij zeggen na lezing van het boek:
'Het klopt. Je bent nog mild geweest.'
Roken 4
Svevo, die altijd bleef roken, stierf door een auto-ongeluk.
Dat bewijst niets. Overigens was hij niet erg gewond, maar zijn
hart begaf het. Hij werd 67 jaar.
Het vervelende voor waarschuwers tegen roken is dat er mensen
zijn die rokend zeer oud worden en dat er mensen aan longkanker
sterven die nooit gerookt hebben.
Thomas Mann was ook een verstokt roker. De firma
Hagendorn & Söhne overwoog een sigaar naar hem te vernoemen.
Dat was in 1925, een jaar na de verschijning van Der Zauberberg.
In Der Zauberberg, maken de longartsen maken geen
bezwaar tegen het rookgedrag van hun tuberculeuze patiënten.
Integendeel. De arts, Behrens, ziet Hans Castorp roken
en vraagt: 'Hoe smaakt de kruidenwikkel, Castorp? Laat eens zien,
ik ben een kenner en een liefhebber. De as is goed: wat is dat
voor een bruine schone?'
De neef, die een vlekje op zijn long heeft, rookt niet. Hans,
die hem gezelschap komt houden voor een paar dagen, maar dat
loopt uit in een jarenlang verblijf, krijgt te horen:
'Ik begrijp het niet als iemand niet rookt hij ontzegt
zich toch, zogezegd, het beste deel van zijn leven, ontneemt
zich in ieder geval een zeer eminent genoegen!'
'Als ik wakker word, dan verheug ik me er op dat ik overdag kan
roken, en als ik eet, dan verheug ik me er weer op, ja ik kan
wel zeggen dat ik eigenlijk alleen maar eet om te kunnen roken,
ook al overdrijf ik daarmee natuurlijk een beetje.'
Tijdens het roken van een goed sigaar 'is men geborgen, dan kan
je niets gebeuren. Het is precies zoals wanneer je aan het strand
ligt, dan lig je aan de zee, nietwaar, en heb je verder niets
nodig, geen werk en geen bezigheid.'
De roman speelt zich af in de hoogte, als het ware buiten ruimte
en tijd en het roken versterkt het gevoel van zalig niets doen,
maar tegelijkertijd kon je tijdens het roken je goed concentreren,
goed nadenken, scherp schrijven, zo dacht men, in tegenstelling
tot Goethe, veel eerder, die vond dat roken dom maakte, onkundig
tot dichten en nadenken.
Vele intellectuelen werden in de vorige eeuw rokend afgebeeld.
Van Camus is nauwelijks een foto te vinden zonder sigaret. Sartre
rookte pijp en sigaretten.
Nicotine heeft zowel een verdovende als opwekkende werking.
Met nicotine verweren planten zich tegen vraat van insecten en
planteneters. Het zenuwstelsel van veel insecten is erg
gevoelig voor het gif.
Roland Barthes, de literatuurtheoreticus en filosoof, leed in
zijn jeugd aan tuberculose. Niettemin zag je hem steeds met sigaar
of sigaret.
Tegenstanders van Barthes beweren dat het duidelijk is dat rokende
filosofen in een nevel verkeren. Zij fantaseren meer dan dat
ze helder nadenken. Mulisch-haters wijzen op zijn eeuwige pijp.
Roken 3
In Oscar Wilde's roman The Picture of Dorian Gray
(1891) zegt Lord Henry, die Dorian verleidt te leven voor het
plezier: 'Een sigaret is een volmaakt voorbeeld van een volmaakt
genoegen. Het is iets verrukkelijks en laat een gevoel van onbevredigdheid
achter. Wat kan men zich nog meer wensen?'
Het geheim van de sigaret is dat hij je doet verlangen naar de
volgende. Je rookt en bij de eerste trekken denk je: ah
heerlijk, maar daarna moet hij gewoon opgerookt en na kortere
of langere tijd, dat hangt van je verslaving af, verlang je naar
een nieuwe. Misschien heb je na de eerste van die dag gedacht:
ik stop er mee. Wat is er eigenlijk aan? Maar na een tijd ben
je dat vergeten en lokt de volgende.
Bij Italo Svevo is het roken geproblematiseerd.
Zeno zegt: 'Ik vind dat een sigaret een intensere smaak heeft
als het de laatste is. Ook de andere hebben hun speciale smaak,
maar die is minder intens. De laatste sigaret ontleent zijn aroma
aan het gevoel van zelfoverwinning en de hoop op een naaste toekomst
vol kracht en gezondheid. De andere hebben hun waarde omdat het
opsteken ervan een soort demonstratie van eigen vrijheid is,
terwijl de toekomst van kracht en gezondheid blijft bestaan,
alleen wat wordt uitgesteld.'
'Om de absurditeit ervan te verminderen trachtte ik een filosofische
inhoud te geven aan mijn manie van de laatste sigaret. Je zegt
met een prachtige vastberadenheid: "Nooit meer!" maar
wat blijft er van die vastberadenheid over als de belofte wordt
nagekomen? Deze houding is alleen mogelijk wanneer het besluit
hernieuwd moet worden.'
'Zou ik misschien zo aan de sigaret verknocht zijn geraakt omdat
ik daarop de schuld van mijn onvermogen kon afschuiven? Maakte
ik mezelf niet wijs dat ik, zodra ik ophield met roken, de ideale,
krachtige persoonlijkheid zou worden die ik me voorstelde? Misschien
was dit het wat me aan mijn verslaafdheid bond, want het is immers
prettig te leven in de illusie dat men een latente capaciteit
bezit?'
Uiteindelijk lukt het Zeno pas het roken te laten als hij erkent
dat een gezond leven onmogelijk is. 'Het leven lijkt in zijn
verloop een beetje op een ziektegeval; het kent hevige crises
en perioden van langzaam herstel, met daarnaast de dagelijkse
verbeteringen en verslechteringen. Maar het verschilt in zoverre
van andere ziekten dat het altijd dodelijk is, daar is geen remedie
tegen te vinden.'
Tegenwoordig staat er op pakjes bijvoorbeeld: 'Roken is dodelijk.'
De roker grijnst en zegt: 'Leven ook.'
Het verlangen is een wolf
Zeno Cosini is een zakenman in Triest. Hij zet op aanraden
van een psychiater zijn herinneringen op papier, een advies dat
ook voor minder literaire begaafden zeer nuttig lijkt. Het gaat
niet alleen over zijn rookverslaving, maar ook over zijn liefdeleven.
Hij wil een beter mens worden, maar het blijft bij machteloze
pogingen. Is het verlangen naar een sigaret te vergelijken met
zijn verlangen naar volwassen liefde, naar onbederflijk geluk?
'Binnenkort zal er geen echte sigarettenroker meer bestaan,'
schreef Théodore de Banville aan het einde van de negentiende
eeuw. Dat binnenkort viel tegen, maar het is niet ondenkbaar
dat over vijftig jaar het roken van sigaretten een merkwaardige
gewoonte uit het verleden is geworden.
Wij zien nu tot onze verbazing allerlei personages in de film
dampen en het is nog niet zo lang geleden dat allerlei
geïnterviewden op de tv voortdurend in een rookwolk gehuld
waren. En hoevelen van ons herinneren zich leraren die schaamteloos
rookten in de klas.
'Zijn tafel lag vol met boeken, in hoge stapels. Zijn dikke hoofd
paste er nog maar net tussen. In zijn vuist hield hij een grote
Havannasigaar, die heerlijk rook. Hij nam een trek, blies de
rook uit en reciteerde, kijkend naar een blozend meisje: 'Echo,
de praatzieke maagd, die maar eindeloos kleppert en babbelt,
/ ook als geen mens haar iets vraagt, als een beek die langs
rotsblokken kabbelt, / Diende God Jupiter vaak, als hij vree
met de nimfen der wouden, / want dan had Echo de taak om zijn
vrouw op de praatstoel te houden.' (uit 'De Feeëntrein',
uitg. Kleine Uil)
De leraar wiskunde rookte Roxy. Per les stak hij vier of vijf
sigaretten op, inhaleerde diep en het merkwaardigste is dat ik
me herinner dat hij af en toe hoestte en dat ik dat niet weerzinwekkend
vond, integendeel.
Waarom heeft men eeuwenlang onbekommerd gerookt? Welke behoefte
werd er mee bevredigd?
Théodore de Banville vroeg zich af waarom "al je
energie te steken in het creëren van een verlangen dat niet
bevredigd kan worden. Is het niet tamelijk dandyesk om je leven
te geven aan een wreed, onblusbaar en compleet nutteloos verlangen?"
Eerst ging het om de sigaar, later triomfeerde de sigaret. Byron
zong in zijn 'Sublime Tobacco':
Divine in hookas, glorious in a pipe / When tipp'd with amber,
mellow, rich, and ripe;
/ Like other charmers, wooing the caress / More dazzlingly when
daring in full dress;
/ Yet thy true lovers more admire by far / Thy naked beauties-give
me a cigar!
Goddelijk in de waterpijp, glorieus in een van steen: / In
een pijpje van amber, zacht, rijk en rijp; / Net als andere verleiders,
strelend als bij een vrijage / Veroverendermetuiterlijkvertoon;
/ Maar uw echte liefhebbers bewonderen het meest
/ Uw naakte schoonheid -geef me een sigaar!
=====
Het niet te stillen verlangen
'Over het verlangen naar een sigaret' van Kopland eindigt
met de regels:
'Het verlangen naar een sigaret is het verlangen zelf.'
Wat betekent dat?
Dat het verlangen naar een sigaret zo groot is, dat het het verlangen
zelf genoemd kan worden?
Of is het een onbegrijpelijke uitspraak, die de schijn wekt een
welomschreven betekenis te hebben?
In het gedicht staat ook: 'Ik herinner mij iemand die altijd
als ik iets zei dat ze niet begreep
antwoordde: op zich is dit heel intrigerend.'
De reactie van de zij is een uitvlucht of een uitstel. Soms lijken
uitspraken heel zinvol, maar zijn ze onzin.
Kopland schrijft in hetzelfde gedicht:
'God kan ondoorgrondelijke dingen met ons doen
dankzij het feit dat hij niet bestaat
en zo kunnen ook ondoorgrondelijke dingen
worden beweerd dankzij het feit
dat ze nergens over gaan.'
Sommige uitspraken zijn zinloos, omdat ze nergens over gaan,
alleen maar de schijn wekken betekenis te hebben.
De uitspraak over God is afdoende. Het is onzin in hem te geloven,
ook al begrijpen we niets van de wereld.
Het gedicht begint met een begrijpelijke vraag:
'Ken je het verlangen naar een sigaret,
naar die gelukkige tijd dat je nog rookte?
Niemand begrijpt dit verlangen behalve ik.'
Het verlangen is zo sterk dat de ik denkt dat alleen hij het
begrijpt. Hij kan zich niet voorstellen dat de uitspraak van
iemand anders, die ook was gestopt met roken, even betekenisvol
is.
Zoals ook pubers kunnen zeggen dat hun gevoel van wederzijdse
liefde zo sterk is dat niemand dat kan begrijpen. Hun liefde
is uniek.
Het verlangen naar een sigaret is voor ieder uniek. Het verlangen
krijgt een mythische dimensie. Het verlangen is diep en overheersend.
Het dringt door tot de ultieme zingeving, zo sterk dat het leven
zonder de bevrediging van het verlangen zinloos lijkt. De persoon
die heeft besloten niet meer te roken verliest zijn lust om te
leven, hij denkt dat hij beter dood kan zijn.
Tegelijkertijd is er het feit dat het verlangen wel bevredigd
kan worden, namelijk door een sigaret.
Zeno, de hoofdpersoon van de roman 'Bekentenissen van Zeno' van
Italo Svevo, lost dit op door telkens een laatste sigaret te
roken.
Hij weet als geen ander, denkt hij, dat elke sigaret alleen maar
het verlangen oproept naar de volgende, dat geen sigaret het
verlangen bevredigt, zoals elke kus het verlangen naar een nieuwe
kus oproept. Het verlangen naar nicotine of liefde houdt zichzelf
in stand. Bij liefde is dit evolutionair zinvoller dan bij nicotine.
Bovendien dooft het verlangen bij liefde, jammer genoeg, langzamerhand,
terwijl de zucht naar nicotine eerder sterker lijkt te worden.
Tragisch is dat juist de nicotine (en de teer van de tabak) zo
ongezond is.
Niks onschuld
Er wordt aan nogal wat ritsen getrokken in de Midzomernachtsdroom
van Theu Boermans. Fellatio is in op het Nederlands toneel. Zelfs
het meisje Hermia, verliefd op Lysander, tegen de wens van haar
vader, die zich door haar geliefde laat overhalen naar het bos
te trekken om Athene te ontvluchten, laat zich gaan. Nogal onwaarschijnlijk,
want eerst wijst ze haar geliefde een plaats buiten haar slaapzak.
En dan later zich overgeven aan pornobeelden: de man die het
hoofd van de vrouw naar zijn pik trekt en dan aan haar haar sjort
om dieper haar keel binnen te dringen?
Shakespeare speelt een duivels spel met de liefde. Hij laat door
de betovering de paren in een irrationele rondedans elkaars trouw
breken als dunne takjes. Hij laat de machteloze begeerte zien
en gebruikt Puck als een vileine Cupido.
Theu Boermans maakt van het stuk vooral een klucht, daarbij geholpen
door het weergaloze spel van Pierre Bokma, die Bok speelt, Pyramus
in het spel in het spel. Jelle de Jong als Pikkie, de muur in
het spel van de handwerkslieden, hier technici geheten, kreeg
in de Groningse schouwburg een open doekje voor zijn komische
(panto)mimiek. Het spel van de leeuw en de maan en de muur en
de spleet nodigt natuurlijk uit tot een klucht, maar ook de verhouding
tussen hertog Theseus, nee Oberon en Puck wordt neergezet met
allerlei slapstick-momenten. De vader van Hermia die zijn vaderlijke
macht wil uitoefenen door zijn dochter te dwingen in een ongewenst
huwelijk, is later, bij de bruiloft hilarisch dronken. Hij struikelt
van het trapje naar de zaal af, even overtuigend als de vrouw
in Oklahoma. Dat wordt ook even een trend?
Waarom die vergissing? Omdat Theseus en Oberon door dezelfde
acteur worden gespeeld. Net als Hippolyta en Titania, de koningin
der elfen, gespeeld door één actrice. Boermans
wil daarmee de spiegeling van dag- en nachtleven tonen. Hij laat
ook Puck en Philostrates, de ceremoniemeester aan het hof spelen
door dezelfde actrice Antoinette Jelgersma.
Onschuldige romantische liefde? Shakespeare laat er weinig van
heel. Macht en geilheid, daar gaat het om.
Toch laat Boermans ontroerende momenten zien: als Titania wanhopig
verliefd is geworden op de ezelskop en zij zijn snuit streelt
en ook als Hippolyta Bok ziet spelen en opstaat van haar zetel
in de schouwburg en hem wil kussen en ook hij overmeesterd lijkt
door een vreemde herinnering. Hij als ezel en zij als Titania.
De orde van de dag even verstoord door de anarchie van de nacht,
stad en natuur.
Puck zingt aan het slot ontroerend èn bitter: 'Zul je
morgen bij het wakker worden nog van me houden?'
Wij zijn gelijk
Tien eeuwen geleden, aan de andere kant van de wereld, maar
hetzelfde observatievermogen en dezelfde 'poëzie':
'Op een keer, zo rond de negende maand, had het een hele nacht
geregend, maar tegen de ochtend klaarde het op en stond er een
stralende zon. De planten in de tuin waren doornat van de dauw
een prachtig gezicht. Op de hekken van bamboehout en aan
de dakranden hingen nog enkele spinnenwebben die ongeschonden
waren gebleven. Al waren ze nat van de regen, ze glinsterden
als snoeren met witte parels ; het was zó mooi dat het
me recht naar het hart greep. Toen de zon wat hoger was geklommen,
smolt de dauw. De takjes van de hagi (lespedeza; Japanse struik
met roze bloemen) en alle andere planten, die tot dan toe een
zware last hadden gedragen, sprongen op zonder dat iemand ze
aanraakte. Ook dit was wonderlijk om te zien, maar toen ik het
aan anderen vertelde, bleek niemand geïnteresseerd, wat
ik ook weer wonderlijk vond op zichzelf.'
(Uit 'Het hoofdkussenboek' van Sei Shonagon) (Bloemlezing Jos
Vos)
Syntropie
Edmund Burke: 'De maatschappij is niet alleen een samenwerking
van de levenden, maar van de levenden, de overledenen en de nog
niet geborenen.'
De laatste groep is interessant: hoe kunnen de ongeborenen deel
uit maken van de maatschappij? Dat kunnen ze omdat ze leven in
de verbeelding van de levenden, omdat de levenden hun gedrag
laten bepalen door de toekomst.
Mijn handelen kan doelgericht zijn; ik laat zo de toekomst mijn
nu bepalen. Ik ben op weg naar de tijd waarin alles heel wordt.
De bekende uitspraak is: uit het verleden komt het heden, uit
het nu wat worden zal. Maar de vorige zin zegt dat de toekomst
het heden bepaalt.
Retro-causaliteit?
De causale tijd regeert in verspreidende, uiteengaande systemen,
bijvoorbeeld ons uitdijend heelal. Daar heerst entropie; alles
valt uiteen. Een glas valt altijd kapot, nooit heel. De tijd
gaat vooruit, van het verleden naar de toekomst.
De retrocausale tijd regeert in verdichtende, samenvallende systemen,
bijvoorbeeld zwarte gaten. Daar gaan gevolgen vooraf aan oorzaken.
Daar heerst syntropie; de 'dingen' worden heel. De tijd loopt
terug, gaat van de toekomst naar het verleden.
Supercausale tijd: hier is een balans tussen uiteengaande en
samenvallende krachten. Verleden, heden en toekomst zijn tegelijk
aanwezig: een eeuwig nu.
Vooruitblik?
Lang geleden ik was zeventien schreef ik: 'verdroom
/ want niets zal je / nog weerhouden'.
Vannacht doemden die regels op vanuit het onderbewuste.
Begreep ik destijds die regels? Nee, ze kwamen toen, dat weet
ik nog wel, uit het niets opdoemen, dat wil zeggen: ik keek naar
een schilderij van een jonge schilder, een collega van de even
jonge Rudi van de Wint, die toen nog knappe, maar zoete bloemstukken
schilderde. Op het schilderij van de ander was een groen
bos, paarse kleuren, een zwaan, een danser. Het gedicht was nogal
onzinnig: ik somde op wat op het schilderij te zien was en verkondigde
dat dat alles 'nu verzonden' was. In de derde strofe stond ook
een opsomming van andere elementen uit het schilderij, en die
begon met 'jou rest nu'. Waarom sommige elementen verzonken waren
en andere nu restten, was en bleef onduidelijk. De vierde strofe
was een herhaling van de eerste.
Ik verbaas me nu ook over de regellengte. Waarom niet: 'verdroom,
want niets zal je nog weerhouden'?
En wat betekende dat gebod?
Wat betekent het nu, nu de woorden weer opdoemen? Is het een
afscheid? Maar nee, denk ik, er zijn voldoende 'dingen' die me
weerhouden van het verdromen.
De tweede strofe was: 'de gele zonnegloed / in het groene volkwoud
/ de paarse springdecors / de korte klankmuziek / de donderende
woordenval / zijn nu verzonken'.
De derde: 'jou rest nu / oker licht / in vaag blauw bos / een
stervende zwaan / zijn zieke hals / de ranke danser / zijn vrome
knie / een weense wals / een zoet sonnet'.
Wat me nu opvalt is het vitale van de tweede en het moede van
de derde strofe.
=
Poëzie?
In de Poëziekrant, nr.8, dec.2011 staat een interview
met Hendrik Carette, Westvlaams dichter.
Hij spreekt onder andere over Joke van Leeuwen in een gedicht
in zijn jongste bundel 'Een zeemeermin aan de monding van het
Zwin'. 'Een niet zo geniale en niet zo geestige dichteres' en
'Ja, laat haar maar leuk haar ding dong doen, / zolang ik maar
niet hoef en zij niet jokt en lokt en ik niet moet geeuwen.'
Dit is een citaat uit een gedicht, al lijkt het eerder een fragment
uit een column. De interviewster, Sofie Rycken, suggereert dat
de dichter meer denkwerk van een collega verwacht. Het werk van
Joke van Leeuwen is Carette te 'leuk'.
Zouden de andere gedichten van Carette wel poëtisch zijn?
De in het blad afgedrukte gedichten geven daar weinig hoop op.
Carette blijkt een erudiet lezer en reiziger die veel verwijzingen
in zijn gedichten stopt. Hij houdt van beeldende kunst, bijvoorbeeld
van de expressionist Emil Nolde.
Een verloren paradijs
bij het gelijknamig schilderij van Emil Nolde uit 1921
De man is een demonische naakte baardaap en hij loert naar de
naakte vrouw
die naast hem als een verschrikte vrouw haar lompe hompen vlees
vertoont.
Beiden zitten als gedwongen dwergen bij de hoge gepunte paal
van een penis
die door een groengouden bijbelse slang wordt omwonden en beklommen.
Man en vrouw zijn gedrochtelijk gezwollen door de boom van de
levensdrift
en de voeten van deze twee verweesde wezens zijn vlezige hoeven
of klompen.
Haar bleekblauwe angstige ogen werden opengesperd aan een Deens
zeestrand.
Zijn ogen werden zwartgeblakerd in een hut op de Duitse heide
na een veenbrand.
Dit is toch weinig meer dan een, zij het persoonlijke en indringende,
beschrijving van het schilderij. De assonanties en alliteraties
maken het niet poëtisch.
Carette houdt ook van desolate landschappen. Over Groenland schrijft
hij, naar aanleiding van een documentaire over afkalvende gletsjers.
Een witte Groenlander
Geen wit is zo verblindend wit als het reflecterend wit
van een ijsberg die van Groenland naar het zuiden drijft.
Bij nacht is hij haast fluorescerend en schuift als een Titanic
doorheen de donkere oceanische oorden van het noorden.
Bij dag vaart het prachtige gevaarte mijlen en zeemijlen
ver en mindert dan vaart tot het onzichtbaar smelt en verdwijnt.
Hoe lang kan zo'n witte Groenlander bestaan en hoe diep
schuilt zijn zwaartepunt onder de spiegel van dat zwarte water?
Ook hier de nadrukkelijke rijmvormen, die je, dat is waar,
niet zo gauw in een journalistieke beschrijving zult vinden.
Wel de voor de hand liggende vergelijking met de Titanic, die
echter vals is.
Maar poëzie? Joke van Leeuwen lijkt me heel wat poëtischer.
=
Lachen en liegen
We lachen om de Noord-Koreanen die zo veel geloof lijken te
hechten aan de grote leider, maar in Amerika wordt nog steeds
geleoofd in de zegeningen van de Irak-oorlog, terwijl voor elke
buitenstaander duidelijk is dat 1. de rechtvaardiging van het
binnenvallen vals bleek (geen massa-vernietiging-wapens); 2.
de opvatting dat het westen wel even democratie kon brengen,
ook voor het hele Middenoosten, een illusie bleek; 3. het volk
in Irak kennelijk een sterke leider nodig had, zij het liefst
minder wreed dan Saddam.
Ook de Nederlandse regering loog en bedroog.
Op kleinere schaal en op andere terreinen gebeurt het nu weer.
Rutte c.s. liegen over het niet aanpakken van de hypotheekrente
aftrek. Ze zullen het niet toegeven, maar in 2012 gaat op de
een of andere manier het heilig huisje van rechts eraan.
De staatsecretaris van natuur en milieu bedriegt en liegt; de
minister van volksgezondheid liegt en bedriegt.
De bankiers liegen en bedriegen en wij maar lachen om die stomme
Noor-Koreanen, die hun leider kaviaar laten eten, terwijl zij
honger lijden.
In het rijke democratische westen moeten steeds meer mensen gebruik
maken van voedselbanken, terwijl de geldmanagers baden in weelde.
=
Tweet
Wij hebben in Nederland een koningin. Goed, dat is een
beetje vreemd in de 21ste eeuw, maar in de ons omringende landen
hebben ze ook nog zo'n instituut. Nu hebben wij het geluk dat
de vrouw die door erfelijke belasting deze rol vervult, intelligent,
bekwaam en verstandig is. Het is te hopen voor haar oudste zoon
dat zij nog jarenlang de functie kan uitoefenen en dat tegen
de tijd dat zij echt te oud wordt of sterft, onze regering zo
verstandig is het instituut af te schaffen. Zij, Beatrix, houdt
elk jaar een toespraak ter gelegenheid van het kerstfeest en
kiest haar woorden zorgvuldig om niemand te kwetsen. Zij zegt
bijvoorbeeld: "Wie de wereld wil veranderen, moet nu eenmaal
beginnen bij zichzelf." Zij vindt dat we de toekomst veilig
moeten stellen. We moeten de natuur en het milieu beschermen.
En men- sen moeten vooral ook eigen verantwoordelijkheid nemen.
Dat gebeurt al volop, stelt de koningin vast. "Overal nemen
mensen nu reeds eigen initiatieven tot een meer bewuste manier
van leven. Dat biedt hoop op een nieuw toekomstperspectief. Het
zijn juist de jongeren die ons vandaag daartoe aansporen."
Wie zou daar bezwaar tegen kunnen hebben? Nu, we hebben ook een
politicus die zelfs hierover valt. Hij doet dat via een modern
medium, als een vogeltje dat ergens een poepje laat vallen, maar
het poepje wordt gretig waargenomen door de pers. Het is te hopen
dat de jongeren er voor zorgen dat die politicus gauw naar huis
wordt gestuurd.
=
Partij tegen de Vrijheid
Thomas von der Dunk schrijft: "Dat de feitelijke achterkamertjespartij
bij uitstek, PVV, ondanks haar populistische retoriek over gesloten
regenteske elites, daarmee geen moeite heeft, verbaast gezien
haar interne dictatoriale karakter niet. Voor de PVV geldt nog
onverbloemder dat wie zijn stem tegen de Verwildersing van Nederland
verheft en de handel en wandel van de Kleine Dictator bekritiseert,
beroepsmatig moet worden kaltgestellt. Het jongste beoogde slachtoffer
is de directeur van het Bonnefantenmuseum in Maastricht, die
van de PVV ontslagen moet worden. Daar zal dat niet lukken, want
dat zou een publieke afgang voor Limburg betekenen. Nee: in Nederland
werkt dat anders bij nieuwe benoemingen. Zie de blamage
inzake de Hoge Raad, juist deze maand. Daar kon de zeer gerenommeerde
jurist Diederik Aben, die aanvankelijk bovenaan op de voordracht
stond, zijn promotie vergeten, omdat hij in het Wildersshow-proces
een onwelgevallige kanttekening had gemaakt. PVV-Kamerlid Lilian
Helder sprak haar veto uit, en de rechtse meerderheid van de
Kamercommissie wilde na het gedoe rond Ybo Buruma niet nogmaals
ruzie maken. Het is het Poldermodel op zijn lafst: zonder eigen
moreel kompas buigt rechts met alle winden mee. Toekomstige sollicitanten
weten nu: wil ik niet mijn eigen glazen ingooien, dan houd ik
over de zegeningen van Wilders evenzeer mijn mond als een Noord-Koreaan
over die van Kim Jong-il. Verloedering gaat sluipend. Dat VVD
en CDA hierin zover mee zouden gaan, konden we bij het aantreden
van het huidige kabinet inderdaad nog niet zeker weten. Maar
het liet zich met enige kennis van het Nederlandse volkskarakter
natuurlijk wel vermoeden. "
=
Spa
In de Notre Dame van Spa was natuurlijk een kerststal, links
voor het altaar. Ik ging zitten op een kerkbank en zei: 'Laat
nu de kinderen maar komen.' En daar kwam een gezin: oma, opa,
mamma en twee dochters (dichters schreef ik), van wie één
heel jong. Ze kon lopen, maar ze droeg waarschijnlijk nog een
luier. Ze keek een beetje verdwaasd. Haar oudere zusje stelde
vragen die ik niet kon horen. Misschien over een meid met een
kan. Zij, de meid, droeg de kleding van een middeleeuwse herbergmeid
en ze bracht het kind of de moeder een kan met warme wijn? De
moeder dus. Het kleine meisje keek naar de schapen en de herders.
Ik denk dat ze er niet veel van begreep, maar de lichtjes waren
mooi. Ze keek naar me, ik lachte naar haar, maar ze bleef strak
kijken. De figuren uit de kerststal waren 19de-eeuws, de meeste
met gespreide armen, gemaakt van hout of beschilderd gips met
in hun ledematen ijzeren draden voor de stevigheid. Vaak zie
je dat een kameel zijn gips heeft verloren bij zijn poten en
dat hij nog wankelt op het ijzer. Rechts van het altaar een beeld
van de heilige Remacle, gerestaureerd. Deze man was een evangelist
uit de zevende eeuw, te vergelijken met onze Willibrord of Bonifacius.
Hij wordt een een Ardense apostel genoemd, afgebeeld met een
wolf aan zijn voeten en een kerk in zijn hand. Zijn bewoning,
een grot, bevindt zich in de rotswand aan de steile oever van
de Semois. Het is een geheel van drie in de rots uitgehouwen
holtes. Remaclus verbleef hier alvorens de abdij in Stavelot
te stichten. De legende vertelt dat St Remaclus hier leefde met
zijn ezel die in de omliggende dorpen de giften van de bevolking
ging rondhalen. Satan, die het nieuws venomen had, veranderde
zich in een wolf en doodde de ezel. Remaclus ving de wolf en
hing zijn rozenkrans om diens nek. Vanaf dan was de wolf gedoemd
om de dagelijkse ronde te doen in de dorpen om het voedsel op
te halen. De goede St. Remacle had echter niet voorzien dat de
draad van hennep die de kralen van zijn rozenkrans bijeen hield
uiteindelijk zou verslijten en breken Toen de wolf van
zijn halsband verlost was, vluchtte hij terug naar de hel. Toen
hij wakker werd vond St. Remacle de kennel leeg. De hellewolf
was er vandoor gegaan, als souvenir een afgrijselijke stank van
zwavel nalatend die de heilige man snel verjoeg door in de nis
een vuurtje van heide en muntkruid te maken Zwavel rook ik ook
in het water van de bron Géronstère. Het water
kleurde de steen waar de forse straal op neerkwam door het
Ijzer bruinrood. Het smaakte pittig. In het beukenbos rondom
was het vooral stil. De bladeren van de beuken lagen op de grond
en zaten nog aan de onderbegroeiing: roodbruin. Langs de kanten
af en toe hoopjes sneeuw.
Verviers
Het is bizar: Verviers was een rijke stad met wolindustrie,
maar die is net als in Twenthe de textiel verloren gegaan. We
liepen van het luxe hotel in een compleet vernieuwd groot douanegebouw
naar het centrum langs een wildstromende rivier en kwamen door
een straat met allemaal lege, kapotte winkels, met rommel op
de vloeren, met rotsooi op straat. We dachten aan Oost-Duitsland
of aan een oorlogsgebied. Nee, er waren geen ruïnes, maar
de treurigheid was er niet minder om. In het centrum, met lichtjes
en kerstmannen, een ijsbaan, was het ook niet echt opgewekt.
Men deed zijn best of misschien ook wel niet. Er liepen veel
mensen te roken op straat; er liepen veel dikke mensen, veel
Kongolezen. Aan de rand van het centrum zagen we de volgende
dag een nieuw Outletcentrum; de meeste ruimtes waren gesloten
en leeg. Er waren een paar winkels open: Gerry Weber en dat soort.
Een groot parkeerterrein, toiletten, schoon, die nog functioneerden,
een oppascentrum (dicht), een eetgelegenheid (dicht). Wat is
er aan de hand? Is er in Verviers en omgeving zelfs geen geld
voor goedkope aanbiedingen? Ook bizar: vijftien kilometer rijden
en dan ben je bij de Baraque Michel, een café-restaurant
op de op één na hoogste plek van België in
de Haute Fange, de Hoge Venen. We liepen het pad op en kwamen
bij een plankier door het veen. Er stond een kruis met een Christus.
We hadden net gezegd: 'We hebben een witte kerst' en we hadden
een foto genomen van een met sneeuw bedekte dennenboom (of was
het een spar?). Alles wit en koud, geen zicht vanwege mist en
sneeuwbui. We keerden terug naar de auto en begrepen heel goed
het verhaal dat we in het hotel lazen over een drama in januari
1871. Een 75 cm dikke sneeuwlaag bedekte het veengebied. Toch
wilden François Reiff en zijn verloofde Marie Solheid
te voet van Jalhay naar Xhoffraix gaan, op familiebezoek. Ze
volgden de hen bekende weg door het veen, maar ze zijn nooit
aangekomen. Pas op 22 maart van dat jaar , toen de sneeuw weggesmolten
was, ontdekte men hun lichamen. Dat van Marie lag bij de plek
waar nu het Verloofdenkruis staat. In haar kleren stak een briefje
dat François nog geschreven had.: 'Marie is zopas gestorven
en ook voor mij is het einde nabij.' Zijn lichaam lag echter
drie kilometer verder, in de richting van Solwaster. Toen we
terug waren in Verviers, scheen de zon. Het was moeilijk voorstelbaar
dat bij Baraque Michel de sneeuw zelfs op de weg lag.
==
Correspondentie
De minachting voor kunst is natuurlijk belachelijk.Ik hoop dat
niet alles gemeend is en dat het bij het politieke spel hoort.
Ik hoop dat je gelijk hebt, maar ik vrees dat er ook een welgemeende
minachting is èn een kwaadheid tegenover wat zij de elite
noemen. Jaloezie, omdat ze niet begrijpen wat de functie van
kunst is? Geloven ze alleen in glitter en kermisvermaak? Er is
inderdaad een vreemd verschijnsel: gestudeerde lieden die geen
contact hebben met serieuze cultuur. R. heeft bijvoorbeeld gestudeerde
leerlingen die niet weten wie Bartok is. Nu kun je natuurlijk
heel goed leven zonder die kennis, maar wat zijn er nog meer
voor leemten? Is er geen respect meer voor de kwaliteit die ze
kennelijk niet meer hebben leren kennen in hun opleiding. Het
onderwijs heeft veel schuld en ook de PvdA-ministers van onderwijs
hebben geholpen bij de afbraak van wat de Duitsers zo mooi Bildung
noemen.
Meer discipline is zeker nodig. (Ik was vandaag op een school
in Sneek om leerlingen gedichten te laten schrijven (voor een
wedstrijd). Je moet altijd door weerstand heen en je moet streng
zijn. Ik vertel iets, lees iets voor om ze te inspireren en dan
zeg ik: 'Aan het werk, ga maar schrijven.' Ja, maar, ik weet
niks.' 'Dat is onzin. Schrijf over je hobby, over wat je
bezig houdt, basketbal of paarden of de zee. Aan het werk!' En
dan begint het gegiebel, lachen naar elkaar, protesthouding want
we zijn pubers. Ik zeg: 'Hou je mond. Beweeg je pen. Als je niks
weet kom ik je helpen.' En dan gebeurt het toch. Langzaam komen
ze op gang en ze schrijven over eenzaamheid of verdriet om een
dood dier of over een opa die kanker heeft. Een meisje schreef
een gedicht vanuit de gedachten en uitspraken van haar opa, hoe
hij worstelde en wilde opgeven etc. Ik las het na afloop voor.
We gingen naar de mediatheek om een print te maken en toen ze
het uittypte kreeg ze tranen in haar ogen en ze wilde het niet
opsturen voor de wedstrijd. Ik zei: 'leg het even weg. Kijk morgen
nog eens. Het is een goed gedicht.' Later hoorde ik van haar
lerares dat ze het toch zou opsturen. Die lerares vertelde over
een jongen die als kind mishandeld was en die daar een gedicht
over schreef en dat hij door het opschrijven iets van zich af
had geschud en dat hij weken daarna veranderd was, opener geworden.
Kijk, dacht ik, dat kan een gedicht doen. Maar ook gewoon het
plezier van op een interessante manier opschrijven wat je aan
vrolijks hebt beleefd. Dat kan ook.)
Ik bedoel dat je respect moet hebben voor wat je niet kent,
of onvoldoende, maar dat toch van belang is voor de beschaving.
Ik zou me schamen als ik niet wist wat de slinger van Foucault
was, of als ik niet iets begreep van het belang van quantum-fysica.
Straks gaat de PVV ook nog tekeer tegen de experimenten rond
het Higgsdeeltje, 'want wat heb dat voor nut?' Als we in de politiek
alleen maar geld over hebben voor wat Toos en Dirk als belangrijk
zien
De vele mooie schilderijen en composities van vroeger waar
je vandaag de dag van geniet zijn gemaakt door mensen die in
dienst waren bij vorsten of opdrachten kregen van de kerk.
Hoe vrij waren die?? We vinden de stukken geweldig
maar er zijn opdrachtgevers(kerk) , waar velen niets meer van
willen weten.
Ook daar heb je gelijk. Kunstenaars hebben natuurlijk altijd
rekening moeten houden met geldgevers, maar gelukkig waren er
altijd die zochten naar antwoorden om zich zelfs wil. Denk aan
Copernicus. Aan de armoe van Van Gogh
We ontmoetten in de trein 2 twee frisse jonge meiden, begin
20. Waren samen naar Texel geweest om te fietsen en te wandelen
in de koude. Een plus. De een leest een boek van Japin.Ik denk
ook een plus. De ander leest een dikke pil over onderduik-kinderen
aan het Oostfront (Stad der dieven, filmisch volgens een site).
Ze wil ook kennis nemen van WO II. Weer een plus. Ja, zeker.
De uitgevers proberen alleen bestsellers te brengen. Vroeger
was toch het verhaal dat de opbrengsten dan gebruikt konden worden
om ook eens een dichtbundel uit te brengen, of is dat niet meer
zo?
Nee, dat is niet meer zo. Elke afdeling moet zijn eigen broek
ophouden. Zit iets in, maar we gooien toch veel waardevols weg
op die manier. Mensen blijven heus wel schrijven. Het bloed kruipt
waar het niet gaan kan.
Ik ben bang dat de groep mensen die de literatuur beleeft
zoals jij beschrijft klein is, misschien wel erg klein. De meesten
zullen het boek als medium zien zoals boven aangehaald. Dat is
in ieder geval prikkelender en uitdagender dan passief kijken
naar simpele films, TV, sociale media e.d.
