Interview Remonstrants maandblad AdRem, 18 oktober 2011

 

 

 

Recensie uit het Friesch Dagblad van 25 augustus 2011
(zie ook artikel daar onder)

 


 

  Artikel uit de Leeuwarder Courant van zaterdag 20 augustus 2011

 

 

 

  Nieuws


 

In mei 2009 kreeg Gonny van der Maten een bronzen médaille toegekend door de

Société académique d’éducation et d’encouragement “Arts – Sciences – Lettres” te Parijs,

voor haar verdiensten voor de (franse) cultuur.

Op 23 juli 2009 zal deze onderscheiding, na afloop van een door haar gegeven concert,

aan haar worden uitgereikt in de Koepelkerk te Leeuwarden.

Het progranma van die avond zal bestaan uit franse orgelmuziek:

van César Franck de Prière en Choral III, van Ch.M.Widor de Symphonie Romane.

 

Toespraak gehouden te Leeuwarden na de uitreiking van bovenstaande médaille :

 

 

                                                                                                            Recensies:

 

Friesch Dagblad vrijdag 24 juli 2009

 

 

Heerenveense Courant 4 december 2008

 

Haarlems Dagblad 29 mei 2007

                                                 

Friesch Dagblad 20 juli 2007     
 


Links:

http://orgelconcerten.ncrv.nl/ncrv?nav=nqlgnDsHtGAkBbCeBaO 2000
                                                         
Gonny van der Maten speelt composities van
                                                         
Hindemith, Pärt, Alain en Distler op het Flentrop-orgel
                                                          in de Grote of Onze- Lieve-Vrouwekerk te Breda.

 

http://www.kerkenluisteren.nl      Met o.a. een concert gegeven door Gonny van der Maten    



Tekst uitgesproken bij aanvang van de concertserie A Woman’s Touch op 28 augustus 2008 in de Grote Kerk te Wijk bij Duurstede.

De concertserie die vanavond begint, is gewijd aan muziek, geschreven door vrouwen en gespeeld door vrouwen.
Naar mijn idee is het eigenaardig dat dit gebeurt.
We kennen immers ook geen series die speciaal gewijd zijn aan mannenmuziek. En zo lang er speciale aandacht ergens voor nodig is, is de balans zeker niet bereikt.
Het is mij als vrouw een raadsel wat mannen er toe heeft gebracht en nog brengt om vrouwen uit te sluiten van onderwijs en belangrijke functies in de maatschappij. Is het angst? Is het van oorsprong alleen maar de spierkracht en dus de macht? Hoe komt het dat God (het machtigstige wezen) als mannelijk wordt gezien? En waarom hebben velen daarnaast zo’n behoefte aan een vrouw als aanbedene? Maria speelt in de christelijke kerk niet voor niets zo’n grote rol.
Dat er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen in het algemeen, is voor velen duidelijk. Toch is de scheidslijn niet zo scherp te trekken. Zogenaamde mannelijk en vrouwelijke eigenschappen komen in ieder mens voor, alleen steeds in een unieke mix. Yin en yang hebben anderen dat al lang geleden genoemd. Er zijn culturen die soms wijzer zijn dan de westerse.

De westerse orgelwereld is geen uitzondering op de overheersing van de mannen. Wat dat betreft is extra aandacht voor de vrouw geen overbodige luxe. Nog steeds wordt het orgel gezien als een instrument met mannelijke power. En nog nooit is een vrouw in de afgelopen eeuwen stadsorganist van Haarlem geweest, om maar een belangrijke post te noemen.
Toch zou de orgelwereld er bij gebaat zijn als er meer evenwicht was.
Goed communiceren is dan natuurlijk wel noodzakelijk. Het serieus nemen van vrouwelijke talenten met een eigen expressie zou de orgelwereld zeker kunnen verrijken.

Ondanks alle onderdrukking en uitsluiting van vrouwen, zijn er in het verleden toch vrouwen geweest die aandacht vroegen en kregen voor hun talenten, die belangrijke bijdragen hebben geleverd aan cultuur en maatschappij en daarmee de positie van vrouwen onder de aandacht brachten. Zij zijn uitzonderingen en noodzakelijkerwijs zeker sterke persoonlijkheden.
Al heel lang geleden, in de Middeleeuwen, was dat bv. de abdes Hildegard von Bingen, van wie nu nog muziek gezongen wordt.
Ook Elisabeth-Claude Jaquet de la Guerre schreef prachtige muziek rond 1700. Zij is de rode draad in deze serie en typisch een voorbeeld van miskenning. Haar muziek werd in haar tijd vrijwel alleen in haar eigen salon uitgevoerd. Ik prijs mij gelukkig dat ik haar vanavond wat wereldkundiger mag maken. Ik zou mij nog gelukkiger prijzen als ook mannelijke collega’s deze muziek gingen spelen.
Ik voel mij zeer vereerd dat ik deze bijzondere serie mag openen en afsluiten. De vrouwen die voor u zullen spelen in de komende weken zijn stuk voor stuk uitzonderlijke wezens. Niet alleen als musici, maar ook als mensen.
Gelooft u mij: een vrouw in de orgelwereld is nog steeds bijzonder, heeft zo nu en dan ook last van het “old boys’ network”, maar wil graag zichzelf zijn en zo gewaardeerd worden.
Leve deze krachtige types en dank voor uw extra aandacht. 

Gonny van der Maten    


Artikel:

Verschenen in: De Orgelkrant, december 2007

ORGEL PLUS ? 

