Koevisie maart 2003    tekst Bert Wesseldijk / fotografie Alex Arkink

Harold en Sandra Gijmink zien graag echte melkkoeien en een mooie opbouw van bloedlijnen

‘Fokkerij is net een breiwerk’

‘Wie puur naar economie kijkt, zou gewoon de halve veestapel onder Kian moeten doen. Het is een complete stier, maar geeft niet het soort koeien dat ik graag zie. En dus gebruiken we hem nagenoeg niet.’ Harold Gijmink ten voeten uit. De jonge ondernemer heeft een nadrukkelijke voorkeur voor beste exterieurkoeien, die laten zien dat ze veel geven.

Harold en Sandra Gijmink: ‘In een economische bui, als de boekhouder pas is geweest, willen we best eens een paar rietjes kopen van een economische stier, een stier met hoog eiwit en 105 exterieur. Maar vaak worden er niet meer dan een of twee koeien van geïnsemineerd!’

‘Tijdens een dochtergroepenshow van KI Nieuw Leven in Varsseveld zag ik Jan Arfman met Anka en dacht meteen: “Dat soort koeien wil ik graag op stal hebben.” Moderne rode Holsteins, waar de melk vanaf druipt.’ Harold Gijmink uit Nieuwlande weet goed wat hij wil en niet wil. Hij houdt er bovendien van om zijn mening duidelijk over te brengen. ‘Bespiering hebben we meteen overboord gegooid. We zijn al jaren gefixeerd op melk.’

Genieten

Tot 1994 boerde de familie Gijmink in de omgeving van Hengevelde (Overijssel). De oorspronkelijke MRIJ-veestapel – in stal Gijmink ligt de bakermat van MRIJ-vererver Sas 15 – maakte voor het eerst kennis met Holsteingenen via Enhancer RF, Adler RF en Regal. Daarna kreeg Stratos veel invloed. Na de trek in noordelijke richting werd het bedrijf gesplitst. Harold en zijn vrouw Sandra streken neer in Nieuwlande, terwijl broer Dennis van start ging in het naburige Geesbrug. Vader Jan en moeder Willemien hebben met beide zoons een maatschapverband. De fokkerijstrategie bleef na de verhuizing ongewijzigd. Harold Gijmink houdt van melkkoeien. Van koeien die goed produceren en ook laten zien dat ze goed produceren. Een kwestie van gevoel, zo blijkt. De jonge ondernemer is realistisch als hij zegt: ‘Puur op basis van economie zou ik het misschien best anders moeten doen. In een economische bui, als de boekhouder pas is geweest, wil ik ook best eens een paar rietjes kopen van een ”economische” stier, een stier met hoog eiwit en 105 exterieur. Maar vaak worden er uiteindelijk niet meer dan een of twee koeien van geïnsemineerd!’ Wie puur naar economie kijkt, zou volgens Harold gewoon de halve veestapel moeten paren met Kian, een heel complete stier, met een goede productie, goed eiwit en prima uiers en benen. Maar Kian geeft niet het soort koeien dat Gijmink graag ziet. ‘Daarom gebruiken we hem nagenoeg niet. De korte tijd dat we hier rondlopen, willen we ook een beetje kunnen genieten. Mooie koeien geven ons werkplezier. En we gaan ook graag met koeien naar de keuring. Als we een bepaalde combinatie maken, vragen we ons al af: “Wat komt eruit? Wordt het een kandidaat voor keuringen?” Prachtig toch?’ 

Zuiniger op eiwit

Sandra geniet als ze haar man bevlogen hoort praten over de fokkerij. Ook zij is groot liefhebber van koeien en keuringen. ‘Maar,’ zegt ze. ‘Het is niet alleen exterieur en show, wat we willen. We hebben een groeiend bedrijf en moeten dus ook weldegelijk naar de economie kijken. Exterieur en economie kan naar ons idee ook best hand in hand.’ Waar wordt met name op gelet bij de stierenkeus? ‘De minimumeis voor exterieur is 110. Daarnaast kijken we naar bloedvoering. Tulip en Faber fokken bijvoorbeeld in de Blackstar-richting en de zonen van Stollberg meer in de Starbuck-richting. Dat combineert mooi. En … om economische redenen zijn we wat zuiniger geworden op het eiwit. We hebben momenteel gemiddeld 3.44% en dat moet ook de ondergrens zijn.’ Over het combineren van koeien en stieren heeft Harold zo zijn eigen ideeën. Hij ziet graag een mooie opbouw van bloedlijnen en vergelijkt fokkerij met een breiwerk. ‘Ik heb een hekel aan eindproducten, stieren zoals Geestwood. Bloedlijnen moeten passen en een mooi patroon geven. Sterke en zwakke punten van koeien en stieren moeten elkaar compenseren. We melken nogal wat Lentini’s. Dat zijn ras melkkoeien, met overigens beste benen en klauwen. Om de balans erin te houden, wil je er wat extra macht in fokken. Als ik niet naar eiwit hoefde te kijken, zou ik alle Lentini’s onder Jerom doen. Maar dat wordt me wat betreft eiwit te extreem, dus heb ik gekozen voor de combinatie met Kollo.’