De groep is altijd klein geweest; misschien is de groep zelfs
wel groter dan vroeger vanwege de toename van studiejaren. Uittreksels
werden ook in mijn HBS-tijd gebruikt. B. leest Steve Jobs, de
biografie. Ik lees dat nu ook, om er met hem over te kunnen praten,
maar ook omdat ik gewoon wil weten wat voor man dat was.
=
Tonnus
Uit het interview met Tonnus Oosterhoff (zie http://interviewsekkers.blogspot.com
Je zegt: ik laat me lokken, je hebt het over rattenvangerseffect
en later ben je een beetje rattenvangerduwer geworden.
Is de rattenvanger de taal?
Wat is 'de taal'? Als je zegt: de rattenvanger is de taal Wanneer
is dat een zinvolle uitspraak? Dan moet je weten wat taal is.
Ik vind dat altijd moeilijke uitspraken. De muziek van de betekenissen,
de klanken Bij het woord 'taal', net als bij 'boek' of 'literatuur'
gaan sommige mensen heel vroom en verheerlijkt kijken. 'Ik houd
van taal', 'Ik houd zo van literatuur', maar wat is het? Dat
weten ze niet. Als je zegt: je houdt zo van taal; wat is dat
dan? Dat weet ik niet. Het lijkt dan net of de betekenissen er
niet meer toe doen. In dat stuk 'Zo is het!', (in Mooi, maar
dat is het woord niet, R.E.) staat: 'Honden met roodbruin haar
hebben altijd een tenorstem.' Als het anders geformuleerd zou
staan, zou het me misschien niet opvallen, maar het zou me helemáál
niet opgevallen zijn als het niet zo'n rare betekenis had.
Het is geen rationele uitspraak, geen ware uitspraak, en toch
heb je het idee dat er een venstertje geopend wordt. Maar wat
en in hoeverre heeft dat met taal te maken?
Hoe kan het dat verschillende lezers zeggen: ja, dat klopt?
Je zegt: het kan me niet schelen waarover het gedicht gaat, niet
hoe lang het wordt, hoe breed. Je laat je daarbij bepalen door
de intuïtie?
Dat is in de laatste bundel een beetje een thema geweest. Ik
wilde een maximaal contrast tussen de gedichten.
Ik zak altijd een beetje in als ik merk dat ik mezelf herhaal,
dat ik iets doe wat ik al eerder onderzocht heb. Dus dan stop
ik ermee. Dat is ook niet iets wat ik in het algemeen de poëzie
wil opleggen, maar zo werkt het voor mij.
Maar er zit in al dat gezoek ook een element van agressie, iets
kapot maken.
Wat wil je kapot maken?
Misschien een leesgewoonte of wat dan ook. Als het maar kapot
is. Een beetje agressief is het allemaal wel, denk ik. Ik kan
me heel goed voorstellen als lezers van mijn proza, de korte
verhalen, er helemaal beroerd van worden. Dat ze het intens rot
verhalen vinden.
Je maakt de dingen niet kapot uit blinde agressie. Je wilt ze
heel maken in een andere betekenis.
Opdat er dan iets lekkers uit komt lopen. Als je een bot breekt,
is er merg.
Een soort hogere honing?
Het bot is ook het cliché.
Het cliché is vaak een pantser om het levende. Je gaat
niet bewust cliché's vermijden, maar als je een cliché
opschrijft, ziet het er slap uit.
Of versteend? Dat past beter bij de metafoor.
Ja, maar het voelt slap. Het doet niks in het gedicht. Je ziet
het vaak heel laat hoor. Je bent nog te opgewonden, sentimenteel.
Die slappe plekken gaan er soms heel laat uit.
Volgens Rob Schouten vormt 'de motor' van jouw poëzie 'opgevangen
gespreksflarden, tekstbrokken, halfmeegemaakte momenten'.
Motor? Nee. De motor is het zoeken naar contact, 'soul'. Ik zou
graag hebben wat Otis Redding met zijn publiek had. Contact met
de mensen. Met de wereld. Ik merk het bij voorlezen, dat het
ontstaat.
Je bent meer onderzoeker dan taster. Bijna een wetenschappelijke
benadering. Experimenten. Eens kijken wat er uit komt.
Eens kijken wat er uit komt? Dat klinkt me te onbetrokken. Ik
volg een zo-is-het-gevoel, dat heeft meer te maken met betrokkenheid.
De belangstelling voor het morbide is niet geïnitieerd door
het wonen bij een psychiatrische inrichting?
Nee, ik vond dat allemaal heel gewoon. Mijn belangstelling voor
het abnormale zit hem in het feit dat ik de binnenkant wil zien.
Het gewone is vaak dicht en oninteressant. De dingen worden interessant
als ze een beetje scheef zijn. (Loopt ter demonstratie spastisch
door de kamer.) Maar ik vind het bij mezelf een gebrek, die overdreven
aandacht voor het gebrokene. Een gebrek aan talent. In het gewone
zit net zoveel leven als in het niet-afwijkende.
'Structuur en betekenis geven in een duister, onzinnig heelal.
Maar zonder wezenlijk verband met de waarheid. Dat vind ik een
treurige, absurde gedachte. Zin zonder waarheid. Hoe kan dat
bestaan? (-) Ik geloof, nee hoop, ik heb het voor mijzelf nodig
om te geloven, en ik voel het ook inderdaad zo, dat poëzie
in een en dezelfde wereld spreekt als in die die de wetenschap
beschrijft,() Het moet ongeveer zo zijn: om de wereld een beetje
te begrijpen en te beheersen zijn we genoodzaakt gigantische
reducties te plegen.' (Uit: Mooi, maar dat is het woord niet)
Ontreduceren. We kijken naar de wereld, leven er in met een aangepast
patroon. Wat we zien is niet de werkelijkheid. Een vlieg ziet
iets heel anders, maar hij kan op die manier van kijken heel
goed leven, net als wij.
We leven in schema's, concepten.
Een stoel is een verzameling dansende moleculen, meer leeg dan
vol.
Maar je kunt er op zitten. Reducties hebben we nodig. Als er
een paar worden opgeheven, zie je een ongrijpbare werkelijkheid.
Dan word je stapeldol. We kunnen niet buiten die reducties, maar
het is wel goed om die kant op te wijzen. Ik heb net het boek
van Michaux gelezen, over die mescaline-experimenten, oneindigheids-
en vreselijke tijdservaringen. Hij maakte tekeningen onder invloed,
of daarna. Kijk, allerlei vormen met een heel fijn pennetje.
Dat ken ik ook wel. Dan begint er iets te trillen in je waarneming.
Mescaline haalt een rem weg. Je kunt denken aan een achtbaan,
dat gevoel, maar dan heb je er nog honderden handremmen opzitten.
Als je die weghaalt
Het is ondragelijk. Hij beschrijft dingen het is haast niet vol
te houden. Dan weet je weer dat we reducties nodig hebben. Je
kunt ook niet in de winter buiten gaan slapen. Je hebt een huis
en verwarming en een rekening bij de EDON; dat heb je allemaal
nodig. Je kunt wel naar buiten gaan zitten staren en bedenken
hoe het is om in de sneeuw te slapen.
Vet
Augustus Oklahoma van Tracy Letts was en is een succes: de schouwburgen
zijn vol, het applaus is fors en langdurig. De schrijver heeft
in het voetspoor van Tennessee Wiliams, Arthur Miller, Edward
Albee en Eugene O'Neill een familiedrama geschreven. Tracy Letts
(1965) schreef een eigentijds stuk in 2007, maar het lijkt mij
nogal epigonistisch. Dit oordeel wordt niet gedeeld door de jury
van de Pulitzer Prize voor drama en de Tony Award for Best Play.
Vond ik het stuk dan niet boeiend? Ja wel, ik heb me niet verveeld.
Heb ik niet genoten van de acteursprestaties? Zeker wel. Ik heb
bewondering voor onder andere Ria Eimers (de moeder), voor Marie-Louise
Stheins (de oudste dochter), voor Tjitske Reidinga(de middelste
dochter). Wat zijn dan mijn bezwaren?
Het drama volgt een bekend patroon; er zijn vele cliché-matige
situaties en gebeurtenissen en de regisseur Antoine Uitdehaag
heeft die nogal vet aangezet, zodat het spel vaak een cabaretesk
karakter krijgt. Er wordt veel gelachen; sommige teksten worden
dan ook (knap) getimed als grap.
De moeder, teleurgesteld in haar man met wie zij zonder de kinderen
in het grote huis alleen verder moet, raakt verslaafd aan slaapmiddelen
en allerlei pillen. De vader heeft ooit een dichtbundel gepubliceerd,
met enig succes, maar ja, in beperkte kring natuurlijk, want
wie leest er poëzie? en daarna kwam er weinig meer. Aan
het begin van het stuk zit hij drinkend te oreren tegen een Indiaans
meisje, dat hij in dienst heeft genomen om het huishouden in
goede banen te leiden. Zijn vrouw ligt immers de hele dag in
bed. Later begrijpen we dat hij haar niet alleen achter wil laten.
Hij pleegt zelfmoord door verdrinking. Aan het slot blijkt dat
hij een briefje heeft achter gelaten voor zijn vrouw met het
nummer van een motel. Zij zou hem moeten bellen, maar zij geeft
voorrang aan het openen van een kluisje bij de bank met hun geld
om dat veilig te stellen. Dat kan pas op maandag en dan is de
sheriff al geweest met het nieuws. Heeft zij schuld aan zijn
dood? Dat ontkent zij door tegen haar oudste dochter te zeggen
dat hij de enige is die de daad heeft gepleegd. Zij geeft ook
die dochter schuld doordat zij het huis is uitgegaan, zij, de
lievelingsdochter, die niet vaak meer kwam.
De drie dochters komen naar huis vanwege het bericht over hun
vader.
De oudste dochter is getrouwd met een universitair docent die
van haar weg wil, omdat hij verliefd is geworden op een studente,
Cindy genaamd. De echtelieden, bijna ex of in feite ex, maar
dat weet de familie nog niet, schelden elkaar verrot zoals George
en Martha in 'Who is afraid of Virginia Woolf'. Dat stuk is van
1962 en sindsdien zagen we vele scheldhuwelijken. Ook van Lars
Noren ('De Nacht, de moeder van de dag' van 1982) met een drankverslaafde
vader en een ziekelijke moeder. De dialogen klinken bekend. Man
tegen vrouw. Vrouw een feeks, man onnozel.
De derde dochter heeft lang gezocht en denkt nu een ideale man
gevonden te hebben, maar hij blijkt een lapzwans, die achter
de wietrokende puberdochter, ook vet aangezet, van haar zus aan
zit. Hij verleidt haar met 'zwaar' spul en verkracht haar bijna,
maar ze wordt 'gered' door de Indiaanse die hem met een koekenpan
op zijn kop slaat. Derde dochter af met vriend. Ze zegt nog gauw
tegen haar zus dat haar dochter vast aanleiding heeft gegeven.
De tweede dochter is moe, doodmoe, maar nu is ze verliefd op
de zoon van haar tante, ook een feeks. Die man is een verontschuldigings-karikatuur,
maar blijkt later haar broer, want papa heeft haar verwekt bij
de zuster van zijn vrouw. Dat wist mama ook al lang. Het
maakt niet uit: want tweede dochter gaat toch met hem naar
New York. Ze is immers te oud om nog kinderen te kunnen krijgen.
Oudste dochter blijft alleen achter met moeder en Indiaanse,
die door moeder racistisch en cynisch wordt behandeld. Die moeder
blijkt een verzuurd en egoïstisch en sterk en slim wijf.
Ze heeft iedereen door, weet alles al en blijft staande. Oudste
dochter ook af. Nu is de moeder alleen en zij zoekt steun bij,
huilt uit in de schoot van de Indiaanse, die boven op haar kamertje
'Waste land' van Eliot leest. Dat boek heeft ze gekregen van
de vader des huizes. Zij heeft zich al die weken voorbeeldig
gedragen als huishoudster en zij wordt in haar ouderwetse, lange,
geruite jurk als vertegenwoordigster van de oorspronkelijke en
'misschien wel verfijndere cultuur van Amerika' gesteld tegenover
de decadente, elitaire cultuur van de blanken.
Kunst en geld
Halbe Zijlstra staat niet alleen. Hij pikt op wat bij het
volk leeft, samen met zijn companen. Ook Rutte, die privé
misschien anders denkt, maar goed aanvoelt hoe de tijdgeest is.
Dat kunnen politici.
Het volk heeft lak aan wat ze elitaire kunst noemen. Dat hadden
de mensen vroeger ook, maar toen durfden ze het niet hardop te
zeggen, want de dokter, de dominee, de notaris Nu slaan ze de
dokter in elkaar, groeten de dominee niet meer en zoeken op internet
de goedkoopste notaris. De tv geeft wat ze altijd al wilden en
wat ze vroeger ook wel vonden, maar nu in overweldigende vorm
en mate. En ze gaan naar de bioscoop kijken naar vloekende, zuipende
aso's en vinden het 'geinig'.
Kunst moet in elk geval niet gesubsidieerd worden van 'onze
belastingcenten'.
'Toch is ruimschoots bekend dat er vele malen meer Nederlanders
naar tentoonstellingen, theatervoorstellingen en concerten gaan
dan naar het zwaar aan gemeenschapsgeld verslaafde betaald voetbal.
() Bedenk dan ook nog dat, in weerwil van wat enkele kunsteconomen
beweren, in geen enkele maatschappelijke sector door zo veel
mensen zo veel niet en slecht betaald werk wordt verricht als
in de kunstsector, en je vraagt je af waar de pijn wérkelijk
zit.' Anna Tilroe in De Groene van 10-11-11)
Geniaal musicus
De Messiah van Händel wordt meestal rond Kerst opgevoerd,
omdat de Passies van Bach voor Pasen gehoor vinden, maar Händel
heeft de muziek bedoeld voor rond Pasen en dat is ook duidelijk
als je de tekst volgt.
Deel 1 gaat over de komst van de messias zoals die in Jesaja
wordt aangekondigd. Er zal voor de gelovigen een betere toekomst
komen. Ze zullen worden bevrijd uit de knechting. Er wordt een
kind geboren en zijn naam zal luiden in het Engels van Händel:
Wonderfull, Counsellor, the mighty God, the Everlasting Father,
the Prince of Peace. En dan springt Händel naar het evangelie
van Lukas en zingt van de herders en van de engel. Dit deel past
dus bij Kerstmis.
Deel 2 gaat over de rol van Jezus, het Lam Gods, die voor onze
zonden moet lijden. Ook dit wordt aangekondigd bij Jesaja: 'Hij
werd veracht en verworpen door de mensen; een man van smarten,
bezocht met leed. Hij gaf zijn rug aan hem die sloegen, zijn
wangen aan die zijn haar uittrokken. Hij verborg zijn gezicht
niet voor spot en speeksel.' Maar de Heer zal overwinnen en de
machthebbers teneer slaan: 'Gij zult hen breken met een ijzeren
stang. Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkerskruik.'
Dat komt uit Psalm 2:9.
Deel 3 gaat over de verlossing, de overwinning op de dood en
past dus bij Pasen.
De Messiah werd voor Händel ook een verlossing. Toen zijn
opera's niet meer werden gewaardeerd, paste hij zich aan aan
de smaak van het publiek. Hij ging oratoria schrijven in het
Engels, maar rond 1740 werd bijvoorbeeld de Saul niet meer uitgevoerd.
Händel overwoog terug te gaan naar Duitsland. In 1741 kreeg
hij van een vertegenwoordiger van de Engelse kroon echter de
opdracht om een oratorium te schrijven. In 24 dagen schreef hij
de Messiah, een ongehoorde prestatie. Men dacht in die tijd en
later aan goddelijke inspiratie. Hij werkte echter vaker zeer
snel, waarbij hij later de details invulde.
Dankzij het succes kon hij in Engeland blijven.
In 1759 werd hij onder grote publieke belangstelling begraven
in de Westminster Abbey.
Hij was geboren in het Duitse Halle uit een niet muzikale familie.
Zijn vader verbood hem een muziekinstrument te bespelen, maar
hij wist aan een klein klavecimbel te komen dat hij thuis op
zolder verstopte. Was zijn vader een beetje doof? Was het instrument
zó zwak dat hij op zolder kon spelen of begreep zijn vader
dat het muzikale talent van zijn zoon niet te verstoppen was?
Nadat een hertog hem als achtjarige hoorde spelen, kreeg hij
zijn eerste muzieklessen op het orgel van de Lutherse kerk in
Halle.
Wanorde en rust
Ik moet even denken aan wat ik van de week van een oma hoorde:
haar dochter heeft een psychotische zoon. Hij staat boven aan
de trap en zegt:
'Ik spring mamma!'
Zij zwijgt onder aan de trap met haar armen over elkaar.
Hij roept: 'Waarom zeg je niks?'
Ze zegt: 'Ik wacht.'
Hij loopt rustig naar beneden.
Even later zegt hij: 'Ik wil dood. Maar dan wil ik wel terugkomen.
Met wat meer rust in mijn kop.'
I.M. Paul Simons, alias Barbarini
Paul was een rasschilder. Ik ontmoette hem in 1964 in Baboen
(Badoen staat in de krant) een sociëteit van de kunstacademie.
Daar leerde hij bier tappen en dat werd de opstap naar het eetcafé
Het Pakhuis, Hij verdiende er zijn geld, samen met Hammie, maar
het was ook een aanslag op zijn schilderkunst. Paul was een levensgenieter
en met het geld kon hij zich reizen veroorloven die het schilderen
in de weg stonden. Hij reisde de hele wereld door. Af en toe
kreeg ik een ansicht van Indonesië, of Chili. Die
ansichten hadden geen afzendadres, kwamen onregelmatig, waren
slordig beschreven en hadden de verrassende aanhef 'Lieve Remco',
alsof Paul een geliefde was. Dat was in zekere zin ook zo. We
hadden een geheimzinnige band, vanaf het allereerste begin. We
konden niet zo goed praten met elkaar, maar wel konden we geruime
tijd naast elkaar liggen in het gras, naar de lucht kijkend.
Als Paul een vrouw was geweest of als ik een vrouw was, zouden
we een verhouding hebben gehad.
Hij woonde in een klein huisje, bijna onder de E10 in Niezijl,
waar ik veel kwam. Zijn schilderijen op wrakhout stonden gewoon
in de tuin te verkommeren. Ik redde een paar schilderijen die
ik thuis ophing. Een schilderij van het wad in wilde kleuren.
Een drieluik met ook weer natuurbeelden, maar in een expressionistisch
stijl. Ik had een schilderij gekocht, waarop vier mensen stonden
te praten met elkaar in het Vestzaktheater, waar ik toneel speelde.
Op het schilderij stond ook Hammie. Het staat nog op mijn boekenzolder.
Paul wilde het wel terugkopen toen hij op Ibiza woonde, maar
het vervoer was een probleem.
Nu hoeft het niet meer.
We verloren elkaar uit het oog. Plotseling kreeg ik vier jaar
geleden een mail uit Ibiza. Paul had me gevonden op internet.
Sindsdien schreven we elkaar wekelijks of maandelijks.
Hij wilde dat ik naar hem toe kwam, maar Roel, die hij vaak kuste
via email, moest wennen aan het idee. Onlangs zei ze dat we in
het voorjaar maar naar hem toe moesten. Ik zou hem dat schrijven
en advies vragen over een vakantiehuisje, maar dat kan nu niet
meer.
Op 9 september schreef hij:
remco
ipad luid
en duidelijk
door gekomen
hoorde zo waar roel
op de achter grond
piano spelen
we hebben alle tijd
of niet dan
-
Ik antwoordde:
Paul, laten we maar denken dat we alle tijd hebben.
We leven nu, hoera.
=
Vale,
Remco
Zijn laatste mail kwam op 23-11, twintig dagen voor ik las over
zijn dood in de krant.
remco
een van de regels
van de schilder kunst
schilder van donker
naar licht
hoe meer lagen
hoe lichter je
het krijgt
heb de temple
besteld
lief van je
dat je me een
exemplaar
wilt geven
()
goed zo jongen
de duivels oor kussen
beter bestaat niet
op dit moment zijn er
weinig toeristen
maar hoe dan ook
waar wij wonen
heel soms een verdwaalde
toerist
ons dorp vijf huizen
kerk
twee cafes
de rest woont op
de heuvels
zie je niet
regen seizoen nu
duurt een week of
vier
regen zon
twintig graden
regen
veel bloemen
prachtig groen
waarom zou je schilderen
nee hoor remco
een van de leukste dingen
schilderen
deo paul
===
Het boek 'Een spade diep' van F. Starik over 'eenzame begrafenissen',
begint met een gedicht van Eva Gerlach, dat naar mijn smaak precies
de juiste distantie vertoont die een dichter van dienst moet
hebben. Er zit namelijk een gevaarlijke kant aan het dichter
van dienst zijn. Wat bemoei je je met een anonieme dode? Hoe
ijdel moet je zijn om jouw woorden uit te spreken bij de kist
van iemand die je niet kent? Wie heeft wat aan het gedicht? De
dode niet. Er zijn geen nabestaanden. De uitvaartleider vraagt
volgens Starik wel eens om een copie van het gedicht voor het
geval hij bij een andere gelegenheid niet de juiste woorden kan
vinden.
Maar wat zijn dit voor zuinige, zure en sceptische opmerkingen?
Er gaat een mens begraven worden. Er zijn geen nabestaanden aanwezig.
Wat beweegt je om eenzame uitvaarten door een dichter met een
voor de gelegenheid geschreven gedicht te laten, ja wat? Opluisteren?
Weg te rukken van desolate eenzaamheid? Van kapitalistische onverschilligheid?
De dode een humaan respect te betonen. Iedere dode zou 'recht'
hebben op, als is het kortdurende, aandacht. Je moet diep geloven
in het principe van solidariteit, compassie, naastenliefde. Met
dat laatste woord komen we in de buurt van christelijk geloof,
maar dat is het niet wat Starik beweegt. Wat dan wel? Mededogen,
medelijden, instinct?
In het nawoord zegt Starik: 'En voor wie zich afvraagt waarom
daar nu weer subsidie voor nodig is: het is mijn stellige overtuiging
dat de dichter netjes betaald dient te worden voor zijn arbeid,
net zoals de ambtenaren van de Dienst, de beheerder van de begraafplaats,
de timmerfabriek waar de kist vandaan komt, de juffrouw die de
koffie schenkt, de dragers en de uitvaartleider allemaal netjes
voor hun arbeid betaald krijgen.'
Maar zal X zeggen: 'Waarom een gedicht? Schuif die junks en criminelen
toch in een gat. Zand er over. Klaar. Hoe je maar twee man te
betalen van onze belastingcenten.'
Starik schrijft in een gedicht voor een onbekende man in verregaande
staat van ontbinding, gevonden met handen en voeten gebonden
met ty-rips: 'We beloven dat het ooit veel beter was.' Kijk,
dat is het: we doen paradoxale uitspraken omdat we willen dat
een leven betekenis heeft/had.
Hij zegt het na de begrafenis van een in het water in een plastic
zak gevonden baby als een katje zo: 'doe ik het voor
de dode of om het idee dat mijn afscheid een verschil maakt?
Niet dat het erg is, een mens moet zichzelf nu eenmaal af en
toe belangrijk vinden. Maar toch, de mooiste momenten zijn de
momenten dat je daar staat en je niet hoeft af te vragen of het
zin heeft. Dat je gewoon even voelt dat het ertoe doet wanneer
iemand de moeite neemt stil te staan bij een ander.'
=
Je kunt veel meer weglaten in de communicatie: alle woorden
zelfs.
In de roman 'Het blauwe kind' vraagt de therapeute aan het meisje
Myla: 'Praat Orion met jou over Paradijs-eiland nummer 2?' Ze
antwoordt op de haar kenmerkende wijze, door haar lange wimpers
langzaam neer te slaan.'
Wat betekent dat? Het is duidelijk: 'Nee'.
Dit is overigens een indrukwekkend boek vanwege het grote geduld
van de psycho-analytica Véronique (de psychojuf die ook
een beetje dokter is en verpleegster) die een psychotische jongen,
Orion, redt van het plat spuiten. Zij ontdekt in hem een intelligente,
gevoelige, getalenteerde kunstenaar, die in zijn schilderijen
en beeldhouwwerken zijn demon weet te vangen.
De beschrijving van het begeleidingsproces is realistisch doordat
Henry Bauchau, de schrijver, zelf psycho-analyticus, het vallen
en opstaan laat zien.
Véronique leert zelf veel van de gesprekken en kunstwerken
van Orion. Maar wat precies? In elk geval hoe veel inzicht Orion
ook heeft. Als roman, als literaire constructie, is het boek
minder geslaagd, omdat veel bijfiguren in de schaduw blijven
en eendimensionaal blijven, maar als de schrijver ze allen voluit
had laten leven, dan was de beschrijving van het proces in het
gedrang gekomen of het boek was twee maal zo dik geworden. Had
hij de figuren, bijvoorbeeld Vasca, de man van Véronique,
die haar troost en goed begrijpt en bemint, die zelf ook een
belangrijke ontwikkeling doormaakt, van motorcoureur en sleutelaar
tot componist en musicus, moeten weglaten? Zijn ontwikkeling,
zijn verhouding tot Véronique, tot de zangeres met wie
hij rondreist, een vriendin van Véronique, lijkt een aparte
roman waard, maar het boek gaat over Orion en zijn redster. Overtuigend,
maar toch lijkt het boek eerder een 'case-study' dan een roman,
ook al krijgt het dat etiket.
Tags case-study, platspuiten, psychose
Categorieën literatuur
Weglaten1
11/12/2011 //
0
In het Italiaans mag je het onderwerp, de persoon die de handeling
uitvoert weglaten, omdat uit de vorm van het werkwoord blijkt
wie wat doet. In het Chinees (Mandarijn) is het werkwoord altijd
hetzelfde. Toch mag je de persoon weglaten, als uit de context
maar blijkt over wie het gaat.
In het Nederlands kan het ook. 'Marie speelt piano. Slaat een
verkeerde toon aan, ergert zich.'
Het Chinees gaat een stapje verder: 'Een verkeerde toon aanslaan,
zich ergeren.'
Ook een lijdend voorwerp kan worden weggelaten. 'Wie heeft die
auto weggereden? ' 'De monteur rijden -voltooid.' Het kan
natuurlijk korter: 'De monteur.'
In het Nederlands mag je niet te veel weglaten. 'Heb gister nog
gedaan.' Wat?
In het Mandarijn is het correct iets weg te laten wat wel bekend
is. We praten over de zangles. De vraag is: 'Wat hebben jullie
gister gezongen?' Antwoord: 'Lied van de Parelvissers.'
Wij vinden dat een beetje onbeleefd kort.
Soms moet in het Mandarijn iets worden gezegd, wat bij ons niet
hoeft. Je wordt bijvoorbeeld gebeld en de beller vraagt wat je
doet. Wij mogen dan zeggen: 'Ik ben aan het eten.'
In China moet je zeggen wat je eet: 'Eten noedels.'
Wij kunnen zeggen: 'Ik schrijf.' Een Chinees moet zeggen: 'Schrijven
karakters.' Maar als we het samen over het schrijven van karakters
hebben gehad, mag hij zeggen: 'Schrijven.'
In het Nederlands mag je het lijdend voorwerp weglaten als het
er niet toe doet, in het Mandarijn als het uit de context bekend
is. Het kan alle twee, als de strategie maar bekend is bij beide
sprekers.
(bron Rint Sybesma)
=
In poëzie spreken we over de KUNST van het weglaten.
Eva Gerlach schrijft:
Hazen hier 's ochtends, drie
achter elkaar in het veld
lucht op sloot over koeienpoten langs
vacht onder vacht nek om nek oor uit oor
gestrekt de hoge halve koepel van
het langstedaglicht door.
De ene plek de plek ernaast ervoor
Je lichaam in je lichaam alle tijd
dat je stilstaat en kijkt
hoe alles is zoals het is en hier -
De scherpe bochten achteloze sprongen
niks wordt geopenbaard
waar ze bestaan bestaan ze haar voor haar
-
Niet alleen de leestekens zijn weggelaten. Eerste regel: 'hier'.
Waar? 'drie'; dat is wel duidelijk. De hazen springe in de lucht.
Boven de sloot is de lucht. Weerspiegeld ook nog eens. De hazen
springen waarschijnlijk over en langs koeienpoten. Ze springen
door elkaar heen: de vachten raken elkaar of bijna. Ze zijn een
kluwen. (Grappig: dat is de titel van de bundel.) Hun oren steken
omhoog. Het wordt zomer. De hazen springen omhoog, landen in
het gras: hop, hop, hop. Jij staat te kijken en je voelt je lichaam
stilstaan. Iets springt mee in je lichaam, maar je staat stil.
Zo is het. Het betekent niks en toch lijkt het iets te betekenen.
De hazen bestaan. Ze bestaan! Voor haar die kijkt. Ze bestaan
helemaal, haar voor haar.
=
En dan zou je kunnen zeggen dat achter een open deur een volgende
open deur open gaat met de vraag wat voor onderwijs we willen.
Goed onderwijs. En dan zou je kunnen vragen: wat is goed onderwijs?
'Prof. Gert Biesta, Professor of Education aan The Stirling Institute
of Education sprak over de beperking van het onderwijs.
Hij ziet drie grensgebieden waar onderwijs ophoudt en iets anders
begint. Op basis van zijn stelling dat onderwijs zijn beperkingen
kent kan onderwijs niet alle problemen oplossen. Biesta formuleert
drie grensgebieden:
1. Onderwijs als oplosser van alle sociale problemen (socialisatie:
deel worden van groepen en tradities).
2. Onderwijs als therapie (persoonsvorming).
3. Onderwijs en leren (kennis en vaardigheden).
Goed onderwijs maakt in de ogen van Biesta een afgewogen keuze
tussen de drie elementen en verwoordt dat op adequate wijze.
Taal is daarbij van wezenlijk belang. Welke woorden kies je en
hoe formuleer je.'
=
In Wisconsin bleek in de kou
dat oude boeken goedkoper waren
dan steenkool of gas
zodat oude mensen hun kachel
begonnen te stoken met oude boeken.
=
Waarom hebben we in het Nederlands eigenlijk verschillende
vormen voor het werkwoord in verleden tijd en tegenwoordige tijd
? In het Chinees bestaat maar één vorm.
Als je zegt: 'Ik liep gisteren over straat.' is het toch duidelijk
dat het in het verleden is? Je zou net zo goed kunnen zeggen:
'Ik loop gisteren over straat.'
In het Chinees kun je ook aangeven dat iets voltooid is door
het woordje 'le' achter het werkwoord te plaatsen. Dat betekent:
het is voltooid.
Je krijgt dan: 'Ik koop- voltooid een bos rozen.', dus dat is
achter de rug.
In het Chinees is er ook geen verschil tussen enkelvoud en meervoud
bij zelfstandige naamwoorden: één boek, twee boek.
Het telwoord is duidelijk genoeg. Bij sommige zelfstandige naamwoorden
is dat verschil er in het Nederlands niet: één
jaar, twee jaar, zes kilo, drie bier.
'Drie bier' betekent 'drie glazen bier' Dat is wel duidelijk
in een café.
Je kunt niet zeggen: 'Drie millioen olie wordt geproduceerd.'
Het moet zijn: 'Drie miljoen vaten olie'.
In het Chinees moet je een teleenheid noemen: 'één
(eenheid) mens' of 'twee (eenheid) touw'. Die teleenheden zijn
bijvoorbeeld alle platte vierkante dingen of af alle dunne slappe
dingen, of alle voertuigen of alle dingen die je met één
hand kunt pakken. Bij 'mens' is dat de eeneid 'staak'; bij 'slang'
de eenheid 'sliert.
In het Nederlands is er ook zo iets. We kunnen niet zeggen 'vijf
vee'; dat moet zijn 'vijf stuks vee' of 'drie krop sla'.
=
Rene Huigen gaat op kosten van Europees geld met een andere Nederlandse,
drie Duitse en drie Poolse dichter(s) naar Polen, naar Wroclaw.
Ze zouden met een boot langs de Oder varen en gedichten lezen.
De waterstand is te laag: het wordt een bus, maar de schaamte
blijft. Rene schaamt zich voor zijn honorarium, voor de ontvangst
met wijn en hapjes. Tien jaar geleden schaamden dichters die
uitgenodigd waren om een bijdrage te leveren aan de viering van
Europese cultuur zich nog niet.
Als iemand toen klaagde over verspild belastinggeld, waren ze
verbaasd. Wat voor barbaar spraken ze nu? Zij wezen ook nog op
bestuurders die naar andere landen reisden en heel wat meer geld
opmaakten om wederzijds begrip te kweken.
En wat te denken van zakenlieden, die uit puur eigenbelang dure
reizen maakten en gefêteerd werden op kosten van de belastingbetaler,
want het was allemaal aftrekbaar?
Maar de afkeer van cultuur die onze staatssecretaris uitdraagt
op aansporing van de Partijen Tegen Hogere Cultuur, die ironisch
genoeg de vrijheid in hun vaandel hebben, is al zo ver doorgevreten
dat Rene, die zijn best doet om gestalte te geven aan een Europese
traditie, ver weg van Europese strijd, zich schuldig voelt en
angstig het aantal luisteraars telt, dat overigens groter is
dan de gevreesde anderhalve man en een paardenkop.
Ik denk aan een gewaardeerd, gepensioneerd ingenieur, die het
feit dat er gemeenschapsgeld besteed wordt aan kunst twijfelachtig
vindt. Ach arme, wat is er toch gebeurd met onze cultuur?
Rene reist in de bus terug van het hertogelijk paleis van de
voormalige heren van Pommeren, waar het huis van Alfred Döblin
(van 'Berlin Alexanderplatz') tegenover ligt, en hij voelt zich
saamhorig met de andere dichters. Hij zou wel met meer dichters
willen rondreizen om de poëzie onder alle Europeanen te
brengen. De andere dichters glimlachen. 'Zolang we dromen is
er hoop.'
=
In de jongste aflevering van DE Gids verscheen 'Een Engelse
havik in Toscane', 66 sextetten over de condottierre John Hawkwood,
over geweld.
==
De kruik
De rijke boer don Lollo, een potentaat, laat de grootste kruik
van het eiland Sicilië maken voor zijn olijfolie. Als de
kruik door geheimzinnige oorzaak barst, is er maar één
man die hem kan repareren.
Hoewel de zwartwit film van Giorgio Pastino over La Giara van
Pirandello wat afwijkt van het geschreven verhaal, lijkt de verfilming
toch authentieker dan de verfilming in kleur in Kaos.
Het begint met een storm. De barst wordt ontdekt zonder aanwijsbare
aanleiding. Er worden bij het maken van de kruik geen krammen
gebruikt, die een belangrijke rol spelen in het verhaal.
In de kleurenfilm windt de reparateur zich zó op over
de eis van de krammen dat hij er niet bij nadenkt, dat
hij niet meer uit de kruik kan komen. Zijn mastiek is toverachtig
goed: krammen zijn niet nodig.
Waarom Zi'Dima zichzelf opsluit in de kruik in de film van Pastino
is niet goed te verklaren. Toch lijkt de hele situatie door de
realistische verbeelding van de olijfboerderij met alle knechten
en vrouwen levensechter dan in de film van de gebroeders Taviani.
Is die film te esthetisch, te mooi gemaakt, te stilistisch ook
in het spel van de personages?
De overeenkomsten tussen verhaal en beide verfilmingen zijn
groot. In het verhaal wordt de boer belachelijk gemaakt. Hij
is een opgewonden, schraperige ijdeltuit, altijd er van overtuigd
dat zijn personeel hem benadeelt. Hij probeert steeds zijn recht
te halen bij een advocaat, die nu erg moet lachen om de gebeurtenis.
Zi'Dima wint omdat hij het geld dat hij krijgt voor zijn reparatie
meteen uitgeeft voor een feest van alle arbeiders en arbeidsters,
die maar al te graag hun patroon willen laten zien dat ze ook
een eigen leven hebben. Als deze, wakker geworden door de herrie,
in zijn woede de kruik omver duwt en deze de helling afrolt en
tegen een boom in stukken breekt, is de reparateur bevrijd en
hoeft hij geen vergoeding te geven.
Veranderen mensen in de loop van de tijd?
In 'Het Hoofdkussenboek van Sei Shonagon (eind 10de, begin
11de eeuw), Japan, staat een lijst van afschuwelijke dingen.
Hieruit o.a. het onderstaande; zo herkenbaar!
Een bezoeker die aan de babbel blijft terwijl je grote haast
hebt.
Kraaien die zich verzamelen en volop krassen wanneer ze naar
elkaar toe vliegen.
(Elke morgen als ik naar het zwembad loop, zitten ze te lawaaien
in de bomen langs het kanaal. Ik ben blij dat ik niet in de buurt
woon.
Eern hond die luid begint te blaffen omdat hij een minnaar opmerkt
die je stiekem komt bezoeken.
De ingezetenen van een ossenwagen met snerpende wielen. Je denkt
vol afschuw: horen ze dat nou zelf niet? En als je in zo'n wagen
moet zitten, voel je ook een grote haat opwellen voor de eigenaar.
Of ook: iemand neemt plotseling het woord als een ander zit te
vertellen, en loopt zo maar vooruit op diens verhaal. Iedereen
die anderen in de rede valt vind ik verachtelijk.
Iemand voor wie je waardering hebt, blijkt besmet door de achterlijke
ideeën van een politicus die kunst iets vindt voor de linkse
elite. Hij vindt het ook niet goed dat gedichten die zo weinig
mensen begrijpen, gesubsidieerd worden.
Vragen
* Hoe doet La Palmen het toch steeds? Of: waarom besteden
alle kranten zo veel aandacht aan deze dame die zo opzichtig,
zo onmatig op roem uit is? Schrijft ze zo goed? Niet slecht,
maar ik ken betere schrijvers die minder aandacht krijgen. Waarom
moeten we zo ondergedompeld worden in haar rouwverwerking?
=
Hebben woorden de kracht om de werkelijkheid te veranderen?
Nee, want anders zou Hitler geen zelfmoord hebben moeten plegen
na al die ontelbare 'Heil Hitler's.
Maar zou het uitspreken van een wens tenminste de spreker kunnen
beïnvloeden zodat hij langer dan realistisch was gunstig
over Hitler zou denken?
=
Sami Mansei schrijft in de negende eeuw in Japan:
Waarmee vergelijk ik dit leven?
