Les 1 |
Er werd gesproken over de gedragingen van het licht, het plant zich voort in een rechte lijn waardoor het beeld van een voorwerp wordt omgedraaid als het een klein gaatje passeert zoals bijvoorbeeld in de camera obscura, men ziet het beeld dan dus op zijn kop. Raakt het licht het oppervlak van een lens dan wordt het licht afgebogen door de kromming van die lens, Het licht van de lensbuitenrand valt niet precies samen met het licht dat het midden van de lens passeert en ook zorgen de randen van de lens voor een soort prismawerking waardoor het witte licht in verschillende golflengten (kleuren) uiteenvalt. Deze lensfouten kan men sterk reduceren door de diafragmaopening te verkleinen.
Hoe een lens naar de rand toe vertekent (fouten vertoont) ziet men hieronder met een afbeelding van een gewoon vergrootglas.
Als de "rand"-stralen worden uitgeschakelt kan men de fouten grotendeels corrigeren. Men gebruikt daarvoor het diafragma. Het diafragma is een aantal dun metalen plaatjes die in een cirkel binnen het objectief zijn geplaatst, het midden van de cirkel vormt een gaatje. Door aan een "objectief-ring" te draaien kan men het gaatje vergroten of verkleinen en dus de randstralen meer of minder afsnijden. Men zal begrijpen dat er bij een kleine diafragma-opening minder licht tot de film (in de analoge camera) of beeld-chip (in de digitale camera) wordt toegelaten, als compensatie zal men in dat geval ook langer moeten belichten om hetzelfde belichtingsresultaat te krijgen.
Door het verkleinen van het diafragma zal de scherptediepte (scherpte in de diepte van het beeld) groter worden. Bekijk de getallen op de diafragma-ring van je camera eens goed en zet de instelling van de camera eens op oneindig (vaak door twee aaneengekoppelde cirkeltjes, of zo je wilt een acht op zijn kant, op de lensvatting aangegeven) Het diafragma 1/16 zorgt ervoor dat de opname scherp is van 3 meter tot oneindig. Het diafragma 1/5,6 zorgt ervoor dat de opname scherp is van 9 meter tot oneindig. Stel je de camera in op een onderwerp op b.v 3 meter afstand dan: geeft een diafragma van 1/16 scherpte van 1,5 meter tot oneindig en een diafragma van b.v. 1/5,6 een scherpte van 2 tot 5 meter. Men ziet dus dat juist het scherpstellen op onderwerpen dichtbij veel meer afhankelijk is van de diafragmaopening dan bij onderwerpen veraf. (Landschapsfotografie in tegenstelling tot dichtbij-of macro fotografie). Hieronder nog een voorbeeld (Objectief van een Minox GT 35 Camera).
Men kan nu op de vaste ring met het oranje driehoekje zien dat bij diafragma 1/16 het beeld scherp is van "oneindig" tot iets minder dan 3 meter. Kiest men bijvoorbeeld voor diafragma 1/11 (door het driehoekje van ring B naar de 11 te verplaatsen) dan ziet men op de vaste ring dat het beeld scherp zal zijn van "oneindig" tot ongeveer 4,50 meter. De opname hieronder is een macro-foto, ik gebruikte voor deze foto van het Minox-objectief diafragma-opening 1/4, men ziet hoe weinig scherptediepte er maar is, bij macro-fotografie is het effect van de diafragma-opening op de scherptediepte nog veel groter.
Zie ook les 2 Veel, vooral de oudere analoge spiegelreflex-camera's die op de eerste avond aanwezig waren hebben een mogelijkheid om het diafragma met een knopje tot de ingestelde waarde te sluiten, zo kan men met het oog de werking van het diafragma (en dus ook de scherptediepte) in de zoeker bekijken en eventueel corrigeren als men dat wenst. Het is dus een voordeel van de spiegelreflex-camera dat een snelle beoordeling van het beeld mogelijk is, omdat men door een stelsel van prisma's en/of spiegels het beeld van de opnamelens als zoekerbeeld gebruikt. (Als men tenminste het diafragma met een knopje tot de ingestelde waarde kan sluiten) Camera's die niet zo'n knopje hebben (veel volautomaten) zijn zo geprogrammeerd dat steeds de gunstigste verhoudingen tussen tijdinstelling en diafragma worden gekozen. (die camera's kunnen b.v. worden ingesteld op een programma voor sportopnamen of landschapsopnamen etc. zie gebruiksaanwijzing bij de camera). Voor creatief fotograferen moet men de baas kunnen zijn over de camera en zijn instellingen, het oefenen met de knopjes is daarvoor zeker noodzakelijk. Het oefenen met een digitale camera en het diafragma gaat natuurlijk erg makkelijk omdat men dan de opnamen al direct kan bekijken, op digitale camera's behoeft geen mogelijkheid aanwezig te zijn tot het tijdelijk sluiten (voor de opname) van het diafragma. Wel moet de digitale camera een mogelijkheid hebben om opnamen te maken buiten de stand "automatische opname" om met de stand "voorkeuze diafragma". De eerste avond werd ook gesproken over de verhoudingen tussen tijdsinstellingen en en diafragma-openingen, als de tijdinstelling een "stop"wordt verlengd dan kan men door de diafragmaopening een "stop"te verkleinen weer dezelfde hoeveelheid licht tot de film toelaten als vòòr het veranderen van beide instellingen. Ook met het kiezen van de film bestaan er nog mogelijkheden, er zijn uiterst gevoelige films en minder gevoelige films, in de praktijk zul je het meest aantreffen de films van 100 ASA of ISO, 200 ASA of ISO, 400 ASA of ISO, (steeds een verdubbeling van de ASA of ISO waarde en dus ook steeds een verdubbeling van de lichtgevoeligheid). Als men met een 100 ASA of ISO film een opname maakt met een tijd van 1/250 seconde en een diafragma van 1/8 en men neemt daarna een film van 200 ASA of ISO dan krijgt men hetzelfde resultaat op de foto als men dan met 1/500 sec en een diafragma van 1/8 belicht of 1/250 sec en een diafragma van 1/11. Een stop groter of kleiner in de tijdinstelling geeft dus een verdubbeling of halvering van de hoeveelheid toegelaten licht, ook met de diafragma-instelling is dat zo maar daar gaat ook de scherptediepte meetellen (bij voorkeur gebruikt men het diafragma dan ook voor de instelling van de scherptediepte). Ook door het kiezen van de film (hoe hoger het ASA of ISO getal hoe gevoeliger voor licht)
kan men de instellingen van de camera bepalen. Er zijn zelfs al films van 3200 ASA of ISO
(zwart/wit) waarmee men onder zeer moeilijke lichtomstandigheden kan fotograferen zonder
flitser. (denk aan theaterfotografie). Die snelle films zijn "korreliger"dan langzamere films, de
een kan dat niet mooi vinden, de ander fotografeert bij voorkeur met snelle films, het is dus
een kwestie van smaak en creativiteit. Hoe langer men fotografeert hoe duidelijker te zien is
hoe men verder omgaat met de mogelijkheden van de camera-instellingen en filmgebruik, de
een werkt met donkere harde foto's, de ander maakt niet anders dan zachte en
licht-afgewerkte afdrukken of soms kiest men voor het maken van dia's die tijdens de
projectie als serie in elkaar overvloeien op de tonen van muziek. Alles is mogelijk en de
mogelijkheden zijn groot als je de camera door oefening leert gebruiken, oefen daarom ook
met je eerstvolgende films, maak meer foto's van een onderwerp en maak aantekeningen
van de manier waarop ze zijn gemaakt.
|