Afstamming
van de landarbeiders uit Den Hout (N.B.)
Uit:
“Geschiedenis van het
Noordbrabantsche Geslacht Cnipscheer of Knipscheer.”
Door; A.F. van Beurden (1905).
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
In het westen van Noord-Brabant ten zuiden van de nijvere Langstraat,
ligt tusschen welig geboompte de stad Oosterhout.
Van verre ziet men den fraaien Gotischen toren reeds rijzen boven de roode
daken van het stedeke, terwijl terzijde de ruïne van het kasteel Strijen
herinnert aan den feodalen tijd van leenheren en lijfeigenen.
Waar een Oosterhout bestaat,
moet ook westelijk daarvan een Hout
geweest zijn.
Volgt men den grooten weg in westelijke richting langs weilanden en
korenvelden heen, dan komt men door het gehucht Vrachgelen langs
den Heiligen Eik aan een wel gebouwd dorp met kerk, het oude Den Hout.
Kortbij liggen de gehuchten ter Aelst en het Eind, waar vroeger de sloten het
Panhuijs, het huis ter Aalst of
Bersselaarsslotje, thans verdwenen, lagen.
Willem van Duvenvoirde, heer van Oisterhout, stichtte 1 Oct.1336 te den Hout
een gasthuis met kapel, die beide later in oorlogs-tijden zoo verwoest werden,
dat er slechts enkele brokstukken
van over waren.
Pleit dit al voor den hoogen ouderdom van het dorp, ook het stichten van een
nieuwe kapel in 1609 voor de Katholieken van Oosterhout en den omtrek,
wijst op het aanzien der plaats.
Om het dorp liggen de Houtsche akkers, Eind van den Hout, Ter Aalst,
bosschen
en weilanden; de omgeving is vruchtbaar en vol afwisseling.
In het midden van ’t dorp ligt de oude, grote huizing of hofstede,
waarop in 1565 Cornelis Cnipscheer woonde, en die thans na 350 jaren nog
in ’t bezit van zijne
afstammelingen is.
Wel zijn de takken van de familie verspreid, zijn er uitgestorven en hebben
zich steeds sinds eeuwen leden der familie aan den geestelijken stand gewijd –
maar te Den Hout bestaan nog Knipscheers, die in de voetstappen van hun
voorvaderen
treden.
~~~~~~~~~~
>>TERUG<<