De groene tekst werd ook al bij de vorige
"Voorbeelden" geplaatst, de werkwijze daarin beschreven
dient ook voor deze foto.

Foto's gemaakt met een "spiegel-teleobjectief"
met "teleconverter 2x"
Omdat ik de snelle Kodak T-Max film van
3200 ASA/ISO gebruikte was het mogelijk om de foto's "uit de hand
te nemen" (kortere belichtingstijd geeft minder kans op
bewegings-onscherpte) ondanks dat ik het spiegel-tele-objectief
met converter gebruikte, dat heeft weer als voordeel dat men snel een
opname kan maken en dat is voor dieren-fotografie natuurlijk wel haast
noodzaak. Met een tele-objectief krijgt men ook snel een mooie
onscherpe achtergrond. Die achtergrond is in een foto uiteraard ook
altijd erg belangrijk en moet bij het nemen van de foto goed bepaald
worden, doe daarvoor eens een stap opzij of ga eens op de knieen
zitten. Als men het diafragma groter maakt, wordt de scherpte in de
diepte minder (zie de eerste lessen over diafragma) Een
spiegel-objectief geeft een andere "achtergrond-onscherpte"
dan een gewoon objectief, een gewoon objectief laat de vorm van het
diafragma zien, witte heldere vlekken worden vaak
"achthoekig". Een spiegelobjectief heeft geen diafragma en
laat ronde vlekken zien. Het spiegelobjectief heeft als voordelen het
lichte gewicht en zijn korte afmeting, daardoor gaat het fotograferen
"uit de hand" ook nog wat makkelijker. Een nadeel is het
ontbreken van het diafragma, men heeft daardoor een vaste lensopening
van 8, daardoor kan men alleen de tijdinstelling voor de belichting
van de foto gebruiken. Heel erg is dat niet want de T-Max 3200 ASA/ISO
film heeft een behoorlijke speling in de belichtingstijd en bovendien
kan men de film heel goed op- of onderwaarderen op b.v 6400 ASA/ISO of
1800 ASA/ISO, men moet dan met het film-ontwikkelen daarmee rekening
houden en gewoon wat langer of korter ontwikkelen, de juiste
ontwikkeltijden staan duidelijk op de fles met ontwikkelaar
aangegeven. Wel moet men er natuurlijk aan denken dat met voor een
film wel voor alle opnamen daarop dezelfde film-gevoeligheid instelt.
Hoe langer een brandpuntsafstand van een
lens is hoe minder speling er bestaat in de scherptediepte, een
telelens heeft dus veel minder scherptediepte dan b.v. een
groothoeklens. Als men deze lenzen voor het goede onderwerp gebruikt
is dat een voordeel. Denk aan b.v. landschaps-fotografie, daarvoor is
meestal een groothoek lens het meest geschikt (van voor naar achter
scherp) Bij het fotograferen van portretten is het juist vaak weer
mooi om de achtergrond onscherp af te beelden, het onderwerp komt dan
"los". Vaak gebruikt men daarvoor het teleobjectief. De
scherptediepte heeft dan zelfs zo weinig speling dat tralies bij
dierenportretten vaak helemaal niet meer zichtbaar zijn. Op
bovenstaande foto's is dat goed te zien, de dieren zijn allen van
grotere afstand gefotografeerd, ik heb mij bij het fotograferen op
ongeveer 50 cm vanaf de tralies opgesteld. Meestal is het wat donker
in de kooien, flitslicht laat de dieren schrikken, ook daarom is het
gebruik van de snelle 3200 ASA/ISO T-Max film een aanrader.
De foto's werden
bijgesneden tot het lange formaat, ik gebruik daarbij altijd twee
L-vormige witte "haken" die ik ten opzichte van elkaar over
de foto kan verschuiven, zo vorm ik een passe-partout en kan ik heel
makkelijk de gewenste uitsnede bepalen. De "haken" maak ik
van een oud passe-partout van ongeveer 50 x 60 cm. of gewoon van een
stuk wit karton. (zie figuur hieronder, bij de rode lijnen is het
passe-partout doorgesneden).