Melkkoeien zijn fokkoeien

We horen de Gijminks nauwelijks spreken over functionele onderdelen als uier en benen. Zijn deze van ondergeschikt belang? Nee, zo blijkt. Bij de selectie van het stierenpakket wordt er weldegelijk rekening mee gehouden. Maar wanneer het echtpaar praat over koeien, hebben ze het toch vooral over melktype en ook over ontwikkeling. ‘Koeien zijn ons niet gauw te groot. Met het verhaal dat grote koeien niet passen in Nederlandse stallen, ben ik het niet eens. Dat hoorde je in de MRIJ-tijd ook al. Maar kijk je naar welke koeien het niet volhouden in de stal, dan zijn het lang niet altijd de grootste koeien. Het gaat meer om de bouw. Hoe zitten koeien in elkaar?’ En wat betreft de link tussen exterieur en duurzaamheid, heeft Harold ook zijn eigen theorie. Achteruiers krijgen extra aandacht, omdat het kenmerk veel zegt over de duurzaamheid van de uier. Echte melkkoeien hebben volgens Gijmink vaak sterke achteruiers en beschikken sowieso over veel kwaliteit. Hoezo kwaliteit? ‘Daarbij denk ik aan lange ribben, platte botten, een lange nek en fijn vel. Kortom, alle kwaliteiten van een melkkoe,’ meldt Harold, die aangeeft dat echte melkkoeien in zijn optiek ook vaak de betere fokkoeien zijn. Hij verwacht in zijn stal in die zin meer van de Stollberg-fokkerij dan van de Jubilant-fokkerij. ‘Koeien uit de Jubilant-lijn zijn geen echte melkkoeien. Ze zijn wat stijf van lichaam en wat te lui van karakter.’   

Dit zijn G.N. Fia 8 VG-85 en G.N. Marion 20 VG-86. De twee eigengefokte Lentini-vaarzen uit stal Gijmink Nieuwlande worden voorspeld op respectievelijk 9947 kg 3.75% 3.22% LW 119 en 8838 kg 3.99% 3.41% LW 114 en laten volgens Harold Gijmink zien wat hun vader kan brengen: ras melkkoeien met hele beste benen en klauwen. ‘Je moet ze bewaken wat..betreft eiwit, anders wordt het te extreem.’

Janny als voorbeeld

Zoals gezegd zijn de Gijminks dik tevreden met de verrichtingen van Lentini in hun stal. Met name de donkere fotokoe, G.N. Marion 20 VG-86, pas uitstekend in het beeld dat het echtpaar voor ogen heeft. Deze Lentini is een eigen fokproduct en stamt via Power, Combo en Allure uit een Valiant Star. Een tweelingzus van de Valiant Star is, via Gotthard, de grootmoeder van G.N. Marion 16 (v. van Burket-Falls Nox), de eerste excellente koe uit eigen fokkerij. Een ander eigen fokproduct, die op keuringen verscheen, is G.N. Anka 17 VG-87, een Jump-dochter uit een nazaat van Sas 29, een Stratos-broer van Sas 15.  Anka 17, niet te verwarren met die andere Anka, de Anker-dochter van Arfman en de voorbeeldkoe voor Harold Gijmink, die de nadagen van haar leven in Nieuwlande doorbracht en er een VG-88 dochter naliet. Ook in 2003 loopt in stal Gijmink een voorbeeldkoe, namelijk Schreur Janny 104 VG-87 (Tulip x Koerier 104 x Cleitus). Ze werd gefokt door Reurslag (Laren) en als kalf door broer Dennis opgespoord als huwelijkscadeau voor Sandra en Harold. Janny 104 kwam uit op de NRM en behaalde een finaleplaats tijdens de sterk bezette wintershow in Zwolle. ‘Het is een prachtkoe, de melk “dampt” er vanaf.’