ANTROPOSOFISCHE MUZIEKTHERAPIE OPLEIDING
Door Mirjam C. Radder

In Zeist bevindt zich Academie De Wervel, een vierjarige beroepsopleiding op H.B.O. niveau die muziektherapeuten en kunstzinnig therapeuten beeldend opleidt.

Als uitgangspunt voor de inhoud van de studie heeft het beroepsbeeld gediend, dat door de Nederlandse Vereniging van kunstzinnige Therapie op antroposofische grondslag is opgesteld. Het doel van kunstzinnige therapie is het stimuleren en ondersteunen van genezings- en ontwikkelingsprocessen bij de cliënt door middel van kunstzinnige activiteiten. De kunstzinnig therapeut doet dit met behulp van een doelgericht en een op antroposofisch menskundig inzicht gebaseerde keuze van kunstzinnige middelen.

De opleiding wordt gekenmerkt door een combinatie van een wetenschappelijk en medisch fundament en in de praktijk toegepaste vaardigheden. Om het grote vakkenpakket van muzikale vaardigheden, theoretische kennis en therapeutische attitude overzichtelijk te maken, zijn de vakken gegroepeerd in zes vakgebieden, te weten:

1-Muzikale vaardigheden
2-Fenomenologie
3-Menskundige en medische kennis
4-Ontwikkelingsleer
5-Waarnemen en handelen in de praktijk
6-Therapeutische attitude

Ik volg het vierde jaar en zal een impressie van een schooldag in het vierde jaar geven.
We beginnen de dag gezamenlijk met een kort gedicht, lied, verhaal of instrumentale voordracht die door een groepslid wordt voorgedragen, gespeeld of geleid. Daarna refereert datzelfde groepslid naar wat vorige week is behandeld in de les en wat hem of haar eventueel het meeste bij is gebleven. Vervolgens hebben we het eerste uur les van een muziektherapeut docent die op het kindertherapeuticum te Utrecht werkt, wat als landelijk centrum dient voor de diagnostiek van kinderen. De muziektherapeut zit daar in een team, bestaande uit een orthopedagoog en een kinderpsychiater. De kinderen komen uit het gehele land met hun ouders of verzorgers hier naar toe voor een dag en worden vooral vanuit de reguliere gezondheidszorg hier naar toe verwezen. Nadat er een diagnose is gesteld kunnen de kinderen in hun eigen woonomgeving therapie volgen en de ouders begeleiding krijgen die aansluit op wat hun kind nodig heeft. De docent geeft tijdens de les een demonstratie hoe ze in een half uur een kind observeert en wat je tijdens enkele muzikale oefeningen aan een kind kunt waarnemen, zowel door te kijken als door te luisteren. De muzikale oefeningen bestaan uit het spelen en zingen van een eenvoudig wiegeliedje op twee klankstaven (A en E toon). Eerst geeft ze een demonstratie en dan mag het kind zelf met twee stokjes om de beurt op de klankstaven spelen terwijl zij het zingt. Vervolgens draagt ze motorische variaties met de stokjes aan, zoals de stokjes tegelijk bewegen en beurtelings, maar gekruist. Gelet wordt of het kind in een cadans speelt, klinkt het vloeiend of houterig, is het tempo gelijkmatig, versneld of vertraagd het (dit kan iets zeggen over het temperament en de motoriek van een kind), kan het verschil in ritmes horen en deze naspelen ( wat iets zegt over het kunnen herinneren, reproduceren, gevoelens en de motoriek). Hoe houdt het kind de stokjes vast (los of stevig, aan het eind van het stokje of vlakbij het bolletje en hoe is zijn of haar mimiek en lichaamshouding daarbij). Vervolgens wordt hetzelfde lied op twee losse snaren van een kinderchrotta (Keltisch snaarinstrument met 4 snaren) gespeeld, waarbij erop gelet wordt of het kind de toon herkent, die ook op de klankstaaf werd gespeeld, hoe de coördinatie is (vasthouden van strijkstok en het strijken op de snaren), hoe het klinkt (duidelijk, volle toon en in een cadans of vegerig, krassende, piepende toon, onregelmatig, niet in een cadans). Dit kan iets zeggen over iemands gevoel (durft een kind zichzelf te laten horen, heeft het contact met zijn of haar eigen gevoel, het instrument of heeft het een pantsertje om zich heen, wil het alles perfect doen, is het kind te voorzichtig, of is het juist grenzeloos, ruw, ongestructureerd. Op deze wijze komen nog een aantal oefeningen met instrumenten aanbod, één op de kromhoorn waarop geblazen wordt en één op een handtrommel, djembe of een klap/stamp oefening. Ook wordt aan het kind gevraagd, of het het lied kan zingen. Bij alles vraagt de muziektherapeut zich af hoe er gespeeld wordt, hoe het klinkt, hoe het kind reageert en contact maakt, of er patronen zijn te herkennen, of het kind te beïnvloeden is, of het kind in staat is veranderingen toe te passen, op welk ontwikkelingsniveau het kind functioneert en of dit overeen komt met zijn of haar leeftijd?

Aan het eind van de les krijgen we als opdracht mee, zelf een muzikale diagnose af te nemen bij een kind tussen de 7 en 10 jaar op de wijze en met de instrumenten zoals Wendy het ons demonstreerde gedurende een half uur. In een volgende les bespreken we elkaar bevindingen.