Het is als een boot,
ontmeerd in de ochtend,
die uit het zicht verdwijnt
zonder een spoor na te laten.
==
Onzincursussen
Grote bedrijven als Shell, werkgevers als het Ministerie van
Justitie, betalen fors voor het scholen van hun werknemers, om
de sfeer op de werkvloer te verbeteren of omdat het goed staat
om iets te doen voor
de ondergeschikten. Allerlei bureautjes met namen als I-opener
of Working-together of VB-training geven die cursussen. De ondergeschikten
gaan er heen om eens uit de sleur te zijn of omdat er goed gegeten
en gedronken kan worden of omdat een collegaatje versierd kan
worden.
Zelfs betalen de bedrijven voor het geven van 'pensioenlessen'.
Wat is dat nu weer? Deze cursus helpt je bij het maken van de
juiste keuzen: wat moet ik doen na mijn pensioen?
Vier dagen worden de cursisten gedwongen zich uit te spreken.
De cursusleider heeft zelf een aangename en rendabele manier
gevonden om zijn dagen te vullen. Samen met een leuke vrouw geeft
hij de cursus.
Hij zegt: 'Ons doel is om deelnemers inzicht te geven in hun
veranderende situatie.'
Let op het saaie, modieuze taalgebruik. Let op de redundantie
ook.
'Om samen met hen achter gesloten deuren te kijken.' (?)
'die te openen en nieuwe mogelijkheden te ontdekken. Of ze daar
dan ook wat mee doen, is helemaal aan hen. Wij bieden geen recepten,
geen pasklare programma's voor het het leven na het pensioen.
We laten de groep zelf over een aantal thema's reflecteren.'
Na het ontbijt met luxe broodjes en allerlei salades en taarten,
gebakken eieren etc. is er koffie. De cursusleider vraagt: 'Hoe
zit je er vandaag bij? Hoe is de eerste dag gisteren bevallen?'
De cursisten zeggen: 'Het viel me op dat sommigen al pensioenkundig
zijn. Anderen worstelen nog met de vraag: wat nu. Ik ook.'
Ik denk: als je nu, op deze leeftijd, nog niet weet wat je wilt,
ga dan maar achter de geraniums of hang je op.
==
Het grote zwijgen
Matthijs Vermeulen, de jonge vriend van Diepenbrock schrijft
over muziek, componeert diep religieuze muziek, maar onder invloed
van de Eerste Wereldoorlog twijfelt hij aan de zin en schoonheid
van de schepping. In het hoofdstuk 'Het grote zwijgen' van de
roman 'Het grote zwijgen' van Erik Menkveld herinnert hij zich
als oorlogscorrespondent in Luik de gesprekken met zijn jonge
vriend in de natuur als ze 'praatten over het geloof, over het
raadsel van het oneindige, over het unieke denkvermogen waarmee
de mens in de loop der eeuwen heeft kunnen ontdekken welke vorm
de aarde heeft, welke banen de zon, de maan en de sterren doorlopen
en hoe zij onderling van elkaar afhankelijk zijn. En hij denkt
aan zijn oreren over het geheim van het Licht, dat ook het geheim
van de muziek is, de levenwekkende golfstroom die het onbevattelijke
Alles doortrilt, het heilige Vuur dat Diepenbrock de Liefde noemt
en dat iedere ware kunstenaar sinds mensenheugenis probeert op
te vangen en tot aardse schoonheid om te vormen.'
Maar nu, onder de indruk van de waanzin van de oorlog, het afschuwelijke
gedrag van de Duitsers in België lijkt alles leeg, zinloos
en absurd: 'het lijkt hem terug te werpen in een kaal, onomstotelijk
heden. Een angstaanjagend potdicht afgesloten heden ook, dat
elk gevoel, elke compassie, elk mysterie buitensluit, dat elk
vermoeden van iets bovenwerkelijks of heiligs hoonlachend smoort.
In dit ontheiligde, allesoverheersende hier en nu is het firmament
niet langer ondoorgrondelijk, is het licht een reeks getallen,
is alles plat, feitelijk, causaal en zinloos.'
'Het grote zwijgen' is de titel van Nietzsche, maar in de
wat ouderwetse en afstandelijk vertelde roman van Erik Menkveld
gaat het ook over het zwijgen van Diepenbrock. Hij verzwijgt
zijn liefde voor zijn leerlinge Jo met wie hij een heftige korte
verhouding heeft, met een lange nawerking. Hij kiest voor zijn
huwelijk met Elsa en de twee dochters. Jo laat hem met rust en
vlucht in een andere verhouding. Van Elsa heeft Diepenbrock nooit
gepassioneerd gehouden. Elsa heeft het hem mogelijk gemaakt te
componeren. Zij heeft hem de twee dochters geschonken en zij
weet dat hij zich niet echt interesseert voor haar. In hun leven
komt de jonge smidszoon Matthijs Vermeulen, met wilde haren en
hartstocht, componist in de dop, met een scherpe pen die het
durft om zijn kritische waarheid op te schrijven over Mengelberg
en ook over een uitvoering van Diepenbrock, die hij niettemin
zeer bewondert en beschouwt als leermeester.
Elsa is meteen onder de indruk van Matthijs, maar pas veel later
verklaart zij, twintig jaar ouder, haar liefde, in een mooie
scène in de trein, op weg naar de uitvoering van de Missa
van haar man. Matthijs staat bij een raam in de trein; zij komt
bij hem en zegt dat ze van hem houdt. Op het station van Breukelen
staat een kruier die hen ziet, maar niet weet wat er gebeurt.
Zo onbekend zijn ze voor elkaar, hoewel Elsa de eerste vrouw
is die Matthijs diep raakt. Ze beginnen op haar initiatief een
heftige verhouding, dat wil zij zeggen dat zij heftig is en hij
vooral verbaasd. Matthijs laat haar het seminarie zien in Brabant,
waar hij ging houden van een pater muziekleraar. De eerste keuze
voor muziek, werd een mystiek moment, waarin hij zijn individualiteit
voelde opgenomen worden in het Al. Elsa speelt al gauw open kaart
met haar man, wat haar man niet deed rond zijn geliefde, terwijl
zijn vrouw alles voorvoelde.
Elsa is in de roman een mooie figuur, die het verdiende om centraal
te staan, maar Menkveld schreef een andere roman, een roman over
de daadloosheid van Diepenbrock, de groei van Vermeulen, de waanzin
van WO I en de barbaarsheid van het Duitse keizerrijk.
De roman eindigt in een epiloog waarin verteld wordt dat Matthijs
getrouwd is met een bewonderaarster en bericht krijgt dat zijn
oude leermeester dood is. Hij moet een stuk over hem schrijven.
Maar waar is Elsa? Hoe is het met Elsa? Matthijs heeft haar in
de steek gelaten voor een leeftijdgenote, die hem een briefje
heeft gestuurd met zeven roosjes. Hij zet de roosjes op de schouw
boven zijn allesbrander en zegt: 'Als deze rozen gaan bloeien,
wordt ze mijn vrouw.' Dan gaat hij naar het adres dat in de brief
stond en maakt een afspraak. Als hij terugkomt zijn alle zeven
roosjes open 'en staan uitbundig te bloeien'.
Die roosjes en de brief van Elsa waarin ze haar besluit om te
scheiden bekend maakte; zijn respect voor Diepenbrock, zijn vrees
dat de kinderen het hem kwalijk zouden nemen èn zijn verlangen
naar eigen kinderen, die Elsa hem niet meer kon geven, dat alles
doet hem besluiten met haar te breken. Uiteindelijk is de belangrijkste
reden dat hij zich moeilijk over kon geven aan hun liefde.
En Elsa? O ja, we krijgen nog net te lezen dat zij katholiek
is geworden en vrede heeft gevonden.
==
Hoe lang kan het nog, het Tropenmuseum bezoeken?
Ik was er vanmiddag en ik zag en luisterde naar een katoenboer
in de Sahel. Hij heeft drie vrouwen en veel kinderen. Eerst hoorde
ik één van zijn vrouwen. Zij heeft drie kinderen
en zij vertelt trots dat haar man de baas is over meer dan vijftig
mensen. Hij verbouwt niet alleen katoen, maar ook gierst en groenten.
Hij heeft koeien en schapen en zevenentwintig kippen. Zij is
mooi gekleed, terwijl ze katoen kaart, de pitten er uit haalt
en dan met een spintol draden maakt. Deze tol is niet zo goed,
maar ook met een goede tol is het moeilijk werk. Zij hecht met
vaardige hand de plukjes tot draden aan elkaar, die haar man
vervolgens verwerkt tot gekleurde lappen met behulp van een weefgetouw.
Hij laat de spoelen heen en weer gaan met zijn handen. Aan zijn
tenen zitten draden, een stokje onder zijn voetzolen, zodat de
draden van de schering heen en weer gaan.
Zij staat 's morgens op, haalt water, wast zich en haar kinderen,
maakt het ontbijt klaar en stampt gierst voor het middagmaal
en nog een ander donker landbouwprodukt dat ze stampt tot vet
en een soort boter, die ze tot ballen kneedt en verkoopt op de
maandagmarkt. Ze is de hele dag aan het werk.
Hij heeft zijn koeien toevertrouwd aan een herder die het vee
ook voedt met de stengels van gierst en mais. De koeien geven
anderhalve liter melk per dag. Op een hectare verbouwt hij nog
pinda's voor extra inkomsten. Een andere akker ligt braak. De
mest van de koeien wordt gebruikt op het land. Er is geen geld
voor kunstmest, maar sinds de voorlichting sinds 1970 is de opbrengst
van land en vee verdubbeld. De koeien worden door een veearts
in de gaten gehouden tegen wormen en mijten.
Ze hebben het goed, vindt hij. Als god het wil, krijgt hij nog
meer koeien.
De herder heeft ook eigen koeien, meer dan zestig en ook hij
kan goed leven. Hij heeft één vrouw en drie kinderen.
Er zijn veel kinderen in het dorp die elkaar aanraken en spelen
zoals bij ons op speelpleinen. Die kinderen zullen een ander
leven krijgen.
=
Ja, hij lacht veel, Mark Rutte, hij doet lakoniek, maar
hij is verantwoordelijk voor Opstelten en Teeven, voor de mannen
die Telegraaf-politiek bedrijven, die maatregelen nemen waarvan
Toos en Henk denken dat het helpt. Bijvoorbeeld de wietpas; klinkt
lekker gereguleerd maar het effect is, zeggen betrokken burgemeesters,
dat de criminaliteit toeneemt.
Rutte laat toe dat volksvertegenwoordigers morrelen aan de onafhankelijkheid
van rechters, dat effectieve taakstraffen worden omgezet in criminaliserende
celstraffen.
Rutte laat zijn oren hangen naar een columniste van Spits, Naima
el Bezaz, die pleit voor strengere straffen en zelfs voor de
doodstraf. Zo komt de Sharia op een onverwachte manier, via het
kabinet dat bestaat dankzij een Islamhater, toch nog in Nederland.
Nee, ik zeg niet dat Rutte voor de doodstraf is, ik weet
het niet -, wel dat hij een klimaat gedoogt waarin ongenuanceerde,
populaire opvattingen de overhand gaan krijgen.
Hij laat gebeuren dat anti-democraten mensen die opkomen voor
minderbedeelden, werklozen, verdacht maken; dat journalisten
die aan zijn coalitie kritische vragen stellen, monddood worden
gemaakt.
===========
Kakekotoba
In de klasieke Japanse poëzie is een stijlfiguur populair:
de 'kakekotoba'; hierbij wordt gespeeld met woorden die twee
verschillende betekenissen in zich verenigen, homoniemen. De
ene betekenis hangt samen met het zinsgedeelte dat aan het woord
voorafgaat, de tweede met het zinsgedeelte dat er op volgt.
In het Nederlands ziet het er zo uit:
Ik blijf bij je, ik geef je een arm
ben ik als ik niet bij je blijf.
We zetten al ons geld op een bank
zitten we samen te beslissen.
Zullen we vreemd gekleed naar het bal
is de verbinding tussen hand en voet.
Uit de verte wierp hij haar een blik
waar voedsel in zat van grote waarde.
Zij was verheugd en smolt als was
hing hoog aan de lijnen op het balkon.
=
Pascal Cornet schrijft elke dag een behartenswaardig stukje
tekst of plaatst een foto.
Sommige onderwerpen, motieven komen steeds langs. Zo heeft hij
een onderwerp'gisteren en vandaag'. OpDINSDAG 25 OKTOBER 2011
schreef hij
gisteren en vandaag 298
Van gisteren zal ik iets wat ik hier niet opschrijven kan mijn
leven lang onthouden.
Vandaag moet ik werken.
Dit fascineert; het is zo sterk omdat het een suggestieve uitgegomde
plek is. De lezer kan zich er van alles bij voorstellen. Hij
wordt bijna gedwongen na te denken over wat hij niet kan opschrijven,
openbaar maken, maar wat onvergeetlijk is.
Op 6 april 1327 (Goede Vrijdag) ontwaarde Petrarca in de kerk
St.-Claire een meisje, dat hij als Laura zijn leven lang heeft
bezongen in lyrische verzen, die gebundeld zijn in de Canzoniere,
in het Italiaans geschreven.
Hij kon zijn geschreven liefde wel openbaar maken. HOEZO liefde?
Het gaat om iets heel anders bij Pascal. Om een gruwelijke jaloezie
of een vernederende haat of om iets dat je niet eens kunt bedenken.
===
Henk Kauffman eindigde zijn lezing voor de HOVO Groningen
over de evolutie van het bewustzijn met de opmerking: 'Wij zijn
niet door de wereld geschapen; wij zijn er om de wereld te scheppen.
Onze empathische vermogens zijn er om de wereld voort te zetten.'
Ook dat is een geloof, maar een geloof dat ruimte biedt voor
een mooie opdracht.
Martha Nussboaum pleit in 'Niet voor de winst' voor een goede
opleiding in humaniora. Deze opleiding is de laatste decennia
verzwakt door technologische studierichtingen en managment opleidingen.
Het kabinet Rutte bezuinigt juist op wat het onnutte of elitaire
vakken noemt.
Het is echter duidelijk dat een democratie onderwijs in andere
talen en culturen, kunst, geschiedenis, filosofie en literatuur
niet kan missen, omdat juist deze vakken leren je in anderen
te verplaatsen.
We zullen moeten beseffen dat economische groeicijfers en concurrentie
minder belangrijk zijn dan wederzijds begrip; dat we ons niet
moeten terugtrekken binnen onze eigen nauwe grenzen. We moeten
de poorten naar buiten openzetten; we moeten in een respectvol
contact treden met onze buren in Europa het Midden Oosten en
Azië. Niet onze eigen normen en waarden alleen zijn 'heilig'.
We moeten inzien dat anderen andere visies hebben en soms betere.
Onze visie op sexualiteit is bijvoorbeeld eng en beperkend, terwijl
in Oeganda en andere landen de vreugde, het geluk samenhangen
met een vitale, vrouwelijke erotiek.
Nussbaum vertelt in een interview met Maartje Somers in NRC van
21-10 dat in Amerika de taal van Shakespeare jongeren zeer aanspreekt.
Ook hebben ze wel degelijk belangstelling voor klassieke muziek.
Maartje verwees naar John Seabrook die zegt dat de meeste mensen
alleen in massacultuur geïnteresseerd zijn en dat de zogenaamd
hoge cultuur een niche voor de elite is geworden. Dat is natuurlijk
altijd zo geweest, alleen vonden de meeste mensen dat toen nog
begerenswaardig.
Nussbaum pleit voor Socratisch onderwijs; leren bevragen. "Een
argumentatie goed opbouwen is iets heel anders dan zeggen wat
je voor de mond komt. Socratisch onderwijs is een remedie tegen
de tendens naar hufterig gedrag.'
Je kunt leren je in een ander te verplaatsen. Als we de wereld
willen voortzetten zullen we dat moeten doen.
===
Het Neues Museum in Berlijn is zeventig jaar gesloten geweest.
Het is open sinds oktober 2009. Wij zijn twee jaar lang niet
in Berlijn geweest. Het is prachtig verbouwd sinds het in de
Tweede Wereldoorlog werd verwoest. Pas in de tachtiger jaren
werden noodzakelijke reparaties toegepast. De Engelse architect
David Chipperfield heeft het gebouw met behoud van vele oude
elementen, zelfs kogelgaten en resten van mortiervuur, geschikt
gemaakt voor nieuw gebruik.
We zien er oude culturen van Egypte, Klein-Azië, Midden-
en Noord-Europa.
In een grote binnenruimte is het thema chaos en door goden geschapen
orde. We zien een reliëf met koning Assurasirpal II met
vlak achter hem zijn genius, een soort bewaarengel, 9 eeuwen
voor Chr. in Kalchu, Nimrud, Noordirak. We zien Kumanische vrouwen
en mannenfiguren van de twaalfde eeuw na Chr, uit de Oekraïne.
Zij waren een thuisteken voor de zielen van de gestorvenen en
werden aan de grenzen van het land neergezet als herkenning.
Grote, ernstige figuren, die even doen denken aan de beelden
van Paaseiland.
In dezelfde ruimte teruggevonden beeldjes uit Berlijn. Ze waren
weggeborgen na getoond te zijn in verschillende Duitse steden
als voorbeelden van Entartete Kunst. Weggeraakt, beschadigd,
verweerd en sinds kort opgegraven, teruggebracht naar de orde.
Bijvoorbeeld een beeldje van een zwangere vrouw, niet 'mooi'
genoeg volgens de nazi's, brokstuk, zoals een teruggevonden antiek
beeldje.
Hitler zei in 1935: 'Es ist nicht Aufgabe der Kunst in Unrat
um des Unrats willen zu wühlen, den Menschen nur in Zustand
der Verwesung zu malen, Kretins als symbol der Musterwerdung
zu zeichnen und krumme Idioten als Repräsentanten der mänlichen
Kraft hin zu stellen."
De tentoonstelling was zó ingericht dat het volk zich
moeilijk met de lelijke kunst kon identificeren of tot het inzicht
kon komen dat de kunstenaars wilden waarschuwen voor 'slechte'
ontwikkelingen of de valse schijn wilden wegscheuren. Het zal
niet moeilijk zijn vandaag in Nederland een expositie te maken
waar de PVV-stemmers hun agressie tegen zogenaamd elitaire kunst
kunnen laten opleven.
Maar in Berlijn is met deze kleine expositie de chaos even bedwongen.
We zien vroeg-Romeinse mummiemaskers van 100 na Chr. van
vrouwen die we vandaag in Rome kunnen ontmoeten.
We zien een klein meisje bij kasten met laden die te voorschijn
geroepen kunnen worden met een knop. Ze luistert naar commentaar
door een draagbare audiogids en ze leest alle teksten. Een geloofsbelijdenis,
een christelijke hymne aan martelaren, muzieknotatie in Grieks
schrift, magische amuletten, recepten, gedichten en delen van
verhalen, bijvoorbeeld het verhaal van Sinuhe, alles op papyrus
dat aan de randen is vergaan en met veel moeite is ontcijferd
en als puzzelstukjes bij elkaar gelegd. Het meisje bekijkt alles
met een lichte ernst. Ze lijkt zich voor te bereiden op een carrière
als schriftontcijferaar of als archeologe.
We zien een kettinghemd van een Germaanse strijder in Gallië
tegen Romeinse soldaten. We zien de gouden hoge muts, die gebruikt
werd als tijdmachine, acht eeuwen voor Chr.
We zien een marmeren zerk waarop staat: 'Hier rust in vrede het
kind Paulinus, die geleefd heeft, een jaar en vier maanden, min
een dag. Vader en moeder hebben de grafsteen neergezet. En wie
heeft de letters gehakt in het marmer? HIC QUIESCIT IN PACE.
En we zien natuurlijk Nefertite, nu voor de derde maal. Eerst
in Charlottenburg. Toen kon je haar nog aanraken. Later in het
Altes Museum: een suppooste zei de eerste keer dat we er waren,
in 2005: 'Nefertite komt terug!' Blij. In 2008 was ze terug en
ze stond in een vitrine, goed bewaakt. Nu staat ze in het Neues
Musem in een aparte ruimte in een grote, hoge glazen kist. Er
staan voordurend twee bewakers aan weerszijden die de opdracht
hebben te letten op gekken. Nefertite kijkt door andere zalen
naar de zonnegod Helios, vijftig meter verder. Hij kijkt terug
en wordt weerspiegeld in het heldere dikke glas.
Domweg gelukkig in de Nicolaikirche, de oudste kerk van
Berlijn, waar het allemaal begon. Nederzettingen genaamd Cölln
en Berlin, tot bloei geraakt aan de oevers van de Spree.
Ik zit naast het nieuwe orgel, het vorige is verwoest in 1945,
samen met de kerk. Ik kijk de lichte kerk in met zijn kleurige
lijnen langs de ribben van de zoldering: rood, blauw, groen,
paars, boven de grijs witte pijlers met acht rondingen, geschilderde
baksteen. En ik luister naar muziek van Felix Mendelsohn Bartholdy,
een door een koor gezongen cantate. Dat mag weer, de joodse componist.
Naast het orgel staan comfortabele banken en kun je een keuze
maken tussen twintig muziekstukken, waarbij het orgel bespeeld
wordt. Ik schreef 'oorlog' in plaats van 'orgel'. De oorlogen
hangen hier in de lucht.
Eerder op de dag zagen we bij Hackesche Höfe in de Sophiastraat
gele koperen vierkanten in het plaveisel met de namen van de
joden die daar woonden, gestorven in 1943, 1944 of 1945, vaak
in Auschwitz. Na mijn vorig bezoek schreef ik een gedicht waarin
Paula voorkwam.
Een fragment:
'Een hand in het plaveisel, een bronzen hand
elders een voet die omhoogkomt of wegzinkt
zoals Paula Davidson uit de Sophienstrasse
van wie nu een kleine bronzen steen rest
tussen de andere, naast het mondstuk
van een sigaret: je loopt er overheen.
De straat heeft geen schuld.'
Er is daar in de Hamburger Strasse een voormalig joods kerkhof
dat de nazi's ook niet met rust lieten. In '45 zijn daar vele
lijken in een gat gegooid. Nu heeft men van het gebied een kerkhoftuin
gemaakt. De er naast staande oude joodse school wordt streng
bewaakt.
Bij de Nicolaikirche hangt informatie over pogroms in de achttiende
eeuw. De heersende heren maakten gebruik van joodse muntmeesters
om belasting te heffen. Bij de dood van zo'n heer werd de jood
gevierendeeld en gemarteld in het openbaar. Het volk stond te
juichen.
De vernietigingskampen werden verborgen gehouden.
Nu is één jood 1048 Palestijnen waard. Hoe lang
nog?
Het domme publiek
In de negentiende eeuw was men druk bezig met spiritualiteit
in de Franse salons: men liet tafels dansen. Flaubert windt zich
er over op. O de domheden van de mensheid. We hebben niets geleerd
van de Verlichting. We leven nog in de middeleeuwen. Hij schrijft:
'De wilden die denken aan zonsverduisteringen een einde te kunnen
maken door op ketels te slaan, zijn niet minder dan de Parijzenaars
die menen tafels te kunnen laten dansen door hun pink op de pink
van hun buurman te leggen.'
Socialisten vindt hij ook zo dom. Zij geloven in het nut van
de Kunst, in theorieën over het algemeen welzijn en het
staatsbelang. Zij ijveren voor vrijheid, gelijkheid en broederschap,
maar offeren de vrijheid voor het opstellen van algemene regels
waaraan je je te houden hebt. Broederschap? Eenheidsworst! Het
gelijkheidsideaal loopt uit in de massamens. Het domme publiek
loopt achter ijdele hansworsten aan. De populaire figuren willen
op straat herkend worden. Ze worden toegejuicht en ja, later
natuurlijk gelyncht. Hosanna, kruisig hem.
O, als het volk het voor het zeggen krijgt!
Flaubert heeft het bijvoorbeeld over Saint-Simon. (Wikipedia
over hem: staat bekend als een vroege (utopische) socialist.
Zijn invloed en aanhang bleven sterk tot in de jaren 1840, en
maakten een grote indruk op Karl Marx en Friedrich Engels. De
laatste prees hem om zijn analyse van de Franse Revolutie als
klassenstrijd. Overigens baseerde hij zijn hervormingsplannen
op een positivistisch geloof in de wetenschap en was hij een
voorvechter van een meritocratisch maatschappijmodel. Het laatste
zou Flaubert moeten aanspreken.)
Flaubert noemt hem middeleeuws. Wat een kwast! wat een schoolmeester!
'Het socialisme is een aspect van het verleden, net als het jezuïtisme.
De kern van alle maatschappelijke utopieën is: tirannie,
antinatuur en einde van de ziel.
Grof geweld
Het reisverslag van Flaubert (Oriënt) is feitelijk, droog.
Wel informatief en interessant omdat de lezer informatie krijgt
over zo'n reis meer dan 150 jaar geleden.
In 'Haat is een deugd' staan enkele brieven vanuit Jeruzalem
en Damascus aan een vriend. Hierin is Flaubert wel persoonlijk.
Zijn opvattingen zijn zeer uitgesproken en nogal cynisch.
'Je vraagt me waarom je je Dulcinea trouw bent. De verklaring
is eenvoudig: omdat je de anderen niet trouw was. Maar waarom
deze wel en de anderen niet? Omdat deze in de periode is gekomen
dat je het moest zijn. De liefde is als een aandrang om te pissen.
Of je het nu in een gouden vaas of in een aarden pot laat stromen,
het moet eruit. Het toeval slechts verschaft ons het vat. En
ik, ik word steeds vunziger. Hoewel ik na Jeruzalem een beetje
tot bedaren ben gekomen. Godverdomme! wat een mooie vrouwen waren
er in Nazareth! wijven bij de bron, met kruiken op hun hoofd.
In hun gewaden die bij de heupen omsloten worden door een gordel,
wiegen zij bijbels met hun kont.'
Frieda Vogels kan er ook wat van. In 'De harde kern' zegt een
vriend: 'Maar ik wou, dat ik de kracht had om er werkelijk hard
tegenaan te gaan.' 'De fut in mijn donder, zou Gerrit zeggen,
maar jij verdomt het om je boek te publiceren.'
Er wordt wat afgebekt en geoordeeld over allerlei mensen en situaties.
Veel mensen zijn 'hufters'. Aan veel mensen hebben de personages
de pest. Ze zijn snel geïrriteerd. Er is veel rancune.
'Jij maakt er een rotzooi van,' zei Jacob, 'jij zit in je huis
te broeden op wat je je katten wilt aandoen en je komt ons hier
vertellen dat je eigenlijk een antisemiet bent. Daarom zeg ik:
niet opzouten, doen.'
Het is een vreemde troost dat het gescheld niet alleen van nu
is.
Buurvrouw
Zij praat met een bos bloemen
kiest 's morgens een trui in hun kleur
gaat achter de tafel zitten en kijkt
luistert naar hun lichte kroon.
Zij zit op haar gemak, kiest
eenvoudige woorden, overtuigt
en ruimt na afloop van het gesprek
de tafel leeg, wast haar kopje.
Dan gaat ze de tuin in voor
het handwerk, buigt zich over
roert door de aarde, de bloemen
blijven tevreden staan.
=
Vergeving
Een belangrijk thema voor Willem Jan Otten is vergeving. In
de film 'Dogville' van Lars van Trier wordt de toeschouwer meegezogen
in een wilde, niets ontziende wraak, nadat Grace (let op de naam,
bittere ironie) zo vernederd is dat haar genadeloze vuur niet
alleen logisch, maar ook te rechtvaardigen lijkt. Vergeving?
Moet zij de dorpeling vergeven? Dat zou toch dwaasheid zijn?
Moeten we Grace vergeven?
Ik ken dat meegezogen worden ook bij het zien van de film 'Strawdogs'
waarin een zachtaardige man gedwongen wordt tot een bloedige
afreking met de verkrachters van zijn vrouw. Wat bij hem de stoppen
doet doorslaan is de schending van zijn huis, zijn thuis.
Otten heeft het over 'Dead man walking' van Tim Robbins. Een
non spreekt met een verkrachter/moordenaar die in de dodencel
zit. Hij, Poncelet, ontkent zijn daden, zegt dat hij slachtoffer
is, maar de film maakt duidelijk dat hij een gruwelijke dader
is, door flash-backs te tonen juist tussen de laatste gesprekken
van de non met Poncelet. Zij probeert Jezus' leer overeind te
houden dat ieder mens meer is dan zijn wandaad, dat ieder mens
gered kan worden, dat hij door zijn kruisdood ook de zonden van
de ergste misdadiger kan 'wegnemen'., mits de dader zich bewust
wordt van zijn zonde. Nu ja, kruisdood of niet, waar het om gaat
is dat vergeving altijd mogelijk moet zijn.
In het verhaal haten de ouders van de slachtoffers de dader en
hopen ze op zijn executie. Het wordt duidelijk dat zij slachtoffer
zijn van hun haat. Vergeving is er niet alleen voor de dader,
de buitengewoon veel vragende act van vergeving is er ook voor
de slachtoffers. Eén echtpaar gaat uit elkaar, omdat de
vrouw verder wil leven. Haar man blijft achter met bitterheid
en wraakgevoel, maar aan het eind van de film lijkt hij, dank
zij de non, toch op weg naar vergeving.
Geen verontschuldiging! Poncelet moet boeten voor zijn misdaden.
De non houdt ondanks veel onbegrip en tegenwerking vol. Zij wil
Poncelet waardig laten sterven.
De meerderheid van de omgeving, en zeker de Telegraafachtige
pers, is voor wraak en vergelding. Het gaat niet eens om een
waarschuwing aan potentiële moordenaars. Men weet wel dat
afschrikking niet werkt. De film gaat ook over het probleem van
de doodstraf. De non is tegen. Overigens zou je om humane redenen
kunnen pleiten voor de doodstraf. Levenslang is een zwaardere
straf. Uit cynisme kun je ook zeggen dat executie de samenleving
veel kosten bespaart.
Poncelet komt door de naastenliefde van de non tot erkenning
van zijn schuld. Vastgebonden op de plank waar hij een dodelijke
injectie krijgt, zegt hij tegen de gescheiden man dat hij spijt
heeft en tegen het hatende echtpaar dat hij hoopt dat zijn dood
hen enige genoegdoening kan geven.
Shakespeare heeft in 'The Tempest' een prachtig, niet christelijk
geïnspireerd voorbeeld gegeven van vergeving. (Zie Helen
Luke in http://remcoekkers.blogspot.com/2010/04/helen-luke-over-vergeving.html)
=
Willem Jan Otten schrijft vaak over goed en kwaad en over
film. In 'Trouw' verschijnt nu een reeks over films die hem raakten.
De eerste beschouwing gaat over 'Dead man walking'. In de inleiding
heeft hij het over de rol van de schurk. Het verhaal is indrukwekkender
naar mate de beschouwer het kwaad erin herkent. En dan geeft
hij, de bekeerde schrijver, het klassieke voorbeeld uit Genesis.
Ik leer van hem dat de betekenis van 'Satan' is 'verdediger.
Dat wist ik niet. In het Hebreeuws betekent 'ha-Satan' 'tegenstander'.
Hij staat tegenover God, de autoritaire die zich niet wil verantwoorden.
Satan daagt hem uit. In zekere zin kun je die uitdaging zien
als verdediging van het menselijk standpunt. Otten herhaalt de
bekende visie: de slang schildert het goede als tegenstander
af. 'God, zijnde degene aan wie je beloofd hebt de appel niet
te eten. Die wordt beticht van waartoe je zelf naar overhelt:
egoïsme, vrekkigheid, appelzucht' Leuk gevonden dat laatste,
maar je kunt een heel andere visie hebben op Eva's handelingen.
Zij legt zich niet neer bij het autoritaire verbod. Niet eten
van de appel van kennis van goed en kwaad? Waarom niet? Moet
zij dan altijd een onbewust kind blijven? Eeuwig leven in een
paradijs van onschuld en stilstand? Is het niet de taak van een
mens te groeien in bewustwording? Heeft de slang geen gelijk
als hij zegt dat 'God weet dat jullie de ogen open zullen gaan
zodra je ervan eet. Dan zul je aan hem gelijk zijn en inzicht
hebben in goed en kwaad.' ? (Gen.3- vs5,6 ) Satan is de revolutionair.
Interessant is ook dat de slang in sommige vertalingen negatief
'listig' wordt genoemd, in andere 'slim'. De slang is mythologisch-symbolisch
het teken van energie. Slangen kunnen bewakers zijn van de bronnen
van het leven. Ze zijn ambivalent: constructief en destructief.
Misschien bestaat de tegenstelling alleen maar in het menselijk
bewustzijn en moeten we leren inzien dat, zoals bij Shiva alles
één is, licht en donker, vol en leeg.
=
Flaubert(1821-1880) gaat in 1849 met een vriend naar Egypte.
Dat is ruim 160 jaar geleden, maar hij lijkt een schrijver, een
man, die je nu tegen zou kunnen komen. Zijn psychologie, zijn
waarneming, verlangens, angsten, melancholie, sexualiteit, het
is allemaal heel herkenbaar. Ooit zei hij: 'Madame Bovary, c'est
moi' en dat betekende dat hij haar herkende in haar verlangens,
haar onbevredigdheid, haar teleurstelling om de steeds terugkerende
verveling, vermoeidheid. Als je de roman leest, ben je meer dan
een eeuw terug in de tijd, maar als je zijn aantekeningen leest
over de 'Reis door de Oriënt' is het anders.
Natuurlijk, Egypte toen was anders dan nu, maar niet zoveel anders
dan in pak weg 1990. Heel veel van wat hij toen zag langs de
Nijl, kon je in 1990 ook nog zien en de man die alles opschreef
zou een reisgenoot kunnen zijn. Wij konden in 1990 niet meer
zo door de woestijn, met paarden en ezels, met tenten en boten,
met de proviand. In 1990 ging dat allemaal gestroomlijnder en
luxueuzer, de resten van tempels en piramiden waren min of meer
opgeruimd, het toerisme was commerciëler geworden, maar
toch, de omgeving, de mensen langs de rivier, de primitieve omstandigheden
in de dorpen waren nog niet veel veranderd. Nu, in 2011 zal het
wel anders zijn, in ieder geval in Luxor, Aswan, Karnak, maar
daar tussen?
Wat wel veranderd is sinds Flauberts reis is de houding tegenover
slavernij, tegenover vrouwen. Zo schrijft hij over El-Dakka in
1850: 'Zaterdagmorgen. Ik koop twee vrouwenlokken, met de sieraden
erbij; de vrouwen die ze moeten laten afknippen huilen, maar
hun mannen, die er de schaar in zetten, brengt dat tien piaster
per lok op.
Wanneer we terug aan boord, op het punt staan te vertrekken,
komt men er nog een aanbieden; Max koopt ze. Dat moet werkelijk
een harde slag zijn voor die arme vrouwen, die er blijkbaar aan
gehecht zijn. In de morgenzon stonden daar die van vet glimmende
hoofden, blinkend als fris geteerde boten.'
Dit is een wonderlijke mengeling van medelijden, identificatie
met die vrouwen en afstand: 'blijkbaar aan gehecht'. De vergelijking
met de 'fris geteerde boten'. Wat een Europese hufterigheid,
denk ik nu.
En dan de manier waarop hij het schieten op vogels beschrijft
en vanzelfsprekend vindt, het afschieten van een krokodil of
hyena. Natuurlijk: de mens is heer en meester over het dierenrijk,
lijkt de moraal. Wat zou Flaubert vreemd opkijken als hij zou
weten dat de Partij van de Dieren een serieuze fractie is in
het Nederlandse parlement!
=
Beatus
Broeder Beatus was weer in het klooster. Ik had medelijden
met hem, omdat hij alleen naar buiten mocht als hij naar school
moest. De broeder-portier kon af en toe naar buiten. Hij verzorgde
ook de post en hij deed waarschijnlijk de boodschappen.
Broeder Beatus was een gezegend schoolmeester. Elke morgen gaf
hij een spannende godsdienstles. Hij had daarvoor een boek en
een schrift. Stonden daarin ook de goocheltrucs waarmee hij vaak
de les begon? Ik dacht dat hij die zelf verzon, want de andere
broeders goochelden niet. Hij had een toverstokje, doeken, bekers.
Hij liet zijn stok slap worden, haalde doekjes uit een beker
met water, die niet nat waren, maar het mooiste waren zijn
woorden, vooral als hij iets moeilijks uitlegde. Zo legde
hij ons het dogma van de goddelijke drieëenheid uit met
behulp van drie lucifers.
Hij streek tegelijk de lucifers aan, hield ze bij elkaar, liet
de vlam zien en zei: 'Kijk, jongens, er is één
God, maar ' en dan liet hij de vlammende stokjes zich van elkaar
verwijderen, zodat we drie vlammetjes zagen, 'maar er zijn drie
Personen'. We begrepen het helemaal: het goddelijk vuur, de eenheid,
de drieëenheid. Toen ging hij naar het bord en schreef alles
heel duidelijk op, maakte er eenvoudige tekeningetjes bij en
liet ons dat alles overschrijven en natekenen. Daarna begon de
rekenles.
Een andere keer droegen wij zelf een theologisch probleem aan.
We zaten in de derde klas, waren dus acht jaar, maar we dachten
over die dingen na.
'Broeder, u heeft gisteren gezegd dat we in de hemel allemaal
volmaakt gelukkig zijn, maar hoe kan dat nou? Dan is iemand die
zijn hele leven heeft geploeterd en altijd eerlijk is geweest
en zijn best heeft gedaan net zo gelukkig als de boef die op
het laatste moment gebiecht heeft.' De broeder knikte, hij begreep
het al, maar wij gingen nog even door. 'En wie weet heeft die
man wel zijn hele leven gemoord en gestolen, maar op het laatste
moment had hij berouw en dan gaat hij naar de hemel. Dat is toch
zo?'
Hij knikte weer, ja, we hadden het goed.
'Nou, dat is toch niet eerlijk!', riepen wij verontwaardigd.
Hij lachte en zei dat het een probleem was en dat hij het morgen
allemaal zou uitleggen. We moesten tot morgenochtend geduld hebben.
Wist hij het niet? Moest hij het de overste vragen of opzoeken
in zijn boeken of wilde hij ons in spanning laten?
Beatus
(vervolg)
De volgende morgen hield hij geen moeilijke verhandeling.
