paarden
Terug
paarden
Bekehusen
paarden
Aortjes Hus
paarden
blacklockadal
Als Aortje in 1918 met haar gezin in Aortjes Huus trekt, heeft zij geen tijd om zich om de wereldse problemen van die tijd, zoals
vrouwenemancipatie en vrouwenkiesrecht, te bekommeren. Zij had geen keus, ze moest hard te werken voor haar gezin. En ze
was, tegen wil en dank, al zeer geëmancipeerd: als dagloner was Hendrik vaak van huis om de kost te verdienen. Met vele
anderen trok hij vaak naar ‘Holland’, waar hij vooral op boerenbedrijven in de Beemster- en Schermerpolder werkte. Ze gingen op
de fiets. Degene die wat geld had, maakte de oversteek met fiets op de boot. De armsten fietsten het hele eind. Die Hollanders
keken nogal op de dagloners uit Gelderland neer. ‘Gelderse poepers’ werden ze genoemd. Laten we het er maar op houden, dat
die ‘Hollandse kakkers’ het nogal hoog in de bol hadden…

Aortje moest ondertussen hun vier kinderen kleden en te eten geven. En daar kwam in september 1918 Leentje bij. De oudste
kinderen gingen in Hulshorst naar school. Iedere schooldag liepen ze daarheen; een uur heen en een uur terug. De jongste
meisjes hingen nog aan moeders rokken. In de jaren daarna worden Hendrik (juli 1921), Arend (september 1923) en Jentje
(oktober 1925) geboren. Het is vol in het huisje en de kinderen moeten de bedstee delen. Het huisje bestond uit twee vertrekken.
Als je er binnenging, kwam je in de voorkamer. Tegenover de deur was de schoorsteen met de potkachel, met daarnaast de
bedstee van Aortje en Hendrik. Hier kookte Aortje in de wintermaanden. De schoorsteen in het midden van het huis was erg
praktisch. Want aan de ene kant stond de potkachel in de voorkamer en aan de andere kant was de haard van de achterkamer,
waar vaders stoel stond. In de kamer stond verder niet veel meubilair, alleen een tafel met drie stoelen en een kabinet. Er lag
geen vloerbedekking, alleen een matje bij de deur. Water haalden ze uit de put buiten. De kinderen sliepen bij elkaar in de twee
bedsteden in de achterkamer. Misschien sliep Evert toen al op zolder, direct onder het kale pannendak. In de winter brandde de
olielamp maar tot zeven uur. Dan moesten ze naar bed, omdat er anders niet genoeg olie meer in de lamp zat voor de volgende
ochtend. Om de ergste kou te verdrijven, kregen de kinderen een zuurkoolsteen mee naar bed. Die steen werd oorspronkelijk
gebruikt om op de zuurkool te leggen. Daarna kreeg de steen een hele andere functie. Hij lag de hele dag op de plaat van de open
haard en was heerlijk warm als ze naar bed gingen. Na een paar uur echter was de steen koud geworden en mikten de kinderen
hem uit de bedstee. Het is te hopen dat ze een po hadden als ze in koude nachten ‘moesten’, want het privaat was buiten in een
houten hokje naast het huis: een plank met een gat erin.

Als de oudsten van de lagere school af komen, gaan ze werken. De kleintjes zijn dan aan de beurt om naar school te gaan en
lopen dezelfde weg als Evertje en Evert eerder. Ze krijgen een boterham met appelstroop mee en eten die op de heenweg
waarschijnlijk al op, net als hun broer en zus dat deden. Op de terugweg kwamen ze langs de boerderijen, waar alles groeide wat
het land te bieden had. De sloot die tussen de hongerige kinderen en de akker lag, hield ze niet tegen. Zo hadden ze tijdens die
lange weg terug, toch iets te eten.

Negenendertig is Aortje als in juni 1928 Willem geboren wordt. Willem die als peuter van de trap valt en sindsdien Aortjes
speciale zorg krijgt. Evertje is dan al getrouwd en het huis uit. In oktober 1930 komt Gerrit ter wereld. In januari 1932 wordt een
meisje geboren. Ze noemen ze haar Willempje. Aortje is dan drieënveertig jaar en Willempje is haar laatste kind. Tussen de
zwangerschap van haar eerste en de geboorte van haar laatste kind liggen drieëntwintig jaren. Daarvan is ze er negen zwanger
geweest.

Lees verder....
Dankwoord

Ik wil de heren Karsemeijer en Koele
van de Gemeente Nunspeet hartelijk
bedanken voor hun enthousiaste
medewerking.

Mevrouw Willempje v.d. Brug-Hop
dank ik voor haar verhalen over haar
jeugd in Aortjes Huus.

Ook dank ik de heer A.A.E.F. van
Eijck (penningmeester van de
Heemkundige Vereniging
Nuwenspete) en mevrouw H.
Hop-Hop voor de waardevolle
aanvullende informatie die ik van hen
kreeg; en de heer G. Berends, die mij
een parenteel van Hendrik en Aartje
Hop ter beschikking stelde, welke hij
ten behoeve van dit verhaal deels
samenstelde uit zijn eigen bestanden
en voor een deel uit een parenteel
"Hop" door de heer W.Hop uit
Zaandam.