De volgende twee uur hebben we muziekfenomenen van dezelfde docent aan de hand van het boek Ein Weg zur Erweiterung des Tonerlebens geschreven door Heiner Ruland. Het gaat over muzikale toonkunde met behulp van een monochord. De opdracht was dat een ieder een monochord zelf zou bouwen en tesamen met een tien snarige kinderlier zou meenemen. Een monochord bestaat uit een houten plankje waarop met twee stempinnen één stalen dunnen snaar is gespannen die een speellengte heeft van vijftig centimeter en aan iedere kant rust op een houten blokje (de kam). Met een grotere houten schuifbare kam kun je de snaarlengte korter maken. In het boek van Ruland bevindt zich een papieren meetlat waarop verschillende toonladders staan, zoals de Pythagoras ladder die afwijken van onze Westerse toonafstanden.

De tonen klinken in ons gehoor aanvankelijk als onzuiver, maar op Java in Indonesië wordt er middels de gamelan muziek nog steeds van deze klanken gebruik gemaakt. Het meetpapier van Ruland wordt bevestigd onder een deel van de snaarlengte vanaf één van de kleine kammen, waardoor we verschillende toon afstanden kunnen lezen van een toonladder. Door met de schuifbare kam die tonen op te zoeken, uit te meten en met je vinger de stalen snaar aan te tokkelen binnen die toon afstand kun je de klank horen van die toon. Nu is het de bedoeling dat we alle vijf tonen (het gaat om pentatonische toonladders) opzoeken en stuk voor stuk de klank ervan opzoeken, stemmen op de snaren van de kinderlier. Dagelijks gedurende een week luisteren we naar die specifieke klanken waardoor onze oren er meer mee vertrouwd raken. De week erop behandelen we weer een andere toonladder en volgen dezelfde procedure. Iedere week geeft er een student uit de groep een uiteenzetting van een bepaald interval hoe Ruland dat beschrijft in zijn boek en meent hoe heel lang geleden de mensen andere klanken hoorden en gebruikten dan nu het geval is. In de les wordt besproken hoe en bij wat voor doelgroepen of individuele mensen je therapeutisch gebruik zou kunnen maken van deze klanken.

De middag uren bestaan uit improvisatie les, gevolgd door twee uur intervisie waarbij de groep is opgesplitst. Bij de improvisatie les zitten we in groepjes van drie studenten en mogen we zelf een ritme instrument uitkiezen waarop de één de therapeut speelt en de ander de cliënt speelt. We oefenen in het als therapeut volgen van het spel van de cliënt, daarna gaan variëren als therapeut en luisteren of de cliënt gestimuleerd wordt om ook te gaan variëren. Als dit het geval is, gaat de therapeut over van variëren in initiëren. Tenslotte, als de cliënt in staat is tot initiëren, gaat de therapeut over tot confronteren. Het spel wordt na afloop door gesproken op hoe cliënt en therapeut het hebben ervaren, of de verschillende fasen door de derde persoon, de luisteraar, te horen waren en wat er nog anders of verbeterd kan worden en hoe je dat kunt doen (te denken valt aan het geven van accenten, tempo wisselingen en ritme variaties). De groep waarin ik zat had de marimba als instrument uitgekozen om met zijn tweeën op te oefenen. Het volgen en variëren hadden we de vorige keer uitgebreid geoefend op conga’s, het accent lag nu op het initiëren en confronteren. Tijdens en na deze oefening wordt je met jezelf geconfronteerd, in hoeverre ben je zelf in staat om te gaan met confrontaties en durf je een conflict met de ander te riskeren, aan te gaan en te begeleiden? De mate in hoeverre je zelf hierin ontwikkeld bent en er open voor staat, bepaalt of je de ander durft te confronteren en hoe kundig je bent in het begeleiden ervan.

In de laatste twee lesuren werd tijdens intervisie door een groepslid een probleem voorgelegd, wat zich afspeelde tijdens de stage en hebben we met behulp van de incident methode dit probleem behandeld, waarbij één groepslid als voorzitter fungeerde. Kenmerkend van de incident methode is het inbrengen van een incident, een probleem wat zich heeft voorgedaan, zonder de oplossing ervan te vertellen. Het probleem wordt in zo concreet mogelijke bewoordingen geformuleerd, waarna de andere groepsleden er beurtelings open vragen (hoe, wat, wie, waarover, wanneer en waarom) over kunnen stellen. De vragen kunnen op verschillende niveaus worden gesteld (cognitief, procedureel, interactief, gevoels- en handelingsniveau). De probleeminbrenger beantwoordt deze vragen voorzover dit mogelijk is, waarna er alternatieven door de groepsleden worden opgeschreven en uitgesproken. De probleeminbrenger kijkt wat hij hiermee kan en een volgende keer wordt er kort op terug gekomen.

We eindigen de dag met het intervisie groepje waarin je zit, door samen staand in een kring een moment stilte te houden en vervolgens elkaar een goede avond of week toe te wensen.

Academie De Wervel (030 - 6981155 of info@dewervel.nl)
www.dewervel.nl
'Ein weg zur Erweiterung des Tonerlebens', Heiner Ruland

Pforte Verlag (2002)