Voor ons glinstert het drooggevallen wad. We knijpen de ogen
tot smalle spleetjes en zien aan de horizon een oerhollands landschap: bulten
die oprijzen uit de vlakte. Ze liggen op met gras begroeid land zonder dijken.
Er schiet ons een tekst te binnen die de Romeinse militair Caius Plinius
Secundus schreef na een bezoek aan Noord-Nederland:
"Daar leeft het arme volk op hoge heuvels of op
plateaus die zij eigenhandig hebben opgeworpen tot boven de, volgens hun
ervaring, hoogste vloedlijn. Daarop hebben ze hun hutten gebouwd en als het
water het omringende gebied bedekt, zijn het net opvarenden van een schip. Maar
wanneer het water wijkt, lijken ze meer op schipbreukelingen,…..
Michelinmannetjes
We staan op een hoge zeedijk aan de westkust van
Sleeswijk-Holstein, vlakbij Denemarken. Nordstrandischmoor, heet het kwelderland
waar de terpen liggen. De Duitsers noemen zo’n onbedijkt eiland een hallig. We
willen er meer van zien, maar door het slik baggeren vinden we maar niks, dat is
te eng. Gelukkig ligt er ook een smalspoor op een dijkje van ruw gestapelde
basaltblokken. Prachtig, zo’n mooi recht dijkje door het wad, maar is het wel
helemaal veilig? De rails kleurt groen naar de algen. Met hoog water zijn we
misschien de sigaar. We vragen het aan de serveerster in de snackbar aan de voet
van de dijk. ‘Nein, zu gefährlich,’ zegt ze. We vragen het een
vogelaar: Nein, zu anstrengend. We vragen het de treinbestuurder: ‘Kein
Probleem.’ Het water wordt, begrijpen we, vandaag niet tegen de dijk
gestuwd, de wind is landafwaarts. Blij lopen we de rails op. Geen mens te zien.
Het wad is voor ons alleen. Eenmaal worden we ingehaald door het
speelgoedtreintje. De verkleumde passagiers, niet meer dan drie, lijken met hun
dubbele overjassen op Michelinmannetjes. Een straffe wind blaast ons gevaarlijk
snel over wiebelende basaltblokken. Af en toe even stoppen om zonder gevaar naar
de terpen te kijken. Er zijn er vier, elk bekroond met een boerderij.
Geen slappe dijkjes meer
Nordstrandischmoor is samen met de verderop gelegen eilanden
Nordstrand en Pellworm een overblijfsel van een veel groter eiland dat ook
Nordstrand heette. In de avond van 11 oktober 1634 stuwde een vliegende storm
het water omhoog. Drie uur later waren de dijken op 44 plekken gebroken. Ruim
6000 mensen verdronken, dat was tweederde van de bevolking. Op
Nordstrandischmoor werden geen nieuwe dijken opgeworpen. De overlevenden hoogden
alleen de terpen op. Het vertrouwen in de dijken was weg. Pellworm en het
huidige Nordstrand werden wel opnieuw bedijkt, zij het stap voor stap. De dijk
rond de eerste polder, de Alterkoog, was in 1654 klaar. De Nederlandse
bedijkingsdeskundige Quirinus Indervelde voerde het werk uit. Hij had eerder
dijken aangelegd op Overflakee en in de buurt van Antwerpen. De Hertog van
Sleeswijk-Holstein wilde niet meer van die slappe dijkjes, maar stevige dijken.
Daar was kennis en veel geld voor nodig. Dat hadden Quirinus Indervelde en zijn
aandeelhouders. Zij mochten het land terug winnen en kregen het als beloning in
bezit. Ook verleende de hertog hen het recht op eigen bestuur, rechtspraak en
politie. In het lutherse Sleeswijk-Holstein mochten zij de katholieke godsdienst
uitoefenen. Na de Alterkoog volgden in 1657, 1663 en 1691 de polders Osterkoog,
Trindermarschkoog en de Neukoog. Indervelde moest honderden dijkwerkers uit
Brabant halen, want de bevolking van Nordstrand had geen zin om mee te helpen.