Hij zei niet dat wij kleingelovigen waren, dat wij Gods rechtvaardigheid
moesten vertrouwen, dat God in zijn ondoorgrondelijke wijsheid
had voorzien dat de man zijn geluk op een andere, voor ons onbegrijpelijke
wijze had verdiend, nee, er stonden op tafel zes glazen van verschillende
grootte, van borrelglas tot limonadeglas. Er naast stond een
karaf met water. Een grote karaf, met condens aan de buitenkant,
met parelend water. Het moest heerlijk water zijn, koud en nat.
Wij gingen zitten. Het werd vanzelf stil. Broeder Beatus keek
ons aan. Na een lange stilte zei hij: 'Cor Brummel, kom jij eens
naar voren.'
Cor Brummel was een beetje rare jongen, een leugenaar, met stiekeme
grappen. Een kleine aap, dom en onbetrouwbaar.
'Cor, zie je die karaf met water?'
Cor zei: 'Karaf broeder?'
'Ja Cor, neem die karaf en schenk de glazen vol, schenk ze volmaakt
vol.'
Cor ging aan het werk. Het duurde lang en wij zaten ademloos
te kijken hoe Cor trillend en morsend die glazen volschonk. Hij
was onhandig en wij wilden die karaf wel uit zijn handen trekken,
maar uiteindelijk waren al die glazen vol. Sommige waren overgelopen,
het tafeltje was nat.
Cor zette de karaf weer neer en vroeg: 'Is het zo goed, broeder?'
Broeder Beatus lachte en zei dat hij weer mocht zitten. Cor ging
grijnzend zitten. Wij keken naar de broeder en naar de glazen.
'Kijk jongens', zei broeder Beatus, 'al die glazen zijn volmaakt
vol en toch zit er in dat limonadeglas meer dan in dat kleine
glaasje.'
Wij begrepen hoe broeder Beatus ons duidelijk had gemaakt dat
je tijdens dit leven ervoor moest zorgen dat de inhoud van je
ziel zo groot mogelijk werd. Die moordenaar moest genoegen
nemen met dat borrelglas en een brave oude vrouw was de gelukkige
eigenares van het limonadeglas.
De broeder ging naar het bord, tekende de volle glazen en schreef
eronder: in de hemel is iedereen volmaakt gelukkig.
Wij pakten met een gelukkige zucht onze schriften. Wat hadden
we toch een mooi geloof. Daar konden die lui daarbuiten niet
tegenop, die stakkers, die niet wisten wat een geniale broeders
wij hadden. Ze waren bang voor onze broeders, omdat ze in het
zwart waren gekleed. Ik had ze wel eens gezien bij de brug, hoe
ze angstig de ijzeren leuning vastklemden als een broeder passeerde,
of een pastoor. Dat deden ze om het ongeluk weg te laten vloeien,
want zij dachten dat een zwartrok ongeluk bracht. Heidenen waren
het, net zo zielig als de zwartjes in Afrika, waarvoor wij zilverpapier
spaarden. Nog zieliger eigenlijk, want die zwartjes konden niet
lezen, ze wisten niet beter, ze hadden geen kansen gehad, maar
die jongens buiten moesten beter weten. Zij zaten ook op school,
andere scholen natuurlijk, met meesters en juffen, maar daar
leerden ze toch wel lezen?
=
Ontkomen
Zo langzamerhand weten we iets over de plaatsen in de hersenen
waar bepaalde denkactiviteiten plaats vinden; we weten iets over
neuronen, over chemische en electrische processen, de rol van
neurotransmitters, van eiwitten... maar we weten nog bijna niets
over hoe een gedachte, hoe een woord of een zin tot stand komt.
De laatste dagen schoot er een gedachte door me heen, hoewel
'schoot' geen adekwate omschrijving is. Het was meer dat er aarzelend
een zin naar het bewustzijn kwam, waar vandaan?, die eerst onduidelijk
was en dan langzamerhand, door concentratie, zichtbaar?, voelbaar?,
kenbaar? werd. Het was iets als ' maar het ontkwam naar voren'.
Waar kwam het zinnetje vandaan? Was het een citaat? Ik voelde
het als een bevrijding: de zin kwam ook naar voren, alsof de
zin een persoonlijkheid was die zelf naar voren kwam, borst vooruit,
trots, blij vanwege de ontsnapping aan gevaar. En als de woorden
dan helder in mijn hersenen 'resoneerden' voelde ik steeds een
blijdschap, een bevrijding. Ik ademde diep. mijn borstkas verwijdde
zich. Er was een lichamelijk gevoel van opluchting. Maar waar
kwam die zin vandaan? Was het een regel uit een gedicht? Van
wie? Zou ik de regel kunnen opzoeken bij Google? 'ontkwam naar
voren'; was dat genoeg?148.000 resultaten in 0,22 seconden, maar
niet eén letterlijk. Allemaal mensen die ontkwamen aan
gevaar, dat wel.
Ik dacht een paar dagen dat het ging over de miljoenpoot op de
Chinese Muur, die naar voren kroop. Dat was uit een gedicht dat
ik schreef over dat beestje:
Miljoenpoot doet de Chinese Muur
Langzaam, sierlijk, met zijn cilindrisch lijf
traag glijdt hij de trappen af, horizontaal
verticaal, horizontaal, verticaal
en gratie Gods, dat is levensmoed.
Tussen toren eenentwintig en
tweeëntwintig glijdt hij naar voren.
Hij denkt niet, maar hij gaat
golfsgewijs maar zeker naar
tweeëntwintig, die hij in zijn korte
leven niet zal halen, maar hij gaat
de trappen af. Voor hem geldt geen
hoog of laag, op weg naar het einde.
Dat was toch niet 'ontkomen'!
Eindelijk kreeg ik een vermoeden over het juiste gedicht. Ik
zocht het en ja, daar stond het zinnetje, letterlijk. Meer dan
dertig jaar geleden geschreven.
Lieve N.
Vandaag zag ik je letter N op een schilderij
van Gianni Dessi uit Rome. Hij schilderde
een lam zoals jij het ooit in je armen droeg
achter het huis dat nu weg is.
Zijn lam was opgebouwd uit figuratieve
resten, vlekken, boven de letter N
die zijn poten vormden, links en rechts
een vlammend angstig duister waartussen
het lam AGNUS aarzelend en teder naar
voren kwam, met hangende oren, bedreigd
door AG en US langs het roomwitte pad
maar het ontkwam naar voren.
De laatste regel voel ik, als ik hardop lees, mijn borst zwelt
op en ik maak bijna een beweging naar voren, ontsnappend aan
de vlammen, blij, adem halend. En hoe zou het met N zijn (die
eigenlijk M was)?
==
Wilde wraak
Moby Dick, van Melville (1851) gaat simpel gezegd over de
krankzinnige woede van kapitein Achab of Ahab die een witte potvis
achternajaagt omdat deze ooit bij een eerdere jacht zijn been
afbeet. De reders betalen hem om walvissen te doden vanwege de
kostbare olie. De bemanning krijgt een deel van de opbrengst
en heeft dus belang bij het doden van zo veel mogelijk walvissen.
Vooral de potvis is een prooi omdat zijn kop voor een groot deel
bestaat uit zogenaamd sperm, rijke olie.
Minder simpel gezegd gaat het boek over de jacht op het onmogelijke.
Moby Dick, de witte walvis, is symbool voor god of het lot, de
oceaan of het universum. De verteller is Ishmael, een intellectueel,
die gaat varen omdat hij vervreemd is van de gewone samenleving.
Hij heeft een bijbelse naam, die van de zoon van Abraham en Hagar,
die door Sara wordt verbannen naar de woestijn. Achter Ishmael
verschuilt zich Melville, een succesrijk auteur uit de Amerikaanse
Romantiek. Melville verschuilt zich ook achter een alwetende
verteller, die soms Shakespeariaanse toneeltechnieken, monologen
en terzijdes, gebruikt. Hij kent de binnenwereld van Ahab. Melville
baseerde zich op bestaande verhalen over een schip dat werd aangevallen
door een witte walvis en dat zonk. Er was een witte walvis die
Mocha Dick werd genoemd en die tussen 1836 en 1839 schepen aanviel.
Ahab was de naam een beruchte, wraakzuchtige koning van Israël,
wiens bloed uiteindelijk door de honden werd opgelikt.
Melville schrijft: 'De witte walvis was in zijn (Ahabs) ogen
de monomane incarnatie van al de boosaardige krachten waarvan
sommige diepzinnige figuren het gevoel hebben dat ze erdoor worden
opgevreten, tot ze het voor de rest van hun leven moeten stellen
met een half hart en een halve long.' Het is niet moeilijk om,
afgezien van de diepzinnigheid, een parallel te zien met Wilders.
'Alles wat gek maakt en kwelt, alles wat de droesem der dingen
oprakelt, (...), al wat de zenuwen sloopt en het verstand slecht,
heel die verfijne demonie van leven en denken, alles wat kwaad
was, waren voor de krankzinnige Ahab zichtbaar gepersonifieerd
en letterlijk tastbaar gemaakt in Moby Dick. Op de witte bult
van de walvis stapelde hij de som van algemene woede en haat,
zoals gevoeld door zijn ras van Adam af; om er vervolgens, als
was zijn borst een mortier, de hete granaat van zijn verhitte
gemoed op los te laten.'
Ieder die hem vroeg te nuanceren verklaarde hij voor knettergek.
==
Geweld 24
We lopen achter onze schreeuwende leider aan
met knuppels en haken. We stormen op de huizen
van de anderen af en rammen de deuren.
We trekken de vijand naar buiten en slaan hem dood
nadat we de kleren van zijn lijf hebben gerukt.
Bloedend ligt hij op de grond te sterven.
Het is nog niet genoeg: we springen op zijn lichaam
blijven slaan met knuppels tot alle organen kapot zijn.
We steken zijn huis in brand.
We blijven nog schreeuwen, drinken bier en langzaam
trekken we huiswaarts, gaan doodmoe liggen op bed
maar we kunnen niet slapen.
=
Hoe electronen bewegen
Soms als mensen in een drukke straat
soms als een massa die langs Amsterdammertjes
moet laveren, soms als mensen in een stadion
die een 'wave' maken. Dat laatste kun je gebruiken
om iets te doen met supergeleiding.
Je kunt wetenschap bedrijven
door metaforen te zien.
Hoe kleeft de gekko aan de wand?
Hoe kan dat grote lichaam blijven hangen
aan die pootjes? Dat komt omdat de plooien
in zijn oppervlak weer bestaan uit vele vertakkingen
waarin weer vele staafjes zitten. Dat levert
een enorm oppervlak op. We kunnen het namaken
met koolstofstaafjes die hechten aan glas,
Zo kunnen we steigers maken die bedekt zijn
met een soort kleefband dat je aan het plafond
kunt hechten. Dat scheelt uren opbouwwerk.
Andersom kan ook. Waarom rolt een druppel
van een rozenblad? Omdat op het oppervlak
allemaal puntjes zitten, die geen houvast geven.
De druppel rolt er eenvoudig af.
Je kunt op ijs schaatsen omdat de bovenste
moleculen water zijn en dat laat glijden.
Noordpoolonderzoekers kwamen om
omdat ze niet door hadden dat beneden
40 graden celsius dat bovenste laagje
niet smelt en het zo stroef is als zand.
Ze konden eenvoudig niet snel genoeg terugkomen.
=
Metz, Centre Pompidou
De oude Rodin, al zo veel beelden gemaakt
klopt opgewekt op zijn beitel en langzaam
verschijnt een streep in het marmer
van een gaande man, die twee passen neemt.
Rodin staat op de trappen van een oud gebouw
tussen het onkruid en hij lacht boven zijn lange
baard, alpino op, de ogen knijpend tegen
het licht en later tegen schilfers, kwetsbaar
en kritisch kijkend. Hij zegt iets tegen de filmer
lachend omdat wij het niet kunnen horen.
Maar dan gaat hij weer kloppen op zijn beitel
blaast, kijkt en slaat opnieuw, werkt aan de streep.
=
Hoe je je zoon moet laten gaan
Geef hem een schop, niet te hard
maar effectief. Zeg: 'Ga naar buiten
kijk rond en kom pas terug
als je het andere hebt gezien
en misschien een beetje begrepen.
Keer dan terug en kijk je vader
vrolijk aan, verbaasd
over wat je achter hebt gelaten.
Bouw een eigen huis
richt de kamers in
en geloof in wat je doet.
=
Moderne-kunst-kitsch
In Almere staat een merkwaardig museum: De Paviljoens, of
is het vooral een uitvalbasis voor Land Art in Flevoland. Toen
wij er op 3 augustus waren, zagen we in een paviljoen een soort
moderne kitsch: een gedemonteerde piano, een vitrage-gordijn,
een zootje planken en laden, resten leken het van bureaus met
woorden. Het laatste heette 'Depot van woorden'.
Toen we binnenkwamen, foutief via het kantoor, liepen we door
een geluidsgang met enorme herrie. 'Chinese whispering'? Een
metrotrein, versterkt!
De kunstenares is Suchan Kinoshita. Zij kreeg de gelegenheid
het paviljoen in te richten met diverse werken. Divers inderdaad,
maar niet erg origineel. Het is de laatste in een reeks solotentoonstellingen.
het geheel heet: 'Het verkeerde moment op de juiste plek', een
omineuze titel. Misschien was een eerder moment wel juist? In
Kassel 1992?
Geboren in Tokio (1960), nu thuis, na omzwervingen in Duitsland
vooral, in Maastricht. De installatie 'Chinese whispers' (Münster
2007) bestond uit doorgefluisterde tekstfragmenten, zoals het
spel dat je in klassen doet, om aan te tonen hoe onbetrouwbaar
mondeling doorgegeven berichten zijn. (Waarom wij de metro hoorden,
is me onduidelijk.)
De piano moest 'Das Fragment an sich' van Nietzsche spelen, da
capo, zonder einde. In de zestiger jaren hoorden we zulke composities
vaak. In een folder (o, kunstbegeleiding!) staat:
'Naast de piano geeft een klok traag het verstrijken van de tijd
weer. Achter de huiselijke vitrage in 'Gordijn' staat een tweede,
nog tragere klok, gevuld met inkt en honing. Op het kleine tafeltje
dat ook half achter de vitrage verborgen is, ligt een stuk broekspijp
dat Kinoshita in New York op straat vond. Het is éen van
de schijnbaar waardeloze, vaak gevonden materialen en objecten
waarvan Kinoshita nieuwe poëzie maakt door ze een plek te
geven in haar installaties.'
Schijnbaar? Nieuwe poëzie?
=
Vlinders
Ze zien er vrolijk uit; een paar weken fladderen
van bloem naar bloem, maar zo is het niet.
Het is hard werken om te zorgen voor rupsen.
De vrouwtjes slaan de mannetjes van zich af.
Ze moeten zorgen voor voldoende nectar
en de mannetjes moeten poedelen in stront
en lijken, nutriënten verzamelen als
huwelijkscadeau, dat zij dan uiteindelijk
toestaat te ontvangen, als hij zijn best doet
heftig fladdert. Bij het geven heeft zij
er al gauw genoeg van, maar hij laat niet los
bang dat een ander mannetje haar gaat bezitten.
Daarna mag zij eitjes afzetten
en mogen ze samen sterven.
=
Waarneming
Als ik kijk naar hoe het heel jonge meisje
kijkt naar de wereld, schommelend
in een stoeltje, gehangen aan de boom
geduwd door haar jonge vader
leg ik die waarneming even vast
denk over wat ik zie. Ik wil weten
wat in haar hoofdje gebeurt
of ze straks net voordat ze slaapt
in haar kleine bed nog even denkt
aan wat ze zag en voelde, aan
de vertrouwde hand van haar vader.
Of ze dan even heel gelukkig is
of ze dat ook weet en hoe lang
==
Ode aan een fietstocht
Opdoemend om de bocht van de holle weg
in schaduw van oude bomen, schrikdraad omhoog
de kinderen van een moeder, hun partners
kleinkinderen van twee tot vijftien rijdend
of meegedragen voor en achter de Gazelle
ontspannen ademend in landschap en lucht
omhoog. Er is ook lucht in de banden, zoevend
over asfalt, hobbelend door het bos, de lange
heuvelrug beklimmend, zingend omlaag, springend
naar het dal, als koningin Juliana, de rok in de wind
twee doodbidders, drie paarden, veel woorden
als: toen viel Tijs in de brandnetels en heb ik
Wilfried verzorgd met konijnenblad
en nu zijn ze beukennootjes aan het eten
en ze vinden ze nog lekkerder dan Hemanoten.
't Is heel simpel, we zijn al heel prima
op weg naar de bron. Kinderen spelen wedstrijd
met hun handen in het koude water.
Terugploegend langs het zandpad valt
de groep uiteen tot na de verhuurder.
Fietsen aaneengeschoven, glanzend vermoeid.
==
De Moeder De Vrouw
Het is nogal gewaagd iets te schrijven over Nijhoffs 'De moeder
de vrouw', na Sötemann, Van den Akker, Bakker, Komrij en
Yra van Dijk. Sötemann heeft veel overhoop gehaald en naar
zich toe geredeneerd. Ik herinner me dat ik veertig jaar geleden
danig onder de indruk was en het niet waagde om het niet met
hem eens te zijn, maar ik herinner me ook dat ik dacht: er wordt
wel veel bijgesleept en moeilijk gedaan. Kunnen we niet eenvoudiger
lezen wat er staat.
Nu ben ik weer onder de indruk van Yra van Dijks studie over
'Leegte, leegte die ademt' met daarin opnieuw een analyse van
het beroemde gedicht.
Ik waag het toch.
De titel 'De moeder de vrouw' is opmerkelijk door het eerste
lidwoord, maar we kunnen ook accepteren dat de dichter hiervoor
koos, vanwege de centrale figuur in het gedicht: de schippersvrouw.
Een ik-figuur ging naar Bommel om de brug te zien. (In de werkelijkheid
buiten het gedicht werd een brug geplaatst bij Bommel, naast
de spoorbrug. Je zou het een nieuwe brug kunnen noemen.) De ik
zegt: 'Ik zag de nieuwe brug.' Eerst zegt hij dat hij naar Bommel
ging om de brug te zien en jawel: hij zag de nieuwe brug. Dan
zegt hij: 'Twee overzijden / die elkaar vroeger schenen te vermijden
/ worden weer buren.' Vreemd, denkt de lezer: twee overzijden.
Waarom niet gewoon 'overzijden'? Het pleonasme voelt wat kinderlijk
aan. De overzijden zijn het voor elkaar. Er is niet één
overzijde. Als je het van beide kanten bekijkt, zijn er twee
overzijden. Vermeden ze elkaar vroeger? Zonder verkeersbrug moest
je vroeger omrijden. Zo schenen ze elkaar te vermijden. 'worden
weer buren'? Ja, ze worden nu buren, dankzij de nieuwe brug.
Maar 'weer'? Waren ze dat dan? Door de spoorbrug. Ze worden nog
een keer buren.
De ik lag in het gras, had zijn thee gedronken en zijn hoofd
was vol van de ruimte van het landschap bij de rivier. En wat
gebeurt? Uit die wijdsheid, die oneindigheid van water en lucht
hoort hij een stem, luid over het water. De stem was van een
vrouw. Zij bevoer een schip, dat wil zeggen, zij is de baas,
zij bestuurde het schip. Je kunt hier denken aan rijmdwang, maar
'bevoer' is ook mooier en sterker.
De ik ziet het schip - hij zit stroomafwaarts - door de brug
varen. Door? Bij wijze van spreken natuurlijk. Letterlijk: onder
de brug, maar weg van de ruimte die de brug inneemt. Je kunt
dan zeggen - spreektalerig - 'door de brug gevaren'.
(De ik hoeft niet Nijhoff te zijn. In de werkelijkheid buiten
het gedicht was het zijn vriend die hem het verhaal vertelde,
een verhaal dat de dichter raakte.)
==
De laatste dagen word ik steeds wakker met het woord 'ossekerelingsgewijze'
en even later 'boustrophèdon'. Het Nederlandse woord is
gemunt door Ida Gerhardt. Het gaat om de beweging van de ploeg
achter ossen, dezelfde beweging die velen zullen maken bij het
maaien van hun grasveld: heen, keren en terug, keren en heen
etc.
In het gedicht HET PLOEGSCHRIFT gaat het om een tekst, in de
zwarte steen gegrift: 'de ommezwaai, als zij geraken / zwoegende
aan de akkerrand'. De dichteres denkt over de overeenkomst tussen
handschrift en ploegbeweging:
Boustrophèdon
welke hand, heeft de tekenen ingedreven,
donker opgaand, stremmend even
en verlangzaamd aan de rand?
In de oudheid scheef men zo: van links naar rechts en dan
van rechts naar links. Soms werden ook de letters omgedraaid.
Het vreemde is dat kinderen ook vaak zo schrijven en dat zeer
oude mensen ook weer zo gaan schrijven.
Mooi is het verlangzamen aan de rand, alsof het naderende wit
van de pagina of steen de schrijver even doet inhouden. Hij moet
de sprong maken naar de volgende regel. Een strofe is de wending
naar een leegte.
Maar wat is nu de betekenis van het wakker worden met die woorden,
niet één keer, maar herhaalde malen? Het was lang
geleden dat ik het gedicht las.
==
Harlingerland
Bij de vrede van Augsburg werd bepaald dat godsdienstoorlogen
moesten worden opgelost door het principe ' Cuius regio, eius
religio (wiens gebied, diens gebed). Als gevolg daarvan werd
het gebied rond Esens in Noord-Duitsland, het Harlingerland,
Luthers, wat weer betekende dat de kerken niet zo kaal zijn als
in de Calvinistische. In Esens staat de Sint Magnus-kerk. Op
het altaar staat een zogenaamde predella met het Laatste Avondmaal
en daarboven een altaarstuk, met kruisbeeld, omgeven door wijnranken
('Ik ben de wijnstok, jullie zijn de ranken'). Achter in de kerk
staat een grote zandloper, die de gelovigen moet herinneren aan
het voorbij gaan van de tijd. Er is een gedicht bij te vinden
met de opmerkelijke tekst, eerste strofe:
'Ich wünsche dir nicht alle möglichen Gaben.
Ich wünsche dir, was die meisten nicht haben:
Ich wünsche dir Zeit, dich zu freun und zu lachen,
und wenn du sie nützt, kannst du etwas draus machen.'
In Funnix staat de Sint Floriaan, in Stedestorf de Sint Aegidius.
De laatste stierf in 723 als abt van het klooster Sint Gilles
in de Provence. Hij geldt als beschermer van de veldvruchten.
(Ach Europa!) Wij kennen de naam van het beroemde Egidiuslied
('Waar best du bleven / mi lanct naer di gheselle mijn'), uit
Zuid-Nederland, tegenwoordig België´. (Ach Europa!)
Harlingerland? Heeft dat met Harlingen te maken? Hier stroomt
de rivier de Harle en die naam duidt op het meevoeren van slik
naar zee. De havenstad van Friesland heeft dezelfde naam gekregen
om dezelfde reden. Het is dus niet zo, wat ik eerst dacht, dat
het slik via de Waddenzee uiteindelijk bij Harlingen kwam. Dat
is ook wel wat ver gezocht.
==
Rob Schouten
Sinds enige tijd moeten drogisten hun klanten uitleggen hoe
zij hun produkten moeten gebruiken; in elk geval moeten zij vragen
of de klant op de hoogte is van het gebruik. Stel dat je condooms
koopt of aambeienzalf. Het meisje dat je helpt vraagt: 'Weet
u hoe u het produkt kunt gebruiken? Ik stel me voor dat de Vieze
Man van Kees van Kooten likkebaardend zegt: 'Nee, kunt u het
even voordoen?'
Aan dat personage moet ik soms denken als ik lees in Vuil goed,
de nieuwe verzamelbundel van Rob Schouten. Een keuze uit al zijn
gedichten. Schouten heeft zijn sporen verdiend in gedichtenland,
als dichter, als criticus, als poëzieprof. Het begon met
het schrijven natuurlijk: op tweeëntwintigjarige leeftijd
kreeg hij een positief briefje van Sontrop, redacteur van Maatstaf.
Vijfendertig jaar en tien dichtbundels later gaat de dichter
kijken wat mag blijven. Van de eerste bundels sneuvelt nogal
wat, maar overigens valt het mee.
Schouten vermeldt in zijn voorwoord dat hij ook negatief commentaar
kreeg: de gedichten waren korzelig, er steeg een niet altijd
frisse beddenlucht uit op, de dichter was een solipsist. Schouten
beschouwde dat als compliment: de gedichten waren van en hoorden
bij hem. Het is 'vuil goed', maar wel van een erudiet. Het motto
van Gedichten is: 'Tot quant es gela, mas ieu non puesc frezir
(qu 'Amors novela mi fa cor reverdir) (Arnaut Daniel)
(Het vriest om me heen, maar ik word niet koud: een nieuwe liefde
maakt me warm.)
Het derde gedicht, 'Zonnewende', begint zo: 'Van alles wat ik
vroeger wist, / van het kale kutje van mijn zus in bad / tot
hoeveel postzegels ik van China had, / was ik de specialist.//
Nooit heb ik mij vergist / inde werk'lijkheid die ik bezat /
en had ik een pak slaag gehad / dan werd er nog die nacht in
bed gepist./ In de winkel waar ik mijn tubes Clearasil ga halen
/ vraagt men u of het een cadeautje is. / Nee! zeg ik hinderlijk
hard; / noem mij geen u, / ik doe het ook sinds lang nog steeds
niet.'
Merkwaardig is het vrije metrum, jambisch, maar met allerlei
antimetrieën, de elisie bij werk'lijkheid, en de ritmische
verstoring aan het slot (nog steeds niet).
Schouten was altijd opmerkelijk vrijmoedig in de autobiografische
elementen: hier zijn nieuwsgierigheid naar het andere geslacht,
zijn verzameldrift, zijn wraakzucht, zijn religieuze opvoeding,
zijn brutaliteit, zijn puisterigheid, zijn afkeer van autoriteit.
Zelfkennis is een deugd: 'Op school was ik geen al te vlotte
prater, / Er school in mij een introverte solipsist; / Ik wist
dat ik als enige iets werk'lijk wist / En viste liefst in allerdiepste
water.'
Peter de Boer gaf een rake kenschets : 'Schouten is in zekere
zin een experimentele moralist, iemand die de beschaving, die
hij hoogschat, voortdurend confronteert met de 'dierlijke' zelfkant
van de maatschappij. Hij weet dat ironisch, cynisch of sarcastisch
te brengen in gedichten die, als het een beetje meezit, ook nog
eens bloedmooi of interessant zijn. Of een beetje schunnig en
smerig ook: 'net of de allerergste prut / zo het afvalputje in
gorgelt'. Hij staat werkelijk voor de tegenstellingen die hij
in poeticis belichaamt. En zijn zelfspot is daarbij misschien
nog wel zijn sterkste wapen'. Deze kenschets past op de nu verzamelde
gedichten.
Ouder geworden, realiseert hij zich dat allerlei ontwikkelingen
zich voordoen en dat ieder individu vanzelf ouderwets wordt,
maar sommige dingen zijn van alle tijden: 'Maar Mr. Samuel Pepys
stond met z'n vingers / in Debs snee toen zijn vrouw hem betrapte.
/ Dat houden wij er hopelijk toch in. / Het zou me spijten als
dat overging.'
Het is niet overgegaan, blijkt uit het actuele nieuws.
Dit gedicht zou, afgezien van de genoemde dochters en de 'buientap'
geschreven kunnen zijn toen hij als dichter begon, ook al hadden
de gedichten toen een consequent eindrijm.
Mensen stellen niet veel voor, laten we wel wezen. We kunnen
het soms goed verbergen, zoals de puist op de reet van de non,
maar al met al prutsen we wat aan. Aandoenlijk is hij, tussen
engel en beest. Met die zogenaamde god is het niet veel beter.
De schepping lijkt toch vooral een mislukking, al zijn er sublieme
momenten.
Ik bewonder je werk
Onweer, hagel, windstoten,
onzeker, ingewikkeld, of je,
niet weet wat ervan komen gaat,
geplant maar wat ook weer?
Maar nooit dat ene, alles altijd vlottend,
een verwaarloosde tuin,
de bewoners zijn allang vertrokken,
maar jij rommelt nog in het schuurtje.
Ja, sla de ogen op, het mag er zijn,
mag onbeholpen rondspoken,
bij enkelingen die het ook niet weten.
Iets anders: en wat vind je van het mijne?
Toch insgelijks, bid ik vurig,
dat je er niet goed vat op krijgt, bitte.
=
Dat paradijs, de bewoners zijn vertrokken;
de grote tuinman rommelt wat in het schuurtje. Er zijn nog wat
mensen die in hem geloven, maar zij weten het ook niet. De dichter,
ook een soort schepper' lijkt op hem: hij is niettemin een beetje
trots op wat hij gemaakt heeft. Het is allemaal niet eenduidig,
des te beter. Het is vuil, maar het is ook goed, zoals het is.
Misschien wordt het nog wel eens wat.
Vuil goed, Een keuze uit al zijn gedichten,Rob Schouten,De Arbeiderspers,
Amsterdam/Antwerpen, 2011.
=
All beauty void of meaning and we behind
thinking about shadow and essential power
in a bitter moon whispering like the mist.
Beneath eternity I felt an incubate winter.
(gemaakt met 'magnetic poetry kit)
2
Rip me delirious goddess as a peach.
Manipulate my petal leave, the honey
Like a gorgeous symphony, a flood
Let my language worship you elaboretely.
=
Vooruit denken
Een aap in een dierentuin had de gewoonte stenen te gooien naar
de bezoekers. Het bijzondere was dat hij 's morgens vroeg stenen
verzamelde en op een hoop legde, zodat hij de benodigde ammunitie
bij de hand had. Dat betekent dat de aap vooruit kan denken,
op zijn gedrag in de toekomst kan anticiperen.
Om vooruit te kunnen denken heb je herinneringen nodig.
Een vrouw werd onderzocht door neuropsychologen. Alles leek in
orde, maar er waren gaten in haar geheugen. De persoonlijke gebeurtenissen
na een bepaalde datum waren weg uit haar geheugen en wat erger
was: ze kon niet vertellen wat zij de volgende dag zou gaan doen.
Zelf zei ze dat zij zich niet in de toekomst kon verplaatsen.
We hebben een verleden nodig om ons een toekomst voor te stellen.
Neurowetenschappers ontdekten dat we dezelfde hersengebiedengebruiken
bij het herinneren van ons verleden en het plannen van de toekomst.
Evolutionair was dat van belang. Onze voorouders gingen niet
naar een plek waar ze ooit roofdieren ontmoetten, bij een plas
bijvoorbeeld.
Schade aan de hippocampus tast zo wel de herinnering als het
vooruit denken aan.
Ratten bleken een mogelijke uitweg uit een doolhof te kunnen
'bedenken' dank zij de herinnering aan doodlopende stukken. Mensen
kunnen veel meer: zij kunnen hun gedrag van te voren uitstippelen
bij een receptie. Dankzij de taal kunnen zij verhalen vertellen
over onze toekomst.
=
Tastend denken
Interpreterend lezen, zoals de meesten van ons gewend zijn,
is gericht op een coherente betekenis, op het vinden van een
samenhangende structuur. De gedichten van Tonnus Oosterhoff vragen
een andere leeswijze. Het gaat daarin niet om de samenhang van
de tekst, maar om de breuken en gaten. Oosterhoff staat in een
belangrijke traditie van Mallarmé, Hölderlin, Célan
en bij ons Leopold en Van Ostaijen. Het gaat ook om de lege plekken,
om 'leegte die ademt', zoals Yra van Dijk dat in haar dissertatie
over het typografisch wit, noemt.
Paul Rodenko, een belangrijk essayist over de experimentele poëzie
van Lucebert c.s. had het over, 'een tastend denken dat zijn
object geleidelijk-aan en langs steeds weer nieuwe wegen, met
steeds nieuwe begrippen zoekt te omsingelen.'
=
Massamedia
Auguste Comte al, verweet de moderne massamedia - en hij kende
de tv nog niet - 'zedelijke verruwing in de hand te werken en
de mogelijkheden voor zelfreflectie, afzondering en originele
ideeën te onder mijnen'. Dit lees ik bij Alain de Botton.
Jaren geleden had de VPRO een programma over zogenaamde Kasteelromans
of Mammaboekjes, goedkope slappe boekjes die je bij de kiosken
en tabakshandelaren kon kopen. Er werd gesproken met lezeressen
en uitgevers, met dédain. Ik herinner me de oprechte verbazing
van een uitgever die op de vraag of hij niet een taak had bij
het 'opvoeden' van zijn lezerspubliek, antwoordde: 'Wat bedoelt
u? Wij geven wat de lezer wil.' De reporter kon zijn medelijdende
lach niet inhouden. Dat alles is nu algemeen geworden. Het dédain
is afgestraft.
De dagbladjournalistiek heeft het moeilijk: de oplages dalen,
de advertentiemarkt levert steeds minder geld op. Zelfs de oud-papier-markt
blijkt er onder te lijden. Een oorzaak is niet moeilijk aan te
wijzen: gratis kranten werden veel gelezen; internet bood gratis
nieuws. Een nieuwe generatie nam geen abonnement meer op een
krant. Het antwoord van de kranten was gratis nieuws op hun eigen
internetsite, maar dat verergerde waarschijnlijk het probleem.
Zouden de kranten geleidelijk aan geld vragen voor hun diensten
met internetabonnementen voor achtergrondgegevens, voor het archief,
voor specifieke informatie, dan zouden de internetlezers daar
nauwelijks op in gaan. De mensen die zulke informatie nodig hebben,
vinden hun weg naar bibliotheken waar de info weer gratis is.
(Of ze hebben nog een papieren abonnement en ze hebben geen zin
in het dagelijks downloaden van de krant op hun e-reader, zoals
de NRC als mogelijkheid biedt, omdat de papieren krant voor dat
soort ouderwetse mensen plezieriger is.) De papier-generatie
sterft echter uit.
Er is nog een ander, ernstiger probleem. Het grote publiek kreeg
een afkeer van moeilijke informatie ( en werd zo eigenwijs dat
het dat niet erg vond!). De goede kranten werd intellectualiteit
verweten. Zij hadden geen oog voor wat het volk bezighield. Het
volk wilde geen genuanceerde verhalen over allochtonen. De Telegraaf
had dat allang begrepen, samen met sommige regionale kranten.
Zij bleven verhoudingsgewijs populair. De pers die meer aandacht
besteedt aan zogenaamde BN'ers, aan sensatie en sex is altijd
al groter.
En nog iets: de nieuwsvoorziening democratiseerde radicaal door
het mobieltje, door sms-en, msm-en, getwitter, blogs etc. De
burger nam foto's van rampen en stuurde die snel vermenigvuldigend
rond. YouTube biedt iedereen de kans zelf het nieuws te verspreiden
en desnoods te maken. Objectiviteit leek niet meer gewenst, 'waarheid'
werd een achterhaald begrip, diepgang moest wijken voor snelle
hypes.
We maken het mee: boekhandels verdwijnen, uitgevers fuseren en
de vroegere literaire uitgevers willen de markt bedienen. Het
doel is niet meer: mooie of belangrijke boeken uitgeven, maar
produceren wat de mensen willen kopen, wat vroeger voorbehouden
was aan de uitgevers van de kasteelromans. Nu maken literaire
uitgevers reclame voor boeken die goed 'vallen', zodat tenslotte
alleen nog maar bestsellers gelezen worden. Het is nu al zo,
zeggen de boekhandelaars dat we de kasten met boeken weg kunnen
doen. De mensen kopen alleen nog maar wat in stapeltjes bij de
kassa ligt. Poëzie en essayistiek wordt steeds minder verkocht
en dus niet meer uitgegeven. (Het lijkt de politiek wel: populisme
zegeviert. Moreel gezag en opvoeding worden vieze woorden.)
Einde van de literatuur? Nee, de literatuur kruipt waar zij niet
gaan kan. Kleine, niet commerciële uitgevers blijven bestaan.
Het internet zorgt er voor dat geïnteresseerde lezers toch
vinden wat ze belangrijk vinden. Electronische boeken zijn goedkoper
en worden nog goedkoper. De literaire schrijvers kunnen, met
enkele uitzonderingen, niet van hun pen leven, maar dat is van
alle tijden. Vondel had een kousenwinkel.
=
Tragikomedie
In Groningen dacht een jonge man slim te zijn. Hij belde aan
bij studentes met de vraag of zij hem wilden helpen bij zijn
ontgroening. Hij moest voor een vreemd meisje een striptease
uitvoeren. Ja, mag het? Het lukte een aantal malen. Een meisje
dacht dat hij geen student was, want, zei ze, 'hij droeg 'opa-ondergoed'.
Soms vroeg hij meer, met of zonder condoom, bood hij aan. Soms
begon hij te masturberen.
Tragisch omdat hij zo aan zijn trekken moest komen.
Komisch omdat hij dacht (door porno?) dat meisjes net zo zijn
als jongens, die het met iedereen willen doen op elk moment,
terwijl meisjes strenge voorkeuren hebben en op beperkte tijden.
Arme jongen: hij dacht dat een meisje opgewonden zou worden van
zijn blote lijf.
=
Paul Boswijk
Ik kreeg een uitnodiging: 'Landgoed ZoFier (bij Heerenveen) is
op zaterdag 9 juli a.s. voor één dag de werkplek
voor 9 van onze vaste kunstenaars. Zij gaan aan het werk in de
galerie en in de beeldentuin en geven u graag uitleg over hun
manier van werken. Graag nodigen wij u uit om de kunstenaars
tussen 13.00 en 17.00 uur te ontmoeten en aan het werk te zien.'
Dit gebeurt niet vaak. Ik heb diverse schilders gevraagd of ik
een uur of twee mocht aanwezig zijn in hun atelier als ze aan
het werk waren. Ik zou mijn mond houden. Zij voelden daar niet
veel voor: het was te intiem, het zou hen remmen, 'deden maar
wat'.
Nu zag ik mijn kans schoon. Ik heb een uur bij de schilderende
Paul Boswijk gestaan terwijl hij een vrouw portretteerde. Toen
ik kwam had hij de opzet al klaar en ze was het ook al: ogen,
mond, neus, decolleté, maar er moest nog veel gebeuren.
Het haar, blond, springerig, lang, was er nog niet. Een sjaal
moest nog; de jurk. Ik zag hoe hij zorgvuldig op zijn palet verf
mengde, met veel gevoel voor nuances: een likje aquamarijn, kraplak,
lichtblauw, vermiljoen, pruisisch blauw, wit natuurlijk. Hij
mengde het dun op zijn palet met het bijpassende paletmes. In
zijn hand acht of negen kwasten. Steeds koos hij een andere.