De laatste tijd kun je er niet meer onderuit: orgel plus is in. Daarmee bedoel ik alle concerten/voorstellingen die gegeven worden waarbij het orgel een rol speelt, maar waarbij andere kunstvormen, zoals theater, poëzie, dans, acrobatiek, film etc. een zeker net zo belangrijke plaats innemen.

Initiatieven als het Orgelpark en het Festival voor de Wind zijn daar voorbeelden van, maar ook het in het 6e nummer (2007) van Het Orgel uitgebreid beschreven en geprezen Rotterdam International Organ Symposium met als thema “orgel en wereldmuziek”.

Natuurlijk begrijp ik het standpunt van alle avonturiers in orgelland: we moeten iets doen voordat de orgelcultuur in Nederland uitsterft. Ook ik deel dat gevoel. Zelf ben ik, inmiddels al weer zo’n tien jaar geleden, begonnen met concertvoorstellingen rond verhalen, met poëzie en/of dans. Enthousiast ging ik aan de slag en inderdaad: er kwam nieuw publiek op af. Maar wat ook gebeurde: het oude publiek bleef vaak weg of kwam hooguit uit nieuwsgierigheid een keer kijken. Ik geloof wel dat ik mensen op sommige momenten heb kunnen boeien, maar ik geloof niet dat ik mensen inmiddels beter heb leren luisteren, laat staan gewonnen voor het orgel. Mijn ervaring is dat mensen komen om te kijken en niet om te luisteren. Sprekend voorbeeld vond ik het moment waarop ik in een voorstelling over de Kleine Prins het Ricercare uit het Musikalisches Opfer van Bach speelde, terwijl er niets te zien was. Het bleek dat het publiek het niet kon opbrengen om zomaar 6 minuten naar prachtige muziek te luisteren. Wij hebben daarop besloten dat de acteur tijdens deze muziek het publiek visueel bezig ging houden. Ik heb dat altijd jammer gevonden.

Ook bij het laatste Festival voor de Wind heb ik mij laten vertellen dat bij de dansvoorstelling in de Nicolaïkerk er tijdens de orgelsolo’s gewoon door het publiek gepraat werd. Al wordt er nog zo mooi gespeeld: als er niets te zien is, verveelt het publiek zich (?).

Mijn conclusie is dat ik zelf eigenlijk weer graag terug wil naar pure luisterconcerten waar niets te zien is. Het geconcentreerd luisteren naar muziek komt in onze huidige maatschappij niet veel meer voor. Velen zijn bezig met andere zaken, terwijl er muziek in hun oren klinkt. Het zonder afleiding ondergaan van muziek is een zeldzaamheid geworden, waardoor veel muziek niet goed tot zijn recht komt. Zelfs in het Festival Oude Muziek in Utrecht zijn experimenten gedaan om de stille houding van het publiek te doorbreken. Er werd een historisch argument aangedragen voor dit informelere gedrag, maar ik denk dat men eigenlijk het publiek op een luchtige manier wil trekken. Toch heb ik gelukkig ook in datzelfde Festival meegemaakt dat er honderden mensen 70 minuten lang stil zaten te luisteren naar een orgelconcert door Ton Koopman, terwijl er niets te zien was. Hij speelde veel Buxtehude, uiteraard omdat Buxtehude dit jaar driehonderd jaar geleden is gestorven. En dan kom ik op een opmerking die Aart Bergwerff maakt in zijn artikel in Het Orgel (nummer 6, 2007). Hij schrijft: “Het is niet meer van deze tijd om een hele zomerserie van acht concerten te wijden aan de orgelwerken van Dietrich Buxtehude op een orgel dat daar ongeschikt voor is, uitsluitend vanwege het feit dat Buxtehude driehonderd jaar geleden overleden is.” Ik vind dit nogal denigrerend klinken naar degenen die oprecht geïnteresseerd zijn in de muziek van Buxtehude. Zij willen kennelijk “alleen maar” luisteren en muziek leren kennen of opnieuw beleven. Wie bepaalt er wat er “niet meer van deze tijd is?” En of het orgel geschikt is voor een bepaald soort muziek, daarover kunnen organisten naar mijn smaak (te) oeverloos ruzie maken.
 

Nog altijd vind ik de concerten die gegeven worden in de oude St.Bavo in Haarlem een prachtig voorbeeld van hoogstaande orgelcultuur, die goed bereikbaar is. Er is vrijwel geen enkele concessie gedaan aan de orgel-plus-trend; het publiek komt van prachtige muziek en van een prachtig orgel genieten (dit laatste wordt wel eens vergeten bij orgel-plus-aktiviteiten) zonder dat er meer is te zien dan het mooie orgelfront en bovendien wordt er op hoog niveau muziek gemaakt. Verder, en dat vind ik heel belangrijk, is de toegang gratis, waardoor de drempel zo laag mogelijk is voor het publiek. Iedereen mag zelfs in en uit lopen, als het maar niet tijdens de muziek is. M.a.w. je mag alleen naar binnen om echt te luisteren. De overheid draait op voor de kosten (mooie taak!). Hopelijk blijft dit in de toekomst zo. Je zou wensen dat deze situatie in het hele land zou gelden.

Laagdrempelig betekent volgens mij niet dat je alleen maar moet toegeven aan wat mensen willen. Ik heb ook wel eens een kinderorgelconcert meegemaakt waarbij de organist vòòr elk stukje van ca. drie minuten iets vertelde over de sfeer of de kinderen wees op een belangrijk moment in de muziek. En er werd steeds door alle kinderen goed geluisterd. Uiteraard moet je als organist dan wel met passie over je eigen vak kunnen spreken.

Is dat ouderwets of willen we eigenlijk graag ons publiek boeien door mooie orgelmuziek? 

Gonny van der Maten

Homepage