Genealogische Vereniging v/h

             Geslacht  

         ''KNIPSCHEER''  

 opgericht: 15 januari 1939

 

CRIMINALITEIT in de 18e eeuw.
 
Petrus Knipscheer, gedoopt op 18 januari 1739 in Den Hout,
landbouwer en gehuwd met Johanna Rutten, heeft in in 1785 de sensatie
meegemaakt door ene Adriaan van Campen gebrandschat te zijn.
Dit heerschap; Adriaan van Campen, was in de wijde Brabantse omgeving berucht.
De volksfantasie sprak van een grote bende misdadigers, die tot alles in staat was. 
Onverwacht kwam hij aan huis kloppen en vorderde een bedrag aan geld en
'anders steken wij uw huis in brand' was de bedreiging, dreigende taal die de
vordering kracht moest geven.
Later bleek dat hij dit steeds alleen deed; daarvan is het spreekwoord ontstaan:
"Hier zijn wij, zei van Campen, en hij was alleen".
Dit spreekwoord wordt vooral gebruikt, wanneer men 's-avonds in het donker
ergens alleen aankomt.
 
Uit het proces verbaal
Te lezen in het Gem.Archief Breda schepenbank nr 687,acte nr.72:
"Tussen 4 en 5 jan. 1785 in de nagt omtrent klokke tussen 
twee en drie uren aan het vengster zijner woonhuijzinge is 
aangeklopt geworden en hebben geroepen: 
'Knipscheer, doet open of staat op',
waarop hij op bedde liggende antwoordde:
'ik ken u niet, ik sta niet op'.
Dat vervolgens andermaal is aangeklopt en geroepen geworden:
'Ik moet geld hebben, gij moet mij tien Rijksdaalders
geven als andere brave luyden, of ik steek u huys in brand'.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
De dader
De afperser Adriaan van Campen, leefde van 25.05.17­46 tot 17.04.1787.
Hij was te Baarle Nassau geboren. Hij ging in Weelde (B) naar school en leerde
lezen, schrijven en rekenen. Zijn moeder was al vlug weduwe en in 1756
verhuisden ze naar Ginneken.
Hij was schaapwachter, koehoeder en van 1762-1764 boerenknecht te Bavel.
Hij werkte te Ginneken, Terheyden en Zevenbergen en kende daardoor de gehele streek.        
Op 21.01.1770 huwde hij met Maria Loonen.
Haar ouders woonden in Oosterhout. Hij werkte als boerenarbeider en woonde
5 jaren op de Zandheuvel te Oosterhout.
Omstreeks 1776 huurde hij van de wed. van Spaandonk een hoef.
Uit de nalatenschap van zijn moeder trok hij f 400,==, die hij gebruikte om
zich in de boerderij te steken. Hier bleef hij 6 jaren, tot hij omstreeks 1782 een
boerderij in Dorst wist te betrekken.
In de 17 jaar van zijn huwelijk heeft van Campen zich met het schrijven van zgn 
'brandbrieven' bezig gehouden. (afpersing delicten dus)
Onder een boom, aan een hekpaal, of tussen de planken van een varkenshok stak
hij zijn dreigende briefjes, waarin hij ver­klaarde de boederij van een bepaalde
boer in brand te zullen steken, als hij niet binnen zoveel tijd een bepaalde som
geld op een aangegeven plaats legde.
Hij heeft bij zijn verhoor uitvoerig inlichtingen gegeven.
Er vielen schades tussen de f. 2.500,00 en f 3.500,00 aan boerderijen en schuren,
die met een zwavelstok in brand werden gestoken.
Ook ontving hij bedragen tussen de f. 200,00 en f 1000,00.
Bij sommigen kwam hij 2x of 3x terug. Meermalen bedreigde hij z'n slachtoffers
met een geschietwapen en om de indruk te wekken, dat het een hele bende was
sprak hij van 'wij'.
Men staat verbaasd, hoe van Campen 17 jaar lang zo heeft kunnen doorgaan.
Zeker is dat hij zeer behoedzaam te werk is gegaan en hij zich altijd wel
onherkenbaar heeft gemaakt.
Maar ook de arm van de justitie in die tijd was erg zwak.
Weliswaar nam de overheid maatregelen. De bevolking werd er nl op gewezen,
dat indien zij een brandbrief mochten ontvangen, daaraan geen gevolg te geven,
doch terstond de schout of drossaard moesten berichten.
Werd toch brand in het huis gestoken dan werd de schade van landswege vergoed.
 