Vaak werd de kwast gespoeld, gedroogd met behulp van keukenpapier.
Soms werd de kwast even in een smeuig medium gedoopt. Bij grotere
partijen pakte hij een brede kwast uit een blik of uit de doos.
Hij werkte geconcentreerd, maar was niet te beroerd antwoord
te geven aan voorbijgangers die soms technische vragen stelden
over het materiaal, vaak vroegen naar de roodachtige achtergrond.
'Ja, dat schijnt door, ja, dat geeft warmte.' 'Deze verf is harsachtig,
die droogt sneller.' 'Nee, ik heb nog nooit geschilderd met watervaste
verven. Ik heb gehoord van een kenner dat de verf van Talens
heel goed is.' Daarna ging hij weer opgewekt verder. Het model
was geduldig, kreeg af en toe een pauze en ging dan weer in exact
dezelfde houding zitten, met dezelfde blik en dezelfde vage glimlach.
Ze was een mooie vrouw met een niet te glad gezicht. Het portret
werd steeds mooier. Het viel me op dat Paul heen en weer sprong
met zijn kwasten. Hij werkte aan een oog, ging naar de wang,
naar de achtergrond, naar de mond, nog een puntje in een oog,
de sjaal. Hij liet zich niet verleiden tot een precieze weergave
van de sjaal, volgde wel de lijnen en de vouwen, maar liet zwarte
bolletjes achterwege. Ze zouden tot gepriegel leiden.
Wat ik leerde was: het geduld, het voortdurend bijwerken in kleine
stapjes. Hij kleurde nooit in, maar bouwde het portret op. Met
professioneel gemak werden de veegjes een eenheid. Soms corrigeerde
hij met een duim.
Ik was hem - en de galerie - zeer dankbaar dat ik daar mocht
staan. Aan het eind van mijn bezoek keerde ik nog eens terug:
het portret was klaar, zeer geslaagd. Misschien zou hij thuis
nog iets aan de kleding doen, maar hij had dus in een middag
een mooi portret gemaakt, ondanks onze nieuwsgierigheid.
=
Adviezen
Het is billijk en heilzaam ons te realiseren dat we geneigd zijn
tot alle kwaad. We liegen, bedriegen, zijn onbetrouwbaar, genieten
van de ellende van anderen, we zijn onmatig of gierig en wat
niet al.
Als kind werden we hopelijk gecorrigeerd door onze ouders. Als
we volwassen zijn, zouden goede vrienden, partners, familieleden
die rol op zich kunnen nemen, maar accepteren we dat of zeggen
we: wie ben jij om mij te corrigeren? Vroeger konden geestelijke
leiders die rol vervullen, maar sinds we niet meer in een goddelijke
vader geloven, hebben dezen hun gezag verloren. Bovendien bleken
ze te vaak corrupt en te veel uit op eigen gewin en lust. De
politie en de rechterlijke macht corrigeert alleen grove overtredingen
waar de gemeenschap last van heeft.
Maar wie corrigeert ons egoïstisch gedrag, ons gebrek aan
verantwoordelijkheid?
De politiek zeker niet. Die is bang voor stemmenverlies en bevordert
alleen maar gemakzucht en egoøisme. Denk aan hun kreten:
solidariteit is diefstal, naastenliefde is eigenhaat, kunst is
hobby. Het CDA is medeverantwoordelijk.
Soms kom je op basisscholen lijstjes tegen met gedragsregels:
ruim je rommel op, luister naar elkaar, pest een ander niet etc.
Klassen met zulke lijstjes en met leerkrachten die de leerlingen
durven corrigeren, zijn oases in een onverschillige, bange samenleving.
Kranten kunnen een positieve rol spelen door ons op te wekken
het goede te doen, het kwade te laten, maar de grootste kranten
geven wat de massa wil, vanwege commercieel belang. Kalenders
geven soms goede raad. Er is alternatieve reclame, zoals SIRE,
waarschuwingen tegen tabak, alcohol, drugs, onmatige sex. Opmerkingen
een eenzame buurvrouw te bezoeken, buurtgenoten te helpen. Er
is de Zonnebloem.
Wie ben jij om mij te vertellen wat ik doen en laten moet? Niet
iemand die beter is, maar iemand die ook behoefte heeft aan goede
adviezen. Ik kreeg ze van Alain de Botton ('Religie voor atheïsten'
=
Reizen met een BN-er
Het is al enige tijd mode om op reis te gaan met een BN-er. SNP
maakt zich daar ook schuldig aan, niet beseffend dat de formule
niet deugt. Als we naar Hongarije willen om veel en bijzondere
vogels te zien, hebben we geen bekende neurotische cabaretier
nodig als reisleider, maar een betrokken vogelkenner die zijn
kennis graag wil delen en die aandacht heeft voor de kennis van
zijn reisgenoten.
Als we gedichten willen leren schrijven in Frankrijk (met wijn
en lekker eten - ook al fout) hebben we geen egocentrische dichter
nodig, die uitsluitend zichzelf wil horen en zijn opdrachten
ontleent aan zijn eigen gedichten, maar een bekwame schrijfdocent
met belangstelling voor de mogelijkheden van zijn cursisten.
Als we naar Rome gaan, willen we geen ijdele verhalen horen van
een bekende schrijfster, maar van iemand die op de eerste plaats
geïnteresseerd is in de acrchitectuur en kunstschatten van
deze stad, en op de tweede plaats in de belangstelling van de
reizigers.
Als we naar IJsland gaan, willen we het landschap leren zien
en de geologie leren kennen en niet de verhalen van een bekende
schrijver die zich hoegenaamd niet interesseert voor zijn reisgenoten.
Misschien nog erger dan de bekende reisleider zijn de groepies
die de reis maken omdat ze kunnen aanschurken tegen zo'n BN-er
en thuis kunnen vertellen dat ze zo'n goede band hadden met deze
man of vrouw.
Ik zag een film van wereldverbeteraars, bekwame neurologen of
psychologen of kenners van de quantummechanica, die bijeenkwamen
om konkrete plannen uit te werken tot heil van de wereld en dat
deden in het paleis van de Dalai Lama. Je kon zien dat ze eigenlijk
kwamen om aandacht te krijgen van deze geestelijk leider, die
niet ophield ze duidelijk te maken dat het niet om hem ging en
dat ze hun ego niet zo moesten opblazen, maar het hielp niet.
Ze lieten elkaar niet uitpraten. Ze stonden glimmend op de foto
met Hem, te lachen naar het thuisfront.
=
Onchristelijk CDA
Het CDA is ver weg gedwaald van christelijke idealen. Naastenliefde,
juist voor de vreemdeling, denk aan het verhaal van de barmhartige
Samaritaan, is verworden tot angst voor wat van buiten komt.
Universele broederschap wordt belachelijk gevonden. Ja zeg, we
zijn er niet om die lui uit het oosten te helpen. We zien elke
vreemdeling als een potentiële dief of moordenaar of op
zijn minst als iemand die onze banen inpikt, onze huizen bewoont,
onze sociale voorzieningen misbruikt.
In de kerk willen we ons nog wel deel van een gemeenschap voelen
en letten we even niet op status, inkomen, gezondheid, maar eenmaal
buiten groeten we wie succes heeft op maatschappelijk gebied.
We gaan weer denken dat de ander misbruikt maakt van subsidies,
denken dat kunstenaars van onze centen mooi weer spelen, zieken
op onze kosten luilakken, invaliden rondrijden in karretjes die
wij moeten betalen. We gaan mensen met hoofddoeken negeren, ook
al droegen onze grootmoeders hoofddoeken in onze kerken.
We houden niet meer van het woord 'deugdzaamheid'; we willen
geen preek horen, we willen geen 'verheffende', laat staan onbegrijpelijke
kunst.
=
Talenten
Ik las Matteüs 25:14 over de talenten altijd als een
aansporing om niet bang te zijn en om te werken met wat je gekregen
hebt, maar nu lees ik Matthias Smalbrugge (in Trouw van 2-7-2011),
predikant en bijzonder hoogleraar Europese cultuur en christendom
en ik ga met hem terug naar de tekst. De derde dienaar kreeg
1 talent (duizend goudstukken) en hij zei bij terugkomst van
zijn heer: 'Heer, ik weet dat u streng bent; u maait waar u niet
gezaaid hebt en u strijkt op waar u niet hebt uitgezet. Ik was
bang en ben daarom uw geld¬Ý in de grond gaan verstoppen.
Hier hebt u het weer terug.'
'Jij slechte en luie dienaar!' antwoordde zijn heer hem. 'Je
wist dat ik maai waar ik niet gezaaid heb en opstrijk waar ik
niet heb uitgezet. Je had mijn geld dus naar de bankiers moeten
brengen en dan zou ik het met rente hebben opgevraagd. Neem hem
die 1000 goudstukken af en geef ze aan hem die er al 10.000 heeft!
Want iedereen die heeft, krijgt nog meer en heeft overvloed.
Maar wie niets heeft, hem zal wat hij heeft, nog worden afgenomen.
En wat die onbruikbare dienaar betreft, gooi hem eruit, de duisternis
in! Daar zal hij huilen en knarsetanden!'
En nu ik dit overtyp, realiseer ik mij dat ik dit al zestig jaar
geleden op school hoorde en dat ik toen dacht, maar niet kon
uitwerken: hier klopt iets niet! Die heer is een kapitalist.
Hij maait wat hij niet gezaaid heeft etc.
Het CDA dat meegaat met de VVD, of misschien wel voorafgaat aan
de huidige politieke moraal: naastenliefde is eigenhaat, solidariteit
is diefstal, het CDA luistert vooral naar deze parabel: 'Want
iedereen die heeft, krijgt nog meer en heeft overvloed. Maar
wie niets heeft, hem zal wat hij heeft, nog worden afgenomen.
En wat die onbruikbare dienaar betreft, gooi hem eruit, de duisternis
in! Daar zal hij huilen en knarsetanden!'
Smalbrugge zegt: 'Wie de parabel van de talenten ouderwets uitlegt,
creëert zijn eigen atheïsme en zadelt de maatschappij
op met louter winners en losers.'
De derde dienaar is niet te bang om zijn heer de waarheid te
zeggen, recht in zijn gezicht. Hij weigert mee te doen aan het
kapitalistische systeem.
=
Voor Roos
Ach, het meisje dat een mensje tekende
met blauwe lijnen en blauwe vleugels
tientallen jaren geleden, de buik is geel
het papier gevlekt door tijd
maar nog steeds hangt die engel
in een zwarte lijst in mijn kamer
als een onbegrijpelijke belofte
van opstijgen waar naar toe?
Dat meisje heeft een mensje
in haar armen, met rode sokken.
Een belofte, zeker, maar
belangrijker: ze is er nu.
=
Misbruik
Laten we aannemen dat de hoofdpersoon Margaux in 'Tiger tiger'
niet dezelfde is als de schrijfster Margaux Fragoso, ook al zegt
deze dat het een autobiografie betreft, nog sterker: 'herinneringen
aan een jeugd vanaf haar zevende tot haar tweeëntwintigste'.
We kunnen moeilijk dingen zeggen over de persoonlijkheid van
de schrijfster die we niet kennen.
Op haar zevende is de hoofdpersoon van het boek in contact gekomen
met een man van tweeënvijftig, Peter Curran, die haar langzaam
inspint tot er een liefdesverhouding ontstaat die duurt tot voorbij
zijn zelfmoord.
Wat kun je zeggen over de beschreven Margaux? Dat zij, voorzichtig
gezegd, geen harmonieus meisje is, wel intelligent en verbaal
begaafd. Haar moeder is geestesziek en moet regelmatig worden
opgenomen, haar vader is een alcoholist. Hij betreurt zijn huwelijk
zeer, maar beëindigt het niet, omdat dat niet hoort. Hij
vindt het oordeel van buren belangrijk. Overigens heeft hij vele
vriendinnen. Margaux moet het allemaal ondergaan en zoekt haar
toevlucht bij Peter. In de loop van de jaren blijkt dat zij geen
aansluiting vindt op school bij haar leeftijdgenoten, zij wordt
zelfs wettelijk vrijgesteld van schoolgaan op grond van sociaal
onvermogen, krijgt privélessen. Dit lijkt los te staan
van het sexueeel misbruik. Later doet ze een serieuze poging
tot zelfmoord èn probeert als teener zwanger te worden.
Haar vader kan niet tegen haar op, evenmin als Peter die in wanhoop
haar slaat, omdat zij hem tergt. Daarna wordt de ruzie weer afgezoend,
maar dat vind je ook in normale sexuele relaties.
Margaux lijkt echt van Peter te houden. Een leven zonder hem
is ondenkbaar. Het is een soort verslaving, maar dat is in 'normale'
liefdesverhoudingen evenmin ongebruikelijk.
Peter vraagt haar vergiffenis: hij heeft haar jeugd gestolen
en hij wil alles overdoen, zonder sex, maar Margaux verwijt hem
dat hij haar te oud vindt, niet meer voor hem aantrekkelijk.
Peter is naar haar toegekomen met een slagersmes, dat hij haar
geeft met het verzoek hem te doden. Hij houdt het mes tegen zijn
adamsappel. 'Vergeef je mij? Als je het niet kunt, moet je misschien
mijn strot doorsnijden. Ik verdien het.'
Peter wordt door haar beschreven als een lieve, begripvolle
man, die een voorkeur heeft voor jonge meisjes, maar die echt
van Margaux houdt, wanhopig veel, ook als ze allang niet meer
acht of negen is. Margaux verwijt hem ook achteraf weinig. Hij
doet veel voor haar, schrijft elke dag een liefdesbrief, koestert
haar foto's en tekeningen, maar, inderdaad, misbruikt haar ook.
Zij verzet zich tegen penetratie, maar geeft toe aan zijn fellatio-wensen,
kijkt samen met hem naar pornofilms, laat zich opwinden.
Ze heeft een sterke persoonlijkheid volgens een psychiater
die haar onderzoekt in verband met de weigering naar school te
gaan. Deze sterkte zal haar redding worden. De buurt vertrouwt
haar 'vriendschap' niet voor de oude man, met wie ze regelmatig
uit rijden gaat en bij wie ze altijd alleen in zijn kamer is
met de deur op slot. Er wordt een maatschappelijk werkster op
haar en Peter afgestuurd; een vrouw die kan doorvragen, maar
zij krijgt geen vat op Margaux, die alle ongepastheden ontkent.
Uiteindelijk haalt ze diploma's, schrijft verhalen, geeft ze
les en heeft een kind. Over de vader wordt door haar niet gesproken.
Het kind is belangrijk; zij zal het opvoeden tot een vrij mens
voor wie alles bespreekbaar is.
Tenslotte schrijft Margaux haar herinneringen op, maar het
is de lezer duidelijk dat het boek een constructie is: er zijn
herinneringen geconstrueerd, er is geschrapt, er zijn compositorische
ingrepen, redactionele. De schrijfster Margaux is voor een deel
de misbruikte Margaux, het meisje uit haar boek, maar we zullen
nooit weten voor welk deel.
Ik vond het merkwaardig dat ik het boek vaak terzijde legde,
niet vanwege de schokkende onthullingen of de adembenemende voortgang,
maar uit verveling. De schrijfster geeft complete dialogen die
niet erg realistisch lijken. Ze blijft te veel op afstand. Een
nauwkeurige beschrijving van haar gevoelsleven en gedachtenwereld
zou interessanter geweest zijn.
Misschien blijkt bij publicatie van een nieuwe roman, die
puur fictie is, of de schrijfster als schrijfster kan blijven
bestaan.
=
Jet en de dingen
Tim Parks leed verschrikkelijke pijnen in zijn onderbuik.
Een bevriend chirurg raadde hem een operatie aan: de gezwollen
prostaat moest verkleind, de opening van de pisbuis moest vergroot.
Tim wilde dat niet, zocht allerlei medische hulp en kwam tenslotte
uit bij het zogenaamde alternatieve circuit, sceptisch of niet.
Het bleek, kort gezegd dat hij zijn levenlang zijn lichaam had
verwaarloosd, dat alle bekkenbodemspieren overspannen waren.
Als gevolg van een aantal dagen meditatie zag Tim Parks ('Leer
ons stil te zitten') de 'dingen zoals ze zijn. Deze kom. De tafel.'
Hij werd, zegt hij, door alles overweldigd. 'Alles was intens
zichzelf, bron van zowel fascinatie als onverschilligheid.'
Hij vergelijkt het met een schilderij van Cézanne:
elk voorwerp is daar bevrijd van menselijke interpretatie. Hij
zou ook de schilderijen van Morandi kunnen noemen. De potjes
en flesjes lijken bij hem een eigen leven te lijden; ze stralen
met een diffuus licht, een warm grijs-wit, rose-grijs. Jet van
Oosten werd vooral door Morandi geïnspireerd.
Jet van Oosten schildert de dingen in hun koele eigenheid: vazen,
steelpannen. worsten, vogeltjes.
Het is een vreemd soort bewustzijn, niet animaal of menselijk,
transcendentaal, zou ik willen zeggen. Jet schilderde ooit een
rose konijn: fascinerend en onverschillig. Onverschillig voor
ons particuliere lot. Onverschillig, paradoxalerwijs niet als
gevolg van een gebrek aan aandacht, maar als erkenning van een
feitelijke situatie: woe wei. Woe wei. De chinese karakters Woe
en Wei betekenen "niets doen" of "laten gaan".
Het betekent alles laten gaan, er niet tegen in gaan. De dingen
nemen zoals ze zijn. Geen hartstocht, geen verlangen.
==
Chinese poëzie en proces denken
Jan Engberts is niet alleen bio-chemicus, maar ook een kenner
van Chinese poëzie en van de filosofie van Whitehead. Hij
ziet overeenkomsten in het procesdenken van Whitehead en de Chinese
filosofie en poëzie.
Samen met Qian Li vertaalde hij Chinese poëzie, o.a een
gedicht van Jiang Jie (1245-1310) over vallende regen in verschillende
levensfasen van een waarnemer. De Chinese woorden hadden zo veel
connotaties met de Chinese filosofie dat de vertalers besloten
tot een proza-vertaling, waarin meer kon worden uitgelegd dan
een getrouwe vertaling in dichtvorm die meer aansloot bij het
origineel.
Dit was de prozavertaling, in het Engels: Listening to the Rain
When I was young, I was listening to the rain which gave me joy,
just as the singing of the girls on the upper floor of a fancy
mansion. I was delighted to see the dim red candles and the silky
curtains of their luxury appartments.
When the years passed by and I grew strong, I was again listening
to the rain when I was forced to escape from my home town by
boat. I had to leave behind my beloved ones and my books. Travelling
on a huge river with the clouds hanging low above the water,
I heard the cry of a goose. He was lonely like me and struggling
against the west wind. The authumn was coming.
And now, I listened to the rain again. My hair is already turning
grey and I am living in a temple, talking with the monks. I accept
sadness and happiness, separation and reunion as yin and yang,
not stirring unnecessary emotions. Let it all be so. I hear the
gentle drops of the rain falling on the stairs. Many memories
come up. And then I wake up, a new day has arrived. The sky is
bright!
Ik was zo eigenwijs om het gedicht toch in dichtvorm om te
zetten, uiteraard dankzij hun aanwijzingen.
Vallende regen
Als jonge man luisterend naar de regen
vol vreugde om het zingen van de meisjes
op de buitengalerij boven het water. Achter hen zag ik
de schemerende rode kaarsen en de zijden gordijnen.
Als volwassen man luisterend naar de regen
vluchtend op een boot over de wijde rivier
onder lage bewolking, hoorde ik boven mij
de roep van een gans, worstelend met de westenwind.
En nu luister ik opnieuw naar de regen
in mijn kleine cel. Mijn haar is grijs.
Ik aanvaard treurnis en geluk, eenzaamheid
gezelschap met gelijk gemoed. Ik hoor
de regen vallen op de trappen van de tempel
tot een nieuwe dag komt, in helderheid.
=
Kunst en geld
De vraag is: moeten Toos en Halbe betalen voor het laten maken
van kunst? Ze willen graag betalen voor een goed gelijkend portret
of landschapje, voor een vrolijke musical, voor een passend rouwgedicht,
voor een folkloristisch dansje, voor de Mattheüspassie desnoods
of een schilderij van Van Gogh terug in Nederland, maar niet
voor onregelende kunst, kunst die je verontrust, die je laat
nadenken over je standpunten.
Toos en Halbe denken dat kunstenaars moeten lijden, zoals Van
Gogh. Als ze dat niet willen, moeten ze maar iets nuttigs gaan
doen.
Nee, Toos en Halbe willen betalen voor het vlees op hun barbecue,
voor de pils, voor de schutting om hun tuin, voor de wijkagent
en voor de marechaussee aan de grens.
Moeten we Toos en Halbe opvoeden? Nee, dat gaat niet lukken,
maar misschien kunnen we de kinderen van Toos en Halbe wel in
contact laten komen met andere muziek dan die van de relame.
We kunnen op zijn minst het muziekonderwijs ondersteunen, het
tekenonderwijs, het museumbezoek voor jongeren, zodat de kinderen
van Toos en Halbe kunnen kiezen.
De kunst moet niet op de knieën. De kunstenaars mogen in
alle trots hun werk maken, zonder hun hand op te houden, maar
eis van de politiek ondersteuning van de jeugd.
==
Slapen gaan in Vlaanderen
's Avonds in het hotel waar ik ga eten en waar mijn gastvrouw
kijkt wat ik doe aan tafel: schrijven aan het verslag. Ze laat
me vol trots een gedicht van Anna Enquist zien verderop in het
restaurant. Het is weer een typisch Enquist gedicht met veel
lawaai.
Daar zitten drie Vlaamse echtparen van niet geringe omvang. Ze
zijn al ingelicht over mijn activiteiten. Zij slapen met hun
hoofd op mijn poes-gedicht. We praten over de relatie Groningen
- Vlaanderen. Ik zeg dat wat mij betreft wij één
samenhangend gebied zijn, dat onze literatuur tot de zestiende
eeuw uit Vlaanderen kwam. Of ze 'De Vos Reynaerde' kennen? Ja
zeker, maar meer van verhalen en afbeeldingen dan van lezen begrijp
ik. En de 'Beatrijs'? Nee. Ik vertel kort het verhaal en dat
vinden ze wel mooi. Hoe Maria haar taken waarnam. Maar we denken
niet dat België opgesplitst wordt of dat Vlaanderen bij
Nederland komt. Ze hebben ook geen problemen met Walloniërs.
Het zijn de politici die moeilijk doen en de gemeenten rond Brussel.
Dat moet eens ophouden.
Mijn gastvrouw geeft me een flesje water mee en een glas en wenst
me goede nacht, maar, zeg ik, ik ga eerst nog wat lopen, naar
Frankrijk bijvoorbeeld.
's Nachts droom ik o.a. van een dure motor en een groot festival.
Ik moet mijn spullen door mensenmassa's en ruimtes verplaatsen
met veel moeite. Als ik terugkom bij de motor is mijn helm gestolen.
Daarvoor reed ik rond toen plotseling de motor sputterde, het
licht uitviel en de motor. Wie kan dat maken?
Bij een haven, vermoed ik nu, staan veel kennissen te wachten.
Collega's van Ubbo? Eén van hen heeft verstand van motors
en begint de machine uit elkaar te halen. Ik krijg onderdelen
in de hand en hij zegt dat ik goed moet onthouden hoe ik ze weer
moet monteren. Dan kan ik volgende keer zelf de zaak verhelpen.
Er moet iets doorgespoten worden en hij komt met, of we gaan
naar een garage met een luchtpomp. Hij spuit een leiding door
en ja wel de motor loopt weer. Kan ik zonder helm wel verder
rijden? Dan ben ik al weer te wakker.
=
Tabaksreclame
18 december 1954 in Vrij Nederland: een tekening van een Roxy-sigaret
met een gezichtje en een haardos van as en vuur, moet je aannemen.
Hij buigt zich wat voorover naar een brandende lucifer, wiens
hoofd in een vlam is getekend en die wat jong en onderdanig oogt.
De sigaret vraagt volgens een onderschrift: 'Wat is je grootste
wens?' en de lucifer antwoordt: 'Zo gewenst te zijn als jij!'
Even verder staat reclame van Niemeijer: 'Een pijp goede tabak
geeft de man in deze jachtige tijd de kalmte en het evenwicht
waarnaar jij verlangt. De mannen die een goede, karaktervolle
tabak willen roken, vinden bij de pijptabakken van Niemeier altijd
een vriend, waarmee ze rustig en zeker door het leven kunnen
gaan. Of het nu een Baai, een Mixture of een Flake is, de man
die roken kan weet, dat als er Niemeier op het pakje staat, er
een knappe evenwichtige melange in zit.' Een man met een hand
onder zijn wilskrachtige kin, pijpsteel in de hoek van zijn mond,
de onderlip iets naar voren, kijkt tevreden en zelfverzekerd
in de verte. Aan de rand afbeeldingen van zes pakjes; als eerste
de EXTRA FIJNE BLANKE BAAI, vanouds de beroemde pijptabak, heerlijk
zacht en geurig.
Weer verder: 'UILTJE laat elke roker genieten! Maak het deksel
open van zo'n fraai gedecoreerd paddestoelblik en U ziet 25 voortreffelijke
UILTJE sigaren; stuk voor stuk in cellophaan verpakt. Voor elke
roker een feestelijk geschenk ... geurig van begin tot eind!'
Is het vreemd dat ik, toen 13 jaar, begon te roken? Ik zag bovendien
hoe mijn vader en zijn vrienden genoten. En die leraar wiskunde
die zo gretig aan zijn Roxy-sigaretten zoog! De leraar scheikunde
met zijn pijp en de leraar Nederlands met zijn enorme sigaar!
=
Uit de droom
Vannacht droomde ik dat ik een nieuwe belangrijke uitvinding
deed: zwaar water. Het was kwikzilverachtig, maar niet giftig
en het had fabelachtige schoonmaakkwaliteiten, waardoor afwas
- en wasmachines geen zeep meer nodig hadden. van alles kon worden
schoongespoeld: pijpleidingen, scheepsruimen, noem maar op. Er
moest nog uitgezocht worden of darmen konden worden schoongespoeld,
waardoor darmkanker werd voorkomen.
De formule was H4O2C.
Ik stuurde dit op naar een filosofische natuurkundige. Hij antwoordde:
"Grappige droom. En ook mooi al die nuttige eigenschappen.
Nooit meer afwassen! Alleen maar spoelen. Geen darmkanker. Ik
teken ervoor.
Droomde je echt ook die struktuurformule? Vreemd, maar wel leuk.
Maar ja, als we er wat precieser naar kijken dan vallen een paar
inconsistenties op, maar moeten we het daar nu over gaan hebben?
Eerst maar even lekker genieten van wat er in je schoot wordt
geworpen.
En kijk eens op internet naar het lemma polywater, dat is een
soort distopische in de verte wat verwante variant van je droom."
Nu ja, het is dus veel ingewikkelder, dan in mijn droom. Dat
had ik wel gedacht.
Merkwaardig trouwens dat zo'n droom zo maar komt, na de scheikundelessen
van meer dan 50 jaar geleden.
De formule was eerst H5O2C, maar dat kon niet. Later hoor ik
van de natuurkundige dat het ethanol betreft, zeer giftig!
=
Gemengde gevoelens
De Nederlandse samenleving en de 'waarden waarop deze berust'
moeten in ons land centraal staan. Dat schrijft minister Piet
Hein Donner ( Binnenlandse Zaken) in vervolg op het Regeerakkoord
in zijn donderdagavond verschenen Integratienota.
Zo wordt gelaatsbedekkende kleding in de openbare ruimte verboden,
als het aan Donner ligt. Dat zou per 1 januari 2013 moeten ingaan.
Hij spreekt van een 'koerswijziging' waarmee het kabinet 'afstand
neemt van het relativisme dat besloten ligt in het model van
de multiculturele samenleving'.
Een oud adagium is: 'Do in Rome as the Romans do'. Dat lijkt
me juist.
In de NRC van 16 juni schrijft Elsbeth Etty over teksten van
Tjalie Robinson, zoon van een KNIL-militair, geboren in Nijmegen.
Hij werd onderwijzer en journalist op Java. Hij schreef 'Een
land met gesloten deuren', waarin hij, volgens Etty, het heeft
over de onmogelijkheid om te integreren in de Nederlandse samenleving.
'Dat kwam volgens hem door het verouderde en nutteloze denken
in termen van rassen en nationaliteiten. Maar, zei hij ook, 'Gelukkig
bestaat verreweg het grootste deel van het Nederlandse volk niet
uit diehards, zodat geen enkele bruine man zich bijzonder bedreigd
of zelfs maar gesignaleerd weet'. Hij vertelt dat hij maar één
keer voor aap is uitgescholden door een fietser. Hij schoot toen
in de lach. Etty schrijft: 'Het lachen zou Tjalie Robinson ongetwijfeld
vergaan, als hij de opmerkingen over bruine mensen van hedendaagse
nette burgermannetjes zou horen, in een Nederland waarvan de
deuren nog altijd potdicht zitten.'
Het is niet aan de overheid om mensen te laten integreren,
maar aan de migranten zelf om daar hun best voor te doen, zo
meent de minister.
=
Wim Brands en zijn talloze interviews
De poëzie kruipt waar zij niet gaan kan. De genomineerden
voor de Buddingh'prijs weten dat en houden er rekening mee: bundels
worden niet of nauwelijks gekocht. Toch schrijven zij, omdat
het moet. Van wie of wat weten we niet. Eén van de genomineerden
doet haar uiterste best de gedichten de wereld en zelfs de kosmos
in te zenden. Dat laatste is een mooie metafoor: met aan zekerheid
grenzende waarschijnlijkheid weet je dat de gedichten nooit gelezen
worden en eeuwig ongelezen ronddraaien, wegsuizen of uiteindelijk
te pletter slaan. Toch is er een krankzinnige hoop dat er ergens
een levend wezen is dat onze tekens begrijpt, decodeert en vertaalt
in zijn eigen communicatiesysteem. Je moet toch echt een beetje
vreemd zijn als je energie stopt in zo'n project.
We schrijven niet om er iets mee te verdienen, maar omdat we
vinden dat onze gedichten moeten worden gelezen.
Wim Brands doet zijn best, maar hij wordt steeds vervelender
met zijn gebaartjes, vooroverbuigingen, stemvariaties en zijn
geacteerde interesse. Ondertussen blijven zijn gesprekjes zeer
oppervlakkig en je ziet de dichters denken: kan het stompzinniger?
Wanneer is deze beproeving voorbij? Wat moet ik allemaal verduren
om mijn gedichten een kans te geven? Ik moet wel vriendelijk
blijven, want veel meer kans krijg ik niet; dit is zo'n beetje
het enige programma dat aandacht besteedt aan poëzie. Als
de literaire tijdschriften dankzij Rutte/Zijlstra gaan verdwijnen,
wat blijft ons over? Pen en papier, computer en internet. Een
twee drie, in godsnaam.
Overigens doet Wim alles, natuurlijk ook proza. Hij interviewde
Margaux Fragoso over haar boek 'Tiger, Tiger'. Het gaat over
Margaux die vanaf haar zevende jaar sexuele omgang had met een
bijna een halve eeuw oudere man. Hij pleegde uiteindelijk zelfmoord,
Margaux in grote verwarring achterlatend.
Wim vroeg haar - hij deed of hij het boek had gelezen - hij vond
het zeer indrukwekkend - hoe oud ze was toen het misbruik begon.
Zij antwoordde geduldig: zeven jaar. Zij zei niet: "Maar
dat heeft u toch gelezen?'
Toen hij het enkele minuten later nog eens vroeg, zag je haar
denken: ik praat hier toch niet met ...'
=
Een Nieuw Pinksteren
De eredienst van Apple gezien, met Steve Jobs als hogepriester
van de virtuele wereld, met heel veel enthousiaste gelovigen
die af en toe een hallelujah-achtig applaus laten opklinken,
met diakenen die op verzoek demonstraties geven en die opdezelfde
wijze voor het Beeldscherm langs wandelen.
En wat was de grote verrassing dit jaar? The Cloud. Je kunt je
muziek en gebeden opzenden naar The Cloud en automatisch zendt
The Cloud dit alles terug naar je andere 'devices': je IPhone,
je IPad, je MacBook.
Als de hogepriester opkomt, met het Apparaat in zijn hand, klinkt
er een lang applaus en geroep. Steve loopt bescheiden lachend
heen en weer, groet met een eenvoudig gebaar apostelen. Hij praat
niet over zijn ziekte, maar iedereen weet het. Iemand roept,
als hij begint: 'We love you!' en Steve lijkt nu toch aangedaan
en hij bedankt en voegt er aan toe dat het helpt. Er zal een
plaatsbekleder komen op aarde en vanuit The Cloud zal Steve de
communiteit blijvend besturen. The Cloud weet alles van ons:
onze boodschappen, voorkeuren, onze meest intieme foto's, muzikale
voorkeur en wat we maar prijs willen geven.
De Geest is altijd bij ons.
=
Twee rozen
Waar kies je voor? Kort en hevig?
Langdurig, over het seizoen uitgesmeerd?
Maiden's Blush is een albaroos
zeegroen blad, overweldigende geur
maar slordige bloeiwijze, drie weken.
De herinnering aan de geur
blijft een jaar lang hangen
aan de blos nog langer.
Bonica is een sterke en gezonde meid
gedijt op zand en veen als struikroos
parkroos, bodembedekker en zelfs
in een pot heeft Bonica het naar haar zin.
Zij bloeit lang en spectaculair
van juni tot december, maar geuren
nee, oranjerode bottels ja.
=
Bijna zestien
Afgelopen zaterdag gaf ik in opdracht van DoeMaarDichtMaar
een zogenaamde masterclass voor jonge dichters. Zij leveren drie
gedichten, kiezen er ter plekke één om voor te
lezen en samen bespreken we het gedicht. Wat vinden we goed of
mooi, wat minder, wat begrijpen we niet. De dichter mag even
alleen maar luisteren en pas daarna zeggen wat ze van ons gebabbel
vond.
S., dochter van A., zou ook komen. Ik had haar al een tijd niet
gezien en wist niet dat ze al bijna zestien is. Bij binnenkomst
geef ik iedere dichter een hand en we noemen onze namen. S. kwam
een half uur te laat, zodat ik haar alleen maar toeknikte. Ze
kwam niet meer aan de beurt. Haar gedicht was ook niet in copy
aanwezig. Ik heb haar niet herkend.
Haar moeder vroeg hoe het was geweest. S. zat achter de piano
en gaf af en toe antwoord op de vragen. Dat inspireerde haar
moeder tot een gedicht.
"Ik kwam te laat," zegt ze, terwijl ze op de piano
een nieuwe compositie uitprobeert
"Ik zat naast hem."
Luidkeels: "Don't say you know me..."
Tussenspel in hoekige akkoorden
"Hij gaf me een bekertje water."
Kladpapier vol doorhalingen op de klep
"...if you never have talked to me!"
Haar handen springen op, bespelen lucht,
ze kijkt stralend om: "Ik was heel chaotisch!
Misschien weet hij dan wie ik was?"
Prachtig, door het opbreken van de gebeurtenis en de reactie,
de pauzes en opmerkingen tussen het spelen door, de droge constatering
('Hij heeft me niet herkend') en dan toch een beetje de pijn
van 'Misschien weet hij dan wie ik was?'
'Alles waait nu ook in mij', zo heet de nieuwe bundel, uitgegeven
door DMDM, naar een regel van het gedicht van Jantine de Ruijter.
Naast de winnende jonge dichters traden afgelopen zaterdag Anne
Vegter en Mark Boog op. Zij lazen hun volwassen poëzie en
de jeugd luisterde stil en geïmponeerd.
Vroeger waren er nog wel eens lawaaiige pop bands, maar de laatste
tijd kiest de organisatie voor poëtische muziekmakers. Dit
jaar Roufaida & Pluck, twee meiden die gedichten op muziek
zetten. Zij zijn op het podium niet anders dan op straat: zelfbewust,
geestig, ontregelend. Ook Lucky Fonz III met zijn gitaar en verrassende
harmonica-klanken is eigenzinnig en authentiek. Jongens zijn
bij hem nogal sneu op zoek naar meisjes. Meisjes zijn net als
jongens, maar zij hebben geluk.
De wethouder van cultuur van Groningen mocht op een koperen
bel slaan om de website over DE JONGE DICHTER DES VADERLANDS
te openen. De techniek werkte en op het scherm van de Kleine
Zaal van de Oosterpoort verscheen het juiste computerbeeld.
http://www.poeziepaleis.nl/projecten/jonge-dichter-des-vaderlands/jddv/over-jddv
De hele adresregel heb je nog nodig, want Google is nog niet
zo ver.
Geheel in overeenstemming met de professionele dichters: voor
het geld hoef je het niet te doen.
=

Canto van een blik
Rob Møhlmann schilderde 124 keer een conservenblikje.
Hij werkte er elf jaar aan. Alle schilderijen zijn 40x30; het
zogenaamde Canto-blikje is altijd levensgroot en staat altijd
op dezelfde plaats en wordt onder dezelfde hoek waargenomen.
Toen Rob Møhlmann in 1977 begon met schilderen in een
tijd waarin zuiver realisme niet populair was in de kunstwereld
kreeg hij op de kunstopleiding te horen dat hij niet moest schilderen
wat hij zag, maar wat hij construeerde. Al snel hield hij het
voor gezien en ging zijn eigen weg.
Het blikje is gewoon, alledaags, maar dat is niet waar: het
niet bestaande merk werd 'Canto' - lofzang op de werkelijkheid;
het blikje werd half uitgekleed als model, dat wil zeggen het
papier werd er half afgescheurd, waardoor de naam gedeeltelijk
zichtbaar was, maar vooral het glanzende, niet geribbelde oppervlak,
dat de omgeving weerspiegelde. En daar vond het verhaal een steeds
wisselende inhoud. Robs Canto werd een episch gezang in beelden,
een verhaal over onze wereld door de ogen van een kunstenaar.
In 2006 verhuisde de kunstenaar voor het laatst (?) naar een
monumentale boerderij aan de rand van Appingedam en vestigde
daar zijn atelier, woonhuis en zijn museum. Het geheel werd grondig
verbouwd en de Canto Collectie kreeg een vaste plaats.
