Voorbeeld 2

Onderstaande foto's werden gemaakt met;

  1. Een Nikkormat camera.
  2. Een Panagor spiegelobjectief met vivitar 2x teleconverter.
  3. Een 3200 ASA/ISO Kodak T-MAX zwart/wit film.
  4. Ontwikkeld in T-MAX ontwikkelaar. (Volgens aanwijzing op de verpakking).
  5. Geen stopbad.
  6. Afgedrukt op AGFA-Portriga-speed (mat) papier.
  7. Papierontwikkelaar AGFA Neutol liquid WA.
  8. Omgekleurd met behulp van o.a roodbloedloogzout. (Zie les 8)
  9. Het blauw in de achtergrond van een van de foto's ontstond doordat de foto niet geheel werd uitgefixeerd en dus iets gevoelig bleef voor licht. Ook dat kan men dus bij het omkleuren van foto's gebruiken!

De groene tekst werd ook al bij de vorige "Voorbeelden" geplaatst, de werkwijze daarin beschreven dient ook voor deze foto.

                    

                                        

                                                         

Foto's gemaakt met een "spiegel-teleobjectief" met "teleconverter 2x" 

Omdat ik de snelle Kodak T-Max film van 3200 ASA/ISO gebruikte was het mogelijk om de foto's "uit de hand te nemen"  (kortere belichtingstijd geeft minder kans op bewegings-onscherpte) ondanks dat ik het  spiegel-tele-objectief met converter gebruikte, dat heeft weer als voordeel dat men snel een opname kan maken en dat is voor dieren-fotografie natuurlijk wel haast noodzaak. Met een tele-objectief krijgt men ook snel een mooie onscherpe achtergrond. Die achtergrond is in een foto uiteraard ook altijd erg belangrijk en moet bij het nemen van de foto goed bepaald worden, doe daarvoor eens een stap opzij of ga eens op de knieen zitten. Als men het diafragma groter maakt, wordt de scherpte in de diepte minder (zie de eerste lessen over diafragma) Een spiegel-objectief geeft een andere "achtergrond-onscherpte" dan een gewoon objectief, een gewoon objectief laat de vorm van het diafragma zien, witte heldere vlekken worden vaak "achthoekig". Een spiegelobjectief heeft geen diafragma en laat ronde vlekken zien. Het spiegelobjectief heeft als voordelen het lichte gewicht en zijn korte afmeting, daardoor gaat het fotograferen "uit de hand" ook nog wat makkelijker. Een nadeel is het ontbreken van het diafragma, men heeft daardoor een vaste lensopening van 8, daardoor kan men alleen de tijdinstelling voor de belichting van de foto gebruiken. Heel erg is dat niet want de T-Max 3200 ASA/ISO film heeft een behoorlijke speling in de belichtingstijd en bovendien kan men de film heel goed op- of onderwaarderen op b.v 6400 ASA/ISO of 1800 ASA/ISO, men moet dan met het film-ontwikkelen daarmee rekening houden en gewoon wat langer of korter ontwikkelen, de juiste ontwikkeltijden staan duidelijk op de fles met ontwikkelaar aangegeven. Wel moet men er natuurlijk aan denken dat met voor een film wel voor alle opnamen daarop dezelfde film-gevoeligheid instelt.

Hoe langer een brandpuntsafstand van een lens is hoe minder speling er bestaat in de scherptediepte, een telelens heeft dus veel minder scherptediepte dan b.v. een groothoeklens. Als men deze lenzen voor het goede onderwerp gebruikt is dat een voordeel. Denk aan b.v. landschaps-fotografie, daarvoor is meestal een groothoek lens het meest geschikt (van voor naar achter scherp) Bij het fotograferen van portretten is het juist vaak weer mooi om de achtergrond onscherp af te beelden, het onderwerp komt dan "los". Vaak gebruikt men daarvoor het teleobjectief. De scherptediepte heeft dan zelfs zo weinig speling dat tralies bij dierenportretten vaak helemaal niet meer zichtbaar zijn. Op bovenstaande foto's is dat goed te zien, de dieren zijn allen van grotere afstand gefotografeerd, ik heb mij bij het fotograferen op ongeveer 50 cm vanaf de tralies opgesteld. Meestal is het wat donker in de kooien, flitslicht laat de dieren schrikken, ook daarom is het gebruik van de snelle 3200 ASA/ISO T-Max film een aanrader.