Ontmaskerd

Een zekere A.J., landbouwer te Dorst, had in de vroege morgen van een
winterdag, begin 1787, een brandbrief onder de voordeur gevonden.
Hij las hem, bergde hem op onder de striktste geheim­houding.
Ook zijn huisgenoten stelde hij niet op de hoogte van deze bedreiging.
Op een zondag in maart uit de kerk komende ontmoet hij zijn buurman,
Adriaan van Campen, en deze zei:
"Wat hoor ik, buurman, hebben ze bij u ook een brandbrief gelegd ?"
Welke vraag door A.J. bevestigend werd beantwoord. 
Waarop van Campen zei:   "Dan staat ge voor een moeilijk geval.
Brengt ge het geld, dan zijt ge de centen kwijt, en brengt ge het niet,
dan leeft ge uw leven lang in onrust......
Ge moet het zelf weten, maar in uw plaats zou ik de centen brengen,
ge kiest van twee kwaden de minste".
Kort na dit gesprek spoedde A.J. zich naar Breda (5km verder) om de drossaard
van zijn ontmoeting in kennis te stellen.
Adriaan van Campen stond bekend als een zeer gespierd persoon, sluw en geslepen.
Daarom werd een valstrik gespannen. De verkoop van brandhout vormde in die
dagen bij gebrek aan steenkool een niet te versmaden bron van inkomsten voor
vrijwel elke landbouwer, zo ook voor Adriaan van Campen,
die, toen hij werd verzocht de volgende dag een kar hout te leveren aan het
garnizoen te Breda, zich onmiddellijk daartoe bereid verklaarde.
Nauwelijks was de eerste brug bereikt, die toegang gaf tot de vesting,
of de wacht sprong toe.
Maar niet vlug genoeg om van Campen te beletten van onder zijn blauwe kiel
een pistool te grijpen, op de wacht te vuren en zich in de vestinggracht te werpen,
ten einde zich door verdrinking van het leven te beroven. De poging mislukte.
Hij werd uit het water gehaald en naar de gevangentoren gebracht. Aldaar werd hij
lang en uitvoerig gehoord, het derde verhoor van 19 tot 30 maart telde maar liefst
531 vraagpunten, en toen kwam zijn schuld onomstotelijk vast te staan.
Ook zijn vrouw scheen men niet geheel onschuldig te achten,
want zij werd eveneens gevangen gezet.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
De executie
Het vonnis werd 11 april 1787 uitgesproken en op 17 april op de grote markt te
Breda voor het stadhuis uitgevoerd:
Z’n rechterhand werd afgehakt en hij werd levend van onderop geradbraakt.
Waarna zijn hoofd werd afgehakt en het dode lichaam op het buitengerecht verbrand.
Aldaar werd het afgehakte hoofd op een pin op een paal gezet en de hand
daaronder genageld.                   Zo ging dat dus in die tijd!
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
<<terug naar Historie>>   of terug naar  <<Namenreeks>>
 
 

Gisbert Willem Knipscheer

is gedoopt in Rees (D) op 2 februari 1766.   

Hij was schipper in Orsoy (D) en aldaar gehuwd

met Johanna Schuurmanns. 

Hij was lid van het schippersgilde te Arnhem in 1786

en van het schippersgilde van Nijmegen in 1792.

In 1799 ontving hij een medaille voor een reddingsdaad tijdens ijsgang bij Zutphen.

Gisbert wordt in dat jaar eervol vermeld in het archief van de stad Zutphen.

Hij ontving tevens van de stad een zilveren medaille met eervolle vermelding.

Volgens de beschrijving in de "Westfaelische Anzeiger" was op één zijde van

deze medaille het op de keerzijde de volgende vermelding geschreven:

                        "Gisberto Wilhelmo Knipscheer

                        ob egregiam operam in servandis an

                        inudatione civibus praestitam,

                        Senatus Zutphaniensio grati

                        animi momentum.

                        Anno 1799  V. Lib. Bat."

Hetgeen vertaald luidt:

                    "Aan Gisbert Willem Knipscheer wegens het

                    uitstekend werk dat volbracht werd bij het

                    redden der burgers bij een

                    overstroming als herinnering en uit dank van

                    De Senaat van Zutphen.

                    In het jaar 1799 V. der Bataafse bevrijding."

 

Wat was de aanleiding voor deze eervolle vermelding en zilveren medaille?

Volgens de beschrijving in de "Westfaelische Anzeiger" van 24.12.1799 had

Gisbert gedurende de winter van het jaar 1799 met zijn boot in Zutphen gelegen.

Een zware ijsgang op de rivier veroorzaakte een ernstige overstroming in en

buiten de stad. Meerdere gezinnen uit de voorstad, die door ijs en

water afgesneden waren en op de daken en de dijk gevlucht waren, dreigden

daarbij te verhongeren en om te komen.

Men verzocht de schippers in Zutphen deze mensen te helpen en hun

levensmiddelen te brengen. Sommige inwoners van de stad offerden goede

beloningen voor diegene, die het zou willen proberen de mensen in nood te redden.

Doch niemand meldde zich.

 

Tenslotte kwam de schipper Knipscheer, die zijn scheepsknechten moed in sprak

en aanbood een poging te ondernemen.

Onder groot levensgevaar ging hij dwars door de golven, ijs en pakijs,

en bracht de ongelukkigen voedsel. Hij kwam heelhuids terug, maar gaf niet op

tot dat hij al de slachtoffers gered had.

De stedelijke overheid, alsook mensen uit de stad, boden hem daarop beloningen

aan, die hij echter onbaatzuchtig afwees.

Daarop besloot de vroedschap van Zutphen, getroffen door deze moedige en

onbaatzuchtige daad, deze in het stedelijke archief op te tekenen en

Knipscheer tevens een zilveren penning met opschrift aan te bieden.

Tegelijkertijd werd een bericht geschreven aan de

wetgevende raad der Republiek.

Deze besloot daarop dat aan de edelmoedige Knipscheer een zilveren doos

uitgereikt zou worden, waarin een perkament waarop zijn moedige daad

beschreven werd.

Het is onbekend waar de zilveren penning en de zilveren doos van schipper

Gisbert Willem Knipscheer gebleven zijn.

                                         ~~~~~~~~~~

<<terug naar Historie>>

                of

<<terug naar Namenreeks>>