Op het eerste schilderij zien we de blikjes met kippenvlees
in een rij staan. In het halfnaakte blijk zien we de meesterschilder,
vaag weerspiegeld. Hier begint een project waarvan hij dacht
dat het 10 schilderijtjes zou opleveren. Op het volgende zien
we het lege blik. Op het ernaast gelegen weggesneden bovenkant
ligt een peuk met een uitzonderlijk lang filter en een andere
peuk is met zorg recht overeind gezet. Dit wordt gespiegeld in
het blik. Er achter hangt een emaille pollepel, nog niet afgewassen.
De toeschouwer verbaast zich over de onwaarschijnlijk knappe
weergave van de werkelijkheid: een spijkertje in de muur, de
schaduw daarvan, natuurlijk in dezelfde richting als van blik
en lepel, maar let op: het is strijklicht dat de schaduw veroorzaakt,
want de staande peuk, vóór het blik, heeft geen
schaduw.
Canto4 is minimalistisch: alleen het blik op een witte rand,
tegen een witte achtergrond. Het blik spiegelt banen kleur van
wat? Aan de onderkant van het blik zien we de spiegeling van
de witte rand.
Bij Canto5 staat het blik op een lege, op zijn zij liggende kartonnen
doos, tegen een andere doos. We zien de nietjes en de tekst 'SELVIAC
/ AMSTERDAM'. Dit bedrijf verkoopt 'Profiel en product artikelen'.
De kunstenaar woonde destijds in Amsterdam.
De vormbeheersing van de 26-jarige schilder blijkt ook in Canto6:
het blikje staat op een oude theedoek, met blauwe vierkanten.
Het doek is van achter een beetje omhooggezet, waardoor de vierkanten
allerlei vormen aannemen. In het blik zien we de spiegeling.
'Kijken, jongen', dacht de schilder. 'Goed kijken! Wat zie je?
Hoe lopen de lijnen? Wat doet het licht?'
Canto7: het blik staat op de vensterbank. We zien door het
raam een voormalig schoolgebouw aan de overkant van de Des Présstraat.
De bakstenen zijn alle geschilderd, één voor één
met variërende kleuren rood en bruin, de voegen alle in
perspectief.
In het blik staat een fijne kwast. Naast het blik een halfvolle
fles met medium(?). De dop is van dat zachte plastic met schenktuit,
met nog een afsluitend zwart dopje. Tomado maakte die doppen
geloof ik. Of ze nog bestaan? In elk geval hebben ze op het schilderij
exact de stofuitdrukking die ik me herinner. Voor het blikje
een hoge stenen asbak met zand en veel sigarettenpeuken met filter.
Een peuk is er naast gevallen. Er ligt ook een kruimel as op
de vensterbank en natuurlijk een doosje lucifers, op de buik,
als je dat zo mag zeggen, het strijkvlak met kleine vierkantjes.
Dat strijkt beter. Twee gebruikte lucifers.
Op Canto8 zien we een literaire vooruitwijzing: het snoer
hoort bij een oud schippersradiootje dat vijf jaar later in de
serie geschilderd wordt. Een brede kwast staat op zijn haren,
die dus ombuigen, naast het blik. Er achter een opgespannen schildersdoekje,
van 30x40 waarschijnlijk. Er komt bij toeval een glazen pot voor
het blikje te staan. Nu wordt het lastig. De spiegeling van het
glas, daardoorheen het blikje dat het glas weer weerspiegelt.
De schilder maakt het nog moeilijker: hij doet wat water in de
glazen pot en nu wordt het electrisch snoer verdubbeld. Het vlekje
op het schilderslinnen is nog steeds hetzelfde.
Nog moeilijker: de pot wordt voor de helft gevuld. Blijf kijken,
goed kijken. Allerlei spiegelingen veranderen weer. En dan de
pot geheel vullen. Het blikje wordt opgeslokt.
=
Bezuinigen
Door de fouten van de banken moeten de danseressen van het beroemde
Nederlandse ballet een andere baan zoeken. Onderwijs en onderzoek
moeten bezuinigen. Bijstandtrekkers moeten een maaltijd overslaan,
terwijl de bankmannen hun bonussen weer zien groeien. Beleggers,
overheden, toezichthouders, banken, maar ook consumenten, namen
de risico's van grote investeringen. Men liep elkaar achterna
zonder de betekenis en de gevolgen van het handelen te begrijpen
of dachten: 'na ons de zondvloed'.
Er is dus ook een collectieve verantwoordelijkheid: onverantwoord
lenen, geld uitgeven dat je niet bezit, leven op te grote voet.
Er stemmen te veel mensen op de partijen die de bankmannen niet
willen aanpakken of die te laf zijn om impopulaire maatregelen
te nemen.
De consumenten kunnen hun geld weghalen bij onverantwoordelijke
en arrogante banken.
De kosten van de zorg nemen onverantwoord hard toe. Vinden we
met elkaar dat alles wat technisch mogelijk is in verband met
het krijgen van kinderen moeten realiseren. Dat we de situatie
van zeer dure medicijnen moeten laten voortwoekeren? Dat we mee
moeten blijven doen met het ontwikkelen van geavanceerd wapentuig?
Maar moeten we ook bijvoorbeeld miljoenen uitgeven om de levens
van oude kankerpatiënten maanden te rekken? Misschien moeten
we die arme mensen, die hun laatste maanden zuchten onder belastende
chemokuren of bestralingen tegen zichzelf beschermen.
=
Taal en denken
Uit 'En toen wisten we alles' van Coen Simon: 'We zeggen dat
de zon opkomt, terwijl we weten dat het niet zo is. De taal houdt
ons vast in onze denkbeelden.
Absoluut,' knikt de fysicus, 'de taal is misleidend, vandaar
dat we uiteindelijk ook op formules vertrouwen.'
Dit lijkt me ( en ik denk ook Simon) een onjuist verwijt aan
de taal. We houden vast aan een denkbeeld, een illusie. We zeggen
dat de zon opkomt omdat we dat zo zien, al weten we beter. Dat
ligt niet aan de taal; de zegging is een adequate vertaling van
ons denkbeeld.
Hoe het heden het verleden kan beïnvloeden, leren we in
de roman van Richard Yates: 'Revolutionary Road'. Coen Simon
maakt het duidelijk. Het eind van het, ook verfilmde verhaal,
laat het eind van hun liefde zien. Het meisje zegt: 'Je was alleen
maar een jongen, die me ooit aan het lachen maakte op een feestje.'
Deze woorden herschrijven hun liefdesgeschiedenis ¬Ýen
maken met terugwerkende kracht een eind aan een nooit begonnen
liefde. Ze staan plotseling als vreemden tegenover elkaar.
Ik moet denken aan "Back From the Future," een artikel
over het werk van Aharonov en zijn team. Dat werk heeft allerlei
vreemde ontdekkingen tot gevolg gehad over het wezen van tijd
en het universum. Aharonov heeft laten zien dat de quantumwereld
de pijl van de tijd niet één kant laat uitwijzen.
De pijl kan ook wijzen van de toekomst naar het verleden.
Dit is net zo onbegrijpelijk als het tegelijk aanwezig zijn van
deeltjes op verschillende plaatsen.
Het gezonde verstand verzet zich tegen invloed van de toekomst
op het verleden, omdat dat vast zou liggen, maar dat de visie
op het verleden verandert door het heden maakt bovengenoemd voorbeeld
wel duidelijk. Ook de politieke geschiedenis lijkt te veranderen
door inzichten in het heden.
--
Graaizucht/geiligheid
Mensen streven naar een machtspositie. Ze besturen een stad of
landsdeel. Hier gaat het om Lanquedoc. De hertog van Berry, bekend
om zijn passie voor fraai geïllustreerde boeken, heeft veel
geld nodig voor zijn hobby's. Hij kent geen maat in het heffen
van belastingen : de kastelen met gebeeldhouwde torens kostten
een vermogen. Zijn gespreksgenoot, zijn broer, hertog van Bourgogne,
doet het anders. Hij trouwt de rijke erfdochter van Vlaanderen
en toch perst ook hij zijn onderdanen uit. Berry laat zijn belastinginners
verbranden, als zoenoffer voor zijn daden.
Dit lees ik in 'Het woud der verwachting' van Hella Haasse. Het
verhaal speelt in de veertiende eeuw. De strijd tegen de Engelsen
in Azincourt, die de ijdele Fransen verliezen, speelt een grote
rol.
Hella Haasse schreef het boek, dat veel psychologisch inzicht
verraadt en historische en politieke kennis, op 30-jarige leeftijd.
Wat een kennis en rijpheid op die leeftijd!
Louis van Orléans koopt een ring die twee dagen onder
de tong van een aan de galg gehangene heeft gelegen, omdat deze
een machtig amulet werd geacht om de drager onweerstaanbaar voor
vrouwen te maken. Louis is voortdurend op jacht in hofkringen,
maar nu wil hij een nieuwe hofdame hebben, die nog maar korte
tijd in dienst is van zijn vrouw, een meisje met groene ogen.
Zij weerstaat hem en dat is hij niet gewend. Zijn vrouw ligt
in het kraambed en kent zijn strapatsen, maar ach, zegt de koningin-moeder:
dat is het lot van vrouwen.
Middeleeuws? Juliana zei het haar na. Tegenwoordig laten rijke
handelslieden neushoorns slachten omdat de gemalen hoorn hun
potentie zou verhogen. Ook gebruiken zij hun geld en roem om
vrouwen te versieren. De liederlijkheid van Bernhard, Clinton
en Berlusconi is bekend, maar ze zijn er niet minder populair
om.
Betekenis
Er is eerst betekenis ('meaning') en dan taal. In ' Splash'
van de neurowetenschapper en dichter Jan Lauwereyns, vond ik
een bevestiging van bovenstaande opvatting.
In de literatuurwetenschap is een discussie, die ik hier en nu
vereenvoudig tot twee representanten: De Rooder en Lauwereyns.
De Rooder is literatuurwetschapper en hij beweert in een essay
'Het schandaal van de poëzie' dat poëzie neigt naar
betekenisloosheid en ook voortkomt uit betekenisloosheid. In
navolging van Frits Staal die Vedische rituelen onderzocht, zegt
hij dat er eerst het ritueel is, dan poëzie en dan pas gewone
taal. Ik begrijp nu dat De Rooder met betekenis bedoelt: woordbetekenis,
verwijzende betekenis. Dan begrijp ik de volgorde van de trits.
(Met dank aan Walter Schönau)
Lauwereyns is, zoals ik zei, neurowetenschapper en dichter. Hij
falsifieert De Rooder in zijn boek 'Splash' en legt uit dat er
eerst betekenis is; het symbool, dan taal en dan pas poëzie,
een verhevigde vorm van taal. Poëzie neigt naar betekenisvolheid!
Helen Keller begreep zonder woorden dat de jurk symbool was van
uitgaan.
De wortels van symbolische communicatie zijn terug te voeren
naar het moment dat een dier 'iets' begon te denken. Er is een
werkgeheugen: 'pas op' denkt de rat die bessen wil eten, zonder
woorden, maar die eerder onder de struik een cobra heeft gezien.
De neurowetenschap - u begrijpt dat ik hier leen van Lauwereyns,
maar het is in overeenstemming met andere wetenschappers - laat
zien hoe dit mogelijk is. Er vindt een verschuiving plaats van
iets (het beeld van de slang) naar een ander iets (de mentale
representatie). In die gedacht zit de oervorm van de symbolische
verwijzing.
Uit neurologische proeven blijkt dat er hersenactiviteit bestaat
die getuigt van een op de toekomst gerichte voorkeur. Het primaire
recept van een emotie staat in een continue wisselwerking met
abstractere, vermoedelijk 'bewuste' representaties van gevoelens.
Ook bij dieren!
Apen kunnen vergelijken, terugblikken en vooruitkijken.
Er is het vermogen om abstracte representaties te maken van dingen
die er niet zijn, die er niet meer zijn, middels symbolische
verwijzingen. Ook zonder taal!
Apen 'begrijpen' in experimenten dat een rood lichtje gevaar
, een groen lichtje beloning is. Sommige alarmkreten betekenen
'de boom in - er komt een tijger', andere 'de boom uit -er komt
een slang-.
Een andere vondst is deze: dopamine maakt de mens blij wanneer
hij regelmaat ontdekt in wat chaos leek. Nieuwe kennis is gekoppeld
aan positief emotioneel gevoel. De zoektocht naar die begeestering
maakt de dynamiek van poëzie uit.
Dit onderschrijft de dichter Rutger Kopland, de psychiater Rudi
van den Hoofdakker. Hij schrijft gedichten om op zoek te gaan
naar waar hij het over wil hebben. Poëzie kan worden opgevat
als verzet tegen de ondraaglijke gedachte dat de mens het resultaat
is van toeval. We verlangen naar zin.
De dichter van het verlangen, Kopland, spreekt dit steeds uit
in nieuwe gedichten. We willen opgenomen zijn in een groter geheel,
ook al begrijpen we dat niet. We willen vol-ledig zijn.
En Kopland weet ook: om te beginnen met schrijven moet men al
aan het schrijven zijn. Daarna moet je selecteren en fijnslijpen,
want het is de stijl die van een schrijver een interessante schrijver
maakt. Je moet streven naar perfectie, maar je moet niet wachten
op inspiratie. Bij poëzie-workshops zeg ik tegen de cursisten:
de kunst van het schrijven is je pen over het papier bewegen.
Daarna zoek je uit wat het bewaren waard is.
Wat blijft
Dan staan we nu op het slagveld van Crécy, waar Hawkwood
zich verdienstelijk maakte voor de Engelse zaak door met effect
zijn boogschutters in te zetten tegen de Franse ridders te paard.
Ze waren zwaar geharnast, maar de Engelsen vielen de paarden
aan en sloegen de met moeite opkruipende Fransen dood, een tactiek
die met succes werd toegepast in Poitiers en vijftig jaar later
- Hawkwood was toen al dood in bed - in Azincourt nog eens. De
Fransen waren halsstarrig en hoogmoedig.
De zon schijnt. Volgens het verhaal werden de Fransen verblind
door de zon, maar wij staan op het uitkijkpunt van Edward III
en kijken tegen de zon in. Hoe zit dat? De strijd duurde tot
de avond, maar de Fransen bleven de zon in de rug hebben. Wel
moesten ze tegen de heuvel op en de Engelse boogschutters spanden
rustig hun bogen en zorgden voor paniek bij de paarden.
Even later zijn we in Azincourt. Met de auto gaat het snel
en we hebben geen last van pijlen of onweer. Daar is het centrum
waar de belangrijke slag wordt uitgebeeld met een show met geluid
en film. De koningen zeggen de tekst van Shakespeares Henri V.
Hoor hoe Shakespeare de Franse Dauphin zijn paard laat prijzen
en verlangen naar de ochtend van de strijd: What a long night
is this! I will not change my / horse with any that treads but
on four pasterns. / Ca, ha! he bounds from the earth, as if his
/ entrails were hairs; le cheval volant, the Pegasus, / chez
les narines de feu! When I bestride him, I / soar, I am a hawk:
he trots the air; the earth / sings when he touches it; the basest
horn of his / hoof is more musical than the pipe of Hermes. '
Een levensgrote geharnaste pop met uitgelicht hoofd spreekt.
Karel VI van Frankrijk lijkt op de jongste zoon van onze voormalige
overburen. Maar de Fransen moeten weer door de modder.
We wegen de wapens, gruwen van de pijlen met weerhaken, zien
het verschil tussen kruisbogen en de manshoge bogen van de Engelsen.
Als de laatsten tien pijlen hadden geschoten, worstelden de kruisboogschutters
met het spannen van hun boog voor de derde pijl. Ze drongen dieper
door, die korte pijlen, maar dat maakte voor de paarden weinig
verschil. Wikipedia schrijft: 'De slotscène werd gevormd
door een halfhartige aanval van een groep Fransen die eerder
waren weggevlucht. Koning Hendrik, bang dat zijn grote groep
gevangenen zou kunnen ontsnappen, gaf opdracht deze te doden.
Een deel van de Franse gevangenen werd levend verbrand in een
hut waar ze toevlucht hadden gezocht. (als Tutsi's, R.E.) De
slachting stopte toen de aanvallers vertrokken.'
Hella Haasse beschreef de slag in 'Het woud van verwachting'
Op de site van de Dutch Warbow Society worden de liefhebbers
van de Engelse Oorlogsboog lekker gemaakt voor het feest (?)
van de 600-jarige herdenking van de Slag bij Azincourt; in 2015
dus! De voorbereidingen zijn in volle gang: de organisatie wil
meer dan 1000 Longbowschutters inzetten. 'Natuurlijk zijn wij
er bij!'
In de kathedraal van St. Omer luisteren we naar een groep
mensen die een half uur lang een litanie zeggen, alsof we in
de veeertiende eeuw zijn: eentonig, maar hallucinerend.
Betekenis en lichamelijkheid
Als de poes hoort dat ik de koelkast opendoe, om een uur of
half zes, komt zij er snel aan, in afwachting van eten. Het opendoen
van de kast heeft betekenis voor haar, evenals het geluid van
de auto als we even weg zijn geweest. Ze zit voor de deur. Het
geluid is een teken.
Toen Helen Keller nog geen taal tot haar beschikking had 'voelde
zij aan de jurk van haar moeder dat zij uitging'. Dat is betekenis.
Het woord 'betekenis' wordt ook wel uitsluitend gebruikt voor
'taalbetekenis'. Zo verwijst het woord 'tafel' naar het meubelstuk
waarop we boeken kunnen leggen of een wijnglas kunnen neerzetten.
De relatie tussen het woord en zijn betekenis is arbitrair.
Een boom heet bij ons 'boom', maar in andere talen 'arbre' of
'tree'. Sommige woorden lijken niet toevallig: 'slang', 'sissen'
en natuurlijk vooral de zogenaamde onomatopeeën (klanknabootsingen),
zoals een voorbeeld uit het Turks cirt cirt voor klittenband.
De relatie tussen het teken en 'het ding' is meestal digitaal,
zoals 010010 bijvoorbeeld a kan betekenen en 010011 b
Bij het lopende mannetje op het verkeerslicht van een oversteekplaats
is de relatie analoog.
Voor een kind begint taal heel lichamelijk, met warmte, geuren,
geluiden van de moeder. Het kind doet haar mondbewegingen na
en maakt brabbelgeluiden en zegt 'mama' en later 'toetoe'. Ook
dit is analoog.
In gedichten vind je nog veel van die lichamelijkheid terug in
klank en ritme. Natuurlijk geldt dat vooral voor bakerversjes,
maar ook de poëzie voor volwassenen wordt daardoor gekenmerkt.
Daarom moeten gedichten vooral ervaren worden en niet alleen
begrepen. Je moet een gedicht zeggen, de mondbewegingen voelen.
Een dichter beweegt bij zijn voordracht vaak zijn handen en armen,
als een dirigent bijna, om de lichamelijke ervaring te ondersteunen.
Gedicht
Ik wil je steeds weer
proeven op mijn tong
laten dansen in de lucht
aan het eind van de regel.
Het is niet genoeg als
ik weet dat je bestaat.
Niet hoe je voelt, maar klinkt
een precieze foto van vormen
in juist die ene constellatie
en dan pas hoe dat voelt.
Je bent er als ik je uitspreek.
Je groeit als ik je hoor gaan.
=
Kunst is hobby
Halbe Zijlstra moet van zijn partij bezuinigen. Geen probleem,
hij wil het zelf ook. Van zijn PVV-vrienden moet hij extra bezuinigen,
juist op cultuur, dat zal die elitaire klootzakken leren. Van
Halbe mag het. Hij ging zelf toch al nooit naar toneel en literatuur,
ach, dat was vervelend, het moest van bepaalde leraren. Nou goed,
geen kaasschaaf dus, de hakbijl. Nu hakt hij benen af, waardoor
kunstinstellingen en kunstenaars mank lopen. Leuk gezicht, kunnen
we in elk geval nog lachen.
Maar waarom niet totaal bezuinigen? Zijn we gelijk van het gelazer
af. Letteren? Geen subsidie meer. Die schrijvers zoeken maar
een ordentelijke baan. En als ze zo nodig willen schrijven, doen
ze dat in het weekend en in de avonduren. Niet minder werkbeurzen...
geen werkbeuzen. Letterenfonds afschaffen. Henk Pröpper
gaat maar een baan zoeken als accountmanager of zo. Als de mensen
willen lezen, zal Halbe ze niet tegenhouden. Ieder zijn hobby.
Maar daar hoeft Geert of Annie toch geen belasting voor te betalen?
Die hebben we nodig voor meer asfalt of voor dat mooie vliegtuig.
Trouwens, op internet vind je genoeg gratis boeken en op koninginnedag
kun je bijna voor niks een meter boeken kopen. heb je voor jaren
genoeg te lezen.
Toneel? Wie gaan daar naar toe? Moeten ze zelf weten. En als
je acteur wilt zijn, kun je toch ook meedoen met Gooise vrouwen
of Flikken of een leuk lachstuk. Kunnen we ook de toneelscholen
opheffen. Spelen leer je van een oudere collega. Voor het geld
werk je in in de supermarkt en in je vrije tijd ga je lekker
oefenen voor toneel.
Musea? Al die ouwe troep! Nou ja, zet een paar ouwe vrouwen
neer als suppoost. Die gebouwen hebben we al. Een concierge is
niet zo duur. En nieuwe musea? Met die rare kunst, die ook nog
vaak beledigend is of onbegrijpelijk? O ja, kunstacademies...sluiten.
Als je zo nodig wilt tekenen of beeldhouwen zoek je maar een
leraar. Op internet zijn er gratis cursussen. Van Gogh was toch
ook arm? Er was laatst een tandarts, die ging beeldhouwen. Verdiende
hij een tiende van wat hij eerst binnenhaalde. Was wel gelukkig,
zei hij. Nou ja, gekken zijn er altijd.
Orkesten? Goed, één orkest voor het ontvangen
van buitenlandse staatshoofden.
Die hele kunst... het mag, maar niet van ons geld. Staatssecretaris
voor de kunst? Opheffen. Ik vind wel weer ander werk. Onderwijs
kan ook eenvoudiger. Leer een nuttig vak. Taalbeheersing voor
het schrijven van nota's, voor het leren overtuigen, spreken
in het openbaar, rekenen, wiskunde (?), natuurkunde, biologie,
geografie, boekhouden, management vooral.
=
Vooruitgang
In Le Crotoy is een kasteel aan het water waar Jeanne d'Arc gevangen
heeft gezeten. Hoe was het ook weer? Hoe kwam ze op de brandstapel
na het Engelse beleg van Orléans gebroken te hebben als
17-jarig meisje, boerendochter? Ze veroverde Reims omdat de dauphin
daar gekroond moest worden als Karel VII. Als kind hoorde Jeanne
stemmen die zeiden dat haar land bevrijd moest worden van de
Engelsen. Die stemmen waren van de heilige Catharina en Margaretha,
van de aartsengel Michaël en van God. Nou ja. In elk geval
was ze dus overtuigd van een missie en haar moed maakte indruk
op de Franse troepen. Ze riepen waarschijnlijk: 'Voor Jeanne,
voor God, voor Frankrijk!'
Een jaar later werd ze gevangen genomen bij een uitval uit het
veroverde Compiègne, door de Bourgondiërs, die ook
vijanden waren van de Fransen. Ze verkochten haar aan de Engelsen.
Vanuit bovengenoemd kasteel deed ze een ontsnappingspoging. De
Engelsen wilden het koningschap van Karel VII ontkrachten door
Jeanne als heks en ketter neer te zetten. Na enig gemartel ontkende
zij het horen van stemmen. Ze had dus gelogen. De kerkelijke
rechtbank - de Engelsen waren toen nog Rooms-Katholiek - beschuldigde
haar verder van het weglopen van het ouderlijk huis, het ontkennen
van de kerkelijke autoriteit (ze had immers een eigen verbinding
met God?), het dragen van mannenkleren en een poging tot zelfmoord
(ze was bij haar vluchtpoging uit een toren gesprongen!). Eerst
werd ze veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, maar de
Engelsen wilden van haar af. Met een list lieten ze haar weer
mannenkleren dragen. Het proces werd weer geopend wegens recidive
en nu verklaarden de kerkelijke rechters haar tot ketter en dan
mocht ze verbrand worden. In Rouen stroomde het volk samen. Sensatie!
Toen ze dood was, werd het vuur gedoofd en haar deels verkoolde
lichaaam werd het volk getoond. Zien jullie wel: zij is een vrouw!
Daarna werd het vuur weer aan gestoken. De voorstelling ging
door. Omstanders beweerden dat haar hart niet wilde branden.
Niettemin werd haar as in de Seine gestrooid, dreef af naar zee,
zodat het volk geen bedevaartplaats kon bezoeken. Dit gebeurde
in 1431.
In 2011 werd het lichaam van een een andere, Amerikaanse, vijand
in zee geworpen om dezelfde reden. Nu met moslimrituelen. De
as van Jeanne verdween zonder kerkelijke gebeden. Is dat nu vooruitgang?
=
Slachtvelden
In de baai van de Somme is een oude Cisterciënser abdij,
verbouwd neem ik aan, in de zeventiende en achttiende eeuw, maar
in 1987 heeft Gilles Clément er tuinen aangelegd met bijzondere
bomen. Daar ontmoette ik op het water de notonect. Hij zwemt
met zijn hoofd naar achter, waarom hij waarschijnlijk bootsmannetje
of rugzwemmer wordt genoemd. Hij gebruikt zijn achterpoten als
roeispanen, een wonder van vernuft, die maar kort leeft in de
open lucht. Als larf leeft hij daarentegen jaren in het water.
Een paar weken dus volwassen en dan is hij prooi van vissen en
vogels. Hoevelen halen die paar weken?
De abdij is nogal lelijk, maar de tuinen zijn wonderlijk mooi,
gemaakt als levend kunstwerk, volgens esthetische principes.
Niet ver daar vandaan is Crécy te vinden, waar in de veertiende
eeuw de Engelsen de Fransen een vernietigende slag toebrachten,
een slag die honderd jaar nadreunde. John Hawkwood vocht daar
zijn eerste grote slag onder Edward III van Engeland. De Engelsen
waren zo succesvol omdat ze zich weinig aantrokken van ridderlijke
afspraken. Ze doorboorden de paarden van de Fransen met hun dolken,
waardoor de ridders moesten neervallen en vervolgens werden doodgeslagen.
De Engelsen hadden de zon in de rug. Onweersbuien speelden een
grote rol, waardoor de Franse linies werden verbroken. De Engelse
boogschieters schoten met hun manshoge bogen pijnlijk precies
en tenslotte gebruikten de Engelsen voor het eerst bombardementen
met behulp van grote ronde stenen.. Er vielen die dag 1542 ridders
en 10.000 soldaten, waaronder vele jonge mannen. In hetzelfde
gebied stierven vele jonge mannen in '14-'18 en weer in '40-'45.
Bij Etaples is een zeer groot kerkhof, een theater van de dood.
De jonge mannen werden opgevangen in een kamp, waar ze de laatste
lessen kregen in bajonetgevechten en waar ze moesten oefenen
met gasmaskers. Velen kwamen zwaar gewond terug van het slagveld,
slachtveld, in het kamp om ondanks de zorg van verpleegsters
alsnog te sterven. Ook de verpleegsters stierven toen de Duitsers
het kamp gingen bombarderen, maar nu met vernietigender materiaal
dan stenen kanonskogels.
=
Blij?
Gistermorgen zag ik op mijn laptop in een hotel in Boulogne sur
Mer dat Osama Bin Laden was gedood door de Amerikanen en ik merkte
dat ik het bericht niet hardop zou kunnen lezen vanwege de ontroering,
maar wat me verontrustte, was de blijdschap die ik voelde. Blij?
Omdat iemand vermoord was? Was ik zó geïndoctrineerd
door de jarenlange berichten over de jacht op hem? Ik las later
op de dag dat het onmogelijk geweest zou zijn om hem levend te
pakken. Hij had gehoord en berecht moeten worden. Cynici zullen
zeggen dat dit een hoop geld scheelt.
In de Franse kranten geen woord op de voorpagina. Wel over de
paus en de zalig- of heiligverklaring door zijn voorganger. Wat
is dit nu weer voor middeleeuwse onzin? In plaatselijke kranten
veel aandacht voor een verdronken visser en de naweeën van
een trouwerij in Engeland, die eveneens veel aandacht had gekregen.
Maar Osama? Nee. Kwam het bericht na het uitbrengen van de kranten?
Maar waarom konden Trouw en de Volkskrant... wacht, dat was op
internet. Morgen verder kijken.
Nu zie ik dat Daily News schrijft: 'Rott in Hell' en de New York
Post 'Vengeance at last. US nails the bastard'. Deze primitieve
reacties voorspellen weinig goeds.

Oostende, nazomer 2007 (I.M. Hans Faverey (8-7-1990))
Zie ik hem daar lopen na zeventien jaar
op het strand, blote voeten, schoenen in de hand
broekspijpen op driekwart, tas aan de schouder
en aan de branding
staat een hond naar hem te kijken
verbaasd, want hij kan daar niet lopen
dat wist zelfs de hond
en de zon verborg zich
achter wolken, maar liet een baan licht
vrij op het zand
waar hij zou gaan lopen
langs aangespoelde takken en riet.
Hij liep daar in zijn scheve houding
naar het licht en naar de branding.
En een man die verderop stond
te vissen, het kind dat keek
naar zijn schelpen, de wandelaar
in de verte, de oude vrouw op de stoel
tegen het duin: zij wisten het niet.
Alleen de hond, met gespitste oren
staart omhoog, nekharen gerezen
stond te kijken hoe de man
naar hem toeliep en hij blafte niet.
Kon niet blaffen en ik kan niet
door het venster breken: ik zie hem lopen
naar de zee, naar de doodstille hond.
=
Kijken
We moeten leren kijken
wat we kunnen zien.
Met ons hele netvlies
kunnen we een groot
waarnemingsgebied onderscheiden
een schetsmatige tekening.
Elke contour heeft een uit-
gesproken zeggingskracht.
In het centrum van het netvlies
ligt een klein gebied, de fovea
diameter één millimeter
een blikveld van één graad
(zien van een duimnagel
bij gestrekte arm)
Je gaat rond met je oog
plakt de beeldjes aan elkaar.
=
Bloed
'Bloedige zondag', 22 januari 1905, de dag waarop in Rusland
de revolutie uitbrak. Tienduizenden hongerige arbeiders trokken
die zondag met hun vrouwen en kinderen naar het Winterpaleis
van de tsaar in Sint-Petersburg om een grondwet te eisen en leniging
van hun nood. De kozakken schoten honderden mensen dood. Er braken
overal opstanden uit.
Kadaffi en Assad laten nu betogers dood schieten. Het zal niet
helpen, maar die betogers zijn wel dood.
'Wij zijn het geslacht dat moet vergaan
opdat een groter rijze uit onze graven;
wij zijn het geslacht dat zich moet laven
aan zijn gebrokenheid en smartelijke waan;
wij zijn het geslacht welks ganse have
is als 't flauwe schimsel van de eerste maan.'
=
Groei
Ach, de vuilnisman die verliefd werd
op de dichteres die een week meeliep,
omdat er voor het eerst iemand was
die luisterde naar zijn verhaal
die hem dingen liet zien en bedenken,
omdat zij een wereld voor hem opende.
En ach, het verdriet omdat zij weer wegging
hij achterbleef. Hij kon niet meer samenwerken
op de vuiniswagens met zijn collega's.
Toen werd hij maar alleen op pad gestuurd,
met een zogenaamde poephapper
en dat was dan nog een troost.
Epstein-Barr virus
We lachen als we lezen over de schepping van de mieren en
vervolgens die van de miereneter, maar minder vrolijk worden
we van de evolutionaire bizarriteiten, vanuit menselijk perspectief,
bij voorbeeld omtrent het Epstein-Barr virus. Het kan kanker
of Multiple Sclerose veroorzaken. Het virus weet zich goed schuil
te houden in ons immuunsysteem.
Een milde vorm, verhoudingsgewijs, is de ziekte van Pfeiffer.
Bizar is al weer dat een goede hygiène geen voordeel is.
Men ontwikkelt de ziekte dan niet op jonge leeftijd, waarbij
genezing veelal vanzelf tot stand komt. Infectie vindt vaak al
plaats door het voorkauwen van voedsel van baby's. In het westen
kent men de variant die 'kusziekte' wordt genoemd. Het delen
van speeksel leidt tot besmetting. Niet meer zoenen dus? Stress
en prestatiedruk, zoals we die in 'ontwikkelde' gebieden kennen,
vergroten de kans op het uitbreken van de ziekte.
Een afschuwelijke vorm is het nasopharynx carcinoom. Dit kan
leiden tot een niet operabele tumor in het neusgebied, die kan
uitgroeien naar gehoorgangen, keelgebied en door het hersenbot
richting grijze hersencellen.
Men probeert de tumor te doden met chemo-kuren, die zeer belastend
zijn en vele bestralingen, die ook weer allerlei nare gevolgen
hebben: doofheid, vernietiging van speekselklieren.
Het vermoeden bestaat dat Epstein-Barr virus eiwitten uitscheidt
waar de T-cellen van ons afweersysteem passief van worden. Onderzoekers
zoeken onder andere dan ook naar een therapie om ervoor te zorgen
dat de T-cellen juist actief gaan reageren op deze eiwitten.
Virussen trekken zich niets aan van menselijk lijden. De evolutie
is totaal onverschillig ten aanzien van ons geluk. Deze uitspraken
zijn ook al veel te antropocentrisch.
'Achter de grenzen zijn wij weerloos. / De wereld is een gevaarlijke
plaats / alsof er een afvoerput bestaat / die wat je denkt te
begrijpen wegtrekt.
Uit_het_nest_getild
We bespreken een gedicht van Lucebert. Plotseling klinkt er
een heftige vloek. Ik vraag wat er is. 'Ik begrijp het en ik
vind het mooi!' 'Maar dat is toch prachtig?', zeg ik verbaasd.
'Ja, maar mijn vrienden vinden het klote!!'
Hier is iemand zich bewust geworden van het feit dat hij uit
zijn milieu wordt getrokken en hij weet ook dat dat moeilijkheden
gaat opleveren. Het is al lang geleden, maar ik zou nu willen
weten hoe het met hem is. Als je dit leest en de situatie herkent,
reageer dan alsjeblieft.
=
Prinses
Een prinses schrijft een boekje. Wat? Een prinses? Bestaan
die nog? In de eenentwintigste eeuw? Ja wel. Niet dat het goed
moet zijn, daar gaat het niet om. Het is een boekje van een prinses,
die eerder een burgermeisje was. 25.000 exemplaren verkocht.
De prinses heeft in Madrid op de Spaans-Nederlandse basisschool
Hof der Lage Landen de Spaanstalige editie gepresenteerd. Verkoopt
ook lekker in Argentinië.
Eerder was al een Catalaanse vertaling verschenen. In februari
verscheen een tweede deel 'uit de reeks'. Er zijn nog vele buitenlanden
met Nederlandse scholen, dus in hoeveel talen kan het boekje
vertaald worden?
Recensenten lieten zien hoe vervelend of saai of cliché-matig
het boekje was maar dat gaf niet. De prinses zelf vindt het vast
goed en haar man, de prins, ja, wat moet hij zeggen? Hou op met
die onzin? Je bent een prinses, geen schrijver? Maar ze zou het
kunnen worden en natuurlijk doet ze haar best het boekje te promoten
en ze gebruikt alle middelen die ze tot haar beschikking heeft
en dat zijn er nogal wat. Ze komt vast ook nog bij P&W, of
anders wel bij Knevel, dol op Oranje.
Maar waarom hollen daar zoveel mensen achteraan?
=
Virtueel
Ze zegt: 'Ik slaap met mijn mobieltje.
Het is altijd bij me en als ik het op school
in de kluis moet achterlaten, weet ik
wanneer het begint te trillen.
Mijn mobiel is meer dan een vriend.
Het hoort bij mij, als een arm, of oor.
Altijd sta ik klaar om te luisteren
ook als jij met me praat. Hij gaat voor.
Ik heb duizend vrienden met wie ik praat
met emoticons gaat het gemakkelijk
maar ik weet niet wat ik moet zeggen
als ik ze vandaag tegenkom op straat.
=
Ongevraagde poëzie
De hoofdpersoon van Memorandum van MARLENE VAN NIEKERK schrijft:
'Op zichzelf vind ik poë zie schaamteverwekkend, vooral
als zij voorgedragen wordt. Menno Wigman schrijft in 'Red ons
van de dichters' over de vreselijke ervaring te moeten voorlezen,
met megafoon! , in een Utrechtse bus.
'Meneer, leg die megafoon toch weg' zegt een vrouw. Even later
laat Wigman ook zijn bundel zakken en kijkt vol schaamte naar
buiten. En ook bij festivals vindt hij het een twijfelachtig
genoegen. Waarom kopen die luisteraars zo zelden een bundel?
Maar goed, die mensen komen toch uit vrije wil, ze betalen er
voor en luisteren vaak aandachtig.
Het is al een beetje over, denk ik: dichters die lezen op
een station, vanaf een balcon op de Grote Markt; die mensen op
straat aanschieten met de vraag of ze een gedicht willen horen;
die in winkels aan een tafeltje voorlezen, of in een kwekerij
in de open lucht onder een boom; als cliniclowns aan het bed
van stervenden gaan zitten om een gedicht te mompelen; aan graven
van onbekenden om een gedicht te lezen.
Dat laatste vond ik prachtig, een daad van uiterste menselijkheid,
maar nu vraag ik me af of het niet beter is eerbiedig te zwijgen,
zonder ijdelheid.
Er was iemand die bedacht dat het leuk zou zijn om bij stoplichten
automatisch een gedicht te laten horen als het licht op rood
sprong. Op rood!

http://www.jetvanoosten.nl
Een steelpan bij voorbeeld
Niet dat ze er nog zijn als wij al weer
verdwijnen, maar zo stil ademen
dat het niet te horen is en nog minder
te zien. Ze laten zich vatten als een steelpan
laten zich vol- of leeggieten, geduldig
wonend in hun belijning, stoffelijkheid.
Het zijn de dingen die getuigen
van de leegte en de volte.
Ze staan in hun ongeduide omgeving
op te vangen hoe we kijken naar hun lot.
Ze staan te treden uit de schaduw
en wij weten: bewustzijn houdt van licht.

Een bijzondere lynx
Trek een nieuwe wijnfles open
kijk naar de kurk, ruik er aan.