                        

De foto's werden bijgesneden tot het lange formaat, ik gebruik daarbij altijd twee L-vormige witte "haken" die ik ten opzichte van elkaar over de foto kan verschuiven, zo vorm ik een passe-partout en kan ik heel makkelijk de gewenste uitsnede bepalen. De "haken" maak ik van een oud passe-partout van ongeveer 50 x 60 cm. of gewoon van een stuk wit karton. (zie figuur hieronder, bij de rode lijnen is het passe-partout doorgesneden). 

                                       

De standaardmaten van het fotopapier gebruik ik vrijwel nooit, ze voldoen naar mijn gevoel niet altijd. Vaak is het verrassend om te zien hoe positief de verandering is bij een foto met een andere dan de standaard uitsnede, een landschaps foto met horizontaal een lange uitsnede benadrukt de wijdsheid van het landschap, een kerktoren lijkt hoger met verticaal een langere uitsnede. Experimenteer hier zelf eens mee!      

De foto vertoont een duidelijke korrel, de korrel zelf is scherp. Natuurlijk geeft de snelle T-Max 3200 ASA/ISO film al een veel grovere (scherpe) korrel dan de langzamere films van 100 of 200 ASA/ISO. Hoe langzamer (of hoe minder gevoelig) de film, hoe kleiner de korrel. Ook de nauwkeurigheid waarmee men de film ontwikkelt speelt hierbij een belangrijke rol. 

De film werd ontwikkeld op de wijze zoals op de verpakking van de ontwikkelaar staat aangegeven, om vlekken op de film bij het drogen te voorkomen werd na het ontwikkelen en fixeren de film gespoeld in water waaraan (enkele druppels) afwasmiddel werd toegevoegd. (zelfde resultaat als toevoeging van wetting agent) Indien er onverhoopt toch nog te weinig licht aanwezig is, kan de film eenvoudig worden opgewaardeerd tot bijvoorbeeld 6400 ASA/ISO, de verpakking van de ontwikkelaar geeft aan hoeveel langer dan ontwikkeld moet worden. In eerdere lessen (zie les 1 t/m 8) werd al uitgelegd dat het uit de hand fotograferen mogelijk is tot ongeveer 1/60 sec met een 50 mm lens. (uiteraard is ook nog belangrijk hoe vast men "terhand" is, en of men het fototoestel ondersteund door bijvoorbeeld ergens tegen aan te leunen)

Na het drogen van de film werd met de negatieven eerst een nauwkeurige proefbelichting op een strook fotopapier gemaakt, deze strook werd ontwikkeld en uitontwikkeld (dus net zolang in de ontwikkelaar laten liggen tot er geen zwarting meer optreedt, het fotopapier wel bewegen tijdens het ontwikkelen) Daarna de strook fixeren, spoelen en de de ontwikkeltijd vaststellen aan de hand van het best belichtte gedeelte van de proefstrook. 

Als algemene opmerking zou ik nog willen plaatsen (en velen van U weten dat al) dat de vergroter eerst scherpgesteld wordt op een wit stuk papier dat op de grondplank van het apparaat wordt gelegd, dat doet men met de grootste diafragmaopening, dat geeft een helder beeld voor de scherpstelling. Ook kan men  een stuk papier dan nog zodanig bewerken (een bepaalde vorm uitknippen) dat men dat als mal kan gebruiken als men bepaalde delen van de foto niet wil zien op de afdruk, tijdens het belichten schermt men die delen dan af, daarna schuift men het rode filter voor de vergroter en positioneert men het fotopapier waarop men af gaat drukken. Men draait daarna het diafragma naar een kleinere opening waardoor de scherptediepte (ook bij het objectief van de vergroter) gaat toenemen, eventuele kleine foutjes bij het precies scherpstellen kan men zo nog herstellen. Ik zelf sluit het diafragma altijd tot de kleinste waarde (natuurlijk ook bij het maken van de proefstrook) want als ik zo een belichtingstijd voor het papier vind is dat altijd een langere. Een langere belichtingstijd heeft als voordeel dat het belichten ook wat eenvoudiger is, want men kan zich voorstellen dat bij een korte belichtingstijd van bijvoorbeeld 3 seconden een foutje van 1 seconde korter of langer een groot verschil uitmaakt, makkelijk is bijvoorbeeld een belichtingstijd van 20 of 30 seconden, een seconde langer of korter maakt dan niet veel meer uit.