Hun verdronken land zou eenmaal drooggelegd toch in handen van Hollandse
aandeelhouders vallen.
Zeearend
Na de spoorbielzen en de wiebelende basaltblokken kan op
Nordstrandischmoor het hoofd eindelijk weer zonder gevaar omhoog. Op de warften,
terpen, staan geen nietige hutten zoals Gaius Plinius Secundus ze zag, maar
nieuwe lelijkheid met van die kleine Duitse ramen. Het grootste gebouw, een
café-pension, staat op de hoogste terp. De pensiongasten die we op het treintje
zagen zijn al verdwenen, die zitten al op hun kamer. Een bordje vraagt wadlopers
beleefd de schoenen af te spoelen, maar de deur van het café is dicht. Het is
te koud voor wadlopen. De zon schijnt in het gezicht, wind in de rug. Behaaglijk
om zo door het ruige winterse kwelderland van terp naar terp te lopen. Geulen,
met sneeuw vol gestoven, trekken grillige witte strepen door de groengele
kwelders. Schapen springen, nog nooit eerder gezien, over geulen en sloten.
Steeds weer gaan zwermen kolganzen op de wieken om even verderop neer te dalen.
Behalve een man met bromfietshelm, laat geen mens zich zien. Geen hond die
blaft. Bordjes met: ‘Hier waak ik,’ zijn niet nodig. Het gevaar komt van
zee. Daar moeten de terpbewoners op letten. Helemaal weerloos tegen de kracht
van het water zijn ze niet. In het westen, het meest kwetsbare deel van het
eiland, is de kust versterkt met basaltblokken. Ertussen ligt een klein
haventje. Daar rusten we uit. Dat doet ook een jonge zeearend. Tijd genoeg om
hem te bewonderen. Pas als ons brood op is, vliegt zij weg.
Onbekende bestemming
In de verte steekt de Lutherse kerktoren van Odenbull op
Nordstrand boven de kruin van de dijk uit. Daar zochten we gisteren naar de
Inderveldestrasse. Zou, vroegen we ons af, die naam van die Hollandse
dijkenbouwer nog voortleven? Niemand die ons een Inderveldestrasse kon wijzen.
Het geslacht dat het leven op het eiland bestierde, leeft niet voort in het
bewustzijn van de huidige bewoners. Het is dan ook ruim tweeënhalve eeuw
geleden dat de laatste Indervelde op Nordstrand woonde. Het familiegraf van de
Inderveldes ligt in een bakstenen katholieke kerkje op de dijk, gebouwd in 1662.
Het viel onder het gezag van de Utrechtse aartsbisschop. Dat de Inderveldes van
het eiland verlieten, heeft te maken met een religieus conflict uit 1723. Toen
scheidden oud-katholieken zich af van de moederkerk, omdat ze het gezag van de
paus niet meer erkenden. Dit verdeelde ook de Nederlandse kolonie op Nordstrand.
Het roomse kerkje op de dijk ging naar de groep met het meeste land, de
oud-katholieken. Pausgetrouwen waaronder Quirinus Fransiscus, de laatste
Indervelde, trachtten de macht te herwinnen door opnieuw land droog te leggen.
Die poging mislukte. De kwaliteit van de dijk van de vijfde polder, de
Christiaanskoog was zo slecht dat deze bij de eerste de beste storm bezweek.
Quirinus Fransiscus Indervelde ging failliet en verliet het eiland met onbekende
bestemming.
Veel van de Nederlandse aandeelhouders en dijkwerkers bleven
op Nordstrandt wonen. Ze spraken tot 1870 Nederlands in hun oud-katholieke
kerkje. Daarna bleef een Nederlandse pater er nog zo’n vijftig jaar in het
Duits preken. Maar ook nu is de band met de oud-katholieke kerk in Utrecht nog
niet helemaal verdwenen. In de loop der jaren schonken Nordstranders land aan
het Utrechtse kapittel. Het heeft nu nog ruim veertig hectare landbouwgrond in
bezit.