Koop geen fles met namaakdop
beleg je vloeren met kurk
isoleer je wanden niet met schuim.
Red de lichte wouden van Spanje
waar de paddestoel groeit, de kurk
waar hazen en konijnen leven
de roofvogels vliegen tussen stammen
zodat de pardellynx zijn voedsel vindt.
=
Verdediging
Ik vind het grappig om te zien hoe nu ook, na het goedpraten
van onderwijs- en kunst bezuinigingen, die van defensie worden
gladgepraat: 'Krijgsmacht na bezuinigingen nog tot elk optreden
in staat' zegt de minister glashard, terwijl iedereen kan bedenken
dat het een leugen is.
De scholen worden er beter van als ze fuseren; ziekenhuizen
bieden meer mogelijkheden als ze groter worden; bejaarden liggen
tevreden in bed; kunstenaars gaan innovatiever te werk zonder
subsidie; orkesten spelen zuiverder of indrukwekkender als ze
worden wegbezuinigd.
=
Werkelijkheid/betekenis
Wij dichten de werkelijkheid betekenis toe. Op zich zelf heeft
de werkelijkheid geen betekenis, al denken naïeve realisten
daar anders over. Een tafel is een stuk hout; een stuk hout is
een chemische samenstelling, dansende moleculen. Inzoomend verliezen
de moleculen elke betekenis. Andrew Pickering spreekt zelfs van
het construeren van de werkelijkheid. Quarks , de deeltjes die
eind jaren zeventig samen met leptomen, als de meest elementaire
bouwstenen van de materie worden verondersteld, werden als wetenschappelijk
'feit' 'geconstrueerd'. In het begin was het concept 'quark'
alleen nog maar een hypothetisch hulpmiddel om de uitkomst van
verrichte metingen te verklaren. De naam 'quark' was ontleend
aan fictie, namelijk Finnegans Wake van James Joyce. Gell Mann,
de wetenschapper die het concept presenteerde, noemde de quark
aanvankelijk naar het geluid dat eenden maken. Hij wist niet
hoe hij het woord moest spellen tot hij het vond bij Joyce:
Three quarks for Muster Mark
Sure he has not got much of a bark
And sure any he has it's all beside the mark.
Joyce maakte met een gedicht van 13 regels koning Mark, de
bedrogene, uit de Tristan-legende belachelijk. Het gedicht is
gebaseerd op een 'smerig' kroegliedje. Quark komt van kwaken
of gekras van eenden of kraaien.
Bestaat de quark zonder menselijk begrip?
Bestaat een 'tafel' als alle mensen dood zijn?
Bestaat de maan als alle mensen dood zijn? Het ding dat om de
aarde draait zal geen maan heten, maar het zal om het ding dat
wij aarde noemen, draaien (wat wij draaien noemen).
Bestaat er zoiets als 'liefde' als alle mensen dood zijn?
=

(beeld van Jan van Munster, Apeldoorn)
Men zegt: 'een illusie', maar hier
lig ik toch, je kunt op me zitten
voel maar, hier op de grond
nog niet er in en ook dan
een harde werkelijkheid.
Wat wil ik? Nadenken over
wat ik ben, was, word, juist
als ik weg ben, voorgoed
en ik hoop nog niet vergeten
al maakt ook dat niet veel meer uit.
=
Onder het motto 'Het heft in handen' vindt op vrijdag 11 maart
2011 een bijzondere poëzieavond plaats in Zuidhorn. Vier
in het dorp woonachtige dichters, te weten Remco Ekkers, Meindert
Talma, Willem Tjebbe Oostenbrink en Gritter, zullen op deze avond
werk van zichzelf en van elkaar voordragen. De muzikale afwisseling
wordt verzorgd door PUR.
Het motto van de avond verwijst naar de dreigende crisis in de
sector kunst en cultuur. Initiatiefnemer Gritter: "Door
het opdrogen van subsidiestromen dreigt de levende cultuur in
de verdrukking te komen. We nemen daarom het heft in eigen handen,
om de meerwaarde van cultuur uit te dragen." Het kostte
Gritter weinig moeite om de andere Zuidhorner dichters over te
halen. "Iedereen was direct enthousiast om in eigen dorp
te laten zien en horen waar men mee bezig is," aldus Gritter.
"We willen het publiek laten merken, dat poëzie mooi,
komisch en ontroerend kan zijn." Het belooft een gevarieerde
avond te worden. Zo zal Ekkers nog een aansprekend minicollege
geven over een onderwerp dat met het schrijven samenhangt, en
zullen de voordrachten worden afgewisseld door optredens van
PUR. Deze jonge tweemansband, bestaande uit Igor Wijnker en Ronald
Nieuwenhuis, brengt eigen nummers op gitaar.


De dood in Florence
__Florence in de zomer is een stinkende stad. Wij waren er voor
het eerst ruim dertig jaar geleden en het is erger geworden.
De koolmonoxyde-dood hangt in de smalle straten en geen wind
waait de onzichtbare gifstoffen weg, zelfs niet in de lente.
Florence stinkt ook naar pizza's. De taaie koeken branden snel
aan. De zwarte brandplekken kun je met een mes wel wegschrapen,
maar de stank blijft hangen. Florence ligt in een dal. Niets
waait weg: de geuren van mannen en vrouwen worden in het voorbijgaan
meegenomen en weer overheerst door auto's._
De Florentijnen geven om uiterlijk vertoon, als ze maar een
beetje geld hebben. De belangrijkste winkels zijn die waar je
schoenen, tassen of kleding kunt kopen. Met deze leer- en textielwaren
lopen mannen en vrouwen van vier tot tien uur door de smalle
straten te flaneren, langs de bedelende zigeunervrouw met schurftige
knieën, de man met de stompjes. Er zijn ook pleinen, meestal
smerig en lelijk - pittoresk worden ze genoemd - en daar kunnen
ze op een terras bij elkaar zitten of anderen zien lopen. Hun
kerken zijn pompeus. In de Medici-kapel kun je zien hoe ook een
grafkapel met donker marmer pralend gemaakt kan worden. De dood
is niet alleen aanwezig in de enorme sarcofagen, somber en indrukwekkend,
maar ook in de achter de kapel gelegen gangen, in glazen vitrines
op een belachelijke en tenslotte ergerniswekkende manier in kitscherige
reliekschrijnen: brokken sleutelbeen of ellepijp, apenschedeltjes
of verpulverde kalkrommel._
De trots van Florence is de Duomo: van buiten een enorme banketbakkerstaart,
van vinnen streng en plechtig, indrukwekkend. Daar hangt meer
dan levensgroot het ruiterportret van Giovanni Acuto, alias John
Hawkwood, gemaakt door Paolo Uccello, meer dan dertig jaar na
de dood van de Engelse havik._
De net niet tegen het schip aangebouwde klokkentoren, de Campanile
van Giotto, is in zijn geheel van de banketbakker, tot en met
de spugende schoolkinderen op de nok. De dood staat hier te lachen
op de grond, roept lokkend omhoog en veel mensen moeten de neiging
onderdrukken over de rand te stappen. Naar beneden kijkend krijg
je kriebels, wil je in je fantasie uitproberen hoe je moet vallen,
dwing je je te concentreren op het vallen, opgewekt naar beneden
zeilen of somber neerstorten als een steen. Het speeksel waait
in vlokken uiteen en haalt nooit de grond. het Griekse aftelrijmpje
van een vrolijke pater brengt me terug naar de nok. Ik kijk naar
de koepel van de dom. Boven op de koepel, tegen de lantaarn,
hoger dan de Campanile, staan mannen te kijken naar de stad in
het Arnodal. Ze hoeven maar even uit te glijden lijkt het en
ze zijn even dood als de slachtoffers van de buiten zijn oevers
getreden rivier, veertig jaar geleden._De rivier ligt nu groen
en glad tussen de stenen kade, die sindsdien is opgehoogd. Aan
de hoge kant is op één van de huizen een marmeren
bordje gehangen: zó hoog steeg de Arni in november 1966.
De waterlijn is goed te zien op de huizen. Waar nu pizza's worden
gebakken, dreven toen artisjokken, broden, tassen en elegante
herenschoenen. Op dia's kun je zien hoe ook de vloer van het
Baptisterium onder water stond. hoe door het opkruipende vocht
de fresco's van de Sante Croce werden verkankerd.__
Ik trek de slaap binnen, voorportaal van de dood. Ik geniet
van de rust, maar betreur dat de exploratie van de ruimte in
volstrekt duister moet plaatsvinden. Als ik wakker word, moet
ik aan het leven wennen. In Florence lijken de huizen op graftombes,
de luiken sluiten het licht buiten. Vanmorgen ontwaakte ik heel
vroeg, de zon was nog niet op, nog net niet, de gordijnen waren
open en met een soort stille verbazing zag ik de marmeren kilte
van de slaapkamer, als een grafkamer met gedempt licht, als de
Nieuwe Sacristie bij de San Lorenzo van Michelangelo, een grafruimte
voor de hertog van Urbino, condottiere uit de vijftiende eeuw,
die door moorden aan de macht kwam en de hertog van Nemoers,
ook een legeraanvoerder. De tombe was bedoeld voor Lorenzo il
Magnifico, maar Michelangelo kwam nooit aan zijn grafmonument
toe, want toen de tirannieke Alessandro de Moor aan de macht
kwam, moest hij Florence ontvluchten. Nadat Alessandro vermoord
was, werden de tomben afgemaakt door Vasari. Het lichaam van
de verachte Moor werd zonder plichtplegingen op de overblijfselen
van Lorenzo II geplaatst. Op zijn tombe liggen een naakte man
en een vrouw. Zij symboliseren Schemering en Dageraad. De gestalte
en vooral het gezicht van Dageraad geeft expressief mijn eigen
gemoedsgesteldheid van die ochtend weer. Bij het wakker worden
uit de slaap verlangde ik terug naar onbewustheid, het niet meer
weten. Het was alsof schaduwen dood aan mij vast bleven kleven,
niet wilden loslaten, zoals vleermuizen zich zouden vastklampen
aan een omhoog geworpen witte doek. Het beeld van Lorenzo stelt
het bezinnende leven voor. Met de kin op de hand rustend, een
gebogen vinger langs de linker bovenlip, kijkt hij met lege ogen
vanuit de dood naar niets.__
Op het Piazza della Signoria is een plaats gemarkeerd waar
Girolamo Savonarola werd verbrand. Hij was een Dominicaner monnik,
tijdgenoot van Michelangelo, die met zijn boetepredicaties veel
macht kreeg over het volk. Als voorloper van de Reformatie verwierp
hij de heidense Renaissance, al die schilders en beeldhouwers
die het aanschijn van de aarde vernieuwden. Hij getuigde tegen
hen op meeslepende wijze met een stem als van de dood. Hij leek
te beschikken over profetische gaven; hij voorspelde met griezelige
nauwkeurigheid de dood van Lorenzo il Magnifico. Om deze te genezen
van zijn maagkwaal diende zijn doktoren hem als laatste elixer
een mengsel van vergruisde parels en edelstenen toe. Savonarola
voorspelde ook de dood van paus Innocentius VIII en die van de
koning van Napels. De dood van Lorenzo ging gepaard met katastrofes.
Toen hij lag te sterven, sloeg de bliksem in de koepel van de
kathedraal en stortten blokken marmer omlaag. Een komeet verontrustte
mens en dier, de wolven huilden in de omliggende heuvels, uitlopers
van de Apennijnen. De levende symbolen van de republiek, leeuwen,
bevochten elkaar. Een leeuw werd gedood. Een hysterische vrouw
kreeg biddend in een van de vele kerken een visioen van een stier
met vlammende horens. Na Lorenzo's dood vond men het lichaam
van zijn arts in een put. Moord of zelfmoord?_Op het hoogtepunt
van Savonarola's roem luisterden soms wel veertienduizend mensen
naar zijn boetepredicaties. De politieke en economische depressie
scheen hem gelijk te geven en Pico, geschiedschrijver, een briljante
intellectueeel die op twintigjarige leeftijd tweeëntwintig
talen beheerste, schreef dat een prediking `zulk een vrees, ontsteltenis
en gesnik en zo veel tranen veroorzaakte, dat iedereen verbijsterd,
sprakeloos, meer dood dan levend door de stad ging.' Na een conflict
met paus Alexander, een schurk die als geen ander de boetepredicaties
nodig had, werd Savonarola in het San Marco-klooster door een
menigte Arrabbiatie (dolle honden) overmeesterd, zes weken lang
in het Palazzo della Signoria gevangen gehouden en onder herhaalde
martelingen ondervraagd._
In San Gimignano zag ik het levend villen van een adspirant
heilig en het roeren van een duivel met een scherpe stok in de
vagina van een verdoemde. Zo gebeurde het gister in Chili, in
Uruguay, vandaag in Afrika. En morgen?_
Nadat Savonarola bekende dat zijn profetieën vals waren,
hing men hem en zijn metgezellen op, stenigde hen en verbrandde
de lichamen zoals zij nog pas daarvoor de ijdelheden (kaarten,
dobbelstenen en pikante boeken zoals de Decamerone ) hadden laten
verbanden op de laatste avond van het carnaval. Na afloop werd
de as in de Arno geworpen, waarmee weer en profetie werd bewaarheid:
`de verdorvenen zullen zullen de rechtvaardigen vatten en hen
in het midden van de stad verbranden; en dat wat het vuur niet
verteert en de wind niet verstrooit zullen zij in het water werpen.'_In
de Santissima Annunziata keek ik plotseling in de bronzen ogen
van Savonarola: streng en onderzoekend._In dezelfde kerk stond
een rij mensen voor de biechtstoel. Een verveelde pater, die
niet de moeite nam om het gordijntje te sluiten, luisterde nauwelijks
naar een prevelende militair die voor zijn luikje knielde. Biddende
mannen en vrouw deden penitentie. Het systeem werkt nog. Zwartrokken
lopen langs en worden eerbiedig gegroet. In elke kerk staan wel
één of twee kitschaltaartjes voor bakken met brandende
kaarsen: altijd Maria in technicolor of het Heilig Hart, soms
een lokale heilige, zoals Santa Fine in San Gimigiano. Haar ouderlijk
huis is trots gemarkeerd.
De moeders van Italië, ruggengraat van kerk en staat,
bidden daar om troost te zoeken voor hun leven, hun huwelijk.
Ze zijn in hun sexuele leven niet meer zo gehoorzaam aan de paus,
maar ze bidden wel om abortus niet in de wet op te nemen. Een
kardinaal zegt nog dat vrouwen die zich laten aborteren als hoeren
zijn. Een vrouw duwt haar kleinkind in een karretje over het
plavuizel. Zal oma voor jou een kaars aansteken? Het kind knikt.
Oma duwt een euro in de gleuf, pakt een kaars, ontsteekt hem
aan een andere., het kleinkind moet de kaars even aanraken. Oma
zet hem op een punt vlak voor het kind en straalt. Dan moet zich
er een zwartrok mee bemoeien. In veel kerken zie je volwassen
mannen, met een groot aantal jaren studie achter de rug, moet
je aannemen, zich onledig houden met het verplaatsen van kaarsen,
of het doven van halfopgebrande. Die worden in een doos gestopt
om te worden omgesmolten tot nieuwe kaarsen. Ook nu wordt de
eenling in het gelid geplaatst. Alles keurig op een rij: kerk,
staat en leger. Alleen de premier mag zijn gang gaan._
Op witte donderdag maakten we in de kathedrale dom een mis
met voetwassing mee. TV aanwezig. Indrukwekkend uiterlijk vertoon,
een schitterend koor zing lijdenszangen van Bach, prachtige bloemen
op het zijaltaar. Na de mis werd Onsheer in processie onder baldakijn
door de aartsbisschop naar het zijaltaar gebracht. Gelovigen
stroomden toe, sleepten soms reusachtige kaarsen aan, om Onsheer
in Zijn verbannen positie te troosten. Achter ons knielde een
jonge blonde vrouw. Ze ging hijgerig staan bidden, knielde weer,
sloeg kruizen en de tranen stroomden over haar wangen._
Op Paaszaterdag zagen we voorin een kerk een groot kruis liggen
op met paarse doeken overtrokken schragentafels. De binnenstromende
mensen, jong en oud, raakten even het Corpus Christi aan, kusten
hun vingers, sloegen een kruis. Het katholicisme is een geloof
voor kinderen. Op Goede Vrijdag hoorden we van koor en orkest:
`Stabat mater dolorosa / juxta crucem lacrimosa / dum pendebat
filius'(Stond de bedroefde moeder onder het kruis, in tranen,
waaraan haar zoon hing.) Het katholicisme is een geloof voor
moeder en kind. Vooral dode zonen doen het goed. Daarom vind
je in de Italiaanse kerken zoveel schilderijen van de moeder
onder het kruis en zoveel Pietá's. De Pietá van
Michelangelo laat zien hoe schoon de dood kan zijn.__
Op Goede Vrijdag ook zochten we, beiden toevallig gekleed
in het zwart, de `Madonna met de zak' een mooi fresco van Andrea
del Sarto, zo genoemd naar de zak waarop Jozef zijn hoofd laat
rusten. Dit fresco bevindt zich in een kruisgang naast de Santissima
Annunziata. De naam van de kruisgang is `Chiostro dei morti'
_In de hoek tegenover het fresco stond de deur van een kapelletje
open. Op de deur stond `Visitors not allowed to enter' maar toen
wij naar gluurden om te kijken wat daar dan wel te zien was,
werden we gewenkt door een zwartgejaste koster of zo, die ons
breed glimlachend uitnodigde verder te komen. De kapel was rijk
versierd, maar onze aandacht werd getrokken door een kist midden
in de kapel, op klossen. Bij drie hoekpunten brandde een een
lamp. De vierde was misschien defect. In de kist lag het lichaam
van een oude vrouw. Ik verbaasde me over het merkwaardige gebruik
de locale heilige als wassen beeld zó te eren. Het beeld
was zeer goed nagemaakt; zelfs de zwarte haarstoppels van de
kin waren onregelmatig ingeplant. Mijn handen wilden de stevigheid
van het nagemaakte vlees navoelen, toen ik de deksel zag in een
hoek van de kapel. Een vermoeden dreef me dichterbij om de inscriptie
op het koperen plaatje te lezen: Carola Magnini, 15 april 1967._15
april, de dag van Anastasia, martelares, patrones van de perscensuur,
afgebeeld met schaar
Bewuste baby's
De hersenen van baby's zijn anders dan die van volwassenen,
volgens Alison Gopnik. Ze zijn plastischer en ze 'zwemmen in
cholinergische transmitterstoffen', d.w.z. stoffen die de informatie
ruim begeleiden, terwijl er maar een paar remmende transmitters
zijn.
Baby's staan open voor alles wat om hen heen gebeurt, terwijl
volwassenen hun aandacht richten met een volgspot, scherp, helder,
maar smal. Evolutionair is dat voordelig: baby's moeten nog van
alles leren, ze zijn biologische leermachines.
Volwassenen doen veel onbewust (auto rijden, pianospelen, koffie
drinken) terwijl baby's dat nog moeten veroveren. Ze zijn bewuster
dan volwassenen! Ze zijn een en al innovatie en creativiteit.
We kunnen dit herbeleven op reis in een vreemd land, zonder
reisgids. Een dichter kan zich over alles verwonderen dat op
hem afkomt. Hij stelt zich open voor het onbekende en verbindt
graag twee dingen die voorheen niet met elkaar in verband werden
gebracht. (Bron: 'De kleine filosoof', Alison Gopnik)
En nu op avontuur... achter de condottiere aan...
=
IJskoud
Hoe zou je meneer Bosma duidelijk moeten maken hoe onmogelijk
het is te schrijven dat 'die hele klimaat-hetze een linkse
hobby is, en dat het helemaal niet zo is dat het steeds warmer
wordt. Hadden we niet een koude winter?'
Omdat hij niet achterlijk is, moet je zo'n uitspraak wel beschouwen
als een kwaadwillige poging om het publiek dat niet langer dan
één winter kan tellen te misleiden en te bevestigen
in hun afkeer van arrogante wetenschappers.
En wat zegt Bosma nu bekend werd dat de ijskap van Groenland
het afgelopen jaar sneller is gesmolten dan ooit en dat de laatste
tien jaar behoren tot de warmste van deze eeuw? Of zou hij ijskoud
zeggen: dat betekent niets; tien jaar op een eeuw!
=
Ringeloren
Hoe is het toch mogelijk dat bevolkingen zich steeds
laten ringeloren door boeven? Bouterse, verdacht van moorden,
veroordeeld wegens drugshandel, werd tot president gekozen. Nu
blijkt dat hij ook na zijn veroordeling doorging met cocaïne-handel.
De wandaden van Berlusconi zijn bekend, maar hij is nog steeds
de baas.
Ben Ali van Tunesië is gevlucht, maar zijn voormalige maîtresse
Leïla Trabelsi nam een kwart van de totale Tunesische goudvoorraad
mee: 1500 kilo goud. Hoe kan dat? Terwijl de bevolking honger
had, bezat Trabelsi vijftig luxe sportwagens. Wat moet je daar
mee? Ze vloog regelmatig naar Dubai om te 'shoppen' voor tienduizenden
euro's. Haar foto in de krant brengt het slechtste in mij boven.
Ik heb nog het echtpaar Ceausescu voor ogen. Elena Petrescu,
de vrouw van de baas, de bazin van de baas, liet gouden kranen
in hun badkamers aanbrengen. Etc.
De lijst is akelig uitbreidbaar: Baby Doc van Haïti, weduwe
Marcos etc. Mubarak: wat neemt hij mee?
Een andere foto waarvan ik walgde is die van Loekasjenko bij
zijn inauguratie (vierde termijn!). Achter hem vlaggen. Ja, natuurlijk
vlaggen, meestal brengers van onheil. Daarachter jonge mannen
als wassen poppen, met operettepakken, enge petten met hoge spiegels,
een rode sjerp voor de kleur boven de blauwe pakken, uitgestreken
gezichten. En dan de baas: ronde kop met Stalinsnor, zorgvuldig
gekleed, goed in het vlees; hij waarschuwt dat dissidenten niet
getolereerd worden. Hij zegt dat Wit-Rusland 'de limiet van revoluties
en opstanden heeft bereikt'. 'De verkiezingen waren niet frauduleus.'
De zaal zit vol met zogenaamde parlementsleden, die voor een
braaf applaus een ruim salaris ontvangen. Zestien jaar houdt
hij het al vol. Ben Ali heeft 23 jaar de baas gespeeld! Mubarak
30 jaar.
worst en kaviaar
Erland Galjaard, de programmadirecteur van RTL 4, is door
Broadcast Magazine uitgeroepen tot Omroepman van het Jaar 2010.
Hij werd dus uitgenodigd bij P&W. Aardige, verstandige man
leek hij. Waar ik me over verbaasde was dat het niet bij P&W
opkwam iets te zeggen over de mogelijkheden die we hebben met
de tv om informatie te geven, of indrukwekkende verhalen te vertellen,
in plaats van grinnekende bn'ers te laten zien. Galjaard prees
Linda de Mol uitbundig om al haar kwaliteiten, Gordon sprong
rond, kermisvermaak alom. Nee, dat kwam niet bij ze op, afgezien
van het feit dat ze het misschien niet durven naar voren te brengen.
Het volk zou zich beledigd kunnen voelen. Opvoeden? Linkse arrogantie!
Durf ik dit wel te plaatsen?
In het Dagbladv/h Noorden, op de voorpagina de foto van een populaire
zanger, zo één die het publiek laat opstaan en
klappen en meewiegen, met de tekst: 'Ik heb liever worst dan
kaviaar'.
Het gaat niet om die produkten, hun prijs, hun smaak, het gaat
om de boodschap: ik kies voor de smaak van het volk, of voor
de portemonnee van het volk, De zanger zal inderdaad liever worst
eten dan kaviaar, maar hij zegt het om in de smaak te vallen.
Goed, zo is de zanger.
Maar nu het Dagblad: het zet foto en tekst prominent op de voorpagina.
De redaktie zegt: wij zijn ook zo. Wij kiezen voor het volk,
want dat verkoopt het best. Uitgangspunt is niet: we hebben een
taak, we brengen nieuws, lichten de mensen in, nee, we geven
waar de mensen om vragen.En wat is daar mis mee?, vraagt men
vandaag de dag.
Nationale kurkendag
Geachte mevrouw, meneer,
Graag sturen wij u hierbij de brochure waarmee we uw aandacht
willen vestigen op de twaalfde Landelijke Kurkendag, die zal
plaatsvinden op vrijdag 27 januari 2011. Cork International nodigt
alle culturele instellingen in Nederland uit om op Kurkendag
speciale aandacht aan kurk te schenken. Bijvoorbeeld door het
organiseren van workshops met kunstenaars, lezingen of thema-avonden
rond kurk. Ook zou u voor ideeën contact kunnen opnemen
met kurkplantages of andere betrokken instanties. Het zijn enkele
suggesties die u mogelijk op ideeën brengen. Wij hopen dat
met uw inzet en die van andere betrokkenen de 12de Landelijke
Kurkendag als creatief evenement weer een succes wordt. Wij zijn
benieuwd naar uw plannen en ideeën. Vergeet niet uw activiteiten
bekend te maken bij Cork International. Dan kunnen ze worden
opgenomen in het evenementenoverzicht. Het adres vindt u in de
folder. Met vriendelijke groet, STICHTING CORK INTERNATIONAL.
Folder: Nederland ging het nieuwe millennium creatief binnen.
In 2000, op dinsdag 29 februari, vond voor het eerst de Landelijke
Kurkendag plaats. Ruim een half miljoen Nederlanders blijkt met
enige regelmaat kurken te snijden. Bij ingrijpende gebeurtenissen
als een geboorte, een vurige verliefdheid, een trouwpartij of
een overlijden duiken de kurken op. Blijkbaar is het bij uitstek
de kurk die mogelijkheden biedt om onze gevoelens te uiten. Toch
lijken kurken, misschien door de centrale positie van de schroefdop,
wat in het nauw te geraken. Te weinig mensen vinden ze op hun
pad. De Landelijke Kurkendag wil daarom de kurk in heel Nederland
de ruimte geven. Op deze dag moet de kurk voor iedereen goed
zichtbaar en verkrijgbaar zijn. Alle andere dagen mag de schroefdop
alle aandacht krijgen. De Landelijke Kurkendag moet, net als
het Carnaval, uitgroeien tot een grote, jaarlijks terugkerende
manifestatie. Dat kan alleen als scholen, creativiteitscentra,
kunstinstellingen en musea op grote schaal meedoen. De Stichting
Cork International nodigt iedereen uit om Kurkendag naar eigen
inzicht in te vullen. Met speciale kurketalages, snijsessies,
interviews met kurkkunstenaars, creatieve boomavonden rond kurk,
stempelmarathons, demonstratiewedstijden of kurkvloeren. Ook
valt te denken aan kurkroutes door de stad, open podia met kurkentrekkers,
discussiemiddagen, een kurkontbijt of diner, tentoonstellingen,
een avond met kleurrijke bewerking van kurken of een kurkkunstenaar
in de klas.
email: kurkendag@cork.nl; website: http://www.cork.nl/kurkendag.
Comité van aanbeveling: Arjan Ederveen, Maartje van Weegen,
Marianne Timmer, Mark Rutte, Halbe Zijlstra, Philip Freriks,
Henk van Os, Geert Wilders en Paul Witteman.
Kwaliteit-quantiteit
Wat goede poëzie is, kan worden uitgelegd, maar in laatste
instantie is het een kwestie van smaak. Je kunt zeggen: ik zie
wel dat de gedichten kwaliteit hebben, maar ik hou er niet van.
Of: ik zie wel dat het kitsch is, maar het ontroert me, ik vind
het mooi.
Rob Schouten vindt de gedichten van Jacob Groot kitsch. Hij noemt
hem een epigoon van Kees Ouwens. (Ze zijn verwant, maar toch
heel anders, vind ik. ) Gerbrandy vindt het adembenemende poëzie.
Ook Arie van den Berg was enthousiast in de NRC.
Sommige goede lezers zijn allergisch voor Lucebert, anderen voor
Faverey. Kouwenaar vond Vasalis niet goed. Later loofde hij Anna
Enquist.
Er bestaat zoiets als smaak van een generatie. Na de Vijftigers
kreeg 'men' bezwaar tegen al te gezochte metaforen, na Zestig
kwam weer de behoefte aan eindrijm, metrum, strofenbouw. Jonge
dichters schrijven nu vaak zonder leestekens; ze verafschuwen
anecdotiek en houden van raadselachtigheid en onvoorspelbaarheid
en zelfs duisterheid.
Soms vragen mensen mij: 'Vind je het niet erg dat je nooit bent
doorgebroken, dat je ondanks twaalf bundels niet bekender bent?'
Ik denk er over na. Ik denk dat er zo veel literatuur is, dat
er zo veel schrijvers zijn die mooie dingen maken en dat er maar
enkelen (verhoudingsgewijs) beroemd zijn. In de muziek
of beeldende kunst is het niet anders. Ik zeg: 'Ik schrijf wat
ik kennelijk moet schrijven en als dat niet wordt opgepakttant
pis.' Het ging me nooit om roem, al geef ik toe dat ik het soms
jammer vind, dat ik niet bekender ben, maar dan neem ik me die
'klacht' meteen kwalijk. 'Luister', zeg ik tegen mezelf: ' Je
schrijft omdat je een emotie hebt en die geef je gestileerd door
aan een ander, aan anderen en dat geluk heb je mogen smaken.
De intensiteit, de kwaliteit van de waardering, wordt niet groter
door de quantiteit.
=
Knapenliefde
In 399 werd Socrates door het stadsbestuur ter dood veroordeeld
op beschuldiging van belediging van de staatsgoden. Dus niet
omdat hij knapenliefde praktiseerde. Die was gebruikelijk, ook
later bij de Romeinen.
Het Gronings Museum is weer geopend, met een expositie over
Russische oriëntalistische kunst. Er hangt op een prominente
plaats een gedurfd schilderij van Vasili Vasiljevitsj Vereshchagin
uit 1872. Naast het schilderij hangt een kastje waartegen je
een stukje plastic met chip kunt houden. Een afbeelding van het
schilderij wordt overgenomen. Bij de infobalie kun je de afbeelding
laten overseinen naar je eigen computer thuis. Als toelichting
bij het schilderij staat: 'Het verhandelen van een kind als slaaf
was een tafereel dat Vereshchagin had gezien in Kokand, waar,
anders dan in Samarkand of Tasjkent, de praktijk van mensenhandel
nog bestond. Door als 'levende koopwaar' niet een volwassen persoon,
maar een weerloos bloot jongetje uit te beelden, verhoogt hij
de tragiek van het onderwerp. Op de voorgrond, verscholen in
de schaduw en met zijn rug naar de kijker, opent een Oezbeek
een deur, waardoor een fel licht de kamer binnenstroomt. Met
deze opzet benadrukt Vereshchagin dat de handeling iets onbeschaafds
en barbaars is. De kleurenrijkdom, de geslaagde compositie en
het geraffineerde licht en schaduwspel maken dit doek tot een
meesterwerk.'
Als je het schilderij goed bekijkt zie je de rijke heer in
kleermakerszit. Zijn gebedssnoer in de hand hangt naar beneden.
Zijn religie kent geen verbod op wat hij gaat doen. De slavenhandelaar
prijst het naakte jongetje aan met een obsceen gebaar. Met zijn
andere hand houdt hij het jongetje bij de arm, al lijkt het er
niet op dat het kind wil wegrennen. Misschien heeft het kind
met zijn stevige, ronde billen en zijn fiere houding zich al
lang neergelegd bij de situatie en ziet hij niet eens op
tegen de koop. Deze rijke oude man zal hem geen pijn doen, vermoedt
hij. Zijn mantel is op de grond gegleden, afgedaan door de koopman,
zonder dat de jongen tegenstribbelde. Hij staat daar met zijn
armen iets wijd om zijn lichaampje goed te laten zien. De schilder
heeft zijn best gedaan op de bibs met schaduw- en lichtpartijen.
Ik zet de afbeelding niet op de blog; ik zou lastig gevallen
worden door de zedenpolitie.
=
Mechanismen
Zij heeft plotseling een onweerstaanbare behoefte aan chocola
en vindt in de kast een aangebroken letter, eet die op. Later
krijgt ze een migraine-aanval en ze wijt deze aan de chocola,
maar het is andersom: de aanval kondigde zich aan door de behoefte
aan chocola. Vòòr een aanval houdt het lichaam
meer vocht vast; sommige mensen worden depressief of geïrriteerd.
Een vriend kan de aanval 'zien' aankomen.
Honden kunnen een epilepsie-aanval van hun baasje voelen aankomen
en waarschuwen, zodat het niet gebeurt in de auto.
Hij heeft een onweerstaanbare behoefte aan een sigaret, maar
hij zou niet meer roken. Hij fietst naar de winkel en denkt:
'Ik moet geen sigaretten kopen!' Omdat hij uit ervaring weet
dat de nicotinebehoefte het gaat winnen van zijn 'vrije' wil,
neemt hij een nicotine-zuigtablet in zijn mond. Hij hoeft maar
even te zuigen en de gedachte aan de sigaret verdwijnt. Wat moest
hij ook weer kopen? O ja, uien en sardines.
Mag hij later trots zijn dat hij geen sigaretten heeft gekocht?
De behoefte aan chocola of nicotine heeft heel andere oorzaken,
maar de keuze voor beide produkten is even 'mechanisch'.
Een moeder schaap krijgt twee lammeren, maar heeft maar melk
voor één. Een ander schaap heeft een doodgeboren
lam. Wat te doen? Je zet moeder1 en lam2 bij elkaar in het hok,
net zo lang tot de moeder van het lammetje gaat houden. Zo werkt
dat in de natuur. Liefde een keuze? Bij mensen werkt het
ook vaak zo. In de beroemde Japanse film 'De vrouw in het zand',
wordt een man in een kuil gelaten. Daar is een vrouw - lelijk
volgens hem - die alleen is. Zij werkt in de diepe kuil. De man
probeert wanhopig uit de kuil te komen. De vrouw zoekt toenadering.
Hij wijst haar af, maar na enige tijd komen ze toch bij elkaar.
Als hij weer later uit de kuil kan ontsnappen, blijft hij bij
haar.
=
Tegen de optimistische minnaar
Je bent de blije hond
die naar zijn bakje rent
ook als ik het niet heb gevuld.
Als ik je alleen laat
blijf je vrolijk zitten
bij de deur omdat je weet
dat ik toch weer terugkom.
Kinnesinne
Zoals in de biljartwereld, de wereld van de darts, zo is het
ook bij de schrijvers. Sommigen (laat ik voorzichtig zijn) gunnen
de anderen geen succes. Onder dezen zijn niet de minste schrijvers.
Orlando Figes is een vooraanstaand historicus, maar hij schaamde
zich niet voor de volgende actie. Onder pseudoniem schreef hij
op de website van Amazon een vernietigende kritiek op het
boek 'Molotov's Magic Lantern' van Rachel Polonsky: 'Onbegrijpelijk
dat het ooit gepubliceerd werd, pretentieus en bijna niet te
volgen'. En over zichzelf schreef hij: 'Ik hoop dat Figes nog
lang zal blijven schrijven'. Hij was toen al een veel geroemde
auteur en verscheen vaak op radio en tv. Weer anderen misgunden
hem zijn succes en dus kregen volgende boeken venijnige kritieken.
Hij zou weinig hebben begrepen van het beschreven onderwerp en
werd beschuldigd van plagiaat.
Marc Reugebrink reageerde op een bericht in 'De Morgen'
(Vlaamse krant) over het niet meer lezen van jongeren. 'Scholen
kweken boekenhaters'. Het zou vooral liggen aan het feit dat
de leraren niet aansluiten bij de belevingswereld van de jongeren.
Reugebrink reageert fel: 'Fuck de leefwereld van de tiener.'
'We gaan bij wiskunde ook niet de stelling van Pythagoras onder
vuur nemen omdat die niet werkelijk tot de leefwereld van de
tiener behoort.' Het onderwijs heeft juist te lang niet meer
gekozen voor opvoeding en serieus literatuuronderwijs.
Frank Hellemans reageerde hier op in 'Knack'. 'Geletterdheid
is al lang geen zaak meer van schone letteren degusteren. Wie
films kijkt, leest ook en is terloops bezig verhalen tot zich
te nemen.' '() digitaal geletterden zijn associatiever
en impulsiever, terwijl schriftgeleerden het analytische en stapsgewijze
denken verkiezen en visueel geletterden sensuele kwaliteiten
appreciëren. Zoveel zinnen, zoveel manieren van denken.
En zoveel media, zoveel vormen van geletterdheid.'
Hier heeft Hellemans een punt. (Zie mijn stukjes over 'De Nieuwe
literatuur' hieronder.)
Waar Hellemans ontspoort is in de volgende zinnen: 'Het is niet
omdat je de romans van Reugebrink niet leest dat je niet
van goede verhalen houdt. En misschien lusten de jongeren hem
niet omdat hij geen sterke verhalen vertelt maar cerebrale constructies
optrekt vol heimwee naar het grote epische gebaar.' Dat is venijn!
Reugebrink had het niet over zijn eigen romans.
=
Margriet van der Linden

Verlichting vs Romantiek
Verlichting staat voor redelijkheid, tolerantie, internationalisme,
denken; Romantiek voor onredelijkheid, onverdraagzaamheid, nationalisme,
voelen. Verlichting en Romantiek houden natuurlijk nog veel meer
in, in positieve en negatieve zin, maar nu gaat het me om optimisme
versus pessimisme, loslaten van het bekende t.o. krampachtig
vasthouden van het bekende, er op uit of terug naar je hol.
Neurologen aan The University College London hebben ontdekt dat
mensen met conservatieve opvattingen beschikken over een grotere
amygdala dan liberalen. De amygdala is de zetel van emoties als
angst. Liberalen hadden een grotere anterior cingulate, vòòr
in de hersenen, verantwoordelijk voor optimisme en moed.
Bas Heijne heeft het in de NRC van 31-12-2011 over Sarah Palin
en haar reclamefilm waarin ze blij een kariboe doodschiet, zogenaamd
om haar diepvries aan te vullen, maar de jacht kostte 140.000
dollar, dus dat zal de reden niet geweest zijn. Het walgelijke
is de bloed-en-bodem-romantiek en de leugenachtigheid van het
geheel. Ze krijgt een kick van het doodschieten. Ze zou het nog
warme, bloedende hart wel willen opvreten, maar dan wordt haar
dure jas vies. Uiteindelijk gaat het haar om politieke macht.