De standaardmaten
van het fotopapier gebruik ik vrijwel nooit, ze voldoen naar mijn
gevoel niet altijd. Vaak is het verrassend om te zien hoe positief de
verandering is bij een foto met een andere dan de standaard uitsnede,
een landschaps foto met horizontaal een lange uitsnede benadrukt de
wijdsheid van het landschap, een kerktoren lijkt hoger met verticaal
een langere uitsnede. Experimenteer hier zelf eens mee!
De foto vertoont
een duidelijke korrel, de korrel zelf is scherp. Natuurlijk geeft de
snelle T-Max 3200 ASA/ISO film al een veel grovere (scherpe) korrel
dan de langzamere films van 100 of 200 ASA/ISO. Hoe langzamer (of hoe
minder gevoelig) de film, hoe kleiner de korrel. Ook de nauwkeurigheid
waarmee men de film ontwikkelt speelt hierbij een belangrijke rol.
De film werd
ontwikkeld op de wijze zoals op de verpakking van de ontwikkelaar
staat aangegeven, om vlekken op de film bij het drogen te voorkomen
werd na het ontwikkelen en fixeren de film gespoeld in water waaraan (enkele
druppels) afwasmiddel werd toegevoegd. (zelfde resultaat als
toevoeging van wetting agent) Indien er onverhoopt toch nog te
weinig licht aanwezig is, kan de film eenvoudig worden
opgewaardeerd tot bijvoorbeeld 6400 ASA/ISO, de verpakking van de
ontwikkelaar geeft aan hoeveel langer dan ontwikkeld moet worden. In
eerdere lessen (zie les 1 t/m 8) werd al uitgelegd dat het uit de hand
fotograferen mogelijk is tot ongeveer 1/60 sec met een 50 mm lens.
(uiteraard is ook nog belangrijk hoe vast men "terhand" is,
en of men het fototoestel ondersteund door bijvoorbeeld ergens tegen
aan te leunen)
Na het drogen van
de film werd met de negatieven eerst een nauwkeurige proefbelichting
op een strook fotopapier gemaakt, deze strook werd ontwikkeld en uitontwikkeld
(dus net zolang in de ontwikkelaar laten liggen tot er geen zwarting
meer optreedt, het fotopapier wel bewegen tijdens het ontwikkelen)
Daarna de strook fixeren, spoelen en de de ontwikkeltijd vaststellen
aan de hand van het best belichtte gedeelte van de proefstrook.
Als algemene
opmerking zou ik nog willen plaatsen (en velen van U weten dat al) dat
de vergroter eerst scherpgesteld wordt op een wit stuk papier dat op
de grondplank van het apparaat wordt gelegd, dat doet men met de
grootste diafragmaopening, dat geeft een helder beeld voor de
scherpstelling. Ook kan men een stuk papier dan nog zodanig
bewerken (een bepaalde vorm uitknippen) dat men dat als mal kan
gebruiken als men bepaalde delen van de foto niet wil zien op de
afdruk, tijdens het belichten schermt men die delen dan af, daarna
schuift men het rode filter voor de vergroter en positioneert men het
fotopapier waarop men af gaat drukken. Men draait daarna het diafragma
naar een kleinere opening waardoor de scherptediepte (ook bij het
objectief van de vergroter) gaat toenemen, eventuele kleine foutjes
bij het precies scherpstellen kan men zo nog herstellen. Ik zelf sluit
het diafragma altijd tot de kleinste waarde (natuurlijk ook bij het
maken van de proefstrook) want als ik zo een belichtingstijd voor het
papier vind is dat altijd een langere. Een langere belichtingstijd
heeft als voordeel dat het belichten ook wat eenvoudiger is, want men
kan zich voorstellen dat bij een korte belichtingstijd van
bijvoorbeeld 3 seconden een foutje van 1 seconde korter of langer een
groot verschil uitmaakt, makkelijk is bijvoorbeeld een belichtingstijd
van 20 of 30 seconden, een seconde langer of korter maakt dan niet
veel meer uit.