Hoe komt het dat haar aanhang haar alle blunders en leugens vergeeft?
Omdat zij is als zij. Het gaat om gevoel en niet om redelijkheid.
Het is echter ook een aanval op de mensen die vlees eten, maar
niet willen zien hoe er gedood wordt. Daar heeft ze een punt.
Zij wil duidelijk maken dat je moet doden om te leven en in wijdere
zin dat het dagelijks bestaan moeite vraagt, dat je moet vechten
voor je eigen welzijn, dat je goed voor jezelf moet zorgen, dat
naastenliefde niet ten koste mag gaan van eigenbelang. We kennen
de kreten: solidariteit is diefstal, naastenliefde is eigenhaat.
Politici die gelijkheid, tolerantie, rechtvaardigheid, eerlijk
delen nastreven en propageren worden nu belachelijk gemaakt.
Het gaat de mensen immers om basale behoeften als veiligheid,
familiewaarden, eigenheid, trots.

Grofheid voorbij?
Marc Mulders, gelovig beeldend kunstenaar, katholieke jongen
met een afkeer van prelaten, zegt: 'Het publiek heeft de buik
vol van boos, grof en lelijk. () Het tij keert. Kijk maar eens
goed om je heen: het is al begonnen.' Ik hoop dat Marc voorvoelende
gaven heeft. Ik zie het nog niet. Alleen verneem ik dat de populariteit
van De Leeuw tanende is. Ik verbaasde me al lang over het feit
dat die schreeuwlelijkerd populair was, dat men lachte om zijn
afzeikgedrag, ook al kende ik, hoorde ik af en toe een liefdevolle
uting van hem, een liedje, mededogen met een debiele jongen.
Hoe lang heeft het geduurd? Toch meer dan tien jaar. Nu hebben
we programma's die populair zijn om hun grofheid, internetsites,
ook over poëzie, die grossieren in scheldpartijen, vulgaire,
hondsbrutale interviewers, politieke leiders die schelden en
schoppen. We zitten er nog midden in. Het zal wel voorbij gaan,
maar ik zie nog geen kentering. Moge Marc gelijk hebben!
=
Huilen om kunst
Ze vroeg: 'Heb je wel eens gehuild om een schilderij?'
Gehuild? Nee, maar er zijn veel schilderijen die me geraakt hebben,
die me ontroerd hebben. 'Door to the river' van Willem de Koning,
'Het melkmeisje' en 'Gezicht op Delft' van Vermeer, schilderijen
van Max Liebermann, Breitner, Braque, Willem Maris, een stilleven
met pruimen in een neteldoek, Hans am Ende, P.S. Krøyer,
Viggo Johansen etc. Maar huilen nee.
Bij muziek? Rillingen soms.
Toneel, ballet, nee, niet huilen.
Alleen bij literatuur en vooral bij sentimentele literatuur.
Bij goede literatuur niet, gaat het wel dieper.
Bij films vaak, ook bij de sentimentele momenten, vechten tegen
tranen. Vooral bij een documentaire over Helen Keller en dan
het moment dat Ann Sullivan haar handjes onder de stromende kraan
houdt en een w in een hand schrijft. Daar breekt de taal door
en bij mij de tranen.
Liefdesrouw
Meneer X ontmoette zijn tweede vrouw in de supermarkt.
Er stond een lange rij. Zij stond achter hem en glimlachte. Toen
was er dat magische moment dat we kennen van de Westside story.
Even viel alles weg, behalve de ogen van de ander. Meneer X sloeg
zijn ogen neer, keek naar de inhoud van haar karretje, zag daar
niets van en toen was hij aan de beurt. Bijna duizelig liep hij
naar de auto, stond stil, wachtte tot zij er aan kwam en zei:
'Ik heb u hier nooit gezien.' 'Nee', antwoordde ze, 'ik woon
hier niet, ik ben op bezoek bij een vriendin.' Nu zag meneer
X een taart liggen en een bos bloemen, een bekend tijdschrift.
'Meestal zijn de rijen niet zo lang' mompelde hij nog, pakt zijn
sleutels en liep mechanisch naar zijn auto.
Een week later zag hij haar in de stad lopen. Hij vroeg: 'Bent
u er nog?' 'Ik ga vanmiddag weg, waarom?' 'Dan zie ik u niet
meer.'
Een maand later ontmoette hij haar op een feest bij een vriend.
Zijn vrouw was niet mee; ze deden niet veel dingen meer samen.
Ze dronk net als hij witte wijn en ze lieten elkaar niet meer
los.
Een jaar later waren ze getrouwd. Ze zaten niet de hele dag hand
in hand, maar daar leek het wel op.
Het huwelijk duurde 21 jaar. Bij hem werd met succes een tumor
verwijderd. Zij kreeg last van haar longen, raakte snel buiten
adem. De diagnose was longemfyseem. Toen zij hoorden wat haar
levensverwachting was, hoe het einde zou zijn, vroeg ze hun arts
of hij bereid was mee te werken aan een vrijwillig levenseinde.
Ze waren lid van NVVE. Toen de ziekte zo ver gevorderd was, dat
ze beademd moest worden, nam ze afscheid van meneer X en het
leven. Hij was ontroostbaar en wilde ook dood. Na enige maanden
in ellende te hebben doorgebracht ging hij naar zijn arts en
vroeg om hulp. De arts gaf antidepressiva, maar meneer X werd
er misselijk van, kon niet meer slapen. De volgende stap was
het consulteren van een psychotherapeut. 'U moet door de rouw
heen, nu uw tweede liefde is gestorven.' 'Tweede liefde? Er was
maar één liefde in mijn leven. Mijn eerste huwelijk
was een vergissing uit mijn jeugd. Nu is alles zinloos geworden.'
Er volgden dertig gesprekken, maar ze hielpen niet en met wederzijds
goedvinden besloten de therapeut en meneer X te stoppen. Hij
kwam terug bij de huisarts.
Moet nu de huisarts bepalen of het lijden ondraaglijk is?
Liefdesrouw 2
Het bericht over de heer met liefdesrouw zette me aan het denken.
Ik vind dat de patiënt het laatste woord heeft bij de bepaling
of het lijden ondraaglijk is, maar we weten allemaal dat iemand
blind kan zijn voor de eigen mogelijkheden. Moeten we dan maar
bevoogdend over iemand gaan beslissen?
Waaraan ontlenen we dat recht? Als je gelooft in een religieuze
wet, in een God die zelfdoding verbiedt, ja, dan is het gemakkelijker.
Je beroept je op die hogere instantie, maar als je het geloof
in zo'n God een beetje kinderachtig vindt, wordt het moeilijk.
Ik dacht: het leven is me geschonken, ik moet het me ook laten
afnemen; ik mag er niet zelf over oordelen. Ook dat is een beetje
rare overweging.
Ik ben ongevraagd ter wereld gekomen; mag ik dan tenminste uit
vrije wil afscheid nemen?
Tegen de rouwende heer zou ik willen zeggen: misschien ontmoet
je morgen (kan ook nog vandaag) een vrouw die een nog grotere
liefde blijkt.
Of: alles is beter dan niet bestaan. Is dat zo?
Of: draag je lot. Zo lang er licht is, is er hoop. (Wat een uitspraak!
Waar haal ik dat nu weer vandaan?)
Je ziet: het denken schiet heen en weer. Je weet het van alle
discussies rond euthanasie.
Je kent de verhalen over zelfmoordenaars die op het laatste moment
worden gered door echte aandacht. Later zijn ze er blij mee.
Maar het gaat hier niet om depressieve zelfmoordenaars: het gaat
om mensen die weloverwogen een eind willen maken aan een onoverkomelijk
lijden. De rouwende heer lijdt, dat is duidelijk, maar is het
onoverkomelijk?
Welke rol speelt zijn met succes verwijderde tumor? Heeft hij
door zijn zelfverkozen isolement de dodelijke eenzaamheid nu
niet over zichzelf afgeroepen? (En zo ja, mag dat dan niet? Wie
ben ik om hem dat kwalijk te nemen? Mag ik wel iemand waarschuwen
die in zo'n proces zit?)
De pil van Drion is een metafoor, maar stel dat er zo'n pil was,
waarom wordt die dan niet vrijelijk beschikbaar gesteld, zoals
pistolen in Amerika? Vanwege het misbruik natuurlijk. Iemand
zou veel te gemakkelijk haar overheersende echtgenoot een pil
kunnen geven. Dan maar het pistool of rattengif? Is de stof van
die pil niet even goed te detecteren, zodat de oorzaak van de
dood bekend wordt? Maak zo'n pil ingewikkelder, zodat hij in
stappen wordt toegediend. Geef de pil aan een instantie, die
hem onder begeleiding kan toedienen. Een humaan sterfhuis, niet
bevoogdend, maar wel controlerend, zonder getraineer.
Zelfgekozen levenseinde
Frits H. (71) heeft alzheimer. Zijn moeder had het ook en hij
heeft gezien hoe ze schommelde in een verpleeghuis, niets wetend,
niets kunnend. Hij leeft samen met zijn vriendin van 85, met
wie hij alles doet, behalve slapen. Samen trekken ze rond, niet
meer naar de Noordkaap, dat lijkt niet verstandig als er iets
gebeurt, maar wel in Nederland en omringende landen. Maandelijks
gaat hij naar het alzheimer-café - wat een naam - en praat
daar met lotgenoten. Er komt een deskundige met adviezen hoe
je met de ziekte kunt omgaan. Frits geeft ook tips aan mensen.
Hij slikt al tien jaar Reminyl en dat lijkt de ziekte te vertragen.
Hij wil niet in een verpleeghuis en heeft elk half jaar een gesprek
met zijn huisarts over het moment dat hij niet verder wil. Hij
is lid van het NVVE (Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig
Levenseinde). Als de arts toch niet wil meewerken, doet hij het
zelf. Hij springt niet van een dak. Dat wil hij anderen niet
aandoen. (Bron: 'Relevant' december 2010)
=
Kinderen
Op een dag kwam mijn jongste zoon mijn studeerkamer binnen en
vroeg boos: 'Waarom heb je mij gemaakt? ' Ik stamelde: 'Omdat
ik van kinderen hou; misschien is het een instinct.'
Een andere keer vroeg hij - hij was nog maar acht jaar-: 'Waarom
is er iets en niet niets?' Hij had Heidegger nog niet gelezen.
Ik zei: 'Wees blij dat je die vraag kunt stellen.', maar ik wist
natuurlijk ook geen antwoord.
Toen hij 34 was, vroeg zijn vriendin of hij ook een kind wilde.
Hij zei dat het goed was. 'Nee', zei ze, 'Ik vroeg of je een
kind wil!'
Na drie jaar werd zijn dochter geboren. Ik zie hoeveel hij van
het kind houdt, maar ik vraag niet waarom hij haar heeft gemaakt.
Misschien is zijn antwoord: 'Instinct'.
Waarom krijgen/nemen mensen kinderen? De geschiedenis leert dat
het aantal kinderen sterk afhankelijk is van de leefsituatie.
Jagersvolken hadden minder kinderen dan landbouwers. Als de kindersterfte
hoog was, werden er meer kinderen geboren. In allerlei landen
probeert men nu nog voldoende kinderen te maken, als verzekering
voor de oude dag. Kinderen moeten al jong meewerken op het land
of in het bedrijf. In welvarende landen worden minder kinderen
geboren en worden ze lang als kind gekoesterd, beschermd opgevoed
en ook verwend. Vrouwen weten al heel lang methodes om het kinderaantal
te reguleren. Zieke of zwakke kinderen en meisjes, in bepaalde
maatschappijen, werden te vondeling gelegd of achtergelaten in
de wildernis of zelfs wel gedood. In China werd en wordt men
nog wel financieel gestraft voor het hebben van meer dan één
kind, maar ook daar wordt als gevolg van de toenemende welvaart
het enige kind te zeer verwend en groeit nu een generatie op
die alles te gemakkelijk krijgt, waardoor het kind weinig weerstand
heeft tegen ongeluk en misère.
Al is het aantal kinderen afhankelijk van de praktische omstandigheden,
de drijfveer om kinderen te nemen is nog steeds vooral onberedeneerd.
=
Gapen en vaken
Ik mocht een verrassend wondertje beleven: ik heb Wende, mijn
kleindochter in mijn armen en zing haar in slaap met 'Dodo, kindje
van de minne, slaap en doe je oogjes toe. Heb je gene honger
en je moet niet gapen. Heb je gene slaap en je moet niet vaken.
Dodo, kindje van de minne, slaap en doe je oogjes toe.'
Door het brommen van mijn borstkas gaan de oogjes langzaam dicht
en af en toe een beetje open bij het zingen van liedjes over
IJsland of De Kaap en zeker bij 'Moeke, daar staat een vrijer
aan de deur'.
Iemand gaapt van de honger en vaakt van slaap. Klaas Vaak
weet er alles van.
=
Dierenhemel?
Rond de kerstdagen zijn vele dieren geofferd. Volgens de christenen
hebben dieren geen ziel en gaan ze dus niet naar de of een hemel.
Ik zocht op internet naar een antwoord op de vraag of dieren
een ziel hebben. Volgens Leo de Vos ( let op zijn naam) is dit
een echte kindervraag. Volwassenen vragen zich dit nooit af.
Natuurlijk is er geen dierenhemel.
Wat is er met mij aan de hand? Ik piekerde er over, vanmorgen
half vier. Hoe dat nu zat in de beleving van christenen. Leo
schrijft een heel verhaal naar aanleiding van de vraag. Eerst
waarschuwt hij tegen een paragnoste die beweert dat onze dode
huisdieren op ons wachten in de hemel. Ze zijn gelukkig, spelen
met elkaar, maar soms staat er eentje stil, kijkt in de verte
en begint te rennen. Daar komt zijn baasje!
Hoe moet dat nu met al die geslachte varkens en koeien?
Later gaat Leo toch twijfelen: 'Trouwens, als een dier geen ziel
heeft en dús niet in de hemel komt, dan loopt straks op
de nieuwe aarde geen beest rond en zien wij er in eeuwigheid
geen meer. Als dat zo zou zijn, zou ik me toch wel afvragen waarom
God dan dieren geschapen heeft.' Dat is nog eens antropocentrisch
denken!
Hij troost een kind: 'Weet je, 800 jaar geleden was er een beroemde
christen en die heette Franciscus. Die zei: 'Zelfs het allerkleinste
vliegje zien we straks in de hemel terug!' Nou, als dat zo is,
als hij gelijk heeft, dan zie je jouw cavia zeker terug.' 'En
dan kunt u samen wat gaan doorfantaseren. Want als alle dieren
terug komen, tsja, dan natuurlijk ook bladluizen, krokodillen,
schorpioenen, cobra's, vogelspinnen, tyrannosaurussen. Maar oké,
die zullen niet lastig of gevaarlijk meer zijn, maar allemaal
vrolijk met ons komen spelen! Doet u dit niet denken aan het
toekomstvisoen in Jesaja 11 waarin een baby veilig speelt bij
het hol van een adder? '
Schattig hè?
Een aparte dierenhemel vindt hij onzin: 'Letterlijk on-zin. Elke
zin ontbreekt erin. Waarom zou het beter zijn voor dieren om
eeuwig gescheiden te worden van de mens? Ik denk dat u dat ook
rustig kunt vertellen tegen kinderen. Als er een aparte dierenhemel
zou zijn, dan zou dat niet heel fijn zijn, maar juist heel erg!
Want dieren hebben dan alleen elkaar maar, en niet de mens om
ze te vertroetelen. En jij zou dan nooit een kat kunnen aaien
of met vogeltje mee kunnen fluiten of op een dolfijn kunnen surfen
of op de nek van een diplodocus kunnen klimmen om over het bos
heen te kijken. Dus: is er ook dierhemel? Nou, gelukkig niet,
zeg. Wat zouden we dan een hoop missen!'
Wat heeft hij toch tegen die paragnoste?
=
Volg de rivier
Volg de rivier in Jiang Nan
(Yang Jin (1644-1728)
(Landschap in de stijl van Shen Zhou)
Een man in rode kimono zit
Met gekruiste benen in
Een met takken bedekte hut.
Dezelfde man loopt op een brug.
Hij loopt voor zijn bediende
Die een guqin draagt, muziekinstrument.
Achter de heuvel loopt hij het bos in
Met een staf in zijn hand terwijl
De dienaar op een andere brug staat.
Na een derde brug praat de man
Tegen zijn knecht op een overdekte
vierde brug vlak voor een waterval.
Boven de rivier kijken zij uit
Over een immense watervlakte.
Op de begroeide kust halen vissers
Hun boten op het land. Alle
Gebeurtenissen gescheiden
In tijd en plaats, zijn verbonden
En de toeschouwer kan wandelen
In de heuvels en de structuur
Van het landschap beschouwen.
Kan niet zeggen of hij
In de natuur is of
De natuur in hem.
=
De nieuwe literatuur
Hij stopt een nieuwe schijf in zijn schootcomputer en zegt, terwijl
hij de inleiding voorbij laat gaan: 'Dit is de nieuwe literatuur.
Beeld, geluid en goede teksten. Vergelijk het met het lezen van
'De Toverberg' van Thomas Mann: de geschiedenis van een jonge
man die nadenkt over de wereld, over ziekte, liefde en zijn toekomst.
Deze film in afleveringen gaat over een mensen die werken op
een middelgroot reclamebureau in Manhattan, vanaf de jaren vijftig,
toen mannen nog mannen waren en vrouwen 'rokken', dat wil zeggen
prooi voor de mannen, ondergeschikt, maar beschikkend over sexuele
macht.
De mannen van het bureau zijn cynisch, opportunistisch, grof
tegen vrouwen. De creatieve figuren acteren als oude corpsstudenten.
Ze willen alle meisjes van de typekamer hebben, of ze nu zelf
pas getrouwd zijn of niet en de meisjes hopen door toe te geven
te stijgen op de ranglijst van het bureau. Ze zijn onderling
ook meedogenloos. ze hebben macht over de mannen en ze krijgen
wat ze willen hebben.
'Mad men' heet de serie, geschreven door Matthew Weiner.
Hij zegt: 'hij heeft literaire kwaliteit, hij is subtiel,
niet redundant, zit vol symboliek, beeldspraak, stijlfiguren.
Let op de weglatingen. Er wordt geen woord teveel gesproken;
je moet goed kijken, anders mis je belangrijke gebeurtenissen
en hun consequenties. Let op het natuurlijke, overtuigende spel
van de acteurs, hun expressie. De hoofdpersoon, de chef creativiteit,
heeft een geheimzinnig verleden, waar je langzamerhand achter
komt. Hij heeft een slechte jeugd gehad, vluchtte uit zijn milieu
in het leger, de Koreaanse oorlog en nam een nieuwe identiteit
aan toen een collega onherkenbaar verbrandde. We volgen zijn
huwelijk, we volgen zijn vreemd gaan, zijn kracht en creativiteit,
zijn zachtheid voor zijn kinderen, zijn liefde voor zijn vrouw.
We zien hoe hij wordt gechanteerd door een ondergeschikte, die
zijn identiteit per ongeluk achterhaalt. We zien hoe hij dat
oplost, nadat een vriendin hem laf noemde omdat hij met haar
wilde vluchten en zijn gezin in de steek zou laten. We zien hoeveel
hij drinkt en rookt, hoe hij reclame maakt voor Lucky Strike,
terwijl hij weet dat tabak doodt. 'We geven de mensen wat zij
willen.' Het is, zoals gezegd een cynisch zootje, maar toch zijn
de personages de moeite waard, je krijgt als lezer, pardon, toeschouwer
sympathie voor hen. je ziet hoe die fllnke mannen kleine jongens
zijn en die sterke voruwen kleine meisjes. Je raakt ontoerd,
je wordt meegesleept. Bij een boek spraken ze van 'pageturner',
'unputdownable', nu doe je steeds weer een nieuwe schijf in je
computer.
Denk je nu echt dat jouw kleinkinderen nog boeken gaan lezen,
met deze nieuwe vormen van literatuur?"
De nieuwe literatuur 2
De lezer verwacht iets van het verhaal, naar aanleiding van de
titel en wellicht de reputatie van de schrijver.
Het doorbreken van de verwachtingshorizon wordt in de
receptie-esthetica (o.a. door Jauss) als een kenmerk van literaire
waarde genoemd - net als het vóórkomen van open
plekken (door Iser) '
De verwachtingshorizon is dat wat de lezer verwacht en dat heeft
natuurlijk alles te maken met zijn eigen lees- en leefervaring.
Als een bepaalde tekst dicht bij deze verwachtingshorizon ligt
zit er weinig verrassends in, maar als hij zich ver van deze
horizon verwijdert kan de lezer afhaken. Het is een spel op het
scherp van de snede. Te veel (onbegrepen) informatie vervreemdt
de lezer van het verhaal; te veel redundantie (overbodige informatie)
verveelt hem. De auteur moet plekken openlaten die de nieuwsgierigheid
van de lezer prikkelen en zijn eigen verbeelding aan het werk
zetten.
Onder invloed van filmtechnieken ontstand het begrip 'clifhanger';
dat werd ook gebruikt in de feuilleton, het verhaal werd in stukken
geknipt voor de krant. Elke dag kreeg de lezer een nieuw stuk
van het verhaal. De schrijver eindigde een stuk vaak met een
spannende scène die de lezer benieuwd maakte naar het
vervolg. Couperus beheerste deze techniek. In de twintigste eeuw
zijn er veel voorbeelden te noemn van romanschrijvers die de
lezer in een volgend hoofdstuk verrassen met onverwachte gebeurtenissen:
Simon Vestdijk, John Fowles, Iris Murdoch. Zij hebben veel geleerd
van de film.
In televisieseries vind je dit alles terug. De literaire kwaliteit
van een serie kan bepaald worden aan de hand van die verrassende
gebeurtenissen. 'Mad men' is voorbeeldig. In elke aflevering
gebeurt weer iets dat 'open plekken' invult of een psychologische
lijn voortzet op zo'n manier dat het past bij een personage en
toch de kijker verrast.
Je moet als kijker/lezer duistere plekken zoeken in jezelf.
Niet de romans/films die de wereld simpeler voorstellen, zijn
van belang. Het gaat om nieuwe ontdekkingen. Je leert de wereld
beter kennen. Je leert dat goed en kwaad soms niet helder te
onderscheiden zijn, dat het kwaad ook in jezelf schuilt. Het
maakt je toleranter.
Bevestiging leidt alleen maar tot kort aangename en uiteindelijk
vervelende prikkeling.
Het populisme heeft weinig behoefte aan nuance. Het stelt de
wereld voor als simpel: wij zijn goed, de anderen fout. Het houdt
niet van grijze gebieden. Uiteindelijk leidt dat tot ruzie en
oorlog. Men koestert zich in het idee dat zijn geschiedenis de
enige ware is. Dat is de geboortegrond voor dictaturen.
=
Electronica
Als je voortdurend met oortelefoontjes rondloopt, hoor je je
omgeving niet goed meer. Je bent ook steeds met je eigen muziek
bezig. Hoe ernstig is dat voor je sociale contact, het contact
met de natuur?
Als je steeds paraat bent met je I-Phone, heb je weliswaar voortdurend
contact met de wereld, in electronische vorm, maar beweeg je
je in de reële wereld als een buitenstaander.
Bejaarden die vroeger moesten wachten op bezoek en de wereld
zagen via het scherm van hun tv, hebben nu weer contact met anderen
via een blog of Hyves of Facebook. Een kleinzoon chat met zijn
grootvader. Daardoor zal hij ook wel eens op bezoek willen.
Sms-cultuur, snel even iets tikken en wegsturen, niet letten
op spelling of grammatica.
Hoeveel vrienden heb je op Hyve? Wat betekent het hebben van
een vriend? Wat betekent 'ontvrienden'?
Privacy? Als iedereen bijna alles over je kan opzoeken? Als je
overal gevolgd kan worden, via beelden of virtuele afdrukken,
telefoongesprekken, betalingen.
Hoezeer beïnvloedt de dagelijkse technologie ons vermogen
tot geconcentreerde aandacht?
Dat laatste is nodig voor het beleven van literatuur.
Passen onze hersenen zich aan en leren we allerlei dingen tegelijk
op te pakken?
Sleutelen aan gedrag
Thomas Rinne, medisch directeur van het Pieter Baan Centrum stelt
een aantal belangrijke zaken aan de orde. Een bepaald enzym breekt
neurotransmitters af. Genetisch ligt vast of je de trage of snelle
variant hebt van dat enzym. Jongens die dat trage enzym hebben
en die bovendien vroeger mishandeld zijn, hebben een hogere kans
op een antisociale ontwikkelingsstoornis. Moet je nu niet deze
jongens in een vroeg stadium gaan begeleiden om agressief gedrag
te voorkomen? Het zou beter zijn voor die jongens en voor hun
eventuele slachtoffers. Officieel kan pas behandeld worden als
'het kalf verdronken is'. Over gentherapie beschikken we nog
niet, maar dat komt er aan. Over een tijd zullen we wel beschikken
over een passende gentherapie. Mag je die dan dwingend voorschrijven?
Thomas zegt dat hij bij een zoon met een verhoogd risico 'alles
zou doen wat in zijn mogelijkheden ligt om gevaarlijk gedrag
te voorkomen'. We gaan sleutelen aan gedrag.
Zouden mensen uit vrije wil laten sleutelen aan gedrag? In Duitsland
bleek dat achthonderd mannen zich meldden toen gevraagd werd:
'Houdt u meer van kinderen dan u lief is?'
Therapeuten konden de vraag niet aan. Thomas vindt dat de overheid
zich moet inspannen om preventieve programma's te stimuleren
en te financieren.
(Bijna 1 procent van de mannen heeft pedosexuele neigingen. Dat
bleek uit een onderzoek. Is dat niet weinig, 1 procent? Wat zijn
die neigingen? Gaat het hier om kleuters of om nimfijnen? De
laatste groep lijkt me voor veel meer mannen 'gevaarlijk aantrekkelijk'.)
=
Vragen over een stem
Renée van Riessen is dichter en filosoof. Zij werd onlangs
benoemd als buitengewoon hoogleraar Christelijke Filosofie aan
de Universiteit van Leiden.
Zij zegt in een gesprek met Herman Amelink (NRC, 18-12): 'Als
dichter onderzoek ik de achterkant van mijn denken, met taal
die daar tegenaan schuurt.' Stop, denk ik, wat betekent dat?
De achterkant van mijn denken; het is een metafoor, maar wat
is het tertium comparationis? Hij is als een leeuw: het derde
lid van de vergelijking is 'moed'. Maar wat is dat bij 'de achterkant
van mijn denken'?
Zij vervolgt: 'Dat is voor mij een taal die dicht bij het lichamelijke
ligt. Vaak is het een zoeken naar klanken en naar het samengaan
van klanken en betekenis.' Dat laatste vind ik weer moeilijk.
Bij het vraaggesprek staat een gedicht afgedrukt:
De stem van Aristoteles
Ons leven is niet op het hoogste punt
wanneer de dood zijn dans begint,
schreef Aristoteles, maar de natuur
gloeit zelf in ons het einde tegemoet.
Het hoogste punt wordt onderweg bereikt
happend naar adem, zoals in een veld
de klaproos open, vuur-in-vlam
alles om haar heen verwarmt.
Wie gaat de omgekeerde weg?
Een bij - duikt onder in de roze schelp
van balsemien, kruipt dronken
weer naar buiten, trillend
van verzadiging
Mooi beeld van de klaproos en van de bij, maar wat hebben ze
te maken met de uitspraak van Aristoteles? ('Valt het doel van
iets wat leeft altijd samen met zijn einde (...) Of is alleen
het hoogste het doel?') Is het gedicht niet een beetje poëtische
onzin? Wie of wat hapt naar adem?
Is het hoogtepunt van een leven ( en wat is dat eigenlijk?) te
vergelijken met het vlammende rood van een klaproos? En wat is
'de omgekeerde weg'? Wat heeft het gedicht te maken met de stem
van Aristoteles? (Afgezien van het feit dat het een uitspraak
van Aristoteles parafraseert.)
Weldoeners
Boeven worden soms weldoeners. In de veertiende eeuw was Robert
Knowles een bekende huurling, een 'warlord' zouden we nu zeggen,
die weliswaar werkte in opdracht voor anderen, maar in feite
alleen voor eigen eer en gewin. Na de strijd om Poitiers bleef
hij in Normandië plunderen, met zo'n bekwaamheid en meedogenloosheid
dat hij in één jaar een buit verzamelde van 100.000
kroon. Zijn naam bracht zo'n schrik teweeg dat men zich alleen
al bij het horen van zijn komst in de rivier wierp. Hij berichtte
koning Edward van Engeland dat alle versterkingen die hij had
veroverd tot zijn beschikking waren. Edward, die zoals andere
heersers graag wilde profiteren van de rijkdom die schurken verzamelden,
schonk hem vriendelijk genade voor al zijn schendingen van bereikte
wapenstilstanden of andere afspraken. Knowles bekeerde zich tot
dienst aan de koning, zonder dat hij overigens zijn stijl van
optreden veranderde. Aan het eind van zijn carrière trok
hij zich terug, in grote welstand, op een kasteel en werd een
weldoener van kerken en armenhuizen. (Bron: Frances Stonor Saunders)
De lezer vindt vast wel parallellen met moderne 'weldoeners',
ook al waren ze niet zulke uitgesproken schurken.
=
De Natuur van de dingen
De titel 'De Rerum Natura', 'De Natuur van de Dingen' is treffend
en juist. De dichter Lucretius (99-55/4 vC) zet zijn loflied
op de filosoof Epicurus (341-271/0 vC) en zijn betoog over de
wereld daarmee af tegen de filosofie van Plato, Aristoteles en
de Stoa, die zich lieten leiden door de illusie van het hogere,
wat in zijn opvatting een gevolg was van bijgeloof. Plato en
in zijn vervolg Cicero bekritiseerden de hedonistische filosofie
van Epicurus als dierlijk en mensonwaardig, maar Lucretius verdedigde
zijn leermeester door te wijzen op het slaafse karakter van hun
houding tegenover de goden. Epicurus durfde op te staan en vrij
te zijn, zelf te denken over het ontstaan van de wereld. In zijn
voetspoor wil de dichter twee angsten van de mens uitbannen:
de angst voor de goden en de angst voor de dood. Lucretius ontkent
niet het bestaan van goden, maar hij ziet ze, als ik het goed
begrijp, als mythologische wezens. Hij zegt: 'nooit wordt door
goddelijk toedoen iets uit niets geschapen'. (Eerste boek, vers
150). Ik citeer nu uit het rijke boek van Piet Schrijvers, zijn
vertaling van Lucretius met een zeer instructief voorwoord en
een nabeschouwing over de receptie van Lucretius tot de dag van
vandaag. Vooral aan Cees Nootebooms gedichten naar aanleiding
van Lucretius besteedt hij veel aandacht.
Niet de goden zijn verwerpelijk, wel de godsdienst. Epicurus
heeft 'de godsdienst neergeworpen, / vertrapt; die overwinning
treft ons hemelhoog.' (1,78/79). De godsdienst 'heeft vaak tot
goddeloze misdaad aangezet.' (1,82/83) Wat klinkt dat actueel!
Een aantal malen wijst Lucretius op de schanddaad van het offeren
van Iphigeneia vanwege wind voor de vloot naar Troje, of, voeg
ik er cynischer aan toe: om haar vaders positie als leider van
het Griekse leger niet in gevaar te brengen. (En ik denk nu aan
Abraham, die toch maar bereid was zijn zoon te offeren en aan
Jeptha die zijn dochter offerde.)
Het is een beroemde regel geworden: 'tantum religio potuit suadere
malorum' ('zozeer kon godsdienst leiden tot misdadigheid'). (Bij
Ida Gerhardt is de vertaling: 'Zóveel boosheid vermocht
de godsdienst aannemelijk te maken.')
De goden bemoeien zich niet met de mensen. Alles ontstaat zonder
toedoen van de goden. Alles ontstaat uit verschillende eerste
deeltjes; in het Grieks 'atomos', maar Lucretius vermijdt dat
woord en Schrijvers vertaalt terecht, ondanks de jambische versmaat
van 'atoom' met 'deeltje' of 'kiem' of 'zaad'.
De oorsprong van die deeltjes blijft onbesproken. Latere christelijke
bewonderaars van de dichter hebben dan ook verklaard dat hun
God die deeltjes schiep.
De deeltjes zijn als zaad dat een eigen kracht bezit en dat door
allerlei combinaties verschillende dingen doet ontstaan. Lucretius
vergelijkt het op een prachtige literaire manier met alle verschillende
woorden die uit diverse letters gevormd worden.
Naast de onvoorstelbaar kleine deeltjes (de materie) is er leegte,
waarin alles beweegt. Leegte in het universum èn leegte
in de dingen. (Ook dat klinkt nogal modern.) Lucretius richt
zich tegen de monisten, zoals Heraclitus, die uitging van één
beginsel (vuur), maar ook tegen pluralisten die vier onveranderlijke
elementen aannamen (vuur, aarde, water, lucht).
Epicurus kocht rond 306 in Athene een huis met een tuin en
stichtte daar zijn filosofische school. Hij bemoeide zich zo
min mogelijk met het openbare leven. Men noemde hem de vader
van het hedonisme en dat kreeg al gauw een slechte naam, hetgeen
versterkt werd door de praktische Romeinen en later door de vrome
christenen, tot de dag van vandaag. 'Hèdonè' betekent
genot of lust en de epicuristen werden afgeschilderd als genotzoekers.
Van platheid was echter geen sprake. Epicurus wilde een filosofie
van geluk uitwerken en nastreven en dat betekende eerder het
vermijden van angst en pijn dan het opzoeken van genot. Een eenvoudige
maaltijd, zo zei hij, levert meer vreugde dan een overvloedige
en is bovendien gezonder. Gelukkig leven is verstandig leven
en zeker niet het onbelemmerd opzoeken van drinkgelagen of feesten,
het tomeloos genieten van sexualiteit of het najagen van macht
of rijkdom. Over de goden zei hij: ze bestaan, maar ze zijn er
niet om ons geschenken te geven of om ons te bedreigen. Veel
mensen scheppen goden naar hun eigen beeld. Ze knielen voor altaren
en offeren in de hoop op gunsten en ze zijn bang voor hun straffen.
De andere grote angst is die voor de dood. Daarover zei hij eenvoudig:
hij gaat ons niet aan, want wanneer wij er zijn, is de dood er
niet en wanneer de dood er is, zijn wij er niet meer. Het is
dwaasheid eeuwig te willen leven. Geniet van het leven zolang
het er is.
'De mensen weten niet wat de aard is van de ziel,
of zij geboren wordt, bij onze geboorte insluipt,
en bij de dood gescheiden gelijk met ons teloor gaat
of afdaalt naar de weidse , donkere poel van Orcus
ofwel van godeswege zelfs in dieren glipt,'
Er staan ook vreemde, onwaarschijnlijke dingen bij Lucretius.
Ik geef als voorbeeld vs 709 e.v. uit boek vier.
'Bepaalde dingen zijn te scherp voor sommige ogen.
Zo kan een wilde leeuw geen confrontatie aan
en kijken naar de haan die klappend met zijn vleugels
de nacht uitluidt, Aurora roept met schril gekraai;
de leeuwen nemen ogenblikkelijk de vlucht,
omdat een hanenlichaam bepaalde zaden heeft,
die, als zij in de leeuwenogen zijn beland,
de oogpupil doorboren en scherpe pijn verwekken
die de woestelingen allerminst kunnen verdragen.'
Het is een oud volksgeloof, dat je ook terugvindt in fabels:
Het was koning leeuw, die lonkte al lang
Naar die sappige ezel, zo'n lekkere hap.
Maar van een ding was hij o zo bang,
't Was het gekraai van die haan zo knap.
En net toen de leeuw op de ezel wou springen
Bemerkte de haan het gevaar in de wei.
Om de ezel te redden begon hij te zingen
Hij kraaide en krijste, sloeg zijn vleugels opzij.
De leeuw liep brullend van de schrik
En hals over kop, zo hard hij maar kon.
(
(Luc Cielen)
In Vlaanderen bestaat de uitdrukking: 'als de haan kraait gaat
de leeuw liggen' met als betekenis dat de Franstaligen winnen
in de politieke strijd.
Wat er ook van juist is, de verklaring van Lucretius blijft vreemd.
Grappig is het dan te lezen wat hij over Centauren zegt:
'Het beeld van een Centaur ontstaat niet uit iets levends,
omdat een dergelijk creatuur nooit heeft bestaan.
Als beeldjes van een paard en een man toevallig botsen,
zitten ze prompt vast aan elkaar, zoals ik zei,
door hun fijnmazigheid en soepele textuur.'
Even verder geeft hij een 'verklaring' voor een wonderlijk verschijnsel
waarvan de dichter Erik Menkveld gebruik maakt in zijn gedicht
'Schapen nu'. Hij roept het en ze staan al onder het raam te
blaten.
'De eerste vraag luidt waarom onze geest terstond
zich voor kan stellen wat men maar bedenken wil.
Of loeren soms de beeldjes zelf op onze wil
en schiet, zodra wij willen, een beeldje op ons af,
wanneer wij denken aan de aarde, hemel, zee?
'Vergadering van mensen', 'optocht','diner', 'gevecht':
verschaft dan de natuur prompt na het woord die beeldjes,
zelfs als de geest van anderen op een zelfde plaats
aan alle mogelijke, heel andere dingen denkt?'
Dichters als Arjen Duinker en Kees 't Hart maken hier dankbaar
gebruik van.
Het is al met al een zeer bijzonder boek of een serie boeken
die Lucretius geschreven heeft. Dankzij de goed leesbare en voor
zo ver ik kan beoordelen knappe vertaling van Piet Schrijvers
( de Latijnse tekst is gelukkig opgenomen en staat onbekrompen
op de linker pagina naast de vertaling) kunnen we genieten van
een uitzonderlijke dichter uit de eerste eeuw vC.
Lucretius, De natuur van de dingen, uitgegeven, vertaald en ingeleid
en van aantekeningen voorzien door Piet Schrijvers, Historische
Uitgeverij, Groningen 2008. (Onlangs kreeg S een mensch.'
Deze observaties wijzen op een fijngevoelig begrip voor het dichterschap
van Kemp, maar de lezer moet wachten op Simon Vestdijk voor een
grondige, psychologische, analyse van zijn poëzie.
==
